Vrijwillige tijdelijke opvang van volwassenen en ouderen met een zorgvraag in Vlaanderen: een omgevings- en sterkte/zwakte- analyse



Dovnload 0.89 Mb.
Pagina7/15
Datum20.05.2018
Grootte0.89 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   15

Vergelijking met erkende semi-residentiële zorg

De semi – residentiële zorg waarbij het gaat om dagopvang, bestaat in het ouderenlandschap uit de dagverzorgingscentra en de centra voor kortverblijf. Recentelijk is er een innovatieve zorgvorm opgenomen in de regelgeving, de collectieve autonome dagopvang voor ouderen. Gastopvang wordt eveneens gesitueerd binnen de semi – residentiële zorg.



      1. Dagverzorgingscentra

De dagverzorgingscentra (DVC) ondersteunen de thuiszorg. In een dagverzorgingscentra wordt dagbesteding, zorg- en opvangmogelijkheid voorzien voor de behoevende oudere. De doelgroep wordt gevormd door ouderen die geen intense medische zorg nodig hebben, maar die vooral behoefte hebben aan reactivatie, verzorging of toezicht. Een DVC is vaak geïntegreerd in bestaande rust- en verzorgingstehuizen, zodat de gebruikers van de dagopvang mee kunnen genieten van de accommodatie van de residentiële voorziening. Erkende diensten gezinszorg en aanvullende thuiszorg zullen in de toekomst een erkenning kunnen aanvragen voor een dagverzorgingscentrum. De professionelen van de erkende dienst gezinszorg zullen dan gezinszorg kunnen aanbieden aan de bezoekers van dit dagverzorgingscentrum (E. Scheers, medewerker Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, persoonlijke communicatie, 5 september 2012).


Zoals hierboven beschreven is de invulling van de parameters ‘doelgroep’ en ‘soort zorg’, vergelijkbaar met het initiatief van gastopvang. Het grote verschilpunt hierbij is dat het bij een dagverzorgingscentra gaat om de opvang in een geïnstitutionaliseerde omgeving van een rust – en verzorgingstehuis. De omkadering van de huiselijke warmte en het meebeleven van de dagdagelijkse elementen in een gezin, verdwijnen hier naar de achtergrond. Het profiel van de zorgverleners is ook anders ingevuld, daar het om (para)medisch personeel gaat en in geen geval over (vergoede) vrijwilligers. Dit maakt opvang in een dagverzorgingscentra wezenlijk verschillend van gastopvang.

      1. Centra voor kortverblijf

Het kortverblijf (CVK) is een vorm van opvang voor ouderen, met als doel tijdelijk het thuismilieu van de oudere te ontlasten van de dagelijkse zorg (respijtzorg). De mantelzorger krijgt zo de mogelijkheid op even op adem te komen. Een CVK kan ook opgevat worden als een vorm van crisisopvang, wanneer de zorgvrager een tijdje meer zorg nodig heeft dan normaal. De centra voor kortverblijf maken deel uit van rust- en verzorgingstehuizen (woonzorgcentra). De opnameduur in een centra voor kortverblijf is beperkt. Het gaat om een periode van maximaal 60 opeenvolgende dagen en maximaal 90 dagen per jaar. De dienstverlening is er grotendeels hetzelfde als in het woonzorgcentrum of centrum voor herstelverblijf: verpleegkundige en hygiënische zorgen, gezins- en huishoudelijke hulp, revalidatie, activering, ontspanningsactiviteiten en sociale contacten met andere bewoners. Een CVK is een tussenschakel tussen thuis wonen met thuisverzorging en een permanent verblijf in een assistentiewoning of woonzorgcentrum. De leeftijdsgrens is bepaald op 65 jaar of ouder.


Het initiatief van gastopvang combineert de mogelijkheid van een dagverzorgingscentra en een centra voor kortverblijf, in de zin dat het zowel mogelijk is om overdag, ’s nachts als gedurende een korte, aaneensluitende periode te genieten van dit aanbod. Dit maakt één van de kerneigenschappen uit van gastopvang: de flexibiliteit van de zorgvorm.

      1. Collectieve Autonome Dagopvang voor ouderen (CADO)

De collectieve autonome dagopvang richt zich vooral op ouderen die zelfstandig genoeg zijn om niet te hoeven verhuizen naar een woonzorgcentrum, maar wel nood hebben aan verzorging. Het CADO gaat uit van ‘zorg op maat’: in de dagopvang genieten ouderen in kleinere groepen van goede zorgen en elkaars gezelschap. Het gaat enkel om opvang tijdens de dag, dus ’s avonds gaan de gebruikers terug naar huis. Men stelt nabijheid, huiselijkheid en kleinschaligheid centraal en beschouwt deze als succesfactoren voor het CADO – verhaal.


De wetgeving die CADO regelt , werd ondertussen principieel goedgekeurd door de Vlaamse regering, een definitieve goedkeuring werd verwacht midden september 2012. (E. Scheers, medewerker Vlaams Agentschap Zorg en gezondheid, persoonlijke communicatie, 5 september 2012).

Op verschillende sporen zien we duidelijk de vergelijkbaarheid met gastopvang.

Een eerste element hierbinnen is de kleinschaligheid die voorop staat. Dit om de individuele aandacht voor elke gebruiker garant te stellen. In de dagopvang wordt een kleine groep van 5 tot 10 mensen opgevangen. Door de kleine groepen blijft ‘zorg op maat’ gegarandeerd. De individuele benadering wordt zoveel als mogelijk nagestreefd, toch gaat het niet om de zuivere één-op-één begeleiding die bij gastopvang wel het geval is. De flexibiliteit van het CADO – initiatief vertaalt zich ook in de mogelijkheid voor iedere gebruiker om zijn dag naar eigen believen in te vullen. Er is geen vast dagprogramma waar iedereen zich moet inpassen.
Huiselijkheid is een tweede element dat deze semi – residentiële zorgvorm kenmerkt. CADO wordt georganiseerd in een niet – geïnstitutionaliseerde omgeving, namelijk opvang in een gewoon huis in de buurt van de ouderen. Dit maakt het grote verschil met de reguliere dagopvang in een rust – en verzorgingstehuis waar het wel gaat om geïnstitutionaliseerde zorg. De klemtoon bij CADO ligt zowel op verzorging als op samen – zijn.
De doelgroep vormt in theorie dezelfde doelgroep die aanvankelijk centraal stond bij gastopvang. CADO is vooral bedoeld voor ouderen die niet erg zorgbehoevend zijn, maar voor wie dagopvang vanuit socio – emotioneel standpunt wel belangrijk is. Het gaat vooral om ouderen die te maken krijgen met sociale exclusie, die niet van mantelzorg kunnen genieten of geen zinvolle dagbesteding kunnen waarmaken. Toch ziet men dat de groep dementerenden belangrijke klanten zijn van deze zorgvorm (Geeraert, 2009). Hier wil CADO zelf het onderscheid maken met de dagverzorgingscentra, die zich veeleer richten op zwaar zorgbehoevenden. Er wordt benadrukt dat de oorspronkelijke doelgroep van gastopvang dezelfde is, maar zoals al eerder gezegd toont de praktijk van gastopvang dat er een toeleiding is vanuit meerdere doelgroepen: personen met een handicap zijn hier een belangrijke bijkomende groep. Dit leidt ertoe dat de doelgroep van CADO enger wordt benaderd, doordat zij zich exclusief richten op ouderen.
Een belangrijk verschilpunt tussen CADO en gastopvang is de invulling van de hulpverleners. Daar het bij gastopvang gaat om zorg- en opvang door (vergoede) vrijwilligers, worden in de collectieve autonome dagopvang professionals ingeschakeld om de zorgen te verlenen. Men tracht wel een brug te slaan tussen CADO en de overige thuiszorgdiensten. CADO wordt namelijk georganiseerd door de thuiszorgdiensten waar de gebruikers ook in hun eigen thuisomgeving gebruik van maken.

    1. Vergelijking met andere semi – residentiële zorg

Een Centrum voor Herstelverblijf is een klassieke residentiële vorm van respijtzorg (‘centre-based’). Mensen die herstellen van een operatie in een ziekenhuis of herstellen van een zware aandoening of ongeval, kunnen in een centrum voor herstelverblijf terecht voor opvang, verzorging en revalidatie. De persoon verblijft er maximaal 60 dagen, tot men voldoende hersteld is om terug naar huis te gaan. De zorgverleners zijn in dit geval professionelen: artsen en verpleegkundigen staan in voor de lichamelijke verzorging en sociale assistenten of psychologen staan in voor de geestelijke verzorging. De klemtoon ligt op verzorging, revalidatie en bijstand bij de dagelijkse levenshandelingen. Een centrum voor herstelverblijf is toegankelijk voor alle leeftijdsgroepen.


Momenteel zijn er nog geen centra voor herstelverblijf erkend in Vlaanderen (RISIV).  Op Vlaams niveau zou er wel een erkenning zijn maar aan deze erkenning is geen financiering verbonden.

    1. Vergelijking met erkende ambulante zorg

Verschillende studies in verschillende landen tonen ook dat gemiddeld genomen thuiszorg goedkoper is dan residentiële zorg (Vandamme, e.a., 2010).


Wat volgt is een korte opsomming van de diensten die in het ouderenlandschap de ambulante zorg uitmaken. Heel vergelijkbaar met gastopvang is de ambulante oppashulp. In onderstaande wordt hier dan ook uitgebreider bij stilgestaan.

      1. De diensten voor gezinszorg, aanvullende thuiszorg, logistieke hulp en thuisverpleging

Deze diensten bieden gezinszorg, persoonsverzorging, huishoudelijke hulp en algemene psychosociale ondersteuning en begeleiding. De professionele verzorgende werkt een aantal uur thuis bij de zorgbehoevende. Daarnaast hebben de meeste diensten ook een aanbod voor poetshulp en karweihulp. Dit poetswerk gebeurt door niet – schoolde krachten vaak in het kader van tewerkstellingsprogramma’s of met dienstencheques (Vogels, 2009).


Logistieke hulp is bedoeld voor iedereen die in zijn thuissituatie, vanuit een bepaalde zorgbehoefte, nood heeft aan schoonmaak – of karweihulp. De medewerker van de dienst bepaalt, door middel van een sociaal onderzoek, de zorgbehoefte, de familiale en sociale situatie, de woonsituatie en de hulp die al ontvangen wordt door mantelzorger of professionele hulpverlener.
Een dienst voor thuisverpleging staat in voor de kwaliteit, samenwerking en continuïteit van thuisverplegers. Thuisverpleging gebeurt door professionals (verpleegkundigen) die medische zorgen verlenen. Naast verpleegkundige zorgen hebben de verpleegkundigen ook aandacht voor gezins- en sociale omstandigheden. Ze helpen de cliënten met preventie, gezondheidsvoorlichting en opvoeding. De doelgroep van thuisverpleging zijn alle personen die verpleging nodig hebben, bijvoorbeeld na een ziekenhuisontslag, of bij herstel van een ongeluk of een aandoening. Door de verpleging aan huis kan men ervoor zorgen dat de persoon in kwestie sneller het ziekenhuis kan verlaten en niet telkens naar zijn huisarts of andere zorgverlener moet stappen.
Als we de vergelijking maken met gastopvang op basis van de verschillende criteria zien we dat er weinig overeenkomsten zijn. Thuiszorg draait om professionele hulp (profiel van de zorgverlener) die ter plaatse wordt verleend, als zijnde de thuisomgeving van de zorgvrager (locatie). Hoewel voor sommige gebruikers het sociale aspect en het doorbreken van eenzaamheid, mogelijk, een onrechtstreekse motivator kan zijn om de ondersteunende diensten in te schakelen, is dat niet de ‘core’ business van thuiszorg. Het soort zorg dat zij verlenen is heel gericht naar ondersteuning van activiteiten van het dagelijkse leven en het toedienen van medische zorgen, beide vormen van ondersteuning die centraal staan bij gastopvang.
De doelgroep van gastopvang, na verruiming, is vergelijkbaar met de doelgroep van bovenstaande diensten, hoewel deze nog iets ruimer kunnen worden opgevat. Iedereen kan in principe, aanmerking komen voor thuis- en gezinshulp, logistieke hulp en thuisverpleging. Deze diensten kunnen ongeacht het tijdstip kunnen worden ingeschakeld (tijdstip), het gaat echter om zorg die op zeer efficiënte wijze en doelgericht wordt toegepast (duur).

      1. De regionale en lokale dienstencentra

Lokale dienstencentra bieden aan de bewoners in de buurt activiteiten aan om vereenzaming tegen te gaan en het sociale netwerk uit te breiden en te versterken. Daarnaast bieden lokale dienstencentra hulp en ondersteuning bij de activiteiten van het dagelijkse leven: warme maaltijden, voetverzorging, hulp bij boodschappen doen, buurthulp, minder mobiele personen vervoeren,…(Vogels, 2009).


Het regionaal dienstencentra werkt voor een ruimer geografisch gebied. Regionale dienstencentra hebben de opdracht groepsgerichte activiteiten te organiseren. Thema’s zoals het gebruik van hulpmiddelen in de thuiszorg, valpreventie, gezonde voeding, hart- en vaatziekten, kunnen onderwerp zijn van de activiteit. Daarnaast stellen zij ook technologie en hulpmiddelen ter beschikking. Een bijkomende opdracht bestaat eruit zorgbehoevenden te adviseren en te begeleiden bij de aanpassing van hun woning en ergotherapeutisch advies te geven aan gebruiker en mantelzorger. Als laatste zijn ze ook verantwoordelijk voor het patiëntgebonden overleg in complexe thuiszorgsituaties.
De opdracht van regionale en lokale dienstencentra komen in de buurt van mogelijke redenen om te kiezen voor het initiatief van gastopvang, namelijk, het doorbreken van eenzaamheid, het zoeken naar een zinvolle dagbesteding, het samenzijn met gelijkgezinden, het doorbreken van het sociaal isolement en het gevoel hebben ‘ergens te mogen zijn, ergens bij te horen’. Lokale en regionale dienstencentra schakelen ook vaak vrijwilligers in, ter ondersteuning van hun werking. De inbedding in de buurt van de zorgvrager verlaagd de drempel tot inschrijving in het initiatief (cfr. Gastopvang).

      1. Vereniging voor mantelzorgers en gebruikers

Er zijn 5 erkende verenigingen die de mantelzorgers en gebruikers ondersteunen en hun belangen verdedigen. Zij geven de mantelzorger advies over zijn rechten en over alle thema’s binnen de thuiszorg. Daarnaast inventariseren zij mogelijke problemen die ze dan doorgeven aan de verantwoordelijke overheden (Vogels, 2009).



      1. Diensten voor oppashulp

Hoewel de dienst voor oppashulp onder de noemer van de ambulante zorg valt, en het initiatief van gastopvang eerder een semi – residentiële zorgvorm is, blijkt oppashulp op veel parameters vergelijkbaar met de diensten voor gastopvang. Het gezelschap bieden staat, net zoals bij gastopvang, centraal. Er wordt toezicht gehouden bij afwezigheid van de mantelzorger of ter ondersteuning van de mantelzorger (respijtzorg). De doelgroep is eveneens vergelijkbaar. Het doelpubliek van oppashulp is heel heterogeen en op dat vlak niet gebonden aan beperkingen. Het decreet is ook duidelijk betreffende de afbakening van de doelgroep: “ De dienst maakt geen selectie wat doelgroepen betreft noch op basis van de financiële draagkracht van de gebruiker, tenzij de dienst zich prioritair richt op een toeleiding van gebruikers met een verhoogd risico op verminderde welzijnskansen”. In de praktijk wordt duidelijk dat sommige diensten binnen hun eigen werking specifieke doelgroepen afbakenen. Zij beschouwen oppashulp vaak als een aanvulling op de thuiszorg bij chronisch zieken, personen met een handicap en zorgbehoevende ouderen (Centrum voor thuiszorg, z.j.).



In beleidsdocumenten wordt aangegeven dat deze zorgvorm beroep doet op (vergoede) vrijwilligers. In die zin betalen de gebruikers enkel een onkostenvergoeding. Die onkostenvergoeding bedraagt maximaal €2,5/uur en €25/nacht2. Als een nachtoppas eindigt na 6 uur en een aanvang heeft genomen voor 22u, dan kan, samen met de nachtvergoeding, een onkostenvergoeding van maximaal 2,50 euro/uur worden gevraagd voor de uren die gepresteerd werden voor 22 uur. Op basis van gesprekken met Thuishulp West – Vlaanderen (L. Vereecke, medewerker Thuishulp West – Vlaanderen, persoonlijke communicatie, 5 juni 2012) blijkt dat deze vorm ook gedragen kan worden door professionelen. Overgangsbepalingen in het nieuwe woonzorgdecreet van 1 januari 2010 leggen echter vast dat de diensten voor oppashulp nog uitsluitend met vrijwilligers mogen werken. Professionele oppashulp kan alleen nog gesubsidieerd worden wanneer die aangeboden wordt door een erkende dienst voor gezinszorg en aanvullende thuiszorg.
Het takenpakket van de oppashulp bestaat uit een aantal kleine zorgtaken die tijdens het gezelschap houden noodzakelijk zijn. Voorbeelden hiervan zijn: in en uit bed helpen, hulp bieden bij verplaatsing in huis, toezicht houden bij de inname van medicatie, maaltijdbegeleiding, ondersteuning bij het wandelen en gezelschap bieden bij ontspanning,… Een gezelschapsdienst is geen poest- of klusjesdienst, er wordt noch verpleegkundige zorg of huishoudelijke hulp verleend. Als dit in het licht wordt gehouden van het takenpakket van een gastheer/gastvrouw zien we een vergelijkbare basis. De klemtoon ligt voornamelijk op het bieden van gezelschap, het doorbreken van de eenzaamheid, en dit in alle eenvoud van het leven van alledag. De flexibiliteit van de organisatie van oppashulp zien we ook terugkomen bij gastopvang. De oppas kan zowel overdag als ’s nachts worden georganiseerd. Er is wel een restrictie wat betreft de nachtoppas. De maximumgrens is hier 24 uur.
Een dienst reguleert en coördineert de vraag en het aanbod van deze opvangvorm. Naast deze kerntaak hebben zij ook een belangrijke doorverwijsfunctie. In het decreet is vermeld dat de dienst een samenwerkingsakkoord moet sluiten met minstens één andere erkende voorziening. Met deze voorziening worden afspraken gemaakt betreffende de verwijzingsmogelijkheden, organisatorische en logistieke ondersteuning en de continuïteit van de coördinatieopdracht. Als de hulpvraag buiten de wettelijke opdracht van de erkende dienst valt, dan zorgen zij voor een passende doorverwijzing. De dienst beschikt over een 0,5 equivalent coördinator, die beschikt over een bachelor of masterdiploma. Deze coördinator engageert zich in een professionaliseringstraject en moet, gespreid over een periode van maximaal 2 jaar, minstens 20 uur bijscholing volgen. Dit moet gaan over thema’s die voor de dienst en het initiatief van oppashulp, relevant zijn.
Het decreet stelt een aantal specifieke voorwaarden voor de erkenning van een dienst voor oppashulp. De erkende dienst moet per kalenderjaar 5000 uren vrijwilligersoppas kunnen aantonen en dit voor de regio waarvoor de dienst erkend is. Als de dienst erkend is voor de regio die bestaat uit een tweetalig gebied Brussel – hoofdstad, gaat het om 3000 uren vrijwilligersoppas in de desbetreffende regiogebieden. Hiertegenover staat een subsidie – enveloppe die bestaat uit: een basissubsidie van 11.887,39 euro voor de eerste 5000 uren vrijwilligersoppas in de regio waarvoor de dienst erkend is, of de eerste 3000 uren vrijwilligersoppas voor het tweetalig gebied Brussel – hoofdstad. Daarnaast wordt een forfaitair bedrag van 1,082 euro per uur vrijwilligersoppas, toegekend, dat het aantal uren overstijgt. Hier is een maximumgrens bepaald van 7000 uren vrijwilligersoppas.
Een belangrijk verschil tussen oppashulp en gastopvang is dat de opvang gebeurt in de thuisomgeving van de zorgbehoevende(n), terwijl bij gastopvang de thuisomgeving van de (vergoede) vrijwilliger ter beschikking wordt gesteld voor de opvang. Het voornaamste verschil is allicht dat oppashulp (nog) tijdelijk(er) van aard is dan gastopvang. Wie zich engageert voor het initiatief van gastopvang, gaat daarbij een engagementscontract aan, waarbij, zolang als beide partijen zich hier goed bij voelen, de continuïteit en de regelmaat in de contacten wordt nagestreefd. Het initiatief van oppashulp kan eerder gezien worden als een ‘babysit – dienst’ voor ouderen, waarbij het niet steeds gaat om een langdurig contact, tussen dezelfde zorgverlener en zorgvrager. Tijdens een gesprek met een gebruiker van zowel oppashulp als gastopvang werd duidelijk dat er binnen het initiatief van oppashulp toch wat hiaten aanwezig zijn, die een optimale werking van de dienst, belemmert (persoonlijke communicatie G. Coopman). Er zijn nog veel wachtlijsten die maken dat gebruik maken van de dienst, in acute situaties, niet mogelijk is. Lange wachtlijsten zorgen ervoor dat maanden tot een half jaar vooraf de hulp ingepland moet worden. Dit brengt de noodzakelijke flexibiliteit in het gedrang. Er wordt ook geen continuïteit gegarandeerd tussen de zorgvrager en de zorgverlener, dit maakt de (vertrouwens)band zeer tijdelijk van aard.



    1. Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina