Vrijwillige tijdelijke opvang van volwassenen en ouderen met een zorgvraag in Vlaanderen: een omgevings- en sterkte/zwakte- analyse



Dovnload 0.89 Mb.
Pagina10/15
Datum20.05.2018
Grootte0.89 Mb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

Hoe ervaren de betrokken diensten hun dienstverlening in termen van sterktes, zwaktes, kansen en bedreigingen?

In een SWOT-analyse worden sterktes en zwaktes bekeken op niveau van de organisatie zelf (bv. de dagelijkse werking) en worden kansen en bedreigingen als omgevingsfactoren in kaart gebracht. Tijdens de gesprekken en na analyse bleek dat beide positieve en negatieve categorieën niet zomaar konden gescheiden worden. In veel citaten blijkt de enorme contextafhankelijkheid van de diensten die met vrijwillige zorgverstrekkers werken. Dit kan niet los gezien worden van hun specifieke eigenheid, met name een zeer gedecentraliseerde werking. Op micro- en meso niveau bepalen drempels of bedreigingen in de lokale context vaak de werking, en worden ze als zwakte en tegelijk bedreiging van de werking genoemd. De onderzoekers hebben daarom bij rapportage de zwaktes/bedreigingen en sterktes/kansen samengevoegd voor het meso-niveau, en afgelijnd van de (voornamelijk) externe bedreigingen op het macro-niveau.



      1. Zwaktes en bedreigingen op organisatieniveau




        1. Informatie en bekendheid


Wat de betrokken diensten aanhalen als zwakte van hun dienstverlening is enerzijds het onvermogen om gastopvang bij een ruim publiek bekend te maken en anderzijds het aantrekken van kandidaat-gebruikers, wat resulteert in de kleinschaligheid van het project. De verzuiling van het woonzorglandschap wordt van invloed geacht op het verder blijven bestaan van bepaalde drempels.
Het bereiken van gastgezinnen is niet zo evident. Omdat je in Oost-Vlaanderen de enige bent die het moet kenbaar maken. Ik ben de enige die in ons land actief is op dat gebied. Ik heb het voordeel van onder zo’n grote organisatie [Socialistische Mutualiteit, nvdr] te werken maar naast die organisatie is er nog heel wat en het is moeilijk om het daar kenbaar te maken. Ik probeer het via OCMW en sociale huizen kenbaar te maken maar daar botst je soms op het feit dat we vanuit Bond Moyson werken of niet vanuit een zuil.(…)” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

(…) Dat blijft zoeken naar manieren om het nog meer kenbaar te maken. Wat ik mis en dat ik zou willen is dat het nationaal kenbaar gemaakt wordt met een persbericht ,op de radio is er al wel een artikel verschenen.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

De moeilijkheid is dat er geen mensen te vinden zijn voor gastopvang want ze kennen het niet. Dus bekendheid.“ (Gastvrouw Heverlee).

Het bereiken van de rechtstreekse betrokkenen blijkt moeilijk voor de diensten.


Het lukt nog niet binnen ons klantenbestand en ook niet extern. Rusthuizen hebben daar wel oren naar maar hun patiënten zijn al teveel hulpbehoevend. Je bereikt de instelling wel maar je zou de mensen zelf moeten kunnen motiveren.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).
De pleegzorgdiensten kampen met dezelfde moeilijkheden maar zij zetten in op grootschalige campagnes, wat maakt dat deze toch vraag- en aanbod genereren.
Door zo’n campagnes merken we dat er wel meer zorgvragers op af komen, dan dat je kandidaat – logeergezinnen werft. Het is niet evident om mensen te vinden. We waren dan wel verrast dat er wel wat reacties zijn gekomen van instellingen.” (Pleegzorgdienst Oikonde).

De omkadering en de financiële tegemoetkoming bij pleegzorg draagt bij tot de mogelijkheid om deze vrijwillige zorgvormen bekend en succesvol te maken bij een breed publiek binnen de welzijns- en ouderensector.

Ook vanuit gebruikersperspectief wordt de onbekendheid van gastopvang bevestigd. De relatieve onbekendheid van het aanbod maakt dat de weg vinden naar de juiste hulpverlening soms moeilijk loopt. Er wordt door de vrijwilligers wel aangegeven dat er initiatieven worden genomen door de diensten maar dat deze op relatief weinig succes kunnen rekenen.
Iemand uit mijn omgeving heeft mij dan gezegd: ‘Eigenlijk zijn jullie een pleeggezin voor K. (ZV). En jullie zouden moeten aansluiten bij een pleeggezinnenorganisatie.’ Nu, ik had er nog nooit van gehoord want toen K. (ZV) is weggegaan uit de voorziening (mpi), heb ik vrij weinig, om eigenlijk te zeggen niets van informatie meegekregen, van waar kan ik terecht en op wat kan ik beroep doen… Ik wist dus totaal van niets.” (Gastvrouw Nevele).

Het bekend maken is het probleem. Ik denk dat je al de instanties die er bestaan moet aanschrijven. Ik weet niet of dat al gebeurd is. Maar daar blijft het niet bij. Nodig die ook is uit. Bijvoorbeeld een verantwoordelijke voor gezinszorg, nodig die eens uit. Dat ze kunnen zien wat het in de praktijk is. Wij hebben ook kaartjes gehad met onze naam op en daar staat op: ‘gastgezin’ en die moesten wij zoveel mogelijk uitdelen. Maar daar zie ik het nut niet van in want de mensen weten niet wat het is en waarschijnlijk als je het dan uitlegt, dan verstaan ze het nog niet. Ik denk dat er iets anders moet gebeuren. Ofwel moeten ze de verantwoordelijkheid van bepaalde groepen bij hen uitnodigen en het filmpje laten zien.” (Gastvrouw Heverlee).

Het staat nog in z’n kinderschoenen, het moet nog beginnen he. Ik denk dat het gepromoot moet worden, dat er gastgezinnen gevonden worden. Vanuit rusthuizen zie ik dat nu direct maar mensen die in plaats van naar een dagcentrum, er zijn misschien te weinig plaatsen in dagcentrum, dat kan. Of heel ouderen die aan hun limiet zitten omdat ze voor hun partner moeten zorgen ook eens ontlast worden.” (Gastvrouw Nevele).

Voldoende informeren en een duidelijk en volledig beeld scheppen van wat een vrijwillig engagement inhoudt wordt door een mantelzorger aangehaald als een belangrijke doelstelling voor de inrichtende dienst. In het voorbeeld van volgend citaat gaat het om logeerzorg die ingericht wordt door de pleegzorgdiensten. De participanten die deel hebben uitgemaakt van het onderzoek kwamen in contact met gastopvang omdat ze al gebruik maakten van andere diensten binnen dezelfde organisatie of op één of andere manier vertrouwd waren met een zorgaanbod binnen de welzijnssector.


Er zijn er allicht veel die denken van: ‘ik zou dat wel willen doen. Zich engageren en dan terug krabbelen, zonder exact te weten waar ze dan aan beginnen.’ Ik heb vanuit ‘open gezin’ ook een uitnodiging gekregen om meer uitleg te krijgen over wat een logeergezin eigenlijk is. En ik denk ook dat, dat niet slecht is. Dat ze de mensen vooraf ook meer informeren over waar je aan begint. Het is misschien ook gebrek aan informatie. Mensen denken dat het gemakkelijk gaat gaan, maar er komt heel veel bij kijken: administratieve rompslomp en zo, waardoor mensen misschien ook al afhaken. Het is niet alleen dat kind bij u nemen en er voor zorgen. Er komt heel veel bij kijken, ook op financieel gebied, bewind voering,… En vandaar dat mensen dan gaan denken: ‘voor mij hoeft het niet meer.“ (Betrokken mantelzorger).
        1. Gebrek aan middelen, overbelasting en/of kleinschalige werking


Onvoldoende middelen houden de kleinschaligheid van het initiatief in stand. Dit verhindert de mogelijkheid om het aanbod kwalitatief en kwantitatief uit te bouwen en te verankeren in een grotere organisatie.
Neen, want eigenlijk hebben wij toch ook heel wat administratie te doen en de subsidiëring is vast gelegd op een bepaald bedrag maar dat is eigenlijk onvoldoende.” (Gastopvang A-B-L).

Een bijkomend gevolg van het gebrek aan middelen, ook voor het Steunpunt Groene Zorg, de overbelasting van de professionele medewerkers.


Die subsidies moet je natuurlijk elk jaar opnieuw aanvragen en om het half jaar verantwoorden, dus dat vraagt eigenlijk ook veel. Jaarlijks een werkingsverslag (…). Als je gaat zien naar de omvang van de dienstverlening zijn we misschien wel onderbemand. In sommige provincies is het niet eens een halftijdse. Eerlijk gezegd vind ik dat te weinig. Oost – Vlaanderen is wat dat betreft iets beter bedeeld. We merken ook dat als je meer inzet dat je ook meer vragen gaat kunnen beantwoorden, meer boeren gaat kunnen screenen. De werking stijgt. Hoe meer je aankunt, hoe meer het ook evolueert. Moesten er meer middelen zijn, dan zou je natuurlijk ook meer projecten van de grond kunnen krijgen.“ (Steunpunt Groene Zorg).

Gastopvang Oost Vlaanderen haalt het gebrek aan netwerk aan als een drempel in het vervullen van de coördinatie-opdracht.


Hier ga ik dat dus zelf zijn want ik ben de enige die daar momenteel mee bezig is met gastopvang en ik heb niemand, ook geen veldwerker of zo , ik ben de enige die dat doet. Dan gaan we moeten kijken hoe we dat zouden kunnen doen als jij dat zou kunnen vragen. Dat is goed.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).
        1. Vicieuze cirkel van vraag en aanbod


De moeilijke bereikbaarheid van potentiële kandidaat – gebruikers resulteert in een vicieuze cirkel van onvoldoende vraag en aanbod of een onevenwicht in vraag en aanbod. Dit heeft als gevolg dat een realistische matching vaak uitblijft omwille van een arsenaal aan beïnvloedende factoren.
Als project is dat prachtig, maar het is inderdaad de blijvende vraag om aan gastgezinnen te geraken en kunnen matchen.” (Gastopvang A-B-L).

Het blijft heel, heel kleinschalig. Op dit moment zijn er meer gastgezinnen, die vragende partij zijn dan dat er gasten zijn. Dit is het plaatje van kwartaal 3, maar binnenkort kan dat evenwicht weer heel anders zijn, want ik kom uit een heel ander evenwicht, dat er meer gasten waren dan gastgezinnen.” (Gastopvang A-B-L).

De vraag is of we 3000 uren kunnen halen. Daar komen we zeker nog niet aan. Voor het eerste kwartaal zat ik aan 350 uren. Ik ben er dus nog lang niet. Veel varieert in deze materie. Gaan en komen. “ (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Gastopvang Oost Vlaanderen schrijft de stopzetting van de dienst toe aan de beperkte vraag.


Ondanks heel wat inspanningen de voorbije 2 jaren om gastopvang uit te bouwen en kenbaar te maken, stellen we vast dat er heel weinig vraag naar is.  Door het beperkt aantal aanvragen, voldoen we niet meer aan de erkennings- en subsidievoorwaarden. Er werd dan ook beslist om deze dienstverlening stop te zetten per 1 maart 2013.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Steunpunt Groene Zorg uit eveneens de bezorgdheid naar het verder bestaan van een voldoende groot aanbod aan zorgboerderijen om een blijvend antwoord te kunnen bieden aan de diverse vragen die zij krijgen.

Wat een rol speelt is dat er toch wat boerderijen zijn die aan het uitbollen zijn. Het is onze zorg om toch te proberen om de jonge boeren mee te krijgen in het verhaal. In onze sensibiliseringsactie gaan we proberen om jonge, actieve ondernemers in beeld te brengen zodat we niet het beeld geven dat zorgboeren mensen zijn die al 55+ zijn en die de tijd hebben. Een jonge boer kan dat eigenlijk ook doen. (…) Wat ook een rol speelt is dat het aantal landbouwbedrijven afkalft.” (Steunpunt Groene Zorg).

        1. Mobiliteitsproblemen door grote afstand tussen vraag en aanbod


Hetgeen rechtsreeks verband houdt met de vermelde vicieuze cirkel is de afstand die gebruikers dienen te overbruggen om van het initiatief gebruik te kunnen maken. Doordat vraag en aanbod enerzijds zo klein is en anderzijds het erkende gebied zo groot, maakt dat de afstand een grote drempel vormt om tot een uiteindelijk een matching te komen.
(…) en dan krijg je inderdaad, Antwerpen, Limburg en Vlaams – Brabant is zo groot. Die vrouw van 57 jaar is uit Kortenaken, zie je het plaatje al, tegen de Limburgse grens en ik heb een gastgezin in Geraardsbergen. Die afstand is niet te overbruggen, dat is 150 km enkel. Dat is niet haalbaar. Belbussen en chauffeurs van het OCMW doen dat helemaal niet. Je stuit dus toch wel op een aantal knelpunten dat je denkt, hoe is dat mogelijk he? Een gast die een belbus neemt en tot aan de grens van Groot – Aarschot geraakt en dan niet meer tot aan de randgemeente, maar dan eigenlijk moet wachten voor een andere belbus, bij wijze van spreken.” (Gastopvang A-B-L).

Dit gegeven is niet enkel problematisch tijdens de matchingprocedure maar zorgt ook voor problemen in de verdere organisatie. In volgend citaat gaat het over de moeilijkheid van het vinden van een geschikte locatie voor de navormingen van gastvrouwen – en heren, gezien de erg verspreide woonplaatsen.


Het is ook moeilijk om een geschikte locatie te vinden, omdat alle gezinnen ook zo verspreid zitten, ik heb bijvoorbeeld wel een vrouw die met de wagen rijdt, maar dat is voor korte afstanden, die moet ik bijvoorbeeld niet naar Hasselt sturen, bij wijze van spreken, om zoiets te volgen.” (Gastopvang A-B-L).

In het kader van de zorgboerderijen zien we dat mobiliteitsproblemen wel vaker de kop opsteken. Boerderijen zijn nu eenmaal vaker afgelegen waardoor de afstand groter wordt en de bereikbaarheid problematischer. In verstedelijkte gebieden is er een schaarste aan zorgboerderijen waardoor aanvragen vanuit deze gebieden een matchingsproblematiek kunnen vormen.


Mobiliteitsproblemen spelen in sommige provincies ook een rol. Maar we vinden ook dat we meer zorgboerderijen zouden moeten hebben rond de stedelijke gebieden. Rond Antwerpen, Brussel, Gent zit een knelpunt. Er zijn gewoon minder boerderijen. Bij die aanvragen moet ik meteen al meedelen dat de zorgvrager minstens 2 bussen zal moeten nemen om er te geraken. Dan heb je nog geluk!” (…) De mobiliteit kan een belemmerende factor zijn. We kunnen er niet voor zorgen dat iedere zorgvrager in een straal van 5 km een zorgboerderij zal vinden.” (Steunpunt Groene Zorg).
De pleegzorgdienst Oikonde tracht ook zoveel als mogelijk de afstand tussen logeergast en logeergezin te minimaliseren. Zij geven aan dat dit één van de succesfactoren is in het welslagen van de logeersituatie.
Binnen de provincie Antwerpen, ook altijd rekening gehouden met waar het kind verblijft, er wordt zoveel mogelijk rekening gehouden, met het zoeken naar een logeergezin in de buurt. Want we merken ook dat het grotere problemen geeft als de afstand groot is, daarom houden we de opvang graag in de buurt zelf. “ (Pleegzorgdienst Oikonde).

        1. Verschillen in communicatie bij matching : persoonlijker versus ‘op afstand’


Vanuit het perspectief van een mantelzorger wordt de betrokkenheid van een bepaalde dienst gastopvang in het matchingsproces gepercipieerd als ‘beperkt’. Het administratieve aspect neemt de bovenhand op het persoonlijke aspect. Het persoonlijke is volgens haar nochtans een belangrijk element in het kunnen verzekeren van een goede matching.
Naar matching toe ook. Ik vind persoonlijk dat er eerst toch wel iemand van de dienst zou moeten langsgaan. De medewerker van (…) is ondertussen wel bij het gastgezin langs geweest dus ondertussen heeft zij K. wel leren kennen, maar dat was daarna al. Als ik de aanvraag gedaan heb bij de dienst, zouden ze eerst een keer bij mij thuis moeten komen kijken wie K. is en hoe ermee omgegaan moet worden en niet zomaar klakkeloos er iemand bij zetten.” (Betrokken mantelzorger).

Het persoonlijke contact wordt soms vervangen door het gebruik van e-mail. Diensten die dat niet te vaak doen, worden beter beoordeeld.


Het gaat allemaal heel onpersoonlijk. Allemaal via de telefoon of via email.’. Het is nu de tijd van de emails maar een persoonlijk contact kan toch ook nog altijd zeer nuttig zijn. Zeker voor zoiets. En mijn gezinsbegeleidster (pleeggezinnendienst) die komt regelmatig over de vloer. Zij volgt het goed op.” (Betrokken mantelzorger).

        1. Verkeerde verwachtingen m.b.t. de doelstellingen


Hoewel een rustige dagbesteding voor gastopvang, gezien de hun doelgroep van ouderen en personen met een grotere zorgbehoefte, zeker tot de mogelijkheden behoort, is dat voor zorgboerderijen anders. Daar is de instroom in een rustige, puur op ‘welzijn’ gerichte dagbesteding verwaarloosbaar omdat de voornaamste doelstelling van zorg op een zorgboerderij de activering is.
Soms spelen verkeerde verwachtingen ook mee. De hulpverlener gaat het soms niet realistisch voorstellen aan de cliënten. De zorgboerderij is geen kinderboerderij waar je met een konijntje op je schoot zit. Er moet fysiek gewerkt worden en er wordt in contact gekomen met vuiligheid. Dat men ook een effort moet doen om zich te verplaatsen want dat bepaald ook vaak het beeld van de cliënt: ‘Oho, ik word hier in de watten gelegd. Men helpt mij hier vertroetelen.’. Sommige mensen hebben toch een heel ander beeld van een zorgboerderij, sommigen zeggen: ‘Ik dacht dat ze daar voor mij gingen zorgen’. Maar, het is juist actief bezig zijn, dat je daar kunt leren. Dat is natuurlijk een verschil met een opvanggezin. Dus verkeerde beeldvorming is een element dat een rol kan spelen. Ik merk soms ook dat in bepaalde gezinnen het feit speelt van: ‘Je gaat daar wel werken en je krijgt daar geen geld voor!’. Dat ligt dan wel heel moeilijk en soms wordt er vanuit de ouders dan wel druk gelegd van : ‘Zeg, gij zijt wel ne zot om zo vroeg op te staan en daar wat stallen staan uit te kuisen en je krijgt er nog niets voor!’.” (Steunpunt Groene Zorg).
      1. Sterktes en Kansen op organisatieniveau

        1. Community Care


Indien enigszins mogelijk zoekt de inrichtende dienst gastopvang of het Steunpunt Groen Zorg naar een gastgezin/zorgboer in de eigen omgeving van de zorgvrager. Dit biedt veel voordelen. Zo spreken de betrokkenen dezelfde taal (dialect) en kennen beiden de omgeving wat leidt tot een gemeenschappelijk gespreksonderwerp. De afstand is een drempel, die door de inbedding van de zorg in de eigen omgeving, weggenomen wordt.
Zie je dat de mensen zo graag wat van de streek babbelen. Ze willen babbelen over de omgeving, van dingen die ze nog kennen van vroeger. Ja, dat is wel belangrijk. Anders weet je niet wat je tegen mekaar moet vertellen.” (Gastvrouw Geraardsbergen).

In sommige gevallen is een succesfactor ook dat het in de eigen regio is, in de eigen streek. Dat ze in een eigen regio een activiteit kunnen doen en dat ze niet naar een stedelijk centrum moeten gaan om daar iets te doen (dagcentrum of beschutte werkplaats). “ (Steunpunt Groene Zorg).

In het geval van M.(zorgvrager) heb ik zijn moeder zo eens terloops tegen gekomen en mijn vader heeft met de vader van M.(zorgvrager) vroeger samen gewerkt dus dat vergemakkelijkt het contact dan ook. De zus van P.(zorgvrager) zie ik ook wel. De schoonzus van R.(zorgvrager) die woont hier ook in de buurt. Het is hier allemaal wat uit de buurt. Maar het is niet echt over hier dat er dan gebabbeld wordt en eerder van ‘ja, het gaat allemaal goed.’ Maar ik ken ze dus wel. “ (Zorgboer en boerin Essen).

Ik denk wel dat het een kracht is. Het is een voordeel als het in de buurt is, ook al omdat het vervoer kostelijk is. Hoe meer het kost, hoe moeilijker het is. Ik denk ook niet dat het voor moeilijkheden zorgt als je mekaar wat kent of zo. Ik denk niet dat het een belemmering zou zijn. (…) Hij gaat altijd te voet naar huis” (Zorgboer en boerin Landeghem).


        1. Zorg op maat


Het bieden van ‘zorg op maat’ wordt door de verschillende betrokkenen gezien als een grote sterkte van de zorgvorm. Zorg op maat resulteert in het flexibel kunnen aanpakken van situaties en het individueel benaderen van de zorgvraag, voorbij protocollen en kwaliteitskaders heen.
Morgen zal de gastvrouw de enige nieuwe [persoon] zijn en zal ik er niet bij zijn, want twee nieuwe [mensen] is voor die jongen te veel. (…) De volgende keer zal ik er wel bij zijn. De begeleidster volgt dat nu nog op omdat hij die al jaren kent en het is goed dat zij er dan bij is. Normaal is het de omgekeerde weg. Ik merk wel, naargelang de vragen, dat alles erg individueel moet worden aangepakt. Mijn procedure, die ik voor ogen heb, kan ik onmogelijk altijd volgen.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Zorg op maat dat is eigenlijk de indicator om tot een succes te komen, dat is kort maar daar is alles mee gezegd.” (Gastopvang A-B-L).


        1. Huiselijke sfeer


Wat vrijwillige opvang in de thuisomgeving van de zorgaanbieder zo uniek maakt is de warmte en de huiselijke sfeer van het gezinsleven met daarbij de eenvoud van het dagdagelijkse leven. Dit verschilt soms erg van het groepsgebeuren en meer ‘klinische karakter’ van een voorziening of een instituut.
Het spontane contact is goud waard. Met de persoon willen leren omgaan, willen leren verstaan. Een stukje ‘thuis voor 1 dag’ geven.” (Begeleider Voorziening Landegem).

Sowieso het kleinschalig karakter en het contact (…).”(Begeleider Voorziening Landegem).

Het kleinschalige en dat het buiten is, in een andere omgeving. Het is een andere omgeving dan een instelling, een school, een stad. Contact met de natuur, contact met dieren.” (Steunpunt Groene Zorg).

Ik denk dat niemand van de gasten de keuze maakt om in een instelling te gaan wonen. Ze leven allemaal in groep en ik denk dat, dat heel moeilijk is. Dus ik voel dat hard bij die gasten dat ze ervan genieten dat ze is uit de groep kunnen. Dat ze het gewone gezinsleven ervaren. ’s Morgens gaat M.(ZV) de reclameblaadjes uit de brievenbus halen. De J.(ZB) zegt dan vaak van: ‘Ik begin al..’ en de M.(ZV) zegt dan: ‘Nog even de blaadjes,..’. Het gewone gezinsleven is heel voornaam voor die gasten of er even tussenuit.” (Zorgboer en boerin Essen).



        1. Eén- op- één begeleiding


Vrijwillige zorg in een gastgezin, logeergezin of op een zorgboerderij is zorg waarin plaats is voor één – op – één begeleiding. Een afgebakend moment waarin de uniciteit van de gast centraal komt te staan en hij of zij even exclusieve aandacht krijgt. Met exclusieve aandacht worden hier geen grootse acties bedoeld maar een exclusieve aandacht in de vorm van ‘erbij horen’, ‘deel uitmaken van’, ‘er zijn’ en er zelfstandig voor kunnen kiezen om een babbeltje te doen of net niet te doen, en daarbij even goed gehoord te worden.
In de Populier [naam voorziening] zitten ze in groep terug, buiten hier is het alleen of met twee. Je kan een babbel doen met die mensen, maar als je met een groep bent, kun je met de mensen niet bezig zijn. De ene moet naar het toilet gaan, de andere is aan het slapen, de andere moet eten hebben (…). Het is ook al geweest dat de gasten mee eten met mij ’s middags. Dat ik zeg: ‘Heb je al gegeten?’. En ze mogen zich dan bijzetten, ik heb toch altijd genoeg. En ik geef groenten mee naar huis, ik heb toch genoeg.” (Gastvrouw Geraardsbergen).

De één – op één relatie is net uniek in het gastgezinnen concept . Anderzijds zullen er ook vrijwilligers zijn die meer sociale contacten zoeken dan een één – op –één relatie.” (Gastopvang A-B-L).

Het doelpubliek op de zorgboerderij bestaat, vaker dan bij gastopvang, uit mensen die vanuit een voorziening gebruik maken van een zinvolle dagbesteding op de zorgboerderij. Deze personen leven grotendeels in groepsverband. De hunkering naar de individuele aandacht is groot en hier wordt aan tegemoet gekomen in de huiselijke sfeer van een gezinsverband.
(…) in een gezinsvorm terecht komen daar zie ik wel de meerwaarde van in. Want zo in groep, in de voorziening mogen ze niet alleen op de kamer zitten, dus je zit altijd in groep met mensen waar je niet zelf voor kiest. Als je er dan eens een dag uit kan zijn om bij een gezin de dag te kunnen doorbrengen, dat is wel anders denk ik.” (Zorgboer en boerin Essen).

Nu ben ik heel content van F. (zorgvrager). Je weet ook dat die zijn werk doet en ik weet ook dat hij het niet leuk zou vinden moest ik een andere erbij nemen. Er passeert hier soms éne, ook van een zorgboer. Als hij passeert durft hij al eens een keer stoppen, en als F. (ZV) per toeval ziet dat wij ertegen praten, dan zegt hij: ‘Die andere gaat toch niet bij mij komen he?’. Dan zeg ik: ‘Neen, neen, ik doe enkel een keer een babbeltje met hem’.” (Zorgboer en boerin Landegem).

Bij de groep jongeren zien we dan de individuele benadering wel werkt. We proberen aan scholen uit te leggen dat, dat het eigene is aan zorgboerderijen: dat het kind individuele aandacht krijgt. “ (Steunpunt Groene Zorg).

        1. Persoonlijke en duurzame band met gast


De één-op-één begeleiding is geen garantie voor een persoonlijke band, maar de veel grotere mate van persoonlijk contact met de gastheer/vrouw/zorgboer(in)/pleegouder maakt dat de kans op een een persoonlijke, warme vertrouwensband toch vergroot.
Het is persoonlijker.” (Gastvrouw Nevele).

Ze hecht zich meer en meer vast aan de personen die ze altijd rond haar heeft. De warmte heeft ze heel erg in het logeergezin.” (Betrokken mantelzorger).

De meerwaarde is dat ik ze naar daar kan doen en dat ik op mijn twee oren kan slapen want dat ze daar super gelukkig is. En dat ik niet voortdurend moet zorgen maken over ‘hoe zou ze het stellen’? Ik stel me daar geen vragen bij omdat ik weet dat ze er 100% goed is en dat ze daar verzorgd wordt. Dat is absoluut een meerwaarde, dat ik haar met een gerust hart naar daar kan doen. Ze is daar even goed als thuis. “ (Betrokken mantelzorger).

(…) Met hun verjaardag doen we ook altijd iets. Ze mogen zelf kiezen. M.(zorgvrager) eet ongelofelijk graag, dus dan gaan we uit eten en nadien gaan we in zijn stamcafé van vroeger een pintje drinken. P.(zorgvrager) die wandelt graag en die kijkt graag naar vogels en dan gaan we gewoonlijk naar een natuurgebied. De P.(zorgvrager) gaat bijvoorbeeld ook heel graag mee naar een ijzerwarenwinkel en met J.(zorgvrager) mee naar de tractorgarage, dus dat zijn zo de dingen die we dan uitstellen om specifiek met die gast te doen die dat graag doet.“ (Zorgboer en boerin Essen).

Maar…
Maar hetgeen waar ik mezelf dan moet stoppen en niet mee beginnen is hem soep meegeven. Ik hou het aan de oppervlakte.” (Gastvrouw Heverlee).

        1. Meer structurelere werking in vergelijking met ‘oppas’


Een welbepaalde mantelzorger heeft zowel een beroep gedaan op de diensten van oppas op maat, als van de dienst gastopvang. In volgend fragment wordt er vanuit de vergelijking tussen deze twee zorgvormen duidelijk dat het structurele aspect van gastopvang (op gezette tijdstippen opvang in hetzelfde gastgezin) in contrast met de wisselende contacten van ‘oppas op maat’ een voordeel is voor de gast in kwestie.
Ik ben al blij dat ik het gastgezin heb, want ik doe geen beroep meer op de dienst ‘oppas op maat’! De laatste tijd kwam er iedere keer iemand anders en ik ondervond dat K. er niet bij gebaat was. Ik denk dat er langs die kant toch nog wel wat uitgewerkt kan worden. Ik denk ook dat, dat heel belangrijk is, want tenslotte voor die mensen is het ook niet evident he: Je komt ergens binnen (…). Stel dat de medewerker van de dienst dan nog zegt: ‘Kijk, je gaat oppassen bij een mevrouw met een mentale beperking…’, maar dan nog er is een groot verschil: een licht mentale beperking, een zwaar mentale beperking,… Niet evident.” (Betrokken mantelzorger).

(…)maar ik zou niet graag nog beroep doen op ‘oppas op maat’, tenzij in uiterste nood, maar ja gezien de termijn lukt het toch niet, je moet het plannen, dus ik ben niet zinnens om het te plannen. Maar moest de medewerker een keer bij ons thuis komen, dan had ik dat wel liever gehad. Dan zou ik het gevoel hebben dat ze iemand zouden zoeken die meer matcht met K.” (Betrokken mantelzorger).



        1. Laagdrempelige dienstverlening


De inrichtende dienst gastopvang uit Oost Vlaanderen confirmeren de nood van gebruikers om met alle vragen en bekommernissen steeds ergens terecht te kunnen. Dit maakt dat er kort op de bal gespeeld kan worden bij vragen, bekommernissen en problemen die rijzen.

Eigenlijk moet je zorgen dat ze weten dat ze op jou een beroep kunnen doen. Dat je een aanspreekpunt bent, want als er iets is hebben ze echt wel nood om eens iemand te spreken. Ze moeten weten dat je aanwezig bent, ook op afstand. Dat je bereikbaar bent en de zaak goed opvolgt.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Men vindt het ook belangrijk meteen verder geholpen te worden met zijn/vraag en/of bekommernis.

Ze bellen regelmatig of ze komen een keer kijken. Dat vind ik goed. Als ik problemen heb, als er bijvoorbeeld een kleine komt (minderjarigen), dan bellen ze meteen en dan zoeken ze ook contact met school. Alles is binnen het half uur eigenlijk opgelost.” (Zorgboerin Aaigem).

De ervaringsuitwisseling met andere gelijkgezinden wordt in volgend fragment ook aangehaald en gezien als zeer verrijkend . Een gastvrouw zegt over gastopvang A-B-L:
(…)Ik mag met al mijn vragen daar aankloppen. Die verstandhouding is heel goed. We hebben ook al een vergadering gehad met alle gezinsvrouwen en daar waren mannen bij ook. Daar hebben we dan nagedacht en uitgewisseld. Dat was heel verrijkend. Dat je is een keer iemand anders hoort, zo van: ‘Hoe vang die dat op?’.” (Gastvrouw Heverlee).

Daarnaast wordt vanuit een zorgboerin ook de meerwaarde van het niet gebonden zijn aan contracten en de mogelijkheid hebben meteen het initiatief stop te zetten als een kracht van de dienstverlening gezien.


Ik mag eigenlijk niet klagen, maar ik pak achteraf de telefoon en ik bel direct met de coördinator van SGZ en die lost het dan op of die belt een keer door. Wat ik goed vind is dat je onmiddellijk kan stoppen. Je moet ook niet veel papieren invullen, juist zijn aanwezigheid invullen als hij toekomt en dan moet ik niets doen dan het maandelijks opsturen. Het is een contract dat komt en gaat en als hij iets misdoet dan mag ik ze onmiddellijk ontslaan. Ik moet niet voldoen tot op het einde van het schooljaar. “(Zorgboerin Aaigem).
      1. Bedreigingen op macro-niveau




        1. Ontbreken van een statuut en betere vergoeding voor de gastheer/vrouw/zorgboer(in)


De dienst gastopvang A-B-L geeft aan dat als de vergoeding die gastvrouwen en heren krijgen niet voldoende is, een soort van statuut, dat verder gaat dan het vrijwilligersstatuut, wel de nodige erkenning zou kunnen betekenen voor de inzet als zorgverstrekker:
(…)wat motiveert mensen om zich in te zetten voor dit initiatief? Waarom zich eerder inzetten als vrijwilliger voor een organisatie ‘liga tegen kanker’ en minder als gastvrouw in een gastsituatie? Als er vanuit de overheid een statuut zou voorzien worden, zouden er misschien meer mensen geneigd zijn zich op te geven als gastgezin” (Gastopvang A-B-L).

Men heeft jaren gewerkt aan een statuut voor pleegouders, mochten die mensen (gastvrouwen en heren) toch ook een bepaald statuut krijgen waarin een financiële tegemoetkoming zou zitten, dat bijvoorbeeld de vergoeding van een woon -en zorgcentrum zou benaderen, dan lag dat toch wel wat anders. Een dagcentrum dat kost €30, dat is een heel ander verhaal. Dat zou mensen meer de stap doen zetten en als er een vergoeding tegenover staat dan zijn mensen ook meer gemotiveerd. We volgen ze toch op naar intrinsieke motivatie, zoals mijn hart en mijn maatschappelijke bewogenheid, enzovoort, maar die vergoeding die werkt vaak positief omdat ze dan meer gemotiveerd zijn. Eh, ikzelf doe mijn werk heel graag, maar moest ik niet betaald worden, dan deed ik het niet eh.” (Gastopvang A-B-L).

Toch zou het optrekken van de financiële tegemoetkoming een boost kunnen betekenen in het vinden van kandidaat gastheren- en gastvrouwen.
Voor het gastgezin vermoeden wij toch dat er zich meer mensen kandidaat zouden stellen als er structureel iets tegenover zou staan, of iets meer tegenover zou kunnen staan.”(Gastopvang A-B-L).
De vergoeding die tegenover de opvang (in gastgezin, logeergezin of zorgboerderij) staat, is niet alleen van belang voor het financiële aspect maar ook voor de erkenning die de zorgaanbieder krijgt voor de dienst (de zorg) die hij aanbiedt. In het kader van de zorgboerderijen staat de financiële tegemoetkoming aan kleine land- en tuinbouwbedrijven op de helling omdat er strengere eisen worden gesteld vanuit de overheid. Boeren op rust komen bv. niet meer in aanmerking omdat ze geen grote, actieve boerderijen meer runnen.
Je kan als actief land- en tuinbouwer rekenen op een vergoeding. De voorwaarden om die vergoeding te krijgen zijn in de loop der jaren strenger geworden. Nu hanteert men strakkere eisen wat betreft grootte en omzet van het bedrijf waardoor een aantal kleinschalige initiatieven, die vaak heel goede zorgboerderijen waren, eruit vallen. Zo zijn er in elke provincie wel uitgevallen. Dat had niet zozeer te maken met het feit dat ze enkel gefocust waren op het financiële maar ze waren wel gekrenkt in hun trots: ‘Men ziet ons nu al niet meer als een boerderij. “ (Steunpunt Groene Zorg).

        1. Verschillen in erkenning en (gebrek aan voldoende) subsidies


De diensten gastopvang zijn erkend door het Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid. De overblijvende dienst Gastopvang, ingericht door Landelijke Thuiszorg Leuven, heeft een erkenning voor de regio Antwerpen, Limburg en Vlaams Brabant.
Wij zien ook de noodzaak van alternatieve dagopvang en wij blijven altijd zoeken naar nieuwe initiatieven, ook om de mantelzorger te ontlasten, dus dat leek ons perfect te kaderen binnen onze missie van onze organisatie. Vandaar dat we er ook meteen op ingeschreven hebben en dan ook de drie erkenningen, voor de drie regio’s hebben bekomen.” (Gastopvang A-B-L).

Daarnaast is het ook mogelijk om gastopvang in te richten zonder dat er sprake is van een erkenning, het is hierbij wel noodzakelijk om deze werking aan te melden bij het Vlaams Agentschap voor zorg en gezondheid.


Het woonzorgdecreet voorziet de mogelijkheid om zorgvormen zoals vermeld in het woonzorgdecreet te organiseren, zonder dat hiervoor een erkenning dient te worden aangevraagd. Deze initiatieven vallen onder de aanmeldingsplicht. Dit betekent dus dat zij zich bij het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid kenbaar moeten maken. Momenteel zijn er geen niet-erkende diensten voor gastopvang aangemeld.” (Dhr. T. Meeus, team eerstelijns -en thuiszorg, Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid).

De financiële middelen die vanuit de Vlaamse overheid vrijgemaakt worden voor de diensten gastopvang blijken onvoldoende te zijn om een gedegen beleid en werking uit te bouwen en daarenboven ook nog in te staan voor bekendmaking, creëren van draagvlak en de praktische uitvoering. Landelijke Thuiszorg Leuven investeert eigen werkingsmiddelen om de dienst gastopvang levend te houden.


(…) de subsidiëring is (…) niet 100% zelf bedruipend. Dus met eigen middelen moeten wij ook aanvullen.” (Gastopvang A-B-L).

Het Steunpunt Groene Zorg krijgt voor haar dagelijkse werking geen overheidssteun op Vlaams niveau. Zij functioneren op basis van provinciale middelen en projectfinanciering.


Het Steunpunt Groene Zorg krijgt als dienst weinig erkenning van de overheid voor zijn dienstverlening. Er is geen overheidsfinanciering. Dat is voor ons een blijvende uitdaging. Wij krijgen in verhouding veel minder middelen dan de diensten gastopvang, als je het aantal dossiers bekijkt. Dat speelt in ons nadeel. “(Steunpunt Groene Zorg).

Wij zelf hebben geen erkenning. Het is het wetgevend kader vanuit landbouw dat het voor boeren mogelijk heeft gemaakt om dit initiatief op een wettelijke manier te doen. Maar de omkadering, de organisatie daarrond, heeft geen erkenning. Dat maakt ook dat het in elke provincie een zoektocht is geweest naar hoe financieren we dat? Het wordt gefinancierd vanuit de provincies met middelen van plattelandsontwikkeling, aangevuld soms met middelen vanuit welzijn, middelen van landbouw en dan vanuit andere projecten, dat kan de Koning Boudewijn stichting zijn, dat kan een of ander fonds zijn. Nu zijn we met een INTERREG project bezig, dat zijn Europese middelen. Eigenlijk is er nog geen structurele erkenning, dit wil zeggen dat we geen welzijnsvoorziening zijn.“ (Steunpunt Groene Zorg).

De opvang die georganiseerd wordt vanuit de pleegzorgdiensten is niet zo toegankelijk als de vrijwillige opvang geboden door gastgezinnen of zorgboerderijen. Een kandidaat zorgvrager kan namelijk geen gebruik maken van logeerzorg als deze niet is ingeschreven in het Vlaams Agentschap voor personen met een handicap. Dit verengt de doelgroep.
(…)alle kinderen, jongeren en volwassenen die hier zijn ingeschreven (die hier een dossier in onze kast hebben staan), die hebben ook allemaal een erkenning vanuit het Vlaams agentschap, die hen erkend dat ze van deze zorgvorm gebruik mogen maken. Zonder het etiketje van het VAPH kan de begeleiding ook niet opgestart worden.” (Pleegzorgdienst Oikonde).

Een economische en politieke factor die speelt bij de pleegzorgorganisaties is de onmogelijkheid om een dubbele erkenning te krijgen.


Het VAPH betaalt maar één zorgvorm tegelijkertijd en dan kunnen ze bijvoorbeeld tijdens het weekend het kind uitschrijven uit de voorziening, waardoor wij het kunnen inschrijven in een logeergezin. Wij kunnen niet aanduiden ‘aanwezig in een logeergezin’ als het kind tegelijkertijd ook staat ingeschreven in een voorziening.” (Pleegzorgdienst Oikonde).

Deze frustratie wordt beaamd door een gastvrouw die naast opvang van een dame met een downsyndroom ook pleegkinderen opvangt.


Als ik in mijn situatie op weekend ga moet ik ze in kort verblijf steken want als ik ze laat logeren ben ik al mijn geld kwijt. Daar kan ik mij echt kwaad op maken, dat is onrechtvaardig. (Gastvrouw Nevele)”.
        1. Financiële crisis


Hoewel de dagbesteding op de zorgboerderij perfect zou kunnen vormgegeven worden voor de doelgroep ouderen, blijkt de instroom van deze populatie zeer summier. Een verklarende factor die werd gegeven vanuit Steunpunt Groene Zorg is de economische crisis.
De crisis in de landbouwsector speelt zeker een rol. Er zijn heel veel landbouwbedrijven waar de vrouw opnieuw gaat werken. Dat is in ons nadeel om voor bijvoorbeeld de doelgroep ‘ouderen’ een aanbod uit te werken. Als je weet dat er een zorgboerin is met een verpleegsterdiploma en die heeft nog wat tijd over, dan zou je een oudere gast naar zo’n zorgboerderij kunnen toeleiden. Maar als ze moeten gaan werken, dan gaat dat natuurlijk niet. “(Steunpunt Groene Zorg).

(…) de kleinschalige initiatieven zouden goed kunnen functioneren als opvang voor ouderen, zeker als je dan rekent dat er toch wel wat mensen zijn met zorgdiploma’s die nu nog ergens gaan werken maar als er op een andere manier een financiering zou kunnen komen, dan gaan zij misschien wel de klik maken van: ‘Goh, wat wij op ons werk doen, we gaan dat hier doen.” (Steunpunt Groene Zorg).

De financiële crisis leidt ertoe dat sommige land- en tuinbouwbedrijven gaan rekenen op de financiële vergoeding die tegenover het zorgaanbod staat. Dit is een gegeven waarover gewaakt dient te worden.
Ja, we merken meer dan vroeger dat dit begint te spelen. Als je een paar zorgvragers op de boerderij ontvangt, dan kan dit bedrag oplopen tot 2000 of 3000 euro per jaar. En dan is dat wel belangrijk.” (Steunpunt Groene Zorg).

Er zijn geen grote verschillen tussen de provincies wat betreft het succes van gastopvang. Dit blijkt overheen de provincies ongeveer een constante te zijn.


Er is vereenzaming, een maatschappelijke context waar we een antwoord op proberen te bieden met gastopvang, maar ik zou niet zeggen dat het er meer is in één provincie dan een andere, wel dat er in stedelijke gebieden en in plattelandsgebieden een verschil is, dat wel. Je zou bijvoorbeeld in een cliché denken ‘Limburgers zijn hartelijke mensen’, die gaan misschien socialer zijn, maar toch ervaren wij niet dat gastopvang voor onze erkenningsgebieden, in de ene regio veel meer succes oogst dan in de andere. We zien dat de problematieken om aan gastgezinnen te geraken, provinciaal eigenlijk wel gelijk verdeeld is. Ik zou niet stellen dat er een demografische factor in meespeelt (…).” (Gastopvang A-B-L).
        1. Het ‘nieuwe’ engagement van de eigen vrijwilligers


De continuïteit van het vrijwilligersengagement komt onder druk te staan. Het vrijwilligerslandschap is zeer breed en herbergt veel verschillende en uitdagende mogelijkheden voor zij die zich willen engageren als vrijwilliger. Het aanspreken en het behouden van deze personen is niet evident. Meer en meer vrijwilligers kiezen graag uit de mogelijkheden die er zijn in het aanbod voor vrijwilligers. Het beeld van de ‘nieuwe’ vrijwilliger komt naar voor (Hustinckx & Lammertyn, 2003), voor wie het besef van een langdurig engagement een reële drempel vormt.
Ja, het is echt op maat he. Sommige zeggen: ‘ik wil het doen voor 3 maanden’, anderen zeggen ’ik wil wel 1 keer in de maand, telkens op maandag’, maar ik wil dat maar gedurende 1 jaar. Het is heel gevarieerd, het is niet meer de vrijwilliger van vroeger waarvan je weet, daar kan ik 10 jaar op rekenen.” (Gastopvang A-B-L).

Het profiel van de vrijwilliger van vandaag is veranderd. De huidige tendens van vrijwilligers is inderdaad meer op maat, ze durven hun grenzen ook aan te geven: ‘hier stopt het voor mij, als ik geen zin meer heb’. Iemand die zich engageert als gastgezin gaat dat vaker doen met de vrijwilligersmentaliteit van ‘vroeger’. Die kan ook stoppen, maar ik denk dat als je als gastgezin start, dat je toch wel weet dat je het voor een bepaalde tijd gaat doen. Bij aanvang zal het vrijwillig gastgezin aangeven hoeveel tijd ze wil vrijmaken op week of op maandbasis. Dat is toch wel iets meer engagement dan het meer ‘op maat’ en tijdelijke karakter waar het huidig vrijwilligerswerk meer naar neigt. En misschien is het daarom he, dat het moeilijker is om vrijwilligers te vinden als gastgezin.” (Gastopvang A-B-L).

Ik denk nu, als ik vrijwilligerswerk zou willen doen dan zou ik in eerste instantie er niet voor kiezen om bejaarden bij mij in huis te nemen. Ik ken mensen die een beetje ouder zijn dan mij en die vrijwilligerswerk doen, maar wat doen ze graag: kindjes gaan wegen, boodschappen gaan doen,… maar bij iemand die ziek en hulpbehoevend is, dat is al wat lastiger natuurlijk. Er is inderdaad veel aanbod in het vrijwilligerswerk. Ze zoeken een vrijwilliger job waarbij ze veel meer onder de mensen komen.” (Gastopvang West Vlaanderen).

        1. Vrees voor privacy bij onbeperkte ontvangst


Waar gebruikers moeilijk de stap buitenshuis zetten, ontvangen gastheren/vrouwen moeilijker in de eigen thuissituatie, uit angst voor het onbekende.

“…het feit dat ze mensen in hun eigen woning binnen halen. Die mensen die daar expliciet voor kiezen is ook niet zo groot. Mensen treden liever naar buiten.” (Gastopvang A-B-L).

De mensen zijn hier wantrouwig. ‘Er komt een vreemde in mijn huis’. Ik heb ook als bejaardenhulp gewerkt en dan maakte ik ook nogal wat mee.”(Gastvrouw Geraardsbergen).

Er lijkt een spanningsveld te bestaan tussen het zoeken naar nabijheid enerzijds en het bewaren van afstand anderzijds. Langs de ene kant haalt men aan een soort van ‘vriendschap’ op te bouwen met de zorgvrager in kwestie maar dit blijkt toch te gaan om een begrensde vriendschap waarin men voldoende wil waken over de eigen privacy. Voor zorgvragers is die grens niet altijd duidelijk.

Een belemmering kan ook zijn dat er te weinig gastgezinnen zich aanmelden omdat je in hun privacy en privé terecht komt. Daarom kiezen ze vlugger voor oppas dan voor gastopvang.” (Gastopvang Oost Vlaanderen).

Ja, je bouwt wel een vriendschap op want de mensen zijn tevreden. Gelijk A. (zorgvrager) ook. Ze keek naar die dag uit. Ze zei dat ook tegen S. (Medewerker Gastopvang Oost Vlaanderen). Maar ze kwam dan op de duur alle dagen langs he.” (Gastvrouw Geraardsbergen).

Want de laatste keer dat ze geweest is, is ze ook twee keer geweest en de dienst was ook niet verwittigd. Want ja, je bent verzekerd he. Op de duur gaan ze een beetje ‘te’. Gelijk A. (zorgvrager) ook. In plaats van 1 dag kwam ze drie of vier dagen.” (Gastvrouw Geraardsbergen).

Neen, finito met J. (zorgvrager), daar is teveel gebeurd. Het was dagelijks dat ze hier was (…). (Gastvrouw Heverlee)

Waarschijnlijk is het omdat ze hier dagelijks komt. Anders zou je zeggen, het is maar om de 14 dagen, ik neem dat erbij. Maar, ik zou het niet meer doen, zo opvang over de deur.“ (Gastvrouw Heverlee).

Neen, want ze komen vanuit de instelling en nooit op eigen initiatief. J.(zorgvrager) heeft dat ook direct zo aangenomen dat het een halve dag is. Het is wel eens gebeurd als ze dan een vriendje had, dat ze daarmee langs kwam, maar dat hebben we dan wel proberen af te blokken. Het mag niet teveel worden inderdaad.“ (Zorgboer en boerin Essen).

Hij vroeg dan zelf voor meer dagen maar we zeiden dan tegen hem dat 1 dag genoeg was. Daarmee dat hij ook in het begin vanuit zichzelf kwam. Hij wandelt heel veel. Hij kwam hier dan te pas en te onpas binnen. Dat vonden we dan wel ongepast, met de kinderen en ik ga dan ook gaan werken, en in het weekend hebben we dan niet veel tijd om samen te zijn. Hij kwam dan zondag binnen maar ja die mensen beseffen dat niet, ze weten niet wat kan en wat mag. Hij dacht ook: ‘Ik word hier opgevangen, ik ga nog een keer gaan.’ Dat was goed bedoeld van hem maar we hebben dan toch wel een afspraak gemaakt. Ik moet zeggen dat de instelling toch wel heel goed verstond dat, dat echt niet kan. Maar hij verstaat het goed. Hij mag wandelen, maar hij mag niet binnen komen, één dag in de week is de afspraak.” (Zorgboer en boerin Landegem).

        1. Taboe rond vereenzaming


De individualisering en de schroom betreffende eenzaamheid worden aangehaald als sociaal maatschappelijke factoren die van invloed zijn op de inrichting van vrijwillige zorg voor ouderen.

Zij [de gebruikers] ervaren dit ook soms wel als stigmatiserend. Hoe “zielig / eenzaam” ben ik wel niet, dat ik om de eenzaamheid te doorbreken, in de living van iemand anders moet gaan zitten. Eigenlijk kunnen ze er beter mee om, als er iemand op bezoek in hun eigen vertrouwde omgeving komt. Dan is dat minder confronterend, dan dat ze effectief uit hun eigen woning moeten treden. Dat is een grote drempel. Mensen die al iets minder sociaal vaardig zijn, dan schrikt dat af en dan zien ze die eerste stap ook niet altijd zitten. Bij het project ‘Kom binnen, Zorgbuur!’ komt een zorgbuur op bezoek in de eigen vertrouwde omgeving van de cliënt en onze ervaring is dat dit drempelverlagend werkt.” (Gastopvang A-B-L).

“… het feit dat mensen uit hun eigen woning moeten komen, dat schrikt af.“ (Gastopvang A-B-L).

      1. Kansen op macro-niveau




        1. Competente oudere vrijwilligers, al dan niet met beperking


De hier besproken vormen van vrijwillige zorg in de thuisomgeving zijn in veel gevallen een laagdrempelige manier om ouderen te activeren. Deze zorgvorm benadert de oudere gastheer/vrouw/zorgboer(in/pleegouder als competente ouder en probeert te werken aan hun maatschappelijke participatie en activering. Door de zorg voor anderen op te nemen nemen ze niet alleen een nuttige rol op, maar worden ze ook versterkt in hun zelfwaardegevoel; het gevoel “nuttig te zijn, iets te betekenen” voor de ander, voor de samenleving.
We hopen toch nog verder te doen tot we gepensioneerd zijn en dan kan je eigenlijk nog verder doen. Niet alle dagen maar toch af en toe. Zoiets is iets dat je kan blijven doen. Als je op pensioen gaat, kan je vrijwilligerswerk gaan doen, maar zoiets dat je thuis kan doen, dat lijkt me nog wel zinvol.” (Zorgboer en boerin Essen).

Dit geldt niet alleen voor ouderen maar in volgend citaat wordt duidelijk dat voor personen met een handicap gastvrouw of -heer zijn een zinvolle activering of dagbesteding zou kunnen betekenen.


(…) dat is een gast, een man en die is bijna 2 jaar bij een gastvrouw geweest, en nu heeft die zodanig de smaak te pakken dat die zelf gastheer wil worden, maar meneer heeft x tijd terug een redelijk zware CVA gedaan en is vanuit zijn situatie wat zorgvrager, nu zijn we een kader aan het proberen maken samen met de regioverantwoordelijke van de thuiszorgdienst om via de aanwezigheid van de verzorgende, op dat moment zijn huis open te stellen voor de gast, maar het is iemand die heel graag thuis is, die een hele mooie infrastructuur heeft, heel proper, alles erop en eraan, schenkt koffie, heeft zijn stijl, luistert enorm graag en babbelt heel graag, maar heeft een handicap, dus een beperking.” (Gastopvang A-B-L).
        1. Valideren van zorgdiploma’s


Het accrediteren van zorgdiploma’s binnen de context van gastopvang, logeerzorg en zorgboerderijen biedt kansen voor de toekomst. Voorwaarden scheppen om personen met een zorgdiploma tewerk te stellen op basis van hun professionele competenties in hun eigen thuisomgeving zou mogelijkheden kunnen bieden voor het verder bestaan van deze zorgvormen.

(…)wat mensen zijn met zorgdiploma’s die nu nog ergens gaan werken maar als er op een andere manier een financiering zou kunnen komen, dan gaan zij misschien wel de klik maken van: ‘Goh, wat wij op ons werk doen, we gaan dat hier doen.” (Steunpunt Groene Zorg).

(…) de kleinschalige initiatieven zouden goed kunnen functioneren als opvang voor ouderen, zeker als je dan rekent dat er toch wel wat mensen zijn met zorgdiploma’s die nu nog ergens gaan werken maar als er op een andere manier een financiering zou kunnen komen, dan gaan zij misschien wel de klik maken van: ‘Goh, wat wij op ons werk doen, we gaan dat hier doen.” (Steunpunt Groene Zorg).

        1. Uitbouwen naar andere bedrijfssectoren


Heel specifiek in de context van de zorgboerderijen kan een uitbreiding van hun werking naar soortgelijke sectoren een toekomstperspectief bieden. De populariteit van ‘dagbesteding en activering’ op een zorgboerderij zou vertaald kunnen worden naar andere bedrijfssectoren om zo een schaalvergroting van het unieke concept te bewerkstelligen.
Ik vraag me af of het alleen is omdat we boerderijen zijn. Want soms wordt ons wel eens de vraag gesteld of het niet kan in andere sectoren? Dus het idee van actief mee te participeren bij bijvoorbeeld de bakker, de beenhouwer, de schrijnwerker, de garagist,… zeker voor jongeren zou dat een heel groot pluspunt zijn.” (Steunpunt Groene Zorg).




    1. Deel met je vrienden:
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina