Vrijwillige tijdelijke opvang van volwassenen en ouderen met een zorgvraag in Vlaanderen: een omgevings- en sterkte/zwakte- analyse



Dovnload 0.89 Mb.
Pagina6/15
Datum20.05.2018
Grootte0.89 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

Vergelijking met erkende residentiële woonzorgvormen

Een omgevingsanalyse van gastopvang vergt niet alleen een vergelijking met heel gelijkaardige zorgvormen, maar ook een blik op zorgvormen die zeer verschillend zijn.

De residentiële zorg binnen het ouderenlandschap bestaat uit een woonzorgcentrum, assistentiewoningen en het psychiatrisch verzorgingstehuis. Sinds het nieuwe woonzorgdecreet (2009) is een woonzorgcentrum de nieuwe benaming voor wat voordien gekend was als enerzijds een rustoord voor bejaarden (ROB) en anderzijds een rust – en verzorgingstehuis (RVT). Het verschil tussen beiden wordt bepaald door de graad van zorgbehoevendheid. In een ROB wonen senioren die minder zwaar behoevend zijn en weinig zorgen nodig hebben. De overheid wil de ROB’s steeds meer vervangen door andere woonvormen, zoals assistentiewoningen. In een RVT wonen ouderen die veel zorg nodig hebben. Deze plaatsen worden gereserveerd voor zwaar zorgbehoevenden.
Daarnaast is er huisvesting in een assistentiewoning (nieuwe benaming voor de vroegere serviceflats), men spreekt hier ook wel van ondersteund wonen. Een Nederlands term die stilaan opgang maakt, is aanleunwoning. Deze term benadrukt de onmiddellijke nabijheid van een woonzorgcentrum, een lokaal dienstencentrum, een dagverzorgingscentrum of een herstelverblijf. De zorg wordt hier extramuraal (buiten de instellingen) toegediend (Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, 2011). Op deze manier kunnen de bewoners genieten van de dienstverlening die daar geboden wordt. Het gaat dus om drie benamingen die ongeveer dezelfde lading dekken. Het psychiatrisch verzorgingstehuis krijgt ook een plaats binnen het residentiële luik. Het residentiële luik geldt voor volwassenen ouder dan 65 jaar, met uitzondering van het psychiatrisch verzorgingstehuis waar personen onder de leeftijdsgrens van 65 terecht kunnen (Vogels, 2009).
We vermelden kort de residentiële zorgvormen in de sector voor personen met een handicap: tehuizen werkenden, en tehuizen niet werkenden bezigheid en nursing.
In het kader van de residentiële zorg wordt de keuze gemaakt om de eigen thuis te verlaten, en in een collectieve woonzorg te gaan wonen. Qua locatie, samenleefverband, profiel van de zorgverstrekker, etc. zijn erkende residentiële woon(zorg)vorm daarom niet vergelijkbaar met gastopvang en is een verdere uitdieping niet noodzakelijk.

    1. Vergelijking met alternatieve residentiële woon(zorg)vormen

De voorbije jaren zijn verschillende andere residentiële zorgprojecten ontstaan als antwoord op het prangende tekort aan kwaliteitsvolle en betaalbare woongelegenheden enerzijds en als tegemoetkoming aan de wens van ouderen om zolang mogelijk in hun eigen thuis(omgeving) te kunnen blijven (‘ageing in place’). Aan het criterium van een vergelijkbare locatie (‘thuis’situatie) is wel voldaan.


Bij de hierna vermelde woon(zorg)vormen moet de zorg tussen haakjes worden geplaatst omdat zorg/ondersteuning niet structureel is ingebouwd. Het gaat bij deze vormen meer om types van huisvesting. In die zin verschillen ze dan ook van gastopvang, dat zich vooral kenmerkt door een bepaald aanbod van dagbesteding en permanentie. Bij gastopvang kan men tijdelijk samenleven onder één dak, maar dan als gastvrouw en gast, niet als gelijkwaardige eigenaars of huurders in een woongemeenschap. In die zin is de duur(zaamheid) van het samenleefverband dan ook verschillend.

We zien een grote diversiteit aan residentiële ‘privé’- initiatieven. We delen ze in, in drie grote groepen op basis van het samenleefverband tussen de bewoners.




  1. De eerste groep plaatsen we onder de noemer ‘groepswonen’. ‘Groepswonen’ biedt een sociale en meer betaalbare oplossing voor mensen die niet alleen of in een woonzorgcentrum willen wonen.

  2. Een tweede groep plaatsen we onder de noemer ‘zelfstandig wonen met zorg’. Het samenlevingsverband is bij deze categorie minder aanwezig dan bij de eerstgenoemde woonvorm.

  3. Een laatste groep kan men typeren als een ‘woongemeenschap’. In een woongemeenschap wordt er intensief samengeleefd met anderen.

In onderstaande voorbeelden worden de meest voorkomende woonvormen besproken. Er zijn veel gemeenschappelijke aspecten die deze wooninitiatieven verbinden, toch zijn er ook nuances te onderkennen. Soms is er sprake van een coördinator die de zorg op elkaar afstemt.
      1. Groepswonen, samenhuizen (‘cohousing’)

Er zijn grote variaties wat betreft het wonen in groep bij ouderen. Het uitgangspunt bij groepswonen is vaak een bewust kiezen voor gemeenschappelijkheid. De variaties die hier besproken worden, kunnen we plaatsen op een schaal van ‘gemeenschappelijkheid’ binnen het samenleefverband.


Naargelang de aard van de woonvorm, neemt het aantal gemeenschappelijke ruimtes toe. Dit zorgt ervoor dat er op regelmatige basis en op een informele manier contact ontstaat tussen de bewoners. In alle gevallen blijven er wel privé-vertrekken bestaan. Daarnaast kunnen we nog een ander onderscheid maken in de woonarrangementen. Er zijn woongemeenschappen waar uitsluitend ouderen wonen en woongemeenschappen waar meerdere generaties samenwonen, in dat geval spreekt men van intergenerationeel wonen. Voorbeelden die besproken worden onder de noemer groepswonen zijn, ‘cohousing’, ‘centraal wonen’, ‘abbeyfieldhuizen’, en ten slotte‘ gestippeld wonen en harmonica wonen’. Sommige initiatieven binnen groepswonen maken gebruik van professionele hulpverleners die het wonen ondersteunen en hulp kunnen bieden waar nodig (Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, 2011). In deze gevallen spreekt men van ondersteund groepswonen (De Witte, e.a, 2012).
Bij het concept van ‘cohousing’ heeft elke bewoner zijn eigen woning. Naast deze aparte woonentiteiten zijn er heel wat gemeenschappelijke ruimtes in gebruik, zowel binnenshuis als buitenshuis. De bewoners gebruiken bijvoorbeeld samen het terras, de tuin, werkplaatsen… en beschikken daarnaast ook over een grote leefkamer en een uitgeruste keuken, om samen tijd door te brengen. Veel cohousing - projecten zijn opgezet vanuit een bepaalde levensvisie, zoals ecologie of spirituele verbondenheid. Er gaat vaak veel aandacht uit naar de samenstelling van de groep, gezien het intense contact onderling. Er is veel aandacht voor sociale relaties. Cohousing onderstreept het sociaal engagement naar elkaar toe. Er worden gezamenlijke activiteiten georganiseerd. Men is ook samen verantwoordelijk voor bijvoorbeeld het onderhoud van de gemeenschappelijke ruimtes. Bij deze woonvorm is er aandacht voor privacy maar de factor van gemeenschappelijk leven is toch duidelijker aanwezig dan bij andere woonvormen. Elkaar helpen is het uitgangspunt van cohousing. De onderlinge solidariteit is groot. En hoewel de zorg niet structureel ingebouwd is, is er meer bereidwilligheid naar elkaar toe. Men spreekt in dit kader ook vaak van burenhulp (Kenniscentrum woonzorg Brussel, 2012). Wat het project ‘zorgburen’, dat later in dit rapport wordt besproken, op een eerder artificiële wijze, tracht te bewerkstelligen, is bij cohousing - projecten eerder een uitgangspunt.
Voorbeeld : Abbeyfieldhuizen

Het abbeyfieldconcept is een woonformule waarbij een aantal mensen besluiten om samen in één huis te wonen. Er is sprake van een eigen ruimte waarbinnen het privéleven gewaarborgd wordt. Tussen de bewoners bestaat een gevoel van verantwoordelijkheid voor elkaars welzijn. Zo wordt wederzijdse hulp en ondersteuning mogelijk. Binnen deze formule worden bepaalde ruimten en/of voorzieningen gedeeld. Kleinschaligheid staat centraal (Davey, e.a., 2004, in Stavenuiter & Van Dongen, 2008). Er is geen professionele verzorging ingebouwd in dit woonconcept. Er kan gebruik gemaakt worden van thuiszorgdiensten waarbij de professionele zorg wordt ingekocht door de bewoners zelf. Wel is er sprake van mantelzorgfuncties, in dit geval dan niet door een familielid maar door een vrijwilliger. Met grote zorg worden nieuwe bewoners geselecteerd door de bewonersraad. Deze selectie gebeurt op basis van behoeften en matching met de reeds aanwezige bewoners.


Voorbeeld : Centraal wonen

Bij centraal wonen is de gemeenschappelijke component iets minder intensief. Het is vooral de organisatie van de woonentiteiten ten opzichte van elkaar dat centraal wonen zo bijzonder maakt. Hierbij staan een aantal private huizen rond een gemeenschappelijke tuin of binnenplaats, eventueel delen de bewoners ook een garage, wasruimte of andere voorzieningen. Het gaat om een groep die een eigen entiteit in de buurt vormt. Bij centraal wonen blijft je eigen woning het centrum van je sociale leven, maar er ontstaat automatisch veel contact met de buren. Het gaat om een intergenerationele groep, ouderen en jongeren wonen en leven samen. Door de organisatie van de woningen, kenmerkt centraal wonen zich met beslotenheid. Dit zorgt voor een groter gevoel van veiligheid en sociale controle. Opnieuw gaat het hier om een woonvorm en niet om een woonzorgvorm. Toch is centraal wonen ideaal voor het verstekken van informele zorg, in de zin van burenhulp (Kenniscentrum woonzorg Brussel, 2010).


Voorbeeld : Gestippeld wonen en harmonica wonen

Gestippeld en harmonica wonen zijn manieren van samenwonen met veel ruimte voor de eigen privacy. Beiden vormen worden vaak verward met elkaar, ook al zijn dit twee verschillende gemeenschappelijke woonvormen. Het onderliggend concept van deze woonvormen is zeer gelijkend aan abbeyfieldhuizen. Specifiek hieraan is de ruimtelijke ordening, met name de verspreiding van de ouderen in het wooncomplex en de menging met andere generaties die eveneens hun huisvesting vinden in hetzelfde gebouw (intergenerationeel wonen). Bij een stippelwoning wonen de bewoners verspreid (gestippeld) over heel het gebouw. Er is een gemeenschappelijke ruimte die kan gebruikt worden als wijkcentrum. De ruimtelijke indeling bij harmonica wonen is iets anders georganiseerd. In een harmonicawoning zijn de leden van de groep ‘geclusterd’ in ruimtelijke zin. Dit zorgt ervoor dat er minder sociale controle is bij gestippeld wonen dan bij harmonica wonen. Leden van gestippeld wonen zullen elkaar bewuster moeten opzoeken. Het harmonicamodel geeft meer kans op toevallige ontmoetingen. Informele zorg wordt hierdoor eveneens bewerkstelligd (Stuurgroep experimenten volkshuisvesting, 2008). Voor professionele zorg kan de groep niet instaan, maar dit kan wel samen georganiseerd worden. Het zijn flexibele varianten van gemeenschappelijk wonen. De groepen kunnen moeiteloos krimpen en groeien, waardoor het risico van leegstand ondervangen wordt. Vooraf spreekt de groep met de eigenaar van het gebouw het recht op coöptatie af. Zo kunnen ze zelf bepalen wie er in een vrijgekomen appartement intrekt (Kenniscentrum woonzorg Brussel, 2012).



      1. Zelfstandig wonen met zorg

Zowel bij ‘groepswonen’ als bij ‘zelfstandig wonen met zorg’ is er sprake van een zeker behoud van zelfstandigheid. Het verschil met groepswonen is dat bij ‘zelfstandig wonen’ meer sprake is van afgescheiden woonentiteiten. Gemeenschappelijke ruimtes of gemeenschappelijk georganiseerde zorg zijn niet noodzakelijk aanwezig. Het gaat in principe om een vorm van zelfstandig wonen met voldoende zorg bij de hand.


Voorbeeld : kangeroewoningen en Duplexwonen
Bij Kangeroewonen en duplexwonen kiest men zijn naaste buur zelf. Kangeroewonen en duplexwonen houdt in dat een jong gezin of een jongere alleenstaande samenwoont met een oudere persoon of een ouder echtpaar (Jonckheere, e.a., 2007, in Stavenuiter & Van Dongen, 2008). Verschillende generaties wonen dus samen onder één dak, maar wonen apart. Op die manier worden seniorengetto’s vermeden en wordt het isolement van senioren doorbroken (Van Damme e.a., 2010; Emmery, Luyten & Jennes, 2010). In sommige gevallen is er een interfoon die toelaat om noodsituaties onmiddellijk te melden en hulp te vragen. Dit verhoogt het gevoel van veiligheid. De doelstelling is dat de gezinnen elkaar ondersteunen op vrijwillige basis. De ouderen kunnen op de kinderen passen of bijles geven, de jongere gezinnen kunnen boodschappen doen of klusjes opknappen. Er geldt een minimumleeftijdsgrens bij deze woonvorm. Het oudere koppel moet een minimum leeftijd van 60 jaar hebben (De Witte, e.a., 2012). Het verschil tussen duplexwonen en kangeroewonen bestaat erin dat er bij de eerste vorm sprake is van een familieband tussen de oudere en jongere bewoner(s), terwijl dit bij kangeroewonen niet zo is (De Witte, e.a., 2012). Er zijn een aantal voordelen verbonden aan deze woonvormen. Enerzijds de hechte band die er vaak groeit na een tijdje. Beide partijen die elkaar ervaren als een tweede familie. Anderzijds een verminderd risico op sociaal isolement en vereenzaming in het geval van de oudere perso(o)n(en) (Kenniscentrum woonzorg Brussel, 2012). Bijkomend biedt kangeroewonen ook een vorm van veiligheid: er is altijd iemand in de buurt. In die zin is er toch wel wat zorgaandacht naar beide partijen toe, toch is ook bij deze woonvormen geen sprake van structurele zorg. Als de oudere op regelmatige basis zorgen nodig heeft, zal deze een beroep dienen te doen op gezins- en thuiszorgdiensten.

      1. Woongemeenschap

In een woongemeenschap leven de bewoners onder één dak en samen met elkaar. De bewoners hebben een eigen kamer maar de activiteiten van het dagelijkse leven gebeuren (vaak) in groepsverband. Binnen de groep van een ‘woongemeenschap’ plaatsen we het relatief zelfstandig samenwonen van een ouderengroep (woongroep van ouderen) met daarbij een keuze voor het onderling ‘zorgen voor elkaar’. Langs de andere kant behoort hier ook het ‘kleinschalig genormaliseerd wonen’ toe. Dit kan gezien worden als een alternatieve residentiële woonzorgvorm waarin de zorg, in tegenstelling tot voorgaande initiatieven, wel structureel is ingebouwd. De reden hiervoor is de doelgroep van deze woonzorgvorm, namelijk dementerende ouderen.


Voorbeeld : Woongroep van ouderen

Een woongroep van ouderen is een zeer bewuste keuze en vraagt een grote betrokkenheid. Men kan het vergelijken met een studentenhuis. Het gaat om een samenleven in een gemeenschap waar men bewust voor elkaar kiest en bewust kiest voor een intensieve vorm van gemeenschappelijkheid.

In een woongroep van ouderen gaat het doorgaans om een kleine groep van drie tot vijf ouderen. Het vertrekpunt is dat ze samen leven en voor elkaar zorgen. Het gaat vooral over hulp bij activiteiten van het dagelijkse leven (ADL) en in geen geval over medische over persoonlijke verzorging. Voorbeelden hiervan zijn: elkaar helpen bij de inkopen, koken, het huishouden te doen,…
Iedere bewoner heeft zijn eigen slaapkamer die naar eigen believen wordt ingericht. Alle andere ruimten, zoals woonkamer, keuken, badkamer en sanitair zijn gemeenschappelijk. Samenleven met andere, in deze vorm, veronderstelt een aantal basisprincipes: verdraagzaamheid, solidariteit en regelgeving (afspraken). Een vrijwilliger of een professionele medewerker van een inrichtende organisatie kan hierbij ondersteunen. Deze begeleider komt op regelmatige tijdstippen langs en evalueert (overlopen van de afspraken, zoeken naar oplossingen en helpen bijsturen), samen met de bewoners de gang van zaken. Daarnaast kunnen er ook, onder leiding van de begeleider, groepsactiviteiten worden georganiseerd.
Voorbeeld : Kleinschalig genormaliseerd wonen

Het kleinschalig genormaliseerd wonen (KGW) is een residentiële woonvorm die zo dicht mogelijk de (normale) thuissituatie benadert. Deze woonzorgvorm is een opgezette combinatie van wonen en zorg, verzorging en 24-uurs begeleiding die geïntegreerd is in een zo normaal mogelijke woonomgeving. De doelgroep zijn psychogeriatrische en demente personen. Het gaat om kleinschalige projecten, in de zin van eenheden bestaande uit 6 tot 16 personen. Op die manier kan er individueel gerichte zorg en aandacht worden verleend. De bewoners worden zoveel mogelijk gestimuleerd tot zelfzorg en zelfstandigheid. Er wordt niet meer zorg geboden dan nodig is, maar ook niet minder. De gezamenlijke huishouding geeft structuur aan het leven. De tijden van eten en opstaan kunnen variëren, hierdoor krijgt het leven in deze projecten een ongedwongen en natuurlijk verloop (Declercq, Van Audenhove e.a., 2007). De huiselijke en warme sfeer staat centraal. De aanvankelijke doelgroep zijn zwaar zorgbehoevende personen met een beginnende, matige tot zware vorm van dementie. Deze zorgvorm vervangt niet de thuiszorg, een opname in een KWG is pas aan de orde als de zorgbehoefte van de oudere te groot wordt om thuis nog te kunnen inlossen. Men streeft ook hier naar een zolang mogelijk verblijven in de eigen thuisomgeving. Het zorg op maat kunnen bieden en de kwaliteit van leven garanderen zijn hier de belangrijkste onderliggende denkkaders. De zorg is flexibel en wordt in relatie met de persoon in kwestie bepaald met aandacht voor de bewoner en zijn leefgewoonten.


Wat het KGW typeert en waarin we gelijkaardige sporen kunnen trekken naar gastopvang is het vooropstellen van de kwaliteit van leven in plaats van de kwaliteit van zorg. “In het genormaliseerde woonconcept verschuiven de strikt medisch-therapeutische doelen ('cure') naar de achtergrond. Men streeft er naar het verstrekken van zorg ('care') die de kwaliteit van wonen en leven bevordert. Goede verpleegtechnische zorgen worden er vooral beschouwd als een randvoorwaarde voor het realiseren van een goede kwaliteit van leven.” (Lucas, stapstenen naar kleinschalig genormaliseerd wonen, 2007, p. 21). Er wordt naast professionele zorgverleners gebruik gemaakt van vrijwilligers en er blijft een nauwe samenwerking bestaan tussen familieleden van de desbetreffende zorgvrager. Hun rol als mantelzorger eindigt niet wanneer de persoon wordt opgenomen binnen het initiatief van kleinschalig genormaliseerd wonen.
Een laatste en belangrijke pijler binnen KGW is de inbedding in de buurt. KGW wordt letterlijk gedragen door de omringende leefgemeenschap. Het maakt er deel van uit. De mensen die wonen in het KGW nemen deel aan de sociale, culturele en sportactiviteiten én mensen uit de buurt, de wijk, het dorp of de gemeente komen spontaan op bezoek. Het doel van dit groepswonen is vergelijkbaar met de doelstelling van gastopvang: ouderen binnen de sfeer van een (familie) huis samenbrengen.




    1. Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina