Vrijwillige tijdelijke opvang van volwassenen en ouderen met een zorgvraag in Vlaanderen: een omgevings- en sterkte/zwakte- analyse



Dovnload 0.89 Mb.
Pagina12/15
Datum20.05.2018
Grootte0.89 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

Grenzen aan de competenties van vrijwilligers


De zwaarte van de problematiek van de zorgvrager wordt telkens in het licht gehouden van de competenties van de vrijwilliger. Het gaat om zorg op maat waarbij ook de veiligheid van de zorgbehoevende bewaakt wordt. Dit gegeven speelt een bepalende rol in de matchingsprocedure. Een kwalificatie of ervaring binnen de zorgsector is zeker geen vereiste maar bepaalde zorgtaken kan men bijvoorbeeld wel toevertrouwen als de vrijwilliger een kwalificatie bezit om verzorgende taken te kunnen toedienen.
We zeggen dat we niet verwachten dat ze verpleegster zijn of een verzorgende zijn. Als er zulke zaken nodig zijn, moeten zij dat niet doen. Bv druppeltjes in de ogen doen dan moeten wij nakijken of dat mag of hebben wij een toestemming nodig van de arts. Stel dat er toch verpleging nodig is dan is dat ervoor of erna dat dat moet gebeuren en niet door het gastgezin of dan moet er een thuisverpleegster langskomen.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Mensen naar het toilet begeleiden kan wel, maar dan vraag ik wel of ze het zien zitten. Als ze dat niet willen dan moet je het hen ook niet laten doen.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

De licht verzorgende taken dat kan en mag, maar de zwaar verzorgende taken verpleegkundige taken worden niet van hen verwacht. “ (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Wat ze niet mogen doen is medische handelingen, de medicatie wordt genomen voor dat ze naar het gastgezin gaan of iemand moet een insuline – inspuiting hebben, dat wordt geregeld dat de verpleegkundige ofwel aan huis komt voor dat de gast vertrekt, ofwel bij de gastvrouw komt om dat te geven.” (Gastopvang A-B-L).

Eigenlijk geen zorgen die toegekend zijn aan medisch personeel (daar zijn lijsten van) of verzorgenden. Dat kunnen wij niet doen, bijvoorbeeld niet iemand in bad zetten, tenzij dat de gasten blijven overnachten, maar dat zijn dan zaken die besproken worden. Als zij bijvoorbeeld de ervaring hebben van hun partner gedurende 10 jaar te hebben verzorgd, die incontinent was, om een pamper aan te doen en als zij dat willen en ze hebben die knowhow opgebouwd in die periode, dan kan dat nog net.” (Gastopvang A-B-L).

Maar als er wat meer zorgen nodig zijn, rond ADL – vaardigheden, of specifieke medische problematiek, dan ga ik die naar een zorgboerderij sturen waar ik van weet dat de vrouw verpleegster is, zodat zij kan inschatten of het allemaal wel klopt. Bij epilepsie of diabetes probeer ik in te schatten hoe ernstig het probleem is en hoe groot de kans is, dat er zich iets voor doet en in welke mate het onder controle is, of er een risico is op de boerderij,… Maar als ik hoor dat er toch wel wat risico’s zijn, dan probeer ik een geschikte match te vinden, zodat er toch wat knowhow ter plekke is.” (Steunpunt Groene Zorg).

De noodzakelijke medische zorg, die een kind met een handicap altijd krijgt, mag verleend worden, bijvoorbeeld medicatie voor epilepsie die de ouders normaal toedienen, die kunnen door de logeerouders worden toegediend, mits ondersteuning. Ze moeten wel weet hebben van de situatie maar dat is bij de matching zeer belangrijk. Dan is er ook nog een document dat, op de moment dat het kind daar logeert, als er zich dan een acute medische situatie voordoet, dan mogen ze bij het kind acute medische zorg toepassen.” (Pleegzorgdienst Oikonde).

Naast het kunnen wordt ook het willen van de vrijwilliger expliciet bevraagd. In bepaalde situaties overschrijdt de zwaarte van de problematiek de draagkracht van de vrijwilliger en geeft de vrijwilliger duidelijk aan zich onzeker te voelen in de situatie. Deze elementen worden telkens afgetoetst bij alle betrokken partijen, tijdens de matchingsprocedure.


De kandidate die ze onlangs voorgesteld had aan mij, dat was een te zware situatie. Dat was een vrouw die zou blijven slapen. Dat was te zwaar voor mij want ik moest ze dan mee helpen uitkleden, in bed leggen, medicatie toedienen,… Ik ga dan niet gerust slapen.” (Gastvrouw Heverlee).

Als ik nu bijvoorbeeld een suikerpatiënt krijg, als die mensen medicatie nodig hebben, dan zal ik dat wel geven. Ik heb mijn moeder jaren insulinespuiten gezet. Maar ik bedoel enkel pillen en geen spuiten. Maar die zal ik dan wel geven he.“ (Gastvrouw Heverlee).

Met K. (zorgvrager) moet ik haar helpen met naar toilet te gaan, ik ben daar niet vies van. Ik ben dat allemaal gewoon maar dat iedereen dat wilt doen dat weet ik niet. Daar heb ik mijn vragen over. Een rolstoelgebruiker zou moeilijk zijn.” (Gastvrouw Nevele).

Ze had iemand anders voor mij, dat was een oudere dame (92 jaar). Ze zou dan van ’s morgens vroeg gekomen hebben om haar dochter te ontlasten. Maar dat zag ik niet zitten. Ik zat met het probleem van, stel dat die dame ziek wordt, ik kan die niet helpen want ik ben zelf al een beetje ouder. Ik zou die dame niet kunnen oprapen bijvoorbeeld. En dan heb ik tegen de coördinator gezegd dat ik dat liever niet zou doen. Alhoewel ik er wel een beetje mee inzat dat ik die dochter wel zou kunnen ontlasten.” (Gastvrouw Heverlee).

Het is ook een opdracht van de inrichtende diensten om de draagkracht van de zorg en/of opvang van de zorgvrager mee te bewaken en hierin mee te helpen grenzen verhelderen, en tijdig te communiceren naar alle betrokkenen.
Ik kan nog wel een voorbeeld geven dat verband houdt met die regie in handen houden. We hadden een volwassen meisje die gebruik maakte van logeerzorg, maar eigenlijk was het eerder voltijdse pleegzorg geworden, dan logeerzorg. Dit was niet meer langer houdbaar. We zijn hier als dienst duidelijk gaan positioneren dat dit niet de bedoeling is van logeerzorg. Je hoorde ook wel, bij de contacten die ik dan terloops had, van dit is niet zo ‘ok’. De draagkracht wordt teveel op de proef gesteld. Daar hadden we de regie wel strenger in handen, maar het is van situatie tot situatie anders.” (Pleegzorgdienst Oikonde).


      1. Vormingsmogelijkheden

Zowel binnen het initiatief van gastopvang, logeerzorg en de zorgboerderijen zijn er opleidingsmogelijkheden, vaak in de vorm van ervaringsuitwisseling. De opleidingsmogelijkheden zijn nog niet structureel uitgebouwd maar binnen bepaalde organisaties worden deze wel thematisch georganiseerd. De vrijwilligers zelf geven aan vooral nood te hebben aan ervaringsuitwisseling met gelijkgezinden. Vormingen rond bepaalde problematieken en ziektebeelden worden ook ingericht. Vrijwilligers kunnen hier vrijblijvend op intekenen maar worden geenszins verplicht om hieraan deel te nemen.


De vrijwilligers kunnen ook stages volgen. Maar ik heb dat nog niet kunnen doen omdat ik nog te weinig concrete situaties heb. De nieuwe gastvrouw zal dan eens kunnen meevolgen bij een bestaande gastopvang. Dat is de toekomst, dat ze een inloopstage doen, zoals alle vrijwilligers. Ook een vorm van kennismaking met andere vrijwilligers. We zijn dat ook van plan met daarin een thema bijvoorbeeld handverzorging. Landelijke thuiszorg doet dat al. “(Gastopvang Oost Vlaanderen).

We geven wel vormingen op de momenten dat zij als gastvrouw/gastheer met onze dienst samenwerken en dat is dan op basis van signalen die we krijgen. Wij hebben vorig jaar de eerste vorming georganiseerd voor de gastgezinnen. Dat was informatie over verzekeringen en ook iets actiefs ‘handmassage’, gegeven door een kinesiste. Die lichamelijke zorg kan wel, omdat dat ook heel ontspannend kan zijn. In 2012 staat het thema ‘humor in de zorg’ en ‘moeilijk gedrag bij cliënten’ op het programma. Dus dat zijn eigenlijk de 2 items die zij mogen volgen. Het zijn nog altijd vrijwilligers dus zij moeten de vormingen niet volgen maar wij stimuleren dat toch wel en proberen hen er toch warm voor te maken.” (Gastopvang A-B-L).

Zoals we anders verwachten van onze vrijwilligers. Ze moeten ook bereid zijn van een stuk vorming te volgen bij ons, omdat we rond ziektebeelden en EHBO toch wel wat vorming geven. “(Gastopvang West Vlaanderen).

We hebben ook al een vergadering gehad met alle gezinsvrouwen en daar waren mannen bij ook. Daar hebben we dan nagedacht en uitgewisseld. Dat was heel verrijkend. Dat je is een keer iemand anders hoort, zo van: ‘Hoe vang die dat op?.“ (Gastvrouw Heverlee).

Eigenlijk niet. Wij bieden wel ervaringsuitwisseling aan maar men is niet verplicht om dat te volgen. Het zou wel kunnen verplicht worden, in het kader van ons protocol. We kunnen daar dwingender in worden, bijvoorbeeld, dat men minstens een keer/jaar iets moet volgen. We geven wel info over problematieken en doelgroepen maar men is vrij om hiernaar toe te komen.” (Steunpunt Groene Zorg).

De ervaringsuitwisseling lijkt mij dan het nuttigst zo. Een EHBO – cursus niet echt want je weet als ouder ook al wel wat je moet doen. Ze hebben ook hun medicatie maar ze nemen hun pillendoos zelf mee.” (Zorgboer en boerin).

Ze moeten zeker geen vormingen volgen, ze mogen dat wel doen. Vanuit de dienst PPH hebben we een aanbod. Daar vallen we onder. Maar we geven ook een aanbod vanuit onze dient, het selectiegesprek.” (Pleegzorgdienst Oikonde).

Op gebied van vorming ten aanzien van pleegouders is er ook een Antwerps overleg platform, die jaarlijks enkele vormingsmomenten organiseren en dit ook dienstoverschrijdend. “ (Pleegzorgdienst Oikonde).


  1. Focusgroepen

Tijdens de discussie in de focusgroep werd het merendeel van de onderzoeksresultaten bevestigd. Ter aanvulling, verduidelijking en hier en daar ter correctie zullen in deze tekst een aantal zaken worden neergezet. Per onderzoeksvraag laten we het licht van de focusgroepdeelnemers schijnen op de bevindingen die uiteengezet zijn in de visietekst.


Voor de samenstelling van de focusgroep kozen we voor een multidisciplinaire invalshoek, zo brachten we beleidsmensen, professionele deskundigen en gebruikers van de verschillende zorgvormen samen voor overleg.

    1. Zwaktes en bedreigingen


De moeilijkheden waarmee de diensten gastgezinnen vandaag de dag kampen, worden bevestigd door Vleminckveld Antwerpen, een organisatie die voorheen actief was als inrichtende dienst voor gastopvang in de provincie Antwerpen.

Vleminckveld Antwerpen bouwde gastopvang uit op basis van projectsubsidies (2000). Op dat moment was de opvangvorm niet structureel ingebouwd in het woonzorgdecreet, zoals dat nu wel het geval is. In 2006 werden de projectsubsidies stopgezet.


Vanuit de overheid zagen ze er wel de meerwaarde van in, maar ze gingen hun accenten ergens anders leggen(…)” (Vleminckveld Antwerpen).
Twee jaar later (woonzorgdecreet 2009) besliste de Vlaamse overheid dit toch structureel in te bedden in het woonzorgdecreet.
Ik denk in 2008, belden ze ons dan op van het kabinet om te zeggen dat het structureel ingebouwd is. Ze vroegen of we daar terug mee van start wilden gaan. Wij hadden als organisatie toen al beslist om het niet meer verder te zetten (…).” (Vleminckveld Antwerpen).
De bekendmakings- en matchingprocedure van Vleminckveld verliep volgens dezelfde structuur en krachtlijnen zoals het momenteel wordt georganiseerd in de overblijvende inrichtende dienst gastopvang, Landelijke Thuiszorg Leuven. Wat betreft bekendmaking werd vooral ingespeeld op de regionale media om potentiële kandidaat(gasten) en kandidaat(gastgezinnen) te zoeken en te informeren over het bestaand initiatief.
We hebben heel concreet publicaties laten maken en dan in verschillende kranten gastgezinnen gezocht. Uiteindelijk vonden we 15 gastgezinnen en deze werden grondig gescreend. Ik ging langs om te kijken of de woning geschikt was en om na te gaan wat de motivatie was om iemand op te vangen.” (Vleminckveld Antwerpen).
Het uitblijven van media aandacht voor het initiatief halen verschillende partijen aan als een tekortkoming. Het initiatief is te weinig of zelf niet bekend bij het grote publiek en bereikt niet voldoende de potentiële doelgroep, zowel voor vraag als aanbodzijde. In tegenstelling tot het initiatief van gastopvang komt het initiatief van de zorgboerderijen wel op regelmatige tijdstippen in de media. Bekendmaking via verscheidene kanalen en herhaling van de informatiestroom blijkt noodzakelijk om het zorgaanbod blijvend in de schijnwerpers te zetten.
Het probleem is dat zaken bij een opstart wel eens media – aandacht krijgen maar dat echt terug weg, dat is 1 piek. En je zit in een vicieuze cirkel natuurlijk. Als je niet veel mensen hebt, heb je niet veel verhaal en je kan daar dus niet blijven rond vertellen (…).” (Steunpunt Groene Zorg).
Toch moeten we deze bevinding nuanceren. Hoewel het initiatief van gastopvang een enkele keer ook nieuws maakte binnen de grote mediakanalen, was de respons die hieruit voortvloeide verwaarloosbaar. Een conclusie van de focusgroep is duidelijk: om een initiatief binnen de gemeenschap te laten groeien moet dat initiatief binnen die gemeenschap (lokale omgeving) ontstaan, een omgeving in de zin van het eigen dorp/stad, buurt, wijk… daarnaast moet er ingezet worden op lokale dienstverlening.
Ik denk eerlijk gezegd, dat als je een wervend effect wil, moet je eerder op de regionale media gaan spelen, diegenen die in de buurt zitten. Want het zijn uiteindelijk de mensen uit de buurt die er moeten geraken, die uw gastgezinnen moeten kunnen zijn. Daar moet je op focussen en dat moet herhaald worden op gezette tijden zodat er continu nieuw bloed binnen komt.” (Anne Van der Gucht, beleidsmedewerker Vlaamse Overheid)
Een ander knelpunt dat zowel vroeger als nu de diensten parten blijft spelen is een falende matching omwille van te grote afstanden die de gast(e) moet afleggen naar het gastgezin. De afstanden waar Vlemickveld het over heeft zijn echter relatief in vergelijking met de afstanden waar het over gaat bij de huidige inrichtende dienst. Landelijke Thuiszorg Leuven heeft 3 erkenningen voor de provincie Antwerpen, Limburg en Vlaams – Brabant, dit heeft als resultaat dat zij zelfs provincie – overschrijdende matchingprocedures opstarten.
Het grote knelpunt was wel dat de aanvragen voor opvang kwamen van mensen uit de stad Antwerpen en de mensen die opvang deden woonden allemaal in de rand van de stad. Er stelde zich niemand die echt in de stad woonde kandidaat (…).” (Vleminckveld Antwerpen).
De inbedding in een professionele dienst, die al een werking gezinszorg heeft, was een (start)voorwaarde voor de dienst Vleminckveld Antwerpen. Deze voorwaarde is voor de huidige diensten eveneens zo. Het verschilpunt is dat bij Vleminckveld Antwerpen effectief het merendeel van de kandidaten resulteerde uit eigen klantenbestand, in tegenstelling tot de huidige dienst (Landelijke Thuiszorg Leuven) waar dit niet geldt als succesfactor voor het vinden van potentiële kandidaten.
Wij zijn een dienst voor gezinszorg in het Antwerpse dus wij hadden ook al heel wat cliënteel dat voor dat initiatief openstond. Heel veel van onze gasten waren dus onze eigen gasten.” (Vleminckveld Antwerpen).
Tijdens de focusgroep is tot de vaststelling gekomen dat het zorg- en begeleidingsplan van de diensten gastopvang niet zo gestructureerd is uitgebouwd, in vergelijking met het georganiseerde netwerk van de zorgboerderijen. Waar men bij het initiatief van de zorgboerderij gekozen heeft voor een drie actoren model waarbij de aanmeldings- en matchingsfase gescheiden wordt van de begeleidingsfase is de medewerker gastopvang verantwoordelijk voor de gehele opstart, organisatie en opvolgingsfase. Enerzijds is dit een sterkte gezien de mogelijkheid tot een geïntegreerde begeleiding, anderzijds vertoont dit model ook een aantal zwaktes en knelpunten. De opvolging van een actieve gast ’situatie gebeurt bijvoorbeeld uitsluitend in de vorm van driehoekgesprekken tussen de medewerker van de dient, de gastvrouw/heer en tot slot de gast(e). Bij privacy – kwesties kan dit leiden tot moeilijkheden en onduidelijkheden over wie het aanspreekpunt is voor beide betrokken partijen (gastvrouw/heer en gast(e)) bij de bespreking van private kwesties.
P. meldt aan S. Maar deze persoon heeft ook een begeleider. Dit is ook een constructie voor zorgboerderijen. Hoe zit het met begeleiding binnen gastopvang? In welke mate is de begeleider van de dienst gastopvang de persoonlijke begeleider van de gast? Het zou beide moeten zijn, zowel gast als gastgezin begeleiden” (Steunpunt Groene Zorg).
Zoals beschreven in de visietekst is een grote leemte, het gebrek aan een gecentraliseerde overkoepelende organisatie die samenwerking tussen de regionale diensten coördineert en de samenwerking tussen de diensten faciliteert. Steunpunt Groene Zorg beaamt dat hun geïntegreerde werking een succesfactor is voor het verder bestaan én de groei van de formule zorgboerderijen.
Het is wel zo dat we heel sterk geïntegreerd werken als 1 ploeg en de medewerkers van de verschillende provincies vormen inderdaad 1 team. Ik denk dat dit een verschil is met gastopvang waar je een beetje met het element van verzuiling zit en bovendien ook niet echt een centrale instantie heeft. Je moet van bovenuit ondersteunen he.” (Steunpunt Groene Zorg).
De verzuiling blijkt een gegeven te zijn dat tot op een doorgedreven niveau nog meespeelt in de samenwerking tussen diensten en organisaties. Steunpunt Groene Zorg geeft toe dat de samenwerking met Landelijke Thuiszorg Leuven, de nog reeds bestaande inrichtende dienst van gastopvang, gebaseerd is op een organische groei.
Doordat gastopvang samenwerkt met de zorgboerderijen, kan het blijven voortbestaan. Maar dat is niet omwille van een schaalvergroting maar dankzij die natuurlijke band (…).” (Steunpunt Groene Zorg).
Een rechtstreeks gevolg van stopzetting van de inrichtende dienst Bond Moyson Oost Vlaanderen is het gebrek aan een structureel samenwerkingsverband tussen betrokken diensten. Hierdoor waren zij in de onmogelijkheid om voldoende matching te organiseren om aan de 3000 uren te komen en op die manier hun werking te kunnen subsidiëren. Een meer geïntegreerde organisatie met een grootschaliger vraag- en aanbod platform zou deze problemen kunnen ondervangen.
We hebben geen exclusiviteitscontract met jullie want we hebben ook andere diensten die de begeleiding van de hulpboeren kunnen opnemen.”, Dat, was de boodschap die we kregen van Steunpunt Groene Zorg. Aanvankelijk waren we overeengekomen dat men 10 aanvragen per jaar zou doorsturen naar Bond Moyson. Het eerste jaar verliep dat goed, het tweede jaar hebben we geen enkele aanvraag meer gekregen. We zitten nu aan 1000 uren maar na dat gesprek met SGZ, zag de zorgcoördinator het niet meer zitten. We hebben gecommuniceerd aan de directie dat we nooit aan het aantal zorguren zullen komen om de subsidie binnen te halen. Zo is de beslissing tot stopzetting gekomen. De lopende situaties gastopvang worden nu ondergebracht bij oppashulp. Ook de samenwerking met Bond Moyson Oost – Vlaanderen was minimaal. Er was geen sprake van actieve uitwisseling.” (S. D’heygere, medewerker Bond Moyson Oost Vlaanderen, persoonlijke communicatie, september 2013).



    1. Deel met je vrienden:
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina