Zwangerschapsverlof



Dovnload 57.36 Kb.
Datum20.05.2018
Grootte57.36 Kb.

/

MOEDERSCHAPSBESCHERMING-TOELICHTING
  1. Zwangerschapsverlof


Indien de werkneemster niet reeds uit het werk verwijderd was, moet de werkgever haar op haar vraag verlof geven ten vroegste vanaf de zesde week voor de vermoedelijke bevallingsdatum of vanaf de achtste week vóór deze datum wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. De werkneemster mag geen arbeid verrichten vanaf de zevende dag welke de vermoedelijke bevallingsdatum voorafgaat.

Op haar verzoek wordt de arbeidsonderbreking na de bevalling verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de periode waarin zij verder heeft gewerkt vanaf de zesde week voor de werkelijke bevallingsdatum of vanaf acht weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum in geval van meerlingzwangerschap.


  1. Zwangerschapsonderzoeken


De zwangere werkneemster, die de werkgever op de hoogte gebracht heeft van haar zwangerschap, heeft het recht om van het werk afwezig te zijn, met behoud van haar normaal loon, gedurende de tijd die nodig is voor de zwangerschapsonderzoeken, wanneer deze niet kunnen plaatsvinden buiten de arbeidsuren. De werkneemster moet de werkgever vooraf op de hoogte stellen van haar afwezigheid.
  1. Bescherming tegen ontslag


De werkgever kan een zwangere werkneemster niet ontslaan omwille van haar zwangerschap, vanaf het ogenblik dat hij werd ingelicht omtrent de zwangerschap tot een maand na het einde van de postnatale rustperiode.

Ontslag om redenen vreemd aan de zwangerschap kan wel doch de werkgever moet hiervan het bewijs leveren.


  1. Maatregelen bij gevaarlijke arbeid


Voor alle werkzaamheden die de betrokken werkneemsters aan een gevaar kunnen blootstellen, evalueert de werkgever de aard, de mate en de duur van de blootstelling teneinde de maatregelen vast te stellen die hij moet treffen. De werkgever moet onmiddellijk  een maatregel toepassen voor risico’s waaraan elke blootstelling moet worden verboden en waarvan de lijst bij KB is vastgesteld.
  1. Medisch onderzoek


De werkneemster op wie een maatregel van moederschapsbescherming wordt toegepast (aanpassing van werk of geen nachtarbeid), wordt gezien door de arbeidsgeneesheer  die zijn beslissing neerschrijft op het formulier voor de gezondheidsbeoordeling. Indien geen passend werk kan worden geboden, wordt de arbeidsovereenkomst van de betrokken werkneemster geschorst of wordt de persoon in overheidsdienst vrijgesteld van arbeid. Binnen de acht werkdagen na de werkhervatting is voor de betrokken werkneemster eveneens een medisch onderzoek voorzien.
  1. Uitkeringen bij gedeeltelijk arbeidsverbod wegens moederschapsbescherming


De werkgever moet indien mogelijk aangepast werk geven aan een zwangere werkneemster, in toepassing van de wet op de moederschapsbescherming door:

- behoud van het werk met uitsluiting van bepaalde deelactiviteiten of beperking van de mate of duur van blootstellig aan een risico

- ander passend werk

Hij is dan niet verplicht dezelfde arbeidsvoorwaarden aan te bieden (door verkorting van de totale arbeidsduur…).



Vergoedingen bij volledige arbeidsonderbreking wegens moederschapsbescherming

Het gewaarborgd maandloon wordt niet betaald door de werkgever bij arbeidsonderbreking in het kader van moederschapsbescherming.

De betrokkene ontvangt 78,237% (= 90% - 13,07% RSZ) van het gederfde begrensd brutoloon, uitbetaald door de ziekteverzekering.

Bij tijdelijke werkstop omwille van ziekte betaalt de werkgever wel een gewaarborgd maandloon.

Tijdens het gewone zwangerschapsverlof (zes weken voor de bevalling of acht weken in geval van meerling tot negen weken erna), gelden hogere uitkeringen: 30 dagen aan 82% van het onbegrensd brutoloon, daarna 75% van het begrensd brutoloon.

In geval van verwijdering tijdens borstvoeding in het kader van moederschapsbescherming ontvangt de werkneemster 60 % van het gederfde loon.


  1. Geen overwerk


Zwangere werkneemsters mogen geen overwerk (in de zin van art. 29,&2) verrichten.



Uittreksel uit de Arbeidswet van 16 maart 1971: art. 39 t/m art. 45

Art. 39.


Op verzoek van de werkneemster moet de werkgever haar verlof geven ten vroegste vanaf de zesde week vóór de vermoedelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week vóór deze datum wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. De werkneemster bezorgt hem ten laatste zeven weken vóór de vermoedelijke datum van de bevalling of negen weken vóór deze datum wanneer de geboorte van en meerling wordt verwacht, een geneeskundig getuigschrift waaruit deze datum blijkt. Zo de bevalling eerst plaats heeft na de door de geneesheer voorziene datum, wordt het verlof tot de werkelijke datum van de bevalling verlengd.

De werkneemster mag geen arbeid verrichten vanaf de zevende dag die de vermoedelijke datum van de bevalling voorafgaat tot het verstrijken van een periode van negen weken die begint te lopen op de dag van de bevalling.

Op haar verzoek wordt de arbeidsonderbreking na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder gearbeid heeft vanaf de zesde week vóór de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop de arbeid verricht werd tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat. De Koning kan in sommige periodes van schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst en sommige afwezigheden wanneer het gaat om personen die, anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon, met periodes van arbeid gelijkstellen.

Op vraag van de werkneemster wordt de periode van arbeidsonderbreking na de negende week verlengd met één week, wanneer de werkneemster ongeschikt is geweest om haar arbeid te verrichten wegens ziekte of ongeval gedurende de ganse periode vanaf de zesde week voorafgaand aan de werkelijke datum van de bevalling, of de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht.

Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de werkneemster de periode van arbeidsonderbreking na de negende week, eventueel verlengd overeenkomstig het bepaalde in het derde en vierde lid, verlengd met een periode van (maximaal) twee weken.

Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de werkneemster de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de werkneemster aan haar werkgever:



  • Bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;

  • In voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname.

De Koning bepaalt, na advies van de Nationale Arbeidsraad, de duur alsmede de voorwaarden en de nadere regelen waaronder, bij overlijden of hospitalisatie van de moeder, de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de afwezigheden bedoeld in dit artikel worden omgezet in een vaderschapsverlof voor de werknemer die de vader is. De Koning bepaalt in dit geval eveneens de bescherming tegen ontslag en de duurtijd waarop de werkneemster en de werknemer recht hebben.

Art. 39bis.


De zwangere werkneemster, die de werkgever op de hoogte heeft gebracht van haar toestand, heeft het recht om van het werk afwezig te zijn, met behoud van haar normaal loon, gedurende de tijd die nodig is om zwangerschapsonderzoeken te kunnen ondergaan, wanneer deze niet kunnen plaatsvinden buiten de arbeidsuren. Om gerechtigd te zijn op het loon, moet de werkgever vooraf op de hoogte zijn van haar afwezigheid.

Indien een collectieve arbeidsovereenkomst of het arbeidsreglement zulks voorschrijft, of bij ontstentenis van zodanig voorschrift, op verzoek van de werkgever, legt de werkneemster aan deze laatste een geneeskundig getuigschrift voor dat van haar afwezigheid rechtvaardigt.


Art. 40.


De werkgever die een zwangere werkneemster tewerkstelt, mag geen handeling stellen die ertoe strekt eenzijdig een eind te maken aan de dienstbetrekking vanaf het ogenblik waarop hij werd ingelicht omtrent de zwangerschap tot een maand na het einde van de postnatale rustperiode behalve om redenen die vreemd zijn aan de lichamelijke toestand als gevolg van de zwangerschap of van de bevalling.

De werkgever dient te bewijzen dat zulke reden voorhanden zijn. Op verzoek van de werkneemster stelt de werkgever haar er schriftelijk van in kennis.

Zo de ingeroepen reden tot staving van het ontslag niet beantwoordt aan het bepaalde in het eerste lid of bij ontstentenis van reden, zal de werkgever aan de werkneemster een forfaitaire vergoeding betalen welke gelijk is aan het brutoloon voor zes maanden onverminderd de vergoedingen aan de werkneemster verschuldigd in geval van verbreking van de arbeidsovereenkomst.

Art. 41.


Voor alle werkzaamheden waarbij zich een specifiek risico kan voordoen van blootstelling aan agentia, procédés of arbeidsomstandigheden, inzonderheid deze waarvan de lijst is vastgesteld door de Koning, evalueert de werkgever de aard, de mate en de duur van deze blootstelling ten einde ieder risico voor de veiligheid of de gezondheid, alsmede iedere terugslag op de zwangerschap of de lactatie van de werkneemster alsmede de gezondheid van het kind te beoordelen en teneinde vast te stellen welke maatregelen moeten worden genomen.

De diensten waaraan met deze toepassing van de wet van 10 juni 1952 betreffende de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, alsmede de salubriteit van het werk en van de werkplaatsen opdrachten inzake arbeidsveiligheid en –gezondheid zijn toevertrouwd worden betrokken bij de in het eerste lid bedoelde evaluatie.

De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels volgens welke de in dit artikel bedoelde evaluatie gebeurt.

Art. 41bis.


De bepalingen van de artikelen 42, 43 en 44 zijn van toepassing op de zwangere werkneemsters, van zodra zij hun werkgever op de hoogte hebben gebracht van hun toestand.

De bepalingen van de artikelen 42, 43, 43bis en 44 zijn van toepassing op de werkneemsters tijdens de lactatie, van zodra zij hun werkgever op de hoogte hebben gebracht van hun toestand.


Art. 42


§1. Wanneer er met toepassing van artikel 41 een risico is vastgesteld, neemt de werkgever, rekening houdend met het resultaat van de evaluatie, één van de volgende maatregelenaangepast aan de betrokken werkneemster zodat de blootstelling van de werkneemster aan dit risico wordt vermeden:

een tijdelijke aanpassing van de arbeidsomstandigheden of van de risicogebonden werktijden van de betrokken werkneemster;



  1. indien een aanpassing van de arbeidsomstandigheden of van de risicogebonden werktijden technisch of objectief niet mogelijk is om gegronde redenen redelijkerwijze niet kan worden verlangd, zorgt de werkgever ervoor dat de betrokken werkneemster andere in haar toestand toelaatbare arbeid kan verrichten;

  2. indien de overplaatsing technisch of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd, wordt de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de betrokken werkneemster geschorst of wordt de persoon wiens rechtspositie eenzijdig door de overheid is geregeld vrijgesteld van arbeid.

Voor risico’s waaraan elke blootstelling moet worden verboden en waarvan de lijst is vastgesteld door de Koning, moet de werkgever één van de in het eerste lid bedoelde maatregelen toepassen.

Eén van de in het eerste lid bedoelde maatregelen wordt eveneens toegepast wanneer de werkneemster een gevaar of aandoening aanvoert die met haar toestand verband houdt en aan het verrichten van de arbeid kan te wijten zijn, op voorwaarde dat de arbeidsgeneesheer tot wie zij zich richt een risico bedoeld in dit artikel vaststelt.

Onverminderd de bepalingen van artikel 43bis, moet de werkneemster zodra de periode waarvoor één van de in het eerste lid bedoelde maatregelen van toepassing is verstreken is, onder dezelfde voorwaarden als tevoren worden tewerkgesteld.

§2. De in §1 bedoelde maatregelen worden voorgesteld door de arbeidsgeneesheer of door een andere geneesheer in de ondernemingen waarin geen beroep op een arbeidsgeneesheer moet worden gedaan. De kosten zijn ten laste van de werkgever

§3. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels betreffende de toepassing van de in dit artikel bedoelde maatregelen.

Hij bepaalt tevens de voorwaarden en de nadere regels volgens welke de werkneemster de verklaring tot ongeschiktheid van de geneesheer kan betwisten.


Art. 43


§1. De werkneemsters mogen niet verplicht worden nachtarbeid te verrichten:

gedurende een periode van acht weken vóór de vermoedelijke datum van bevalling;

op voorlegging van een geneeskundig getuigschrift waarin de noodzaak daarvan in verband met de veiligheid of de gezondheid van de werkneemster of de gezondheid van het kind wordt bevestigd:

gedurende andere periodes tijdens de zwangerschap;

gedurende een periode van maximum vier weken die onmiddellijk volgt na de beëindiging van het verlof bedoeld in artikel 39, tweede lid.

In de gevallen bedoeld in het eerste lid neemt de werkgever één van de volgende maatregelen:

overplaatsing naar werk overdag;

wanneer de overplaatsing naar werk overdag technisch of objectief niet mogelijk is of om gegronde redenen niet kan worden verlangd, wordt de uitvoering van de arbeidsovereenkomst van de betrokken werkneemster geschorst of wordt de persoon wiens rechtspositie eenzijdig door de overheid is geregeld vrijgesteld van arbeid.

In afwijking van het tweede lid, 2., wordt aan de werkneemster evenwel het verlof bedoeld in artikel 39, eerste lid, toegekend vanaf de zevende week, vóór de vermoedelijke datum van de bevalling.

Onverminderd de bepalingen van artikel 43bis moet de werkneemster, zodra de periode waarvoor één van de in deze paragraaf bedoelde maatregelen van toepassing is verstreken is, onder dezelfde voorwaarden als tevoren worden tewerkgesteld.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder nachtarbeid verstaan, de arbeid die hoofdzakelijk wordt verricht tussen 20 en 6 uur.

De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels betreffende de toepassing van deze paragraaf.

§2. De bepalingen van §1 doen geen afbreuk aan de toepassing van gelijkwaardige of strengere waarborgen, bepaald bij een door de Koning algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.

Art. 43bis.


De werkneemster voor wie één van de in de artikelen 42 of 43 bedoelde maatregelen genomen werden en die bevallen zijn, moeten zo vlug mogelijk en uiterlijk acht dagen na het hervatten van het werk, een geneeskundig onderzoek ondergaan.

Naar aanleiding van dit geneeskundig onderzoek kan de geneesheer voorstellen dat één van de in artikelen 42 en 43 bedoelde maatregelen wordt toegepast, wanneer hij vaststelt dat er nog steeds risico is voor de veiligheid of de gezondheid van de betrokken werkneemster.

De Koning bepaalt de voorwaarden en de andere regels voor de toepassing van dit artikel.

Art. 44.


Zwangere werkneemsters mogen geen overwerk in de zin van artikel 29, §2 verrichten.

De Koning kan de bepalingen van hoofdstuk III, afdeling II, die de arbeidsduur betreffen, toepasselijk verklaren op de zwangere werkneemsters die niet onder die bepalingen vallen.


Art. 45.


(opgeheven)

Uittreksel uit het K.B. van 3 juli 1996 tot uitvoering van wet betreffende de verplichte verzekering
voor geneeskundige zorgen en uitkeringen: art. 239, 2°



Worden geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken bedoeld bij artikel 100 §1 van de gecoördineerde wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen:



2° De zwangere of de bevallen gerechtigde, of de gerechtigde die borstvoeding geeft, voor wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is geschorst of die van arbeid is vrijgesteld in toepassing van de artikelen 42, §1, eerste lid, 3°, 43, §1, tweede lid, 2° of 43bis, tweede lid van de arbeidswet van 16 maart 1971.



Voor de werkneemster die borstvoeding geeft, mag het tijdvak waarover zij geacht wordt de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken, evenwel geen periode overschrijden van vijf maanden vanaf de dag van de bevalling.

© Provikmo 2014,

Provikmo geeft u deze informatie op vrijwillige basis. Daarbij streven wij er steeds naar om dit op een zeer zorgvuldige manier te doen. Gelet op deze middelenverbintenis, kan op basis van deze informatie nooit de aansprakelijkheid van Provikmo vzw ingeroepen worden.



201409/Provikmo-B/886


Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina