Vrijwillige tijdelijke opvang van volwassenen en ouderen met een zorgvraag in Vlaanderen: een omgevings- en sterkte/zwakte- analyse



Dovnload 0.89 Mb.
Pagina11/15
Datum20.05.2018
Grootte0.89 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

Welke personeelsomkadering is nodig om gastopvang in de praktijk te realiseren?




      1. Beroep specifieke competenties en kwalificatie




        1. Dossiermanagement en trajectbeleiding


De selectieprocedure van aanvraag, tot matching en opvolging omvat een heel proces waarin professionele begeleiders administratieve vaardigheden moeten bezitten om dit kwaliteitsvol uit te werken.
Zeker een selectieprocedure of een intake, dat is wel intensief. Er moet een serieus verslag geschreven worden, waar heel wat tijd in wordt geïnvesteerd.” (Pleegzorgdienst Oikonde).

Tijdens de fase van de opvolging van de gezinnen kunnen heel wat praktische vragen deel uitmaken van het takenpakket van de professional. “Ik heb bijvoorbeeld een zorgboer waarbij zijn administratie een puinhoop is, dus wat betekent dat voor ons, een beetje ondersteunen in het klasseren van (…)”. (Gastopvang A-B-L).

Het snel kunnen opstarten en opvolgen van een dossier is een meerwaarde voor de gebruikers en een must voor een vlotte dienstverlening. Het Steunpunt Groene Zorg geeft aan dat ze hier in de mate van het mogelijke mee rekening trachten te houden, dit lukt overigens niet altijd.
Het bewaken van het tijdsaspect en het snel kunnen opvolgen van dossiers is inherent aan het werk van de professional. Het gaat vaak op een dringende vraag waar zo snel mogelijk een oplossing moet voor worden voorzien.” (Steunpunt Groene Zorg).

Het heeft alleen heel lang geduurd voor het in orde is gekomen. Hoeveel papieren die mensen hebben moeten invullen om het in orde te krijgen, jongens toch, ze hadden het bijna opgegeven.” (Begeleider Voorziening).



        1. Werven en ondersteunen van vrijwilligers


Een inbedding in een structurele organisatie is een voordeel om gastopvang in de praktijk te realiseren. Zo kan de organisatie al putten uit een pool van kandidaat-gebruikers die al gebruik maken van andere diensten binnen de organisatie.
We hebben wel het voordeel dat wij al een vrijwilligerswerking hebben. Wij hebben al een volledige structuur, we zijn georganiseerd en we hebben een actiepakket. We zijn het gewoon van procedures uit te schrijven, de interne organisatie is een voordeel voor ons.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Om de groep van vrijwilligers te vergroten, zowel aan de vraag als de aanbodzijde, dienen de professionele medewerkers over een aantal wervingskwaliteiten te beschikken. Het kunnen werken met en blijvend motiveren van vrijwilligers en een belangrijke competentie van de professionele medewerkers van de verschillende diensten.


Werken met vrijwilligers is zeker een voordeel, het is niet hetzelfde als met medewerkers. De medewerkers hebben wel dezelfde opleiding als ik en we zijn een goed gestructureerde organisatie. We zijn ook goed gekend. Dat is wel een voordeel. We zitten ook onder een grote organisatie en dat is ook een voordeel om via collega’s dat ook kenbaar te maken. Als alle medewerkers van poetsvrouw tot verplegers enz. het meedelen dan zijn er al veel mensen die de boodschap krijgen. Je moet het blijven herhalen. We kunnen ook via de nationale organisatie kunnen samenwerken met landelijke thuiszorg, bv website , persbericht, promotie…” ( Gastopvang Oost Vlaanderen).

        1. Kwalificatie


Er wordt de voorkeur gegeven aan iemand met een achtergrond in de welzijnssector. Dit betekent een meerwaarde in de interactie met gastvrouwen/heren en zorgboer(in)en.
De consulenten per provincie moeten minstens een bachelorsdiploma hebben en ze moeten vertrouwd zijn met de landbouwsector en met de zorgsector.” (Steunpunt Groene Zorg).

Aanvankelijk hadden wij iemand vooropgesteld met een bachelordiploma, als zijnde een voorwaarde om deze job op te pakken. Ik denk ook wel dat de mensen met een diploma maatschappelijk werker (of binnen een sociale opleiding georiënteerd zijn), juist gekwalificeerd zijn, om deze job te doen. We hebben het geluk dat [naam] hier als psycholoog [masterdiploma] heeft op ingetekend, en dat is een enorme meerwaarde. Vanuit haar psychologische achtergrond kan ze ook veel inhoud geven. Een masterdiploma is wel niet noodzakelijk om deze job te kunnen uitoefenen. “(Pleegzorgdienst Oikonde).

Maar bij mensen die de zorgsector al een beetje kennen gaat dat vlotter, he. Je moet er minder in investeren, minder uitleg geven omdat ze een stuk ervaring al meehebben.” (Begeleider Voorziening).

Minimum bachelor maatschappelijk werk en wel met wat werkervaring. We hebben een assessmentproef mee moeten opstellen. Ook het feit dat je dingen moet kunnen inschatten, doordat we zelf weinig personeel hebben, kunnen we ook weinig investeren in coaching. Het moet dus iemand zijn die relatief goed zijn plan kan trekken. Dat is het minimum, maar als we een psycholoog of pedagoog kunnen aantrekken, is dat natuurlijk beter. We hebben nu een landbouwkundige aangenomen. Je merkt wel, naar contacten toe, dat we haar wel wat moeten coachen, de contacten met de welzijnssector, ook de taal en de manier van werken, merk je wel dat zij uit de landbouwsector komt. Dat is zeker ook een verrijking, omdat dat iemand is die volop voor de boeren gaat.“ (Steunpunt Groene Zorg).



      1. Kwantitatief: in termen van directe en indirecte begeleidingsuren




        1. Begeleidingsuren per gebruiker

Het aantal begeleidingsuren per casus blijkt moeilijk in te schatten door de betrokkenen. Daarenboven is het zeer individueel bepaald en inherent aan de zorg op maat die geboden wordt in de verschillende gastsituaties.


Dat is zeer variabel, dat is zo ruim en afhankelijk van de vraag van zorgboer of gastvrouw of cliënt. Ik heb bijvoorbeeld een zorgboer waarbij zijn administratie een puinhoop is, dus wat betekent dat voor ons, een beetje ondersteunen in het klasseren van, maar een uur is zo om , als je dan daar zit,.. Je hebt soms gasten die heel veel vragen stellen, het lukt niet, ze zijn ambetant,…die zijn zodanig met hun problematiek bezig zijn dat je steeds nabij moet zijn, en aanwezig moet zijn..(…) vaak zit je daar toch om de 3 weken heel intensief mee bezig, en dan gaan we naar de zorgboer of gastvrouw dat uitbabbelen. Dat betekent dat je er toch wat mee bezig bent. Soms loopt dat ook goed en kunnen we ze 3 maanden alleen laten. Dat is zo afhankelijk van de vraag en soms ben je 38u/week bezig met die zaken en soms ben je daar een tijd niet mee bezig.“ (Gastopvang A-B-L).

Het moet ook kwalitatief goed zijn. Aantal uren voor een jaar: 12uur met de gast (direct) zonder administraties zonder evaluatiegesprek ter plaatse. Het verschilt van gast naar gast.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Ik heb die oefening ook eens gemaakt in het kader van vrijwilligers, om te kunnen achterhalen hoeveel werk je eigenlijk hebt aan 1 dossier en dan wetende dat een vrijwilliger niet alle aspecten van dat dossier doet. En ik schrok ervan hoeveel uur dat was. Ik zou het moeten opzoeken: 11,5u per dossier. Ikzelf doe dat nooit, zoveel uur, omdat ik het gewoon niet kan. Maar van een vrijwilliger verwacht ik dan dat hij het echt goed doet en dat die er tijd voor neemt om ter plaatse te gaan en meermaals ter plaatse te gaan en alles van dichtbij op te volgen. Dat zou de ideale situatie zijn maar dan denk ik dat je met één voltijdse per provincie er nog niet komt.” (Steunpunt Groene Zorg).

Ook bij pleegzorg is het werk heel individueel bepaald per casus en moeten er voortdurend afwegingen worden gemaakt. De tijdsinvestering is dan ook zeer variabel.


Ja, in het begin was dat wat zoeken omdat je de methodiek er in moet krijgen. Je moet dan wat bekijken, hoeveel ga ik langs bij de gezinnen, hoeveel tijd kan ik erin steken? Maar nu heb ik toch evenwicht in gevonden om de tijd te verdelen. Soms gaat er een periode heel veel tijd naar een dossier en dan loopt het logeerproject een beetje achter. Maar andere keren staat het logeerproject dan weer op de voorgrond, omdat je een voorstelling moet geven bijvoorbeeld. Om alles te doen in een halftijdse functie is dit niet evident. Het is dus goed dat ik een voltijdse heb. Want ik heb in mijn urenpakket nu wel meer ruimte voor logeerzorg. Want bijna alle dossiers die ik heb zijn logeerzorg. Daarnaast doe ik nog een aantal andere dossiers. Dat neemt dus wel een groot deel van het pakket in, anders zou het wel moeilijk worden als ik alleen maar een halftijdse had.” (Pleegzorgdienst Oikonde).

Het werk dat moet gebeuren wordt gepercipieerd als zeer tijdsintensief. “Zeker een selectieprocedure of een intake, dat is wel intensief. Er moet een serieus verslag geschreven worden, waar heel wat tijd in wordt geïnvesteerd.” (Pleegzorgdienst Oikonde).



        1. Overbelasting medewerkers groene zorg


Het werk dat als zeer tijdsintensief wordt ervaren heeft als gevolg dat de professionele medewerkers in hun taakbelasting het gevoel hebben overbevraagd te zijn.
Neen, het is roeien met de riemen die we hebben, soms verzuipen we zelfs. Dat gaat ook blijkbaar, maar ten koste van wat misschien he. En er zullen al eens steken vallen en ik merk ook dat mensen langer moeten wachten. Maar er blijven zorgboerderijen bijkomen, er blijven ook vragen bijkomen. Alhoewel we in 2010 een topjaar hadden en 2011 een terugval. We denken dat een verklaring hiervoor kan zijn is dat we met onze dienstverlening aan het plafond zitten van wat we aankunnen. Dus dat voorzieningen ook aanvoelen dat ze te lang moeten wachten, of de ondersteuning is niet meer van wat men ervan zou verwachten.” (Steunpunt Groene Zorg).
        1. Inzet van extra vrijwillige medewerkers


Om de overbelasting van de professionele medewerkers voor een stuk op te vangen, zet men de hulp van vrijwilligers in of denkt men erover vrijwilligers die zich aanbieden meer multifunctioneel in te zetten.
Er is heel wat administratie maar dat is organisatie gebonden natuurlijk. Daarom proberen wij toch wat ondersteuning te vragen vanuit de vrijwilligerspool. Zij nemen niet alles op maar wel een stuk. Wij voorzien bijvoorbeeld ook vormingen voor de gastgezinnen, ook dat moet allemaal geregeld worden, dat vraagt toch ook wel heel wat brainstorming met elkaar dus daar zitten heel wat zaken in, buiten dat aanbod van hulpverlening…” (Gastopvang A-B-L).

Ze zouden ook in aanmerking kunnen komen om mee op pad te gaan om gastopvang kenbaar te maken. Ze moeten dat zelf willen doen ook. Ik denk dat we tot die formule moeten komen, want we kunnen dat niet alleen blijven doen.“ (Gastopvang Oost Vlaanderen).

We proberen regionaal 1 vrijwilliger in te zetten. Wij vragen aan de vrijwilliger om minstens 5 halve dagen per maand ermee bezig te zijn en dan is dat juist te doen. Daar staat een vergoeding tegenover voor de verplaatsingen. We hebben erover gedacht om er een vrijwilligersvergoeding tegenover te zetten op het moment dat iemand dan echt operationeel is. Maar bij die ene persoon die goed bezig is, denken we dat we in die richting gaan evolueren. Dat is dan bijna op zelfstandige basis.” (Steunpunt Groene Zorg).

        1. Personeelsinzet organisatie


De verdeling van het personeel is in elke inrichtende organisatie vergelijkbaar. Naast het coördinatieniveau is er telkens 1 halftime tot maximaal 1 fulltime professionele medewerker die verantwoordelijk is voor een bepaalde regio. Deze regio valt grotendeels samen met de provinciegrenzen.
Hier heb je het diensthoofd, daaronder staan de coördinatoren, voor de gastopvang is er één halftijdse coördinator en dat ben ik. De andere coördinatoren zijn met andere dingen bezig zoals oppashulp dan andere. Dat is onze organisatie en dat wordt gerapporteerd naar het management. Er is een VZW vrijwilligerswerk en Bmobiel, die vallen onder de VZW thuishulp en die valt onder de BM(management). Het is eigenlijk een kleine structuur.”(Gastopvang Oost Vlaanderen).

Vier coördinatoren zijn bezig met oppashulp en Bmobiel en ikzelf ben bezig met gastopvang. We zijn met vijf coördinatoren + dan nog twee op de administratie en vier planners. De professionelen vallen onder die vier coördinatoren.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

We hebben één dienst en dat is de dienst gastopvang. Wij zijn een unit, zo noemen ze dat hier. Wij hebben één leidinggevende, onze coach, dat is CG en daarmee hebben wij regelmatig een werkvergadering, namelijk één keer per maand, waarin een aantal praktische dingen vaak op tafel worden gelegd. Er worden ook individuele vragen en knelpunten besproken met zijn allen. We zijn met 3 coördinatoren, een coördinator voor Antwerpen, voor Limburg en ikzelf voor Vlaams – Brabant. Eén keer per maand wordt toch getracht om samen te zijn met de 3 coördinatoren, hier in huis, in het hoofdkantoor en dan doen we intervisie met elkaar: hoe loopt het, tegen wat loopt jij aan,…” (Gastopvang A-B-L).

      1. Wat zijn de randvoorwaarden voor organisatie?




        1. Verzekering



Door alle betrokkenen wordt het verzekeringstechnische aspect als belangrijke randvoorwaarde aangehaald. Op die manier dekt men zichzelf in voor mogelijke ongevallen die kunnen gebeuren in de context van gastopvang, zorgboerderij of logeerzorg. Deze verzekering sluit de zorgaanbieder zelf af door een opname in zijn familiepolis. Daarnaast wordt er door de betrokken dienst ook een verzekering afgesloten voor de zorggebruiker.

Zij moeten zelf verzekeringstechnisch in orde zijn, landelijke thuiszorg heeft ook een verzekering voor de gast. Dat zit in een groepspolis voor alle gasten samen, dat zijn de meest voor de hand liggende randvoorwaarden. Voor de privacy te garanderen moeten ze een formulier ondertekenen.” (Gastopvang A-B-L).

Wij raden toch een familiale verzekering aan. We hebben zelf ook een verzekering voor de gezinnen maar die kunnen we vaak niet aanspreken omdat de franchise veel te hoog is. Dat is er wel, maar tegelijkertijd merken we heel vaak dat als er vragen komen rond zaken die stuk gemaakt zijn, dat we heel vaak niet kunnen antwoorden.” (Pleegzorgdienst Oikonde).

Randvoorwaarden voor de boerderij. Zij moeten aan hun verzekeringsmaatschappij laten weten dat zij als zorgboerderij functioneren en hun polis wordt in die zin ook aangepast. Men moet dat kunnen voorleggen om een subsidie te kunnen krijgen maar wij vragen het ook standaard aan alle niet – subsidiabele boerderijen omdat we wel vinden dat het heel belangrijk is dat het in orde is. De landbouwer moet geen arbeidsongevallenverzekering afsluiten want het is geen arbeidscontract. We verwachten dat de voorziening een verzekering heeft voor de cliënt in de instelling, dat die verzekeringen blijven tellen ook als men naar de zorgboerderij gaat. Voor die gevallen waar het niet kan, hebben wij vanaf dit jaar de mogelijkheid om in te schrijven in een collectieve polis die SGZ aanbiedt, zodoende dat de zorgvrager ook voldoende verzekerd is. Maar bieden dus aan de zorgboer geen verzekeringen aan. Zij verzekeren zichzelf voor hun burgerlijke aansprakelijkheid.” (Steunpunt Groene Zorg).

Ja, voor als je iets tegen komt. Of bijvoorbeeld de hond die de kabel doorbijt (incident met het materiaal van de onderzoeker), dat moet dan toch allemaal verzekerd zijn he. Moest er nu een jongen zijn die zijn hand in een machine stopt terwijl ik bij een klant ga, het is snel gebeurd, je moet verzekerd zijn. Het kost heel weinig. We hebben een familiale verzekering en dan zit er nog iets in mijn polis speciaal voor hen. Maar op een tractor mogen ze niet rijden of machines mogen ze niet besturen. Dat wordt meteen gezegd en ik verbied iedereen van te roken op de boerderij omdat hier al gevaar is (stro, hooi). Als je één keer toelaat en als het dan regent dan denken ze:’ ik ga een beetje schuilen op het stro (…). En als er een jongere is die niet kan leven zonder sigaret zogezegd, dan mogen ze gaan roken in het baantje, buiten de boerderij. En hij houdt zich daaraan.”(Zorgboerin Aaigem).

Nog iets van de verzekering. Vroeger als wij die gasten gingen ophalen, dan nam de voorziening een verzekering. Wij waren dan ingeschreven als vrijwilliger.” (Zorgboer en Boerin Essen).

Een gastvrouw geeft aan dat zulke randvoorwaarde ook bijdraagt aan de professionalisering van het initiatief. De zorg is op die manier opgenomen in een kwaliteitskader waarbinnen aan een aantal regels en afspraken moet worden voldaan.
Op de duur denken ze dat het een café is. En ook voor de verzekering, moest er iets voorvallen. Want ze zijn verzekerd als ze thuis vertrekken tot ze terug thuis zijn. Men zou zich moeten houden aan de afspraken.” (Gastvrouw Geraardsbergen).

        1. Gebondenheid aan privacy


Het behoedzaam omgaan met gegevens van de zorggebruiker is een bijkomende randvoorwaarde in de context van het werken met vrijwilligers. In de intakeprocedure wordt hier aandacht aan geschonken door de inrichtende organisaties.

Daarna volgen een aantal formele dingen: dat het gastgezin zich bereid verklaart om die persoon op te vangen en dan de info die het gastgezin krijgt om dat volgens de regels van de privacy te respecteren enzoverder.” (Gastopvang A-B-L).

Het is inderdaad niet de bedoeling dat ik er alles van weet maar het is belangrijk dat je de dingen weet die je moet weten. Bij ZV is daar nu geen geheim aan maar is dat nu iemand die ouder is en die getrouwd is of iets crimineels gedaan heeft, ik zeg nu zomaar iets.” (Gastvrouw Nevele).

Pas als men daar akkoord mee gaat, dan vraag ik aan de boer of ik zijn contactgegevens mag doorgeven aan de welzijnsdienst. “ (Steunpunt Groene Zorg).



Dit privacygegeven wordt zowel bewaakt voor de zorggebruiker als de zorgaanbieder. Het gaat om een dunne grens tussen de professionele en de persoonlijke context en sfeer. Het uit elkaar trekken van beide contexten wordt aangehaald als een moeilijk aspect. Een voorwaarde tot een succesvolle gast ‘situatie is juist het, tot op zekere hoogte, toelaten van de gast in het persoonlijke leven van de zorgaanbieder. Toch is de grens van het toelaatbare hier zeer duidelijk voor de verschillende bevraagden. Men beschouwt de gastopvang als een dienst die men biedt als vrijwilliger naar zorggebruiker toe, en niet als het opnemen van de zorggebruiker in familie of vriendenkring.

Een belemmering kan ook zijn dat er te weinig gastgezinnen zich aanmelden omdat je in hun privacy en privé terecht komt. Daarom kiezen ze vlugger voor oppas dan voor gastopvang.“ (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Ja, het is iets van een dienst, het is geen familie. Het is nog altijd een buitenstaander. Ik ben ook buitenstaander. Dat is de moeilijkheid. Want ik denk dat ik de familiair werd met A. (ZV). Ze zei op de duur ook: ‘Ik kom bij u een keer slapen’. Dat gaat te ver. Gastopvang met een persoon blijft ook niet he. Morgen of overmorgen kan dat stoppen, dat is het. Met M. (ZV) is dat hiertoe gestopt, hij is nog wel ingeschreven, maar zolang die werkt gaat die jongen niet meer terug komen.” (Gastvrouw Geraardsbergen).

Ja, je bouwt wel een vriendschap op want de mensen zijn tevreden. Gelijk A. (ZV) ook. Ze keek naar die dag uit. Ze zei dat ook tegen S. (Medewerker Bond Moyson). Maar ze kwam dan op de duur alle dagen langs he.” (Gastvrouw Geraardsbergen).

Ik heb nooit gezegd dat het teveel was. Als ik thuis was dan was ik thuis. Dan kwam ze. Maar als ik niet thuis was, daar kon ik ook niet aan doen. Ik zei dat dan tegen S. (Medewerker Bond Moyson) en ik schreef dat op. Want de laatste keer dat ze geweest is, is ze ook twee keer geweest en de dienst was ook niet verwittigd. Want ja, je bent verzekerd he. Op de duur gaan ze een beetje ‘te’. Gelijk A. (ZV) ook. In plaats van 1 dag kwam ze drie of vier dagen.” (Gastvrouw Geraardsbergen).

Het belang van het intermediaire niveau van de inrichtende organisatie wordt hier benadrukt. Zij spelen een belangrijke rol in het opnemen van hun verantwoordelijkheid bij het overschrijden van het privacygegeven.

Er zijn al nachten geweest dat ik niet sliep en dat ik denkt van ‘waar zit dat kind?’. Maar de begeleiding blokt dat dan af: Je moet daar verder niet mee inzitten, dat is een ander ding. Te ver mag je daar natuurlijk ook niet in gaan. Ze heeft nog ouders die voor haar zorgen. Maar dan zit ik soms wel tussen twee vuren en dan vraag ik me bij sommige informatie af of ik dat aan de ouders moet laten weten. Maar ik heb afgesproken met de begeleider van J.(ZV) dat ik dat enkel aan de begeleiding zal doorspelen en niet aan de ouders. De begeleiding moet dan zien wat ze er verder mee gaan doen.“ (Zorgboer en boerin Essen).


        1. Veiligheid in de woning en infrastructuur


Via een checklist worden een aantal praktische zaken overlopen, zoals de ruimte die de aanbieder ter beschikking heeft om de opvang te realiseren, de toegankelijkheid van de woning en de veiligheid van de infrastructuur. Dit is een belangrijk onderdeel van de intakeprocedure. Tijdens een huisbezoek wordt de consulente van de inrichtende organisatie rondgeleid in de woning en wordt vastgesteld of de veiligheid naar verschillende doelgroepen toe gewaarborgd kan worden. Dit kan ertoe leiden dat de opvang van zorggebruikers met een bepaalde beperking worden uitgesloten voor opvang, bijvoorbeeld personen in een rollator.

Een voorwaarde is dat het huis in orde moet zijn. Volgende zaken worden nagegaan: hoe ze leven, hygiëne, veiligheid . Ik doe een toer door het huis met een checklist en dan bespreek ik de tekorten met het gastgezinnen en die schrijf ik ook op om later nog eens te controleren. Ook de trappen zijn belangrijk qua veiligheid . Ik heb al iemand moeten weigeren omdat de voorwaarden niet voldeden.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Wat ook belangrijk was in de gast’situatie is te bekijken hoe die woning er uit zag. Of dit een stuk aangepast was om deze mensen te kunnen ontvangen he. De toegankelijkheid en de veiligheid.” ( Gastopvang West Vlaanderen).

Ah, de infrastructuur van het huis is eigenlijk een heel belangrijk gegeven om uiteindelijk te zien ‘wie kan daar binnen komen’. Als dat een huis met trapjes is, dan is dit al heel moeilijk om een rolstoelpatiënt aan dit gezin toe te wijzen. Veiligheid in het huis wordt ook heel erg bekeken en met een soort van checklist afgevinkt: die badkamer is die toegankelijk, is daar een aparte ruimte waar iemand een dutje kan doen bijvoorbeeld na het middageten, dat zijn zaken die allemaal in kaart worden gebracht.” (Gastopvang A-B-L).

Neen, er moet bijvoorbeeld wel een tweede slaapkamer zijn. Dat de gast niet in dezelfde kamer van de logeerouder moet slapen. Maar het kan bijvoorbeeld wel zijn dat er andere kinderen in de kamer slapen, als de kamer groot genoeg is, dus het moet geen eigen kamer zijn. Er wordt gekeken naar plaats, ruimte,…maar dat wordt eigenlijk allemaal op het team besproken. Maar er wordt nu niet met een checklist rond gegaan.“ (Pleegzorgdienst Oikonde).

In het kader van zorgboerderijen worden er geen strikte vereisten gesteld. Men werkt niet met een voor gestructureerde aanvinklijst maar maakt een globale beoordeling van de veiligheid van de omgeving waarin de zorgvrager terecht kan komen.


Time – out is dat dan meestal. Dan willen we wel de plek zien waar de persoon moet overnachten. Dat kan verschillend zijn. Dat kan een kamer zijn die leeg staat, dat kan een studio zijn die ingericht is, boven een stalling of een stuk van een loods. Wij hanteren daar geen strikte normen in maar we kijken wel of het menswaardige omstandigheden zijn, dat is een beetje gezond verstand. In sommige zorgboerderijen is dat een caravan. Dus we zijn ons wel gaan bevragen of dat dan wel in orde is naar veiligheid toe,…” (Steunpunt Groene Zorg).

Op zich kan het initiatief met weinig materiaal en voorzieningen zinvol worden ingericht. Een plek waar de zorgvrager zich kan thuis voelen vat het eigenlijk allemaal samen.


Niet veel. Een tafel en een zetel is genoeg. Meestal blijft G. (ZV) op zijn stoel zitten, J. (ZV) gaat soms al eens in de zetel zitten. Maar G. komt binnen en die begint meteen met zijn koffie.” (Gastvrouw Heverlee).

Ik heb hier de ruimte omdat ik zelf kinderen heb natuurlijk maar ja moest ik nu volwassenen te gast hebben dan zou ik dat anders moeten invullen. Dat weet ik niet. Het moet vooral veilig kunnen gebeuren.” (Gastvrouw Nevele).

Het herinrichten of verbouwen van de ruimte ten behoeve de opvang van zorggebruikers wordt zelden gedaan, tenzij dit voor meerdere doeleinden kan worden ingezet. Er worden in geen geval subsidies voorzien om infrastructurele aanpassingen te verrichten.
Er zijn wel een aantal boeren die er specifiek voor kiezen, maar die doen bijvoorbeeld ook aan Hoevetoerisme. Dat ze in een algemeen concept hun ruimtes bijvoorbeeld rolstoeltoegankelijk maken of er zijn ook boeren die een feestzaaltje hebben en die langs het zaaltje toiletten hebben geïnstalleerd en een doucheruimte voorzien, als ze dan toch bezig zijn, maar dat wordt niet vereist. Het is natuurlijk wel een bijkomende troef. We kunnen dat ook niet eisen, aangezien er niets tegenover staat.” (Steunpunt Groene Zorg).

In geval van nachtopvang of kortverblijf moet het gastgezin beschikken over een gemeubileerde kamer voor elke gebruiker, voorzien van een oproepsysteem en over aangepaste was- en douchegelegenheid.



        1. Geen verwantschap tot de tweede graad hebben met de leden van het gastgezin.


In de uitvoeringsbesluiten van de diensten gastopvang wordt vermeld dat gastopvang niet kan plaatsvinden tussen directe familieleden, in die zin onderscheid het zich (gedeeltelijk) van mantelzorg. Dit gegeven is echter geen enkele keer aangehaald in de interviews. Naar alle waarschijnlijkheid heeft deze situatie zich tot op heden nog niet voorgedaan.
        1. Een overwogen engagement


De inrichtende organisaties streven naar een overwogen engagement van de vrijwilliger. Toch moet er een onderscheid worden gemaakt tussen een overwogen en een langdurig engagement. Pleegzorg besteed hier extra aandacht aan omdat het bij deze opvangvorm in de meeste gevallen gaat om een minderjarige, wat de situatie extra kwetsbaar maakt. In geval van zorgboerderijen zijn de engagementen ook vaker langduriger van aard. Deze trend zien we niet terug bij gastopvang waar engagementen gemakkelijker worden stopgezet, onderbroken en opnieuw opgestart.

We zijn daar voorzichtig in omdat we toch willen dat het engagement langdurig is en niet zomaar is éénmalig een week op opvang komen in een gezin. Dus dat er bijvoorbeeld niet één vakantie opvang is omdat de ouders vakantieopvang nodig hebben. Het is dus altijd een langdurig engagement en het logeren moet wel met regelmaat plaatsvinden, maar los daarvan kan het wel zijn dat het kind voor korte periode wordt opgevangen.” (Pleegzorgdienst Oikonde).

Een andere belangrijke voorbereiding is dat men op het bedrijf zelf, het gegeven met alle betrokkenen moet doorpraten: of men het ziet zitten ja dan neen. En dan krijgen ze ook bedenktijd. De bedenktijd is na het screeningsgesprek. Het screeningsgebrek gebeurt met de zorgboer liefst samen met de zorgboerin.“ (Steunpunt Groene Zorg).

Gastopvang met een persoon blijft ook niet he. Morgen of overmorgen kan dat stoppen, dat is het. Met M. (ZV) is dat ook gestopt. Hij is nog ingeschreven maar zolang die jongen werkt gaat hij niet terugkomen.” (Gastvrouw Geraardsbergen).


Gastopvang is maar iets tijdelijk. Misschien hoogstens 2 jaar. Je ziet ook aan de toestand van de mensen dat het achteruit of vooruit kan gaan. Maar het is opvang van korte duur. “(Gastvrouw Geraardsbergen).
Soms heb je toch een gegeven waardoor het stopgezet wordt. Bijvoorbeeld door een gastvrouw die plots zelf zorgbehoevend wordt”. (Gastopvang A-B-L).

        1. Andere voorwaarden


Een bijkomende voorwaarde geldend voor alle betrokken organisaties die een vorm van opvang door vrijwilligers inrichten (gastopvang, logeerzorg, zorgboerderijen) is een bewijs van ‘goed gedrag en zeden’. De pleegzorgdiensten werken met minderjarigen wat maakt dat zij nog een aantal extra instapvoorwaarden opleggen aan de kandidaat – logeergezinnen: een medisch attest, het beheersen van de Nederlandse taal, een gestabiliseerde gezinssituatie, meerderjarigheid van de vrijwilliger (pleegouder), en tot slot moet het gezin minstens 1 jaar samenwonen.
De objectieve instapvoorwaarden zijn sowieso ook wel een bewijs van ‘goed gedrag en zeden’ (strafregister model 2), alsook een medisch attest, zodat er ook een bewijs is dat er geen tegenindicatie is. Dit vragen we bij elke pleegzorgsituatie. Als er door de jeugdrechtbank of het comité momenteel contacten zijn, binnen de gezinscontext, om daaromtrent wat te werken, dan vinden we op dat moment ook geen goed idee om te kijken of logeerzorg mogelijk is. Nederlands verstaan en/of praten is ook wel een voorwaarde. Anders is begeleiding niet mogelijk. Niet zwanger zijn, niet zwanger willen worden of een adoptieprocedure hebben lopen. Omdat dat toch wel wat voor beweging en dynamiek zorgt in een gezinscontext. Dat moet voldoende rustig en stabiel kunnen verlopen. Dan moeten wij wel even op de rem gaan staan, en achteraf kunnen we de draad dan wel weer opnieuw oppikken. Het is dus zeker geen tegenindicatie voor altijd maar wel voor even. Meerderjarig zijn is ook een criterium. Willen samenwerken met een dienst pleegzorg. Het zijn dus allemaal voorwaarden die redelijk ok zijn.” (Pleegzorgdienst Oikonde).

Minstens 1 jaar samenwonen is ook een criterium. Er zijn dan ook nog een aantal aandachtspunten: zoals bijvoorbeeld verschillende ideologieën en levensbeschouwingen. Bijvoorbeeld: hoe ga je dit opleggen aan het kind, of hoe zou je die opleggen aan het kind. Stabiliteit van het gezin(…)” (Pleegzorgdienst Oikonde).

We vragen dat iedereen een attest van ‘goed gedrag en zeden’ kan voorleggen.” (Steunpunt Groene Zorg).

      1. Wat zijn de benodigde competenties van de vrijwilligers om gastopvang in de praktijk te realiseren?




        1. Communicatievaardigheden




Open communicatie

Bij alle betrokken partijen moet een bepaalde veiligheid gewaarborgd worden zodat vragen of twistpunten kunnen gesteld en/of uitgeklaard worden. De inrichtende instanties hebben daarbij de opdracht om een platform te creëren waarin open communicatie mogelijk is. Betrokkenen moeten ook voldoende activeringsvermogen bezitten om dingen bespreekbaar te maken. Naast een open communicatie is een bepaalde handelingsgerichtheid en reflectievermogen van belang.
Dit is een gastvrouw die een zevende voelhoorn heeft voor dit soort dingen en die houdt mij ook heel vaak in contact en die signaleert ook toch wel wat. Over laatst liet ze mij weten: ‘Gert, hij eet zo weinig’. Heel leuk Patricia, fijn dat jij dit mij laat weten, heb ik gezegd. En uiteindelijk brengt dit wel wat inhoud mee en bleek dat het drankprobleem terug de kop had opgestoken en dan kunnen we daar weer op inspelen, via een andere hulp..” (Gastopvang A-B-L).

Bij de kennismaking kan het zijn dat het allemaal wel goed lijkt. Je kan mooi praten he maar als je een tijdje bezig bent kan het toch zijn dat je denkt; ‘het is dat niet’, maar dan ik wel de persoon die het durft zeggen tegen de persoon van Landelijke Thuiszorg. En dat moet kunnen.” (Gastvrouw Heverlee).

Dat vinden we wel belangrijk: kunnen in relatie treden met de zorgvrager en de feedback kunnen aanvaarden van de voorziening.” (Steunpunt Groene Zorg).

M.(ZV) heeft een tijdje gehad dat die naar de grote wc ging en dat die een washandje nam om zijn poep af te kuisen en dan bracht die vanuit de voorziening propere onderbroeken mee en die verschoonde zich een aantal keer per dag. Dan heb ik ook gebeld naar de voorziening en dan is dat besproken van: ‘Er zijn vochtige doekjes of zo…’. Alles kan met deze gasten nog wel besproken worden.“ (Zorgboerin).

Je gaat als logeerouder dingen zien waar je van zegt, ‘oei, daar ben ik niet mee akkoord’. Dat men tot het besef komt van andere waarden en normen. Daarmee geconfronteerd worden is ook niet vanzelfsprekend. Je moet ermee leren omgaan en leren over in gesprek gaan of soms ook hierover leren zwijgen.” (Pleegzorgdienst Oikonde).

Kunnen communiceren vinden wij ook zeer belangrijk. Dat als er vragen zijn dat ze die ook stellen en dat die niet achter de rug een groter leven krijgen, dan eigenlijk zou moeten. Dat men voor zichzelf ook kan duiden, hier heb ik het lastig mee, dat vind ik wel prettig,…Voor de rest zijn er geen grote criteria waaraan dat je als logeerouder moet voldoen.” (Pleegzorgdienst Oikonde).


Luistervaardigheden

Het bieden van een luisterend oor en daarvoor de tijd en ruimte te maken is een belangrijke competentie die wel geapprecieerd wordt door de aanwezige zorggebruiker.

Luisteren (overtuigd) en ja, een grapje maken en zorgen dat er koffie is, maar vooral luisteren. Ik begin meestal met G. (ZV) met een gesprek voor een kwartiertje. Meer niet. “ (Gastvrouw Heverlee).

Ik bemoeder die een beetje. Je pakt die ook is vast en dan kan die eens uithuilen en dan praat je hem terug aan van: ‘Och, dat gaat wel lukken’. Dan weten ze wat er gebeurd is. Het zijn toch wel allemaal nog dingen die we kunnen oplossen. Dus vooral goed luisteren en goed zien, want ze kunnen het niet altijd verbaal duidelijk maken. Je weet het ook dikwijls. Bijvoorbeeld: M.(ZV) zal bijvoorbeeld binnenkort verschrikkelijk zenuwachtig zijn voor Sinterklaas. Hij zit dan in zijn handen te wrijven en te zeggen van: ‘Joepie, joepie, hij komt!’ (…). Ook bij carnaval is hij heel zenuwachtig. Je kent de gasten zo ook wel.“ (Zorgboer en boerin).

En hij luistert dan alsof het de eerste keer is dat ik het vertel. En voor mij is dat dan goed he.” (Zorgvrager op een zorgboerderij).


        1. Sociale vaardigheden




Het kunnen opnemen van iemand in de sfeer van zijn dagdagelijkse leven

Een voorwaarde om opvang in de eigen thuisomgeving tot een succes te maken, is het spontane contact. De essentie van gastopvang, logeerzorg en opvang op een zorgboerderij is mee opgenomen worden in het dagdagelijkse leven van de zorgvrager in kwestie. Het kunnen toelaten van de ander om mee van te mogen genieten van de dagdagelijkse sfeer en het thuisgevoel is essentieel en behoort tot de kernkwaliteiten van gastopvang.


Het spontane contact is goud waard. Met de persoon willen leren omgaan, willen leren verstaan. Een stukje ‘thuis voor 1 dag’ geven.” (Begeleider Voorziening).

Je moet zien dat ze welkom zijn want als je daar staat met een lang gezicht, dat is niet aangenaam voor de mensen.” (Gastvrouw Geraardsbergen).

Wij ontvangen mensen met open armen. Natuurlijk, de ene dag is de andere niet, maar we moeten ons best doen om met de mensen te kunnen omgaan, om hen gerust te stellen, om een babbel te doen” (Gastvrouw Geraardsbergen).

In gastopvang is het toch wel belangrijk dat je de mensen niet drie uur op dezelfde stoel laat zitten. Ervoor zorgen dat ze een beetje comfortabel zitten. Dat is wel belangrijk. Voor die mensen kan dat veel betekenen. Je moet je thuis voelen als je bij iemand bent.” (Gastvrouw Geraardsbergen).

Met de mensen kunnen omgaan. Een goed babbeltje kunnen slaan. Niet beginnen zeggen: ‘Ja, maar ik heb werk. Ik ga hierbuiten wat doen.’. Of van: ‘Kijk, ik moet nog dat doen en dat.’. En de mensen maar laten zitten. Neen, je hebt bezoek zogezegd dus die laat je niet zomaar zitten. Dat is in ieder geval toch mijn principe.”(Gastvrouw Geraardsbergen).

(…) Die dat graag doen, dat ze graag met mensen omgaan. Want anders ga je dat niet doen.” (Gastvrouw Geraardsbergen).


Kunnen omgaan met verschillende problematieken

De (kandidaat) zorgbehoevenden die intekenen op het aanbod van gastopvang zijn personen met een ‘kwetsbaar’ profiel. Vaak gaat het om senioren van hoge leeftijd, personen met een psychiatrisch verleden, of mensen met een beperking. Het vertrouwd zijn met uiteenlopende problematieken en hier op een gepaste manier mee kunnen omgaan is niet zo evident. Door ervaring leren vrijwilligers met een specifieke problematiek omgaan en leren ze de situatie te hanteren.
Ze gaat gemakkelijker om met mensen die ze kent, waar ze mee vertrouwd is en die ze begrijpt. De gastvrouw is ze nu gewoon, en ze weet hoe ze K. (zorgvrager) moet aanspreken. Dat is allemaal niet evident voor K. Als ze met iemand totaal vreemd in contact komt, voor die mensen is het ook moeilijk. Ze weten niet hoe ze met elkaar moeten omgaan.” (Betrokken mantelzorger).

Via gebaren, als ik iets zeg hoort ze niet dus eerst moet ze naar je kijken en dan zeg je wat je te zeggen hebt. Ik kan wat gebaren maar MZ kan er veel meer. Met een paar gebaren kan ik iets zeggen maar de echte communicatie kan ik niet voeren met haar. Daarom dat ik tegen MZ gezegd heb, zeg het haar op voorhand want jij kan het beter uitleggen. Maar ik wist dat dat voor ZV geen probleem zou zijn. Als ik ZV terugbreng vraagt MZ hoe het was en ZV geeft een hele uitleg op haar lage niveau natuurlijk maar ze zegt wel iets en dan vraagt MZ heeft ze iets gezegd. Hoe meer dat ze zegt, hoe meer dat ze iemand begint te kennen. Je moet natuurlijk altijd verstaan wat ze zegt he dat is een tweede moeilijkheid.” (Gastvrouw Nevele).

Ik moet hem constant begeleiden. Hij kan niets alleen doen. Als ik dan buiten ben en hij weet niet op welke potjes hij de plakkers moet plakken,.. maar dan zeg ik: ‘Hubert; op die pottekes.’, en dan is hij weer gestart voor een half uur of een uurtje.” (Zorgboerin).

H. zegt dan: ‘Heb ik dat al eens verteld?’. En dan zegt mijn vader: ‘Neen’. En dan vertelt H. het gewoon nog een keer. En hij vertelt het altijd precies of je hebt het opgenomen op bandrecorder. Altijd hetzelfde. Zo zit dat in zijn geheugen.” (Zorgboerin).

Landbouwers die heel goed zijn met jongeren, die er een bijzondere feeling voor hebben om te werken met een doelgroep die zeer problematisch gedrag vertonen, kunnen heel goed begrenzen en responsabiliseren. Het zijn dus eigenlijk fantastische hulpverleners zijn.” (Steunpunt Groene Zorg).

        1. Organisatorische vaardigheden




Structureren

De doelgroep van de zorg- en opvangvormen die hier besproken worden ondervinden vaak moeilijkheden met het structureren van situaties. Dit aspect komt voornamelijk naar de voorgrond in het kader van de zorgboerderijen. Gezien activatie centraal staat kunnen problemen met structureren ook vaker de kop op steken. Een belangrijke organisatorische vaardigheid van de vrijwilliger is dan ook het voor structureren van de taak, dag of situatie voor de zorgbehoevende, in dit geval de hulpboer. Maar ook bij gastopvang is het bieden en inrichten van structuur een voorwaarde die enige veiligheid biedt aan de gast(e).
Aan de K. (zorgvrager) moet ik twee dingen voorleggen, als we bijvoorbeeld gaan eten dan moet ik op voorhand van de mantelzorger weten wat ze graag eet want K. zelf zegt dat niet. Als het bijvoorbeeld zomer is kunnen ze kiezen tussen een koekje of een ijsje. Ik moet die twee echt voor haar leggen. Je moet dat allemaal wat structureren en inschatten.” (Gastvrouw Nevele).

Maar het is belangrijk om zeker niet heel de dag te overlopen ’s morgens. Dan soms komt



hij halverwege vragen: ‘Mag ik dat doen?’, en dan moet ik zeggen: ‘Neen F. (ZV),

eerst uw werk afdoen.” (Zorgboerin).
Hij kan niet werken he, dus hij vult mijn lege flesjes melk en dan zijn we weg. Ik laad dan yoghurt in mijn auto en dan rijdt hij een ganse dag mee.” (Zorgboerin).

Het dagschema dat hij hier volgt is ook altijd heel strikt. Hij start ’s morgens met een thee en als J.(ZB) verder wilt doen dan zegt hij van: ‘Ik begin al.’, en dan kan het zijn dat M.(ZV) nog met zijn reclameblaadjes bezig is. Dan vraagt M.(ZV) zijn overal (werkkledij). Dan weet hij dat hij gaat vegen en dan als hij naar buiten gaat zegt hij: ‘Kwart voor 1 he?’. We lachen er altijd mee: ‘Kwart voor 1, is niet 1 uur he.’, als het dan kwart voor 1 is en hij zit met J.(ZB) op de tractor,… hij neemt wel aan dat het werk af moet zijn maar dan is dat wat over en weer geplaag. En tijdens de middag kan het dan zijn dat ze samen het weerbericht kijken. De middagpauze duurt de ene dag al wat langer dan de andere. Het is zoals het uitkomt. En in de namiddag zijn het dan de andere dingen die moeten gebeuren. In de winter is dat al wat minder. Er zijn periodes dat het heel druk is maar M.(ZV) rijdt heel graag met de tractor mee. Het gebeurt soms ook dat ze in een veld verder weg zijn, dat ik hem dan kom halen ’s middags om te gaan eten en dat J.(ZB) dan gewoon verder werkt. Wij eten dan warm. Maar hij heeft zo wel een vast stramien.” (Zorgboer en boerin).


Samenstellen van een zinvolle dagbesteding



Vanuit de inrichtende diensten wordt er bewaakt dat de samenkomsten tussen vrijwilliger en gast plaatsvinden op vaste tijdstippen die telkens geregistreerd worden. Naast deze praktische afspraken waar beide partijen zich dienen aan te houden, bestaat er veel autonomie wat betreft de invulling van de afspraak. Afhankelijk van enerzijds de noden en mogelijkheden van de gast(e),en anderzijds de creativiteit en het vermogen van de vrijwilliger krijgt de opvang vorm. In die zin moet de vrijwilliger in staat zijn om, in samenspraak met de gast(e), een zinvolle dagbesteding samen te stellen. Dit gaat niet steeds over initiatieven met een groot ‘entertainment gehalte’, de eenvoud van het dagdagelijkse leven en de participatie hieraan, blijft centraal staan. Tijdens matchingproces en opvolgingstraject blijft de verantwoordelijke van de dienst wel beschikbaar om mee te ondersteunen in de samenstelling van een zinvolle dagbesteding.
Wat zij zelf beslissen is de invulling van de dagbesteding. Als de gastvrouw/heer zegt ‘we gaan een uitstap doen of we gaan een uitje doen met de bus of we gaan de chauffeur van het OCMW vragen die ons voert naar wat dan ook, dat zijn allemaal zaken die het gastgezin zelf mag beslissen, als het aanslaat bij de gast, als de gast het wil, want het vertrekt eigenlijk van die exclusieve aandacht, die de gast krijgt van die heer of vrouw en wat hij aan activiteiten doet of niet doet bepaalt hij zelf.“ (Gastopvang A-B-L).

Er is een gezin dat een dagje naar zee ging of een namiddag naar museum M in Leuven, daar hebben wij dus niet…, dat beslissen zij zelf. Dat zijn dingen die we eigenlijk ook vanuit onze stoel, proberen te stimuleren, omdat het altijd nog heel belangrijk is…“ (Gastopvang A-B-L).

Wij regelen de data, de uren, het is niet zo dat ze onderling kunnen afspreken, het moet altijd langs ons. Wat dat die doen ter plaatse, als ze in het gastgezin blijven zijn ze vrij van zelf in te vullen, dan gaan ze een uitstapje doen of iets anders. Dat regelen ze ook zelf.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

We gaan thuis. Er is feitelijk geen voorbereiding. Het enige dat ik wil weten is dat qua veiligheid alles in orde is. Voor de rest vraag ik niet doet dat of dat.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Ik heb hem aan het werk gezet, zoals de goot uitkuisen. Allemaal dingen om hem bezig te houden. Hij vroeg ook zelf: ‘Wat moet ik doen?’. Het was voor een beetje zijn verstand te gebruiken, want die jongen heeft van niks verstand. Je moet erbij zijn. Je moet zeggen: ‘M. dat nu, en dat nu, we gaan dat doen (…). Maar hij kwam hier en wij babbelden en ik hield hem eigenlijk bezig. Babbelen met hoe dat het geweest was, hoe zijn dagen gegaan waren, hoe hij zich voelde nu hij terug thuis was en weg uit de instelling.” (Gastvrouw Geraardsbergen).

Wij babbelden veel. Dat was een vrouw die graag babbelde. En dan stak ik een was in, of deed ik een strijk. Hoewel we dat niet moesten doen. Tegen dat ik toekwam lag ze altijd op haar zetel wat te rusten. Ik haalde haar dan van de zetel af, ik zette koffie en ik deed dan toch het een en ander voor haar. Veel kon ze zelf ni meer.” (Gastvrouw Geraardsbergen).

Er zijn dingen, toen wanneer R.(ZV) nog mobiel was dan gingen we nog samen aardappelen zetten. Dan moesten we een gaatje zetten en dan stak hij in elk gat een aardappel en dat ging goed tot ik mezelf omdraaide en dan lagen er twee in. Ik moest dus achter hem overal lopen. Je kon het tien keer zeggen maar,… Dat is natuurlijk grappig. Je kan er ook niets van verwachten.” (Zorgboer en boerin).

Tijd maken, zeker in het begin om de gasten te leren kennen. Daar steekt veel tijd in. Het is niet van, je pakt ze erbij en je gaat een dagje werken. In het begin was het echt wel heel vermoeiend, want we hadden zo alle twee het gevoel dat we ze moesten entertainen. Maar het is niet dat je extra werkjes moet voorzien, het is gewoon de alledaagse werkelijkheid die we doen met iemand erbij, dus het gaat allemaal trager. Dus tijd ervoor nemen, toch wel.” ( Zorgboer en boerin).



Kunnen inschatten van mogelijkheden en beperkingen van de zorgvrager



De vrijwilliger moet een bepaalde feeling bezitten om enerzijds te kunnen aanvoelen waar de zorgvrager zijn interesse naartoe gaat en anderzijds een inschatting te kunnen maken van iemand zijn mogelijkheden en beperkingen. Een aanvoelen alleen is niet genoeg, de vrijwilliger moet ook adequaat kunnen omgaan met deze beginsituatie, dit wil zeggen via de mogelijkheden en interesses, rekening houdende met de beperkingen van de zorgvrager trachten te komen tot een maximale betrokkenheid van de zorggebruiker.
Je moet zien dat ze uit de voeten kunnen. Ze moeten kunnen stappen. A. (zorgvrager) kon stappen, ze was maar 56 jaar. Je moet kunnen inschatten wat iemand aankan. Kan iemand wandelen.” (Gastvrouw Geraardsbergen).

(…)moet wel aanhangen omdat haar been sleurt en bij het minste dat de stenen een beetje te hoog zijn, struikelt ze wel.” (Gastvrouw Heverlee).

Ook zo, het kunnen dragen van een verantwoordelijkheid voor iemand, kunnen inschatten waar de gevaren zijn, kunnen inschatten waar er op gelet moet worden (…).,…” (Steunpunt Groene Zorg).

Een zorgboer doet gewoon zijn werk op de zorgboerderij en die moet ook geduld hebben en kunnen inschatten wat de persoon aankan en het werk kunnen aanpassen in functie van die persoon, mits wat coaching en feedback vanuit de voorziening.” (Steunpunt groene Zorg).

Ik laat ze één dag komen en ik laat ze kiezen en dan weet ik welk werk ik ermee kan doen en wat niet. Die van woensdag die werkt graag in de stal en dan doe ik activiteiten in de stal. Hij voedert alleen en kuist de stallen op maar hij doet wel altijd vooruit. Als we naar de patatten gaan, dan moet ik maar juist het plankje verleggen en dan roept hij wanneer de zak vol is. Maar soms is hij nog maar halfvol en dan panikeert hij al. Dan moet ik een teken maken of een krijtlijntje: ‘tot hier’, en dan lukt het. Bij H. (ZV) deed ik dat in het begin ook. Vanuit de stal had ik dan pijlen getekend naar het huis. Als hij dan een keer dorst had, dat hij zelfstandig volgens de pijlen zijn weg naar het huis kon terug vinden. Hij moest dan de pijlen volgen en dan komt hij bij mémé uit. Die van maandag die kan zelfs nog niet naar een beschutte werkplaats, dus dan moet je van die jongens ook niets verwachten he. Je moet ze juist wel bij u houden he en ervoor zorgen dat ze een kwartier tot twintig minuten alleen kunnen werken.“ (Zorgboerin).

Die liet ik dan dingen afwassen ofzo. Ik nam hem eens mee om de bloemenhof op te kuisen, maar dat ging niet. Dan heeft hij 23 keer komen drinken tot ik zei: ‘Dat kan toch niet?’. Maar hij was altijd van: ‘Ik heb dorst, ik heb dorst.’ Ik moest aangepast werk hebben voor die jongen en dan ging het wel.” (Zorgboerin).

Niets forceren is belangrijk, echt op een eigen tempo. P.(ZV) was dan ook in zo’n periode dat hij was gevallen en hij had zijn schouder gebroken, dan kwam hij even niet. En dan ging ik naar ‘de regenboog’ om hem te bezoeken en toen zei P.(ZV) tegen mij: ‘ik verveel me’. En dan heb ik gezegd dat hij wel mocht komen he. Hij zei dan dat hij niets kon doen maar dat is niet (…), hij kan er gewoon zijn he. En dan is hij beginnen halve dagen te komen en hij had er deugd van. En dan gingen wij is samen naar de bakker of zo, dat moet ook kunnen he. Je steekt er wel wat tijd in, maar dat is zinvolle tijd.” (Zorgboer en boerin).

      1. Wat zijn de persoonskenmerken van de vrijwilligers om gastopvang in de praktijk te realiseren?

De competenties van de vrijwilliger worden aangevuld met enkele belangrijke persoonseigenschappen zoals een altruïstische motivatie en de behoefte aan sociaal contact. Een profielkenmerk van de vrijwilliger is de connectie met de zorg- en welzijnssector.



        1. Altruïstische motivatie


In het waarom – gegeven vinden we in de antwoorden van de betrokken vaak een zoeken naar een bepaalde zingeving terug, een bepaalde ingesteldheid van ‘iets voor een ander willen doen, willen betekenen’, samengevat, een altruïstische motivatie.
Zo ben ik he, als ik iets kan doen voor een ander. Dat heb ik van mijn mama geërfd. Ze zeggen dat dikwijls: ‘Je hebt energie tot en met!’. Ik zit nog in het verenigingsleven ook, maar ik zeg altijd: ‘Als je het graag doet, dan gaat dat goed, dan gaat dat gemakkelijk.’. Dat is een ingesteldheid. De motivatie om een zorgboerderij te worden is vanzelf zowat gekomen. Dat is op die stand op de landbouwbeurs gaan spreken en dat sprak mij meteen aan. Ik zeg: ‘Waarom niet?” ( Zorgboerin Landeghem).

Wij zijn ermee gestart omdat we niet alleen de boerderij willen. We werken alle twee heel graag met mensen maar op een boerderij heb je daar de kans niet voor. In 2001 ben ik buitenshuis gaan werken in een rusthuis en dan heb ik dat ondervonden. Na 5 jaar was dat werk in een rusthuis voor mij ook genoeg en dan ben ik terug thuis komen werken maar nu is dat zo van: ‘ok, we kunnen er wel wat bij doen.’. Toen had ik dat gehoord van de zorgboerderijen. J. (zorgboer) moet ook gezelschap hebben en dat is dan ideaal. Dat is een goede combinatie. Je leert ook heel veel mensen kennen, echt op alle gebied, van de instelling, de gasten zelf. Je komt op een andere manier met mensen in contact en dat is toch wel heel fijn. We werken alle twee thuis dus je kan beter de andere mensen naar u halen dan zelf weg te gaan.“ (Zorgboer en boerin Essen).


        1. Behoefte aan sociaal contact


Eén van de succesfactoren van gastopvang is de wederkerigheid in de relatie, de win – win situatie voor zowel vrijwilliger als zorgbehoevende. Dit zijn de casussen waarin de opvang langer standhoudt omdat beiden er een eigen voordeel uit halen. In onderstaande citaten wordt duidelijk dat de behoefte aan sociaal contact zowel bestaande is voor gastvrouw- heer als voor de gast(e).
Wat ik merk is dat ze graag iemand thuis op bezoek hebben en dat ze ook thuis verder kunnen werken. Ook omdat ze niet meer mobiel zijn: ze hebben hun auto weg gedaan en moeten met de fiets of openbaar vervoer als ze iets buitenshuis zouden doen. Ten tweede omdat ze thuis nog iets kunnen doen en die persoon erbij betrekken.bv omdat ik dan bij mooi weer met de gast in de tuin kan zitten.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Ik doe dat meer voor iemand anders, dan voor mij. Maar eigenlijk, heb ik dan ook een keer een babbel want ik ben ook alleen.” (Gastvrouw Geraardsbergen).

Neen, maar ik ben van in ’80 alleen en ik ondervind nu zelf dat ik ook eenzame dagen heb. En dat het moeilijk is om deze eenzame dagen op te vullen met iets dat je graag doet. Want eigenlijk heb ik tegen de coördinator van Landelijke Thuiszorg ook gezegd dat ik meer dan 1 dag zou willen. Maar ze hebben geen mensen.” (Gastvrouw Heverlee).

        1. Connectie met zorg- en welzijnssector

Een duidelijk profielkenmerk overheen de verschillende zorgvormen en instanties is de connectie met de welzijnssector. Bij sommigen gaat het om professionele ervaring binnen de sociale welzijnssector bij anderen gaat het om persoonlijke ervaring, zoals een vervulde mantelzorgfunctie, een engagement als vrijwilliger binnen een sociale setting of een uitgesproken interesse in hulp of zorg verlenen aan zorgbehoevenden.


Heel vaak is het zo dat de echtgenote een zorgdiploma heeft of een onderwijsdiploma en van daaruit een soort gevoeligheid heeft. Het is gaat niet altijd om heel veel werkervaring maar men zit dan met een diploma van vroeger, bejaardenhelpster ofzo,.. en dan spreekt dat toch wel aan. Hoewel dat, dat niet noodzakelijk is voor ons. De instapvoorwaarden zijn eigenlijk heel laag, heel laagdrempelig.” (Steunpunt Groene Zorg).

Maar ook daarbij is de connectie met de sociale sector nooit ver weg. Dat is geen voorwaarde he, maar je voelt wel om die drempel over te gaan dat mensen toch wel wat vertrouwd moeten zijn met het gegeven van personen met een handicap.” (Pleegzorgdienst Oikonde).

Je hoort vaak verhalen als: ik deed al vrijwilligerswerk of ik deed al boodschappen voor die mevrouw of ik ging wekelijks bij die mensen op bezoek of ik ontvang ze al eens thuis om eens mee te eten. Het zijn vooral die dingen. Sommigen waren vroeger pleeggezinnen.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Ik heb nu een dame in het Hageland. Een jonge vrouw, die zwanger is van haar tweede kind, die heeft heel lang gewerkt als hulpverlener binnen de psychiatrie, is daar dan op een gegeven moment uitgestapt en zegt van ‘goh, eigenlijk mis ik dat sociale’ en die komt in feite terug. Maar er zit wel een affiniteit met dat sociale.“ (Gastopvang A-B-L).

De gastvrouw is iemand die heel goed met mensen met een beperking om kan. Haar interesse gaat ook naar daar uit.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Omdat ik mijn beroep niet meer kan uitvoeren en ik alternatieven zoek in die sector. Want bij de pleegzorgdienst hebben ze ook vrijwilligers die daar in loon werken maar ook oppashulp doen. Ik had dus ook al gevraagd aan hen om vrijwilligerswerk te mogen doen maar ik zit gebonden aan de uren van mijn gasten. Het geeft mij toch voldoening. Het moet met mensen zijn, ik heb dat altijd gedaan. Ik zou ook in een winkel kunnen gaan werken maar het is echt dat zorgende.” (Gastvrouw Nevele).

Ik heb 30 jaar ervaring als verpleegkundige. Hier op de boerderij werk ik van 89 vanaf dat ik getrouwd ben, daarvoor heb ik 7 jaar ergens anders gewerkt. Hier werk ik nog altijd op hetzelfde verdiep. Het is er goed. Ik werk 4/5 en om de drie weekends. Dat is een luxe.“ (Zorgboerin).

Het moet met mensen zijn, ik heb dat altijd gedaan. Ik zou ook in een winkel kunnen gaan werken maar het is echt dat zorgende.” (Gastvrouw Nevele).



      1. De competenties van de ‘vrijwilliger’ komen onder spanning te staan.

Is het niet meer aangewezen om te werken met professionals in de begeleiding van personen met een specifieke zorgvraag? Deze vraag is expliciet gesteld aan alle betrokkenen in het kader van vrijwillige zorg aan zorgbehoevenden. De meningen hieromtrent zijn verdeeld. Het in vraag stellen van de professionele competenties van de vrijwilliger komt vooral aan het licht binnen de casussen waar de zorgbehoevende kampt met specifieke noden of zwaardere problematieken. Binnen de context van de zorgboerderijen staat ‘activatie’ centraler dan ‘beleving’, dit maakt dat de zorgbehoevende nog tot enige fysieke inspanning in staat moet zijn om te kunnen meedraaien in een zorgaanbod op de zorgboerderij. Omwille van deze voorwaarde is de instroom van de doelgroep zorggebruikers met specifieke noden aanzienlijk kleiner bij de zorgboerderijen.



        1. Ja


Ik denk dat het beter professionelen zouden zijn. Zij hebben ten eerste al een opleiding om met zo’n mensen om te gaan. Ik vind het mooi dat mensen dat op vrijwillige wijze doen. Als ik nu zelf later vrijwilliger zou zijn, dan zou ik al wat ervaring hebben door K.(ZV), maar je merkt dat die mensen helemaal geen ervaring hebben. Nu zitten ze bij K. (ZV) en morgen zitten ze bij een oudere persoon in een rolstoel bijvoorbeeld die geen mentale beperking bijvoorbeeld heeft. Daarna zitten ze bij een zeer zwaar gehandicapte persoon… dus gebrek aan ervaring. Beter professionelen en ik dacht ‘oppas op maat’ dat het ook professionelen waren. ‘Op maat’, zei voor mij veel. Toen heb ik gehoord dat het vrijwilligers waren en ik dacht, ‘mooi initiatief van die mensen maar(…).“ (Betrokken mantelzorger).

Eigenlijk prefereren mensen echt wel een professionele kracht boven een vrijwilliger.” (Gastopvang West Vlaanderen).

Ouderen op een boerderij zou ik niet doet, dan moet je teveel aanpassen. Dan zijn dan vooral boeren die dat doen waarvan de vrouw kan thuisblijven. Als de boerderij voor hen teveel is , maar dat kunnen ze dan wel bij pakken. Je moet studies gedaan hebben om dat te begeleiden, en dat heb ik niet gedaan.” (Zorgboerin).

Ze zit ook op het niveau van 10 jaar. Ik weet niet dat het dat is. Het is natuurlijk wel een feit dat niet iedereen daarmee om kan gaan. Als je daar niet echt in zit is het moeilijk. Als je bijvoorbeeld gewoon een huismoeder bent en zo iemand opvangt dat gaat niet lukken.” (Gastvrouw Nevele).


        1. Neen


Meermaals wordt aangehaald dat feeling hebben met en het contact kunnen maken met mensen misschien wel belangrijker is dan een formele kwalificatie bezitten (diploma).
We gaan er telkens vanuit dat het geen super – logeerouders moeten zijn. Het zijn gewone ouders die in staat moeten zijn om begeleid te worden, in staat zijn om samen te werken en ook de ouders kunnen erkennen in hun ouderlijk gezag.” (Pleegzorgdienst Oikonde).

Men moet helemaal niet geschoold zijn maar wel gezond kunnen nadenken en wat minimale communicatievaardigheden hebben om op een rustige manier iets uit te leggen en te tonen.” (Steunpunt Groene Zorg).

Ze gaan de professionelen misschien ook bij de zwaardere gevallen zetten, wat logisch is. Ze schieten dan ergens tekort. Maar die zwarte mevrouw die bij ons is gekomen dat klikte meteen met K. (zorgvrager). Ze was lief voor K. , ze hadden de muziek opgezet en ze hadden gedanst samen. Dat meisje had waarschijnlijk ook weinig tot geen ervaring maar het ligt in uw aard of het ligt niet in uw aard.” (Betrokken mantelzorger).

P. vangt dus 2 personen op, dat is altijd een hele aparte situatie geweest. Wie was er eerst,.. er moet heel zorgvuldig mee omgegaan worden. Dit is een gastvrouw die een zevende voelhoorn heeft voor dit soort dingen (…).” (Gastopvang A-B-L).

Of ze echt opgeleid moeten zijn, dat is nog maar de vraag, maar het zijn wel mensen die in staat kunnen zijn om een stukje met problematieken om te kunnen omgaan, een stuk empathie hebben om te willen intreden in de belevingswereld van de cliënt. Het zijn mensen met een bepaalde problematiek die binnen gebracht wordt, de ene al wat meer als de andere en daar moeten zij toch wel wat begrip, openheid en verbinding toe kunnen opbrengen. Geduld is heel belangrijk en ja dat empatisch vermogen, toch wel eens in hun schoenen durven gaan staan of af en toe directheid kunnen tonen.” (Gastopvang A-B-L).

De gasten die verschillend zijn, ouderen die er tegen kunnen, die financieel voort kunnen en die ook veelal iets sociaal gedaan hebben. Ik heb ook jonge gezinnen en ook een gezin met twee tieners. Het is verschillend. Qua opleiding weet ik het niet goed. Veel ouderen hebben niet gestudeerd maar wel altijd gewerkt. Opleiding is verschillend.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

De landbouwer is een gewone mens die gewoon nuchter denkt en die doelgericht is en niet zoals veel hulpverleners vragen gaan stellen, en uitleg gaat geven en begint te redeneren. Het is heel concreet bezig zijn met heel concrete dingen. Dat maakt voor veel van onze doelgroepen een groot verschil.” (Steunpunt Groene Zorg).



  1. Deel met je vrienden:
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina