Vrijwillige tijdelijke opvang van volwassenen en ouderen met een zorgvraag in Vlaanderen: een omgevings- en sterkte/zwakte- analyse



Dovnload 0.89 Mb.
Pagina5/15
Datum20.05.2018
Grootte0.89 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

Figuur 2: Verdeling doelgroepen zorgboerderijen (Jaarverslag Steunpunt groene zorg, 2010).

Cijfergegevens tonen dat de doelgroep ouderen de kleinste doelgroep vormt voor de zorgboerderijen met een aandeel van 4,6% (Enquête Groene zorg, 2006). Roelof (E. Roelof, medewerker steunpunt groene zorg, persoonlijke communicatie, 1 maart 2012) stelt dat het jaar 2010 goed was voor een instroom van 5% ouderen, verspreid over gans Vlaanderen. Een mogelijke verklaring hiervoor kan zijn dat het activatieprincipe centraal staat binnen het concept van de zorgboerderij. Het is de bedoeling dat de gast zich op één of andere manier nuttig maakt op de boerderij. Dit gegeven wordt in onderstaande nog verder uitgediept. Een andere mogelijke verklaring is dat er sprake moet zijn van drie actoren om gebruik te kunnen maken van de zorgboerderij. Een eerste actor vormt het ‘steunpunt groene zorg’ , een tweede actor is de zorgvrager zelf, en een derde actor is een dienst die de begeleiding van de zorgvrager op de zorgboerderij op zich neemt. Er kunnen dus geen individuele aanvragen worden gesteld gezien de zorgvrager verbonden/gekend moet zijn aan/bij een begeleidende dienst. In het geval van een oudere persoon kan dit gaan om een dienst thuiszorg. Een bijkomende moeilijkheid voor de doelgroep ‘ouderen’ is de mobiliteit. De verplaatsing van en naar de zorgboerderij kan als een drempel worden ervaren door de senioren. De minimale af te leggen afstand bedraagt 5 km, meestal buiten de bebouwde kom, een afstand die men niet altijd op eigen kracht of via het openbaar vervoer kan overbruggen.


Het zorgaanbod neemt diverse vormen aan, van dagbesteding, opvang, tewerkstelling als re-integratie of arbeidszorg tot therapie in de vorm van relaxatie, persoonlijkheidsontwikkeling of het aanleren van sociale vaardigheden. Er bestaan zeer uiteenlopende mogelijkheden van hulpverlening en diverse vormen van landbouwbedrijven.
Hassink en Ketelaars (2003) geven een overzicht van de eigenschappen van zorgboerderijen. Een aantal eigenschappen zijn vergelijkbaar met gastopvang. Hassink en Ketelaars (2003) benoemen de sfeer op een zorgboerderij als ‘niet – medisch’. Men werkt, pauzeert, eet en leeft samen met anderen zoals in het dagelijkse leven. De gesprekken zijn losser en niet gericht op ziekte en gebrek. Er worden activiteiten gezocht die de gast kan en waarbij zijn verantwoordelijkheid wordt aangesproken. Men maakt deel uit van een sociale gemeenschap, de boer, het gezin, de leveranciers, de klanten, de veearts etc.
De zorgboerderijen profileren zich echter zelf niet als ‘idyllische’ louter sociaal gerichte leefgemeenschappen. De meeste zorgboerderijen zoeken een win – win situatie. Het is de bedoeling dat de gast zich op één of andere manier nuttig maakt op de boerderij. De zorgvragers worden gezien als volwaardige collega’s. Daarbij wordt rekening gehouden met ieders individuele mogelijkheden, behoeften en interesses (Maertens & Speecke, 2002). De zorgvragers worden in het merendeel van de gevallen ingeschakeld in het commerciële productiedeel, bij een minderheid staat de zorg centraal en wordt de productie ondergeschikt gemaakt. Ampe (2008) stelt in haar masterproef dat het belangrijkste negatieve effect van zorgboerderijen is dat ze ‘betere’ deelnemers langer vasthouden, omdat deze het meest productief zijn. Bijgevolg wordt de toegang voor minder sterke zorgvragers beperkter.
Een aantal belangrijke pijlers die de doorsnede vormen tussen de zorgboerderij en gastopvang zijn: de aanwezigheid van een persoon in zijn eigenheid zoals die is in zijn natuurlijke omgeving, inclusie in de samenleving, vergroter van het sociaal netwerk en de kleinschaligheid. Een verschilpunt is dat bij de zorgboerderijen de klemtoon bijkomend ligt op de noodzakelijke werkzaamheden en de duidelijke scheiding tussen wonen en werken. Deze vormen geen uitgangspunt bij een zorginitiatief als gastopvang.
Roelof (E. Roelof, medewerker steunpunt groene zorg, persoonlijke communicatie, 1 maart 2012) geeft aan dat er op vlak van begeleiding nog een ander verschilpunt zou zijn tussen beide zorginitiatieven. Terwijl op de zorgboerderij de 1- op -1 begeleiding tussen zorgverlener en zorgvrager grotendeels centraal staat, zou de klemtoon bij gastopvang nog meer liggen op het ‘samen zijn’ met gelijkgezinden. In de actieve gastgezinnen zien we dat dit ‘samen zijn’ met gelijkgezinden echter eerder een uitzondering is.
Literatuur geeft aan dat het profiel van de vrijwillige zorgboer(in) er vaak één is met een achtergrond in de gezondheid- of welzijnssector. J. Truyers (medewerker OKRA, persoonlijke communicatie, 27 februari 2012) volgt dit denkspoor. Het wordt beaamd door de medewerker van het Steunpunt Groene Zorg (E. Roelof, medewerker steunpunt groene zorg, persoonlijke communicatie, 1 maart 2012). Omdat zorg- of begeleidkundige kwalificaties niet vereist zijn in de zorgboerderijen, kunnen we niet van professionele opvang spreken. Zorgboeren/-innen blijven vrijwilligers die enkel een vrijwilligersvergoeding krijgen, grotendeels als compensatie voor het verlies in productie.

      1. 1.4.3. Pleegzorg, wonen onder begeleiding van een particulier en logeeropvang

Niet onder het Woonzorgdecreet, maar (pas recent) onder het Pleegzorgdecreet gebracht, bevinden zich de diensten voor Pleegzorg en Wonen onder Begeleiding van een Particulier (WOP). Beide zorgvormen werden bij het schrijven van deze tekst nog gesubsidieerd door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH).


Pleegzorgdiensten met een erkenning binnen de sector VAPH gelden als een ambulante vorm van ondersteuning voor particulieren (mantelzorgers zoals broers of zussen) en vrijwilligers die een duurzame opvang willen bieden voor kinderen, jongeren of (ouder wordende) volwassenen met een handicap. De vrijwilliger vangt het kind, de volwassene of oudere op in de eigen woonomgeving. Een pleeggezinnendienst zorgt via thuisbezoeken voor de nodige ondersteuning aan de pleegouder. Op deze opvang staat geen tijdslimiet, zodat het onderscheidende criterium t.a.v. gastopvang in deze veelal de duur van de opvang is.
De doelgroep van de pleegzorgdiensten was in 2007 in 12% van de gevallen ouder dan 65 jaar. Het gaat om een relatief beperkt aantal personen (66 personen in 2007). Het aandeel personen tussen 50 en 65 jaar bedroeg 23% (125 personen). Binnen deze populatie kan er een sterke weerstand zijn ten opzichte van residentiële settingen, waardoor men levenslange ondersteuning wil bieden (Themagroep ‘Ouder wordende personen met een handicap’, 2005). Men ontwikkelt doorgaans een duurzame band met de pleegouder, waardoor het thuisgevoel hier dan ook sterk aanwezig is.
Wonen onder begeleiding van een particulier (WOP) is een vorm van pleegzorg voor personen met een handicap die zelfstandiger leven aankunnen. In dit geval woont de persoon met een handicap zelfstandig, met begeleiding van een niet-professionele hulpverlener. Ook hier biedt de pleeggezinnendienst ondersteuning. Binnen deze zorgvorm was in 2007 7% ouder dan 65 jaar (12 personen) en 33% tussen 50 en 65 jaar (57 personen). Uit een studie in West-Vlaanderen blijkt dat de vrijwilliger die de persoon met een handicap ondersteunt, vaak zelf ouder is dan 50 jaar (Themagroep ‘Ouder wordende personen met een handicap’, 2005). Wanneer de zorg te zwaar wordt om volledig op te nemen, is een andere zorgvorm (bv. semi-residentiële zorg zoals een dagcentrum) aangewezen.
Binnen de diensten voor pleegzorg en WOP lopen verschillende logeerprojecten, waarbij de opvang tijdelijk van aard is. Deze logeerprojecten zijn dan ook zeer vergelijkbaar met gastopvang.

Oikonde Antwerpen startte in 2010 met het zorgvernieuwingsproject ‘logeren in een logeergezin’ en kreeg hiervoor projectmiddelen vanuit het Vlaams Agentschap voor personen met een handicap (VAPH). De pleeggezinnendienst is nauw betrokken bij de selectie, de voorbereiding en de begeleiding van de (kandidaat) logeergezinnen en de zorgvragers en hun netwerk.


Het werken met logeergezinnen is een vorm van tijdelijke en afgelijnde pleegzorg. Logeergezinnen vangen kinderen en volwassenen met een handicap op die nog in een gezinsverband wonen, gedurende een afgesproken periode. Werken met een logeergezin sluit sterk aan bij de bestaande formules van kortopvang en logeerfunctie binnen voorzieningen (geïnstitutionaliseerde zorg). Het wezenlijke verschil is dat de opvang gebeurt binnen een gezinscontext, met de ondersteuning van een dienst voor pleegzorg. Het kunnen aanbieden van opvang binnen een familiale en huiselijke sfeer vormen een belangrijke pijler binnen deze formule. Deze visie is zeer vergelijkbaar met die van gastopvang.
De doelgroep van logeerzorg bestaat voornamelijk uit kinderen met een handicap. Toch komen ook volwassenen en ouderen in aanmerking om gebruik te maken van deze zorgvorm. De voorwaarde die men hier stelt is dat de zorgvrager nog in gezinsverband (ouderlijk gezin, pleeg-of gastgezin) moet wonen.
Ook in deze zorg – en opvangvorm zien we het principe van flexibiliteit sterk terugkomen. Het kan gaan over opvang van een dag in de week, één weekend per maand, tot enkele weken gedurende vakantieperiodes (…). De periode van logeren wordt vooraf afgesproken en men probeert continuïteit te waarborgen door de logeerzorg te realiseren op regelmatige basis.
Een logeergezin kadert binnen het gegeven van respijtzorg. Het heeft de doelstelling preventief op te treden zodat de draagkracht van de mantelzorger behouden blijft en anderzijds curatief, door de draagkracht terug op te bouwen, om zo de dagdagelijkse zorg voor kind en volwassene met een handicap verder te kunnen opnemen.
Het profiel van de directe zorgverlener is die van een vrijwilliger. Het VAPH betaalt aan de logeergezinnen, via de plaatsingsdienst, een dagprijs uit1. Jongeren onder de 21 jaar moeten nooit een financiële bijdrage aan het logeergezin betalen, ook niet als de minderjarige inkomsten zou verwerven. De dienst voor pleegzorg voorziet steeds een volledige dagvergoeding. Voor volwassenen wordt dit anders ingevuld. De gast zal zelf een financiële bijdrage dienen te leveren in de kosten. De bijdrage wordt telkens individueel berekend aan de hand van het inkomen en andere tegemoetkomingen. De vergoeding is afhankelijk van de ernst van de handicap. Gemiddeld is dit €20/12uur. Er moet telkens een overnachting plaatsvinden, zo niet is er geen sprake van logeerzorg en wordt er geen vergoeding voorzien. (M. Van Lint, coördinator dient voor pleegzorg, Oikonde, persoonlijke communicatie, 4 oktober 2012).
Om gebruik te kunnen maken van logeerzorg moeten zorgvragers een erkenning hebben vanuit het VAPH voor de zorgvorm ‘pleegzorg’. Het logeergezin krijgt via het VAPH een dagvergoeding om de onkosten voor het logement te dekken. Logeerzorg kan niet gecombineerd worden met andere zorgvormen die worden gefinancierd door het VAPH (MPI, thuisbegeleiding,…).

      1. Regelgeving Diensten Pleegzorg

Sinds 20 juni 2012 werd in het Vlaams Parlement het intersectoraal decreet op de pleegzorg goedgekeurd. Dit decreet zal in werking treden vanaf 1 juli 2013. In onderstaande worden de grote krachtlijnen van het nieuwe decreet omschreven, in het licht van de vergelijkbaarheid en de verschillen met de regelgeving omtrent ‘gastopvang’, zoals opgenomen in het woonzorgdecreet.



De achterliggende visie van de nieuwe regelgeving over pleegzorg is het beogen van een versterkt, gedifferentieerd, meer afgestemd en gestroomlijnd aanbod van pleegzorg. Met het nieuwe decreet, wordt meer als voorheen, het belang van het kind, de continuïteit en de stabiliteit als uitgangspunt genomen.
Pleegzorg wordt in het nieuwe pleegzorgdecreet omschreven als: “Een vorm van zorg waarbij een pleegzorger, onder begeleiding van een dienst voor pleegzorg en tegen een kostenvergoeding, een of meerdere pleegkinderen en/of pleeggasten opvangt in het eigen gezin. Pleegzorg heeft als doel zorg, ondersteuning, en – indien nodig – behandeling te bieden aan pleegkinderen en pleeggasten die niet of niet permanent in een eigen gezin kunnen verblijven of autonoom kunnen wonen. Pleegzorg biedt hun al dan niet tijdelijk en al dan niet onderbroken, een gezinsverband aan dat bijdraagt tot hun ontwikkeling, ontplooiing, herstel, resocialisatie en/of integratie.”
Bij pleegzorg engageert een gezin zich voor korte of lange tijd om kinderen, jongeren of volwassenen, die niet in het eigen gezin kunnen blijven of waarvoor er geen eigen gezin (meer) is, in een ander gezinsverband op te vangen, en dit onder professionele begeleiding van een dienst voor pleegzorg. Pleegzorg wordt benoemd als ‘paraprofessionele zorg’, waarmee bedoeld wordt dat er een combinatie is van informele zorg in een pleeggezin, en ondersteuning van professionele begeleiding door een pleegzorgdienst.
Het voorstel van decreet onderscheidt hierbij twee vormen van pleegzorg: netwerkpleegzorg en bestandspleegzorg. Dit onderscheid wordt gemaakt op basis van, het al dan niet bestaan van een relatie tussen het pleegkind of de pleeggast en de pleegzorger. Bij netwerkpleegzorg wordt een pleegkind of een pleeggast in het eigen familiale of sociale netwerk opgevangen. Bestandspleegzorg is pleegzorg waarbij een pleegkind of een pleeggast wordt opgevangen buiten dit eigen familiale of sociale netwerk.
De vroegere organisatiestructuur van de pleegzorg in Vlaanderen
Door middel van een matrix wordt de structuur van de pleegzorg, zoals die voorheen in Vlaanderen werd georganiseerd, in kaart gebracht. Men onderscheidde vier sectoren waarbij sprake was van uiteenlopende regelgevingen en personeelskaders. In totaal waren er 24 diensten die pleegzorg organiseerden.

Sectoren

Inrichtende instelling

Begeleidingsdienst

Doelgroep

Tijdsduur

Gezinsondersteunende pleegzorg

Kind en Gezin (IVA)*

Kind en Gezin

Jonge kinderen

Beperkt

Pleegzorg in de bijzondere jeugdbijstand

Jongerenwelzijn (IVA)*

VAPH* (IVA)*



Dienst voor pleegzorg

Kinderen en jongeren

(On)beperkt

Pleegzorg in de gehandicaptenzorg

VAPH* (IVA)*

Dienst voor gezinsplaatsing

Minderjarigen en Meerderjarigen

Onbeperkt

Psychiatrische gezinsverpleging

Vlaamse gemeenschap

OPZ * Geel (EVA)*

Volwassenen met langdurige en meervoudige psychiatrische problemen.

Minderjarigen op projectbasis.



(On)beperkt

Figuur 3: Overzicht vroegere sectoren Pleegzorg Vlaanderen

*IVA: Intern verzelfstandigd agentschap

*VAPH: Vlaams Agentschap voor personen met een handicap

*OPZ: Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Geel

*EVA: Extern verzelfstandigd agentschap
Huidig perspectief
Er werd vastgesteld dat de sectorale structuur en regelgevingen voor pleegzorg een ernstige hinderpaal vormen om pleegzorg op een flexibele manier uit te bouwen. Het nieuwe decreet maakt deze verkokering ongedaan. Men kiest resoluut voor een intersectorale harmonisatie van pleegzorg als zorgvorm. Hierdoor zou een verdere differentiatie binnen de pleegzorg en de combineerbaarheid van pleegzorg met andere vormen van hulpverlening, mogelijk worden gemaakt.
Door de erkenning van provinciale diensten voor pleegzorg wenst men via een schaalvergroting de efficiëntie en de performantie van de pleegzorgstructuren te verhogen. De schaalvergroting heeft tot gevolg dat er is overgegaan van 24 diensten naar 5 provinciale diensten. Deze zijn allen neutraal en pluralistisch zijn. Er is een overkoepelende neutrale, administratieve commissie voor de diensten die beroep aantekenen. Daarnaast staat een partnerorganisatie, die over deskundigheid beschikt op het vlak van pleegzorg, in om pleegzorg bekend te maken bij het ruime publiek. Op die manier werkt men toe naar een verhoging van het aantal kandidaat – pleegzorgers.

Onderstaande figuur maakt de nieuwe structuur van de organisatie en inrichting van pleegzorg duidelijk.





Figuur 4: Overzicht huidige sectoren Pleegzorg Vlaanderen:

*OP: Ondersteunende Pleegzorg

*PZP: Perspectiefzoekende Pleegzorg

*PBP: Perspectief biedende Pleegzorg

*BP: Behandelingspleegzorg
Indeling in verschillende pleegzorgvormen
Voortaan hanteert men een opdeling tussen ondersteunende pleegzorg, perspectiefzoekende pleegzorg, perspectief biedende pleegzorg en behandelingspleegzorg. Bij deze verschillende vormen van pleegzorg legt men sterk de nadruk op de ‘zorgcontinuïteit’ en de ‘doorgroeimogelijkheden’. Men kiest voor een indeling in een gedifferentieerd, categoraal aanbod in (type)modules, maar dit betekent geenszins dat pleeggezinnen niet kunnen doorgroeien van de ene naar de andere vorm van pleegzorg. Deze ‘doorgroeimogelijkheid’ moet garanderen dat pleegkinderen/pleeggasten meer continuïteit ervaren binnen het hele pleegzorgtraject.


  1. Ondersteunende Pleegzorg

Ondersteunende pleegzorg is een vorm van pleegzorg ter ondersteuning van het gezin van het pleegkind of de pleeggast, hetzij voor een korte aaneengesloten periode, hetzij met afwisselend verblijf in dit gezin en in het pleeggezin voor meerdere korte periodes. Het doel is om gezinnen tijdelijk te ontlasten (cfr. Respijtzorg). Tot ondersteunende pleegzorg behoren onder meer pleegzorg tijdens weekends of vakanties, opvang in een logeergezin en andere vormen van kortdurende, situationele opvang waarbij het duidelijk is dat na de opvang het pleegkind of de pleeggast opnieuw kan worden opgevangen in het gezin waar hij regulier verblijft.
Deze vorm van pleegzorg moet per definitie laagdrempelig en vlot toegankelijk zijn. De ondersteunende pleegzorg moet daarom rechtstreeks toegankelijk zijn, zowel voor de doelgroep minderjarigen als voor de doelgroep meerderjarigen.

Crisispleegzorg maakt ook deel uit van de ondersteunende pleegzorg.




  1. Perspectiefzoekende pleegzorg

Perspectiefzoekende pleegzorg is een vorm van pleegzorg gedurende een periode van maximaal zes maanden, eenmalig verlengbaar met maximaal zes maanden, waarbij een duidelijk perspectief (bijvoorbeeld terugkeer naar huis of een langer verblijf in een pleeggezin) voor het pleegkind of de pleeggast wordt ontwikkeld.


  1. Perspectief biedende pleegzorg

Perspectief biedende pleegzorg is pleegzorg met een continue en langdurig karakter. Het doel van perspectief biedende pleegzorg is het creëren van continuïteit, opvoedingszekerheid en optimale ontwikkelingskansen.


  1. Behandelingspleegzorg

Behandelingspleegzorg is een vorm van pleegzorg waarbij een dienst voor pleegzorg al dan niet in combinatie met een ander typemodule buiten de pleegzorg of een andere vorm van hulp- en dienstverlening of in samenwerking met een psychiatrisch ziekenhuisdienst wat de psychiatrische gezinsverpleging betreft, voorziet in een behandeling voor een pleegkind of een pleeggast en een intensieve training en begeleiding van de pleegzorger. De frequentie van begeleiding is hoger bij deze van pleegzorg dan bij andere vormen van pleegzorg.
Gastopvang in het licht van het nieuwe pleegzorgdecreet
Hoe de klemtoon in de ouderenzorg meer en meer komt te liggen op de thuiszorg, zien we dat de pleegzorg in dezelfde richting evolueert. Zoals eerder aangegeven zien we dat ‘community care’, als zijnde de zorg wordt terug gebracht naar de community, de woonbuurt en ‘thuis’ van de zorgbehoevenden, hoog in het vaandel wordt gedragen. Het nieuwe pleegzorgdecreet plaats pleegzorg evenzeer in het kader van wat we noemen ‘vermaatschappelijkte of gemeenschapsgerichte zorg’, die men invult als: ‘de evolutie naar zorg die deel uitmaakt van de samenleving en niet naast de samenleving staat (community care).”(Beleidsbrief Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, 2010 – 2011).
Zoals duidelijk wordt aangegeven in het voorstel van decreet willen de indieners de doelgroep niet beperken tot jonge kinderen. Pleegzorg staat open voor alle leeftijden, zowel minderjarigen in problematische opvoedingssituaties, kinderen of jongeren met een beperking of volwassenen met een psychiatrische problematiek. Pleegzorg is een zorgvorm die tegemoet kan komen aan noden die zich voordoen in verschillende levensloopfasen. De zorgvorm van gastopvang richt zich gedeeltelijk op dezelfde doelgroep dan pleegzorg, met uitzondering van minderjarige zorgvragers. Door de pleegzorg voor personen met een handicap uit de gehandicaptenzorg (aangestuurd door het VAPH) te halen, wordt de combineerbaarheid van pleegzorg en handicap-specifieke ondersteuning (die ressorteert onder het VAPH) mogelijk. Er is geen inschrijving meer vereist bij het VAPH om als persoon met een handicap beroep te kunnen doen op pleegzorg. We kunnen hier de voorzichtige voorspelling maken dat de doelgroep ‘personen met een handicap’, de mogelijkheid, meer als voorheen, gaan aangrijpen om gebruik te maken van deze zorgvorm. In dat opzicht is er nog maar een dunne lijn tussen de (gedeeltelijke) doelgroep van pleegzorg en een belangrijke doelgroep van gastopvang: volwassenen met een beperking.
Meer als voorheen legt men in het nieuwe pleegzorgdecreet de nadruk op het bindend karakter van pleegzorg, met zijn langdurig engagement (tijdsduur). In het kader van dit perspectief wil men pleegzorg duidelijk afbakenen van andere zorgvormen. De zorgvormen ‘wonen onder begeleiding van een particulier’ (WOP) en ‘steungezinnen’, zal in de toekomst niet meer vallen onder de definitie van pleegzorg. Het is nu net het minder bindende en flexibele karakter dat deel uitmaakt van de zorgvorm ‘gastopvang’. In die zin verschillen de twee zorgvormen sterk van elkaar.

De persoon van de pleegzorger blijft die van vrijwilliger. Men benadrukt dat er niet gestreefd zal worden naar de pleegzorger als professional. Dit zou de eigenheid van pleegzorg, die steunt op de authentieke kracht van een gezin, ongedaan maken. Pleegzorgers zijn geen vragende partij om hun kostenvergoeding te zien evolueren naar een loon. Uit marktonderzoek rond gastopvang blijkt ook dat voor niemand van de bevraagden de onkostenvergoeding een factor is om al dan niet voor het vrijwilligersinitiatief van gastopvang te kiezen. De Vlaamse regering zal per pleegkind of pleeggast en per opvangdag in het pleeggezin een forfaitaire kostenvergoeding toekennen aan de geattesteerde pleeggezinnen. Deze kostenvergoeding verschilt op basis van de leeftijd van het pleegkind of de pleeggast, de vorm van pleegzorg en de beschikbaarheid in hoofde van de pleegzorgers over de gezinsbijslag ten voordele van het pleegkind of de pleeggast. Daarnaast worden er toekenningen voorzien van tegemoetkomingen voor bijzondere kosten.



      1. Vergelijkbare internationale initiatieven

Door middel van een systematische literatuurstudie zochten we naar vergelijkbare internationale initiatieven. Er is een restrictie gebruikt door enkel te zoeken in de Engelse taal, met publicatiedatum van 1992 tot 2012. De volgende zoektermen werden gebruikt: in – home respite, host family respite program, host family care, foster family care, respite care, short – term care, volunteering care, home health care, guest care for elderly. Er werden een aantal criteria opgesteld om een vergelijkingsbasis te kunnen handhaven. De minimale criteria waren: opvang in de thuisomgeving van de zorgverlener, het profiel van de zorgverlener als (vergoede) vrijwilliger en tot slot de doelgroep: volwassenen en ouderen met een zorgvraag.


De resultaten van deze zoektocht leverde slechts een handvol vergelijkbare beschreven initiatieven op. We bespreken hier enkele voorbeeld die aan alle bovenstaande benoemde criteria voor gastopvang voldoen. Andere gevonden initiatieven waren vergelijkbaar, maar toch net wat anders op vlak van doelgroep (bv. leeftijd bij logeer-opvang), duur van het engagement (bv. foster care), of op vlak van ‘vrijwilligheid’, een kenmerk dat meestal niet van toepassing is. De zorg wordt vaak niet op vrijwillige basis verstrekt, in plaats daarvan zien we doorgaans een professionele omkadering van het (zorg)initiatief. We concluderen niet dat vrijwillige gastopvang beleidsmatig niet wordt ondersteund in internationale context, we merken alleen op dat er in de Angelsaksische literatuur weinig melding over wordt gemaakt.
De uniciteit van gastopvang, zoals deze ingevuld wordt in de Vlaamse context, wordt voornamelijk bepaald door het criterium ‘opvang in de thuisomgeving van de zorgverlener’. Vormen van pleegzorg, al dan niet tijdelijk, zijn makkelijker terug te vinden, maar rond occasionele opvang van de doelgroep ouderen in de thuisomgeving, leverde ook dit (zeer) beperkte resultaten op.

        1. Host – Homes Program

Het Australische ‘host – homes program’ is een vorm van respijtzorg voor kwetsbare ouderen, personen met dementie en personen met een psychiatrische achtergrond (doelgroep). De gemiddelde leeftijd van zorgvragers is 81,5 jaar (Holm & Ziguras, 2003).


Het model van ‘Host-Home of ook wel ‘Host- Family care’ genoemd veronderstelt dat er of op regelmatige basis of occasioneel, dagopvang voor een kleine groep mensen (ongeveer 4 personen) in de thuissituatie van de zorgverlener (locatie) wordt georganiseerd. Holm & Ziguras (2003) geven aan dat deze opvangvorm zeer vergelijkbaar is met kinderopvang door een onthaalmoeder of vader.

De maximum opvangcapaciteit is 6 personen. De ratio zorgverlener/cliënten bedraagt 1/5. Wanneer er meer zorgvragers participeren aan het programma wordt er een extra zorgverlener ingeschakeld (2/6) en is er bijkomende ondersteuning van vrijwilligers.


In 2003 bedroeg de vergoeding voor een dagprogramma een bescheiden 8 dollar. Dit is hetzelfde bedrag dat men betaald voor een dagprogramma in de geïnstitutionaliseerde zorg (centre based care).
Ter voorbereiding van het programma wordt er een checklist doorlopen omtrent de veiligheid van de woning van de zorgverlener, naar de opvang van een specifieke doelgroep toe. Als er niet aan de eisen wordt voldaan, worden modificaties aangebracht (aanpassing aan de woning). De inrichtende organisatie voorziet eveneens budget voor woningaanpassingen in functie van de doelgroep. Een bijdrage aan de verzekering betreffende de woning van de zorgverlener, wordt ook garant gesteld.
De voornaamste doelstelling van dit programma is zorg voorzien voor diegenen die, om één of andere reden, geen gebruik kunnen maken van geïnstitutionaliseerde zorg. De doelgroep die participeert aan dit programma heeft meer nood aan een individuele benadering en er is meer aandacht van het verzorgend personeel nodig. De hoofddoelstelling van dit aanbod is het creëren van een ‘thuisgevoel’ en de participatiemogelijkheid van mantelzorgers aan dit programma. Kenmerkend is de informele setting, de flexibiliteit, de persoonlijke aanpak en het vraaggericht werken (op basis van de noden van de zorgvragers). De onderzoekers stellen dat het eerder gaat om een ‘groep vrienden die elkaar ontmoeten’ (Holm & Ziguras, 2003). Ondanks de informele setting, is de dagindeling gestructureerd door uiteenlopende activiteiten die georganiseerd worden (Holm & Ziguras, 2003). De opvang wordt voorzien, dagelijks, van 9.00u tot 15.00u. De zorgvragers worden opgehaald en terug gebracht door de zorgverleners of door vrijwillige krachten.
Dit programma kan onder de noemer gebracht worden van ‘community care’, zoals in bovenstaande omschreven. In de huidige context van de ouderenzorg kunnen ouderen langer in hun eigen thuisomgeving blijven, door de steun van de gemeenschap, waardoor institutionele zorg, uitgesteld kan worden. De huiselijke sfeer die centraal staat is eigen aan dit programma en staat in schril contrast met de formele, geïnstitutionaliseerde omgeving.
Een belangrijk verschilpunt met de gastopvang in Vlaanderen situeert zich op de parameter zorgverlener. Daar het bij gastopvang gaat om (vergoede) vrijwilligers zien we hier professionals die ingezet worden om de zorg in hun eigen huis aan een kleine groep mensen te verlenen. Deze professionals zijn verbonden aan de inrichtende organisatie (centre based care) en worden van hieruit gesuperviseerd door een manager. Een professionele omkadering bereid zorgverleners voor op het zorgprogramma. Een aantal kwaliteitseisen worden vooropgesteld. Ter voorbereiding van deze opvang volgen de betrokken professionals een voorbereidende cursus. Tijdens het host – programma worden er supervisiesessie ingericht en wordt van de zorgverlener verwacht dat hij/zij op gestructureerde wijze de incidenten bijhouden in een schriftelijk rapport.

        1. Host Family respite care

Het Australische Host Family respite programma is eveneens een vorm van respijtzorg, met voornaamste doelstelling om de mantelzorger te ontlasten. The National Respite for Carers Program stelt ‘kwaliteit van leven’, voor zowel de zorgvrager als zorgverlener, voorop. Door deze respijtzorg krijgen mantelzorgers de mogelijkheid om even op adem te komen en voor korte tijd ontlast te worden van fysische en emotionele belasting die de mantelzorgsituatie met zich meebrengt. Het achterliggend kader van dit programma is preventief. Door dit aanbod te voorzien tracht men de draagkracht van zorgverleners te waarborgen zodat de mantelzorgsituatie zolang mogelijk kan worden gecontinueerd en institutionele zorg zolang mogelijk uitgesteld kan worden. In het kader hiervan is ook een restrictie vastgelegd wat betreft de duur van deze respijtzorg. Het gaat over kortdurende opvang om de mantelzorger voor een periode van 3 nachten of 66 uur te ontlasten. De visie die men hieromtrent heeft vormgegeven is de ervaring dat een goede nachtrust de draagkracht van een mantelzorger terug in balans kan brengen. Deze restrictie is echter flexibel en kan ingekort of verlengd worden. Deze flexibiliteit vertaalt zich ook in de organisatie van de zorgopvang, deze kan zowel tijdens het weekend als op weekdagen plaatsvinden, afhankelijk van de behoefte van de mantelzorger.


De doelgroep voor deze zorgvorm zijn personen met een beperking en kwetsbare ouderen, voornamelijk met een dementieproblematiek (93%). Als we hierbij de vergelijking maken met gastopvang in onze Vlaamse context, dan zien we dat de doelgroep hier enger wordt benaderd.
De locatie waar deze zorgvorm georganiseerd wordt is de thuisomgeving van het gastgezin.
Met veel aandacht en zorg wordt de selectieprocedure aangepakt, gezien dit bepalend is voor het succes van het respijtprogramma. Er wordt een zekere continuïteit gewaarborgd in de zorg- en opvangsituatie. Zo zal dezelfde zorgvrager telkens worden toegewezen aan dezelfde zorgverlener. Beide partijen blijven verbonden door telefonisch contact dat wordt onderhouden tijdens de periodes tussen opvangmomenten heen. De matchingsprocedure tussen zorgvrager en zorgverlener wordt op een kwalitatieve wijze en met veel zorg aangepakt. Een intakeprocedure zorgt voor het in kaart brengen van de fysische, cognitieve, emotionele, en medische zorgnoden en voorkeuren van de zorgvrager, zoals dagdagelijkse routines. Aanvullend wordt de sociale geschiedenis gedocumenteerd, inclusief, voorkeuren en antipathieën betreffende voeding, dieren, kinderen,…en alle andere elementen die belangrijk kunnen zijn om aangepaste zorg te kunnen verstrekken aan de zorgvrager. Het gaat om heel gedetailleerde informatie die in kaart wordt gebracht. Een voorbeeld dat Boldy, Davey & Crouchley (2005) aanhalen is: “Vier pepermuntjes voor het naar bed gaan”. Op basis van deze informatie wordt een zorgplan opgesteld waarin activiteiten van het dagdagelijkse leven, voedingsgewoontes en voorkeuren, zorgnoden, gedragspatronen, medische informatie en tot slot informatie voor noodgevallen, wordt opgenomen. Deze basisinformatie wordt als essentieel beschouwd om een geschikte matching te kunnen realiseren. Hierbij gaat veel aandacht uit naar ‘ de manier van leven’, vanuit beide partijen. Dit is belangrijk in de matchingprocedure zodat de zorgvrager zich aanvaard en op zijn gemak voelt in de omgeving waarin hij/zij geplaatst wordt. De auteurs lijsten een aantal kritische factoren op die bepaalde voorkeuren betreffende een levensstijl weerspiegelen: sociaal- economische groep, beroep, huisvesting, etnische afkomst, woongebied (ruraal, stedelijke), aantal kinderen en leeftijd van kinderen, aantal huisdieren en ras van huisdieren, levenservaringen (oorlog, boerderij, huwelijk,..).
Uniek in de vergelijkbaarheid met gastopvang is de parameter ‘profiel van de zorgverlener’. In tegenstelling tot vele internationale modellen zien we hier de persoon van de vrijwilliger die de zorg voor de zorgvrager op zich neemt. Boldy, Davey & Crouchley (2005) omschrijven het gastgezin als ‘gewone’ mensen die het engagement willen opnemen om iets te doen en te betekenen voor een oudere. Toch moeten deze vrijwilligers aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. Aan de hand van een 4 – daagse cursus maken de vrijwilligers zich een aantal competenties eigen. Deze cursus handelt voornamelijk over dementie – problematiek. Daarnaast moeten zij een medisch onderzoek ondergaan en in het bezit zijn van een eerste – hulp – brevet en een bewijs van goed gedrag en zeden. Hierbij wordt vermeld dat men bij voorkeur vrijwilligers zoekt die op een manier al ervaring hebben met de dementieproblematiek.
Een bijkomende kwaliteitseis is de geschiktheid van de woning van de zorgverlener. Deze wordt gescreend op veiligheid en aangepastheid voor het opnemen van de zorg met een dementieproblematiek. Jaarlijks worden bijkomende cursussen georganiseerd om kennis en vaardigheden en attitudes van de vrijwillige hulpverlener verder te ontplooien. Verder wordt er 24 uur op 24 telefonische permanentie voorzien, driemaandelijks worden overlegmomenten georganiseerd. In 2002 bedroeg de vergoeding voor een gastopvang van 66 uur een 330 dollar, met een bijkomende vergoeding voor vervoersonkosten.



    1. Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina