Voedselveiligheid



Dovnload 311.84 Kb.
Pagina5/5
Datum20.05.2018
Grootte311.84 Kb.
1   2   3   4   5



Duurzaamheids-eisen (vrijwillig; geldt voor teeltbedrijf)

Voldoet?

ja

nee

nvt.

1.8 Arbeid


1.8.1


Bij inzet van externe arbeid (incl. vakantiewerkers; excl. mechanisch loonwerk) worden de wettelijke regels in acht genomen v.w.b. minimum leeftijd, arbeidsduur en sociale afdrachten, en worden geen illegalen ingezet. Bij inzet van uitzendkrachten is dit aantoonbaar door een kopie van een geldig NEN4400 certificaat van het uitzendbureau. Bij ZZP’ers kan volstaan worden met de zogenoemde VAR-verklaring dan wel (vanaf 1/5/16) een door de Belastingdienst goedgekeurde modelovereenkomst.











1.8.2


Voorkom/beperk fysieke overbelasting van personeel door kennis te (laten) nemen en het toepassen van de “Tilwijzer”: www.bo-akkerbouw.nl/wp-content/uploads/2015/08/Tilwijzer_PA-PDV_2008_definitief.pdf.











1.8.3


Voorkom dat personeel werkt in een stoffige of geluidvolle omgeving, of zorg voor doeltreffende maatregelen/hulpmiddelen (bijv. ventilatie/afzuiging, gehoordopjes, stofkapjes).











1.8.4

Personeel is bekend met belangrijke telefoonnummers en locaties (i.v.m. mogelijk ongeval/nood). Het betreft de telefoonnummers van brandweer, politie, ambulance, elektriciteit-, water- en gasbedrijf, de locatie van brandblusser(s) en EHBO-box, en de afsluiters van gas, water en elektra.











1.8.5

Op het bedrijf is een compleet en goed onderhouden EHBO-box aanwezig.











1.8.6

Personeel wordt betrokken bij ontwikkelingen in de “akkerbouw”, door deelname aan netwerken & bijeenkomsten (bijv. vakbeurzen, voorlichtingsdagen).








1.9 Flora & fauna (Natuurgebieden)


1.9.1


Het gebruik van uw percelen gelegen in of naast natuurbeschermingsgebieden en -beschermingszones is in overeenstemming met de regels die daarvoor wettelijk gelden, dan wel op grond van regelingen en/of overeenkomsten (bijv. hamsterovereenkomst, nationale parken, enz.).








(Vogelbeheer)


1.9.2


Bij de bedrijfsvoering wordt rekening gehouden met de vogelstand, door de vogels tijdens het broedseizoen niet moedwillig te verjagen of af te schieten tenzij wettelijk toegestaan, en bij grondbewerking zoveel mogelijk weidevogelnesten te behouden (markeren/verleggen).

Voor regels voor verjagen zie www.faunabeheereenheid.nl.










(Habitats)


1.9.3


U zorgt actief voor instandhouding van landschapselementen op eigen terrein (o.a. heggen, vijvers, bomenrijen/-groepen, geïsoleerde bomen en akkerranden). Bijvoorbeeld door baggeren, maaien, snoeien, plaggen, verschralen, enz.











1.9.4


Teeltvrije zones langs sloten en oppervlaktewater (conform Lozingenbesluit open teelt en veehouderij) worden gerespecteerd. De afstand tussen insteek talud en midden van de buitenste gewasrij is minimaal:

- 1,50 m voor aardappelen, uien, asperges, prei, schorseneren en peen.

- 1,00 m idem, maar dan bij luchtondersteunende spuit.

- 0,25 m bij granen en graszaad.

- 0,50 m voor alle overige akkerbouw- en vollegrondsgroentegewassen.

De teeltvrije zone geldt niet bij greppels, droge sloten en biologische teelt.













1.9.5

Pas akkerrandbeheer toe (bijvoorbeeld inzaai bloemrijke mengsels), inzet plakvallen, groene vlieg en/of inzet steriele mannetjes. (=should)











1.9.6

Teel minimaal één “klein gewas”. Dit zijn (mengsels van) plantensoorten die regionaal op beperkt areaal worden geteeld, vaak op kleine percelen of perceelsranden). (=should bij 1:3 inspectie)









1.10 Bodembeheer
(structuur/
kwaliteit)



1.10.1


U neemt maatregelen om verslechtering van bodemstructuur en gebruikswaarde van uw percelen te voorkomen. Bijvoorbeeld vruchtwisseling, juiste bandenspanning, rijpadensysteem, groenbemester, grondbewerking (diep of mulch), enz.











1.10.2


Maak bij mogelijke structuurproblemen een profielkuil ter vaststelling en om te bepalen hoe het opgelost kan worden. (=should)











1.10.3


Pas op stuifgevoelige gronden anti-stuifmaatregelen toe (bijvoorbeeld stuifdek, gewasresten oppervlakkig inwerken (mulchen))








(erosie)

1.10.4

U neemt maatregelen om erosie door neerslag op percelen met een hellingspercentage van >2% te voorkomen. Bijvoorbeeld de Cross Compliance-eisen i.v.m. betalingsrechten: diepe grondbewerking na elke oogst, niet-kerende grondbewerking (NKG), opentrekken wielsporen, bodembedekking tijdens winterperiode, enz.








(organisch stof)

1.10.5

U neemt maatregelen om afname van het organisch stofgehalte te voorkomen en controleert dit bij voorkeur door bodemanalyse (bijv. elke 4 jaar in combinatie met bemestingsonderzoek). Bijvoorbeeld: toepassen van groenbemester, compost, mest, onderwerken van gewasresten, enz.











1.10.6


Stel een organisch stof balans op. (=should)








1.11 Emissiereductie

1.11.1

Bijlage H wordt ingevuld indien (rest)producten van de akkerbouwmatige teelten worden afgeleverd als biomassa voor energiedoeleinden en de afnemer dit wenst. Let op: kopie bewaren in eigen administratie, incl. de bewijzen/berekeningen, en 5 jaar bewaren! (=should bij 1:3 inspectie)








1.12 Rendabiliteit

1.12.1

Optimaliseer het bouwplan. Houd daarbij rekening met de sterke kenmerken van het bedrijf (bijvoorbeeld ligging, grondsoort, beschikbare arbeid, faciliteiten, enz.). Schakel daarbij de hulp in van (een) externe adviseur(s) (bijvoorbeeld boekhouder, toeleverancier en/of afnemer).











1.12.2

Optimaliseer de efficiëntie van machines en arbeid. Bijvoorbeeld door samenwerking/uitwisseling (werktuigenvereniging/loonwerk), verlengen gebruiksduur (onderhoud!), externe dienstbetrekking en/of machineverhuur.








1.13 Lokale welvaart

1.13.1

Het bedrijf heeft een nette uitstraling. Erf en gebouwen zijn goed onderhouden, geen langdurige onoverdekte opslag/stalling van machines, materialen, enz. Op de percelen worden restanten van teelt/bewaring z.s.m. opgeruimd (bijv. folie verwijderen en tarragrond verspreiden).











1.13.2

Bij investeringsplannen ook lokale mogelijkheden (bedrijven, producten, diensten) onderzoeken.











1.13.3

U neemt deel aan netwerken & bijeenkomsten, hebt regelmatig contact met collega’s en/of een samenwerkingsverband. Bijvoorbeeld deelname aan vakbeurzen, voorlichtingsdagen, pootgoedacademie, enz.









1.14 Energie

1.14.1

Brandstofverbruik wordt beperkt door:

- minimaliseren aantal bewerkingen/transportbewegingen

- uitvoering werkzaamheden onder optimale (bodem)omstandigheden

- motoren niet onnodig te laten draaien

- gebruik van de eco-stand van de aftakas (indien beschikbaar)

- handelen op basis van actueel verbruik (indien aanwezig)














1.14.2

Het brandstofverbruik (diesel, benzine en LPG) wordt jaarlijks kritisch beoordeeld en vergeleken met voorgaande 4 jaar. Daarbij wordt een lijst met belangrijkste verbruikers opgesteld (bijvoorbeeld tractor A, heftruck, kachels, enz.). (=should bij 1:3 inspectie)











1.14.3

Bij aankoop van nieuwe tractor en zelfrijdende machines wordt het brandstofverbruik t.o.v. soortgelijke tractoren en machines meegewogen in het aankoopbesluit.











1.14.4

Elektriciteitsverbruik wordt beperkt door besparingsmaatregelen. Voorbeelden zijn: inzet tijdklok, regelmatige reiniging van ventilatoren/condensoren, gebruik van natuurlijke trek tijdens bewaring, isolatie, spaarlampen (TL of LED i.p.v. gloeilamp), enz.











1.14.5

Het energieverbruik ((aard)gas en elektriciteit) wordt jaarlijks kritisch beoordeeld en vergeleken met voorgaande 4 jaar (jaarafrekeningen). Daarbij wordt een lijst met belangrijkste verbruikers opgesteld (bijvoorbeeld ventilatoren, kachels, koelmachines, transportbanden, erfverlichting, enz.). (=should bij 1:3 inspectie)











1.14.6

Op het bedrijf wordt energie opgewekt (bijvoorbeeld m.b.v. zonnepanelen, windmolen of biovergister). (=should)









2.1 Perceelskeuze
(biodiversiteit)



2.1.5


De percelen waarvan (rest)producten van de akkerbouwmatige teelten afkomstig zijn, hadden op 1/1/2008 aantoonbaar een agrarische bestemming. Bewijs: teeltregistratie 2007, foto Google-earth, enz.








(blijvend grasland)


2.1.6


Bij scheuren van grasland worden de wettelijke regels in acht genomen (m.n. toegestane periode en volgteelt). Scheuren mag tussen 1/2 en 10/5 (zand/löss) of 15/9 (klei/veen) en aansluitend een N-behoeftig gewas. (=should bij 1:3 inspectie)










2.1.7


Op percelen wordt geen monocultuur (>4 jaar zelfde gewas) toegepast, tenzij de monocultuur de milieubelasting niet verhoogt (bijv. gbm-gebruik).








2.5 Bemesting


2.5.6


Resultaat bemestingsonderzoek (PK-bodemanalyse, max. 4 jaar oud) wordt gebruikt bij het opstellen van het bemestingsplan.











2.5.7


Stel een stikstof (N) en fosfaat (P) balans op. (=should)








2.7 Gewasbescher-mingsmiddelen

2.7.6

Bij het opstellen van het gbm-plan wordt de milieumeetlat gebruikt. Zie www.milieumeetlat.nl, of via eigen managementsysteem.











2.7.7

Op het bedrijf wordt geïntegreerde ziekte- en plaagbestrijding (IPM) toegepast, door toepassing van minimaal 1 activiteit bij elk van de volgende methoden:

- ‘preventie’ (om de kans en intensiteit te beperken). Voorbeelden: gewasrotatie (zie 2.1.7), afdekken gewasafval, gezond uitgangsmateriaal, enz.

- ‘Observatie & monitoring’ (om moment en techniek (curatief/preventie) te bepalen). Voorbeelden: waarschuwingssysteem, luizenvallen, gewasinspectie, enz.

- ‘Interventie’ (inzet van bestrijdingsmethode(n)). Voorbeelden: bespuiting, loofvernietiging, inzet natuurlijke vijanden, enz.



Waar mogelijk niet-chemische methoden overwegen.











2.7.8

Bij risico op resistentieontwikkeling, advies op het etiket (WG/GA) volgen.











2.7.9

Behandelingen worden toegepast onder geschikte weersomstandigheden (windsnelheid en andere specifieke aanwijzingen op het etiket).











2.7.10

Voor minimaal 1 gewas wordt een BeslissingOndersteunendSysteem (BOS) gebruikt om het optimale moment van toepassing en eventueel de dosering van gbm te bepalen. Voorbeeld BOS: een adviesmodule in het eigen management systeem of systemen van derden (o.a. phytophthora-alarmeringsysteem). (=should)











2.7.11

Gbm worden toegepast middels een Laag-Doseringssysteem (LDS) en/of door gebruik te maken van speciale spuittechniek (bijv. rijenbespuiting), als het wettelijk is toegestaan en de effectiviteit toeneemt.











2.7.12

Bij gelijke effectiviteit wordt gekozen voor zaadcoating i.p.v. rij- of volveldstoepassingen.











2.7.13

Bij problemen met nematoden wordt gekozen voor resistente gewassen/rassen en/of granulaat (volvelds of in rijen). Een grondontsmetting met metam-natrium alleen als noodmaatregel toepassen.











2.7.14

Bij inzet insecticiden wordt gekozen voor specifiek werkende middelen (om natuurlijke vijanden te ontzien of te stimuleren), tenzij de werking van dat middel op het doelorganisme minder is.








2.9 Watergebruik

(beregening/ irrigatie)


2.9.2


U bent bekend met de regels voor het onttrekken van oppervlakte- en grondwater voor beregening/irrigatie, en u houdt zich daaraan. Het gaat om regels van de NVWA (i.v.m. bruinrot), waterschappen (i.v.m. droogte of vergunning) en in waterwingebieden (i.v.m. bescherming grondwater).











2.9.3


Storende grondlagen (bijv. ploegzool) worden gebroken om de beworteling en capillaire werking te verbeteren (en minder (snel) vochttekort ontstaat).











2.9.4


De watergift wordt binnen het perceel gevarieerd (bijv. m.b.v. sensoren of “remote-sensing”), afhankelijk van de gewasbehoefte. (=should)











2.9.5


Alleen beregenen als verdamping het laagst is (avond/nacht), tenzij niet afdoende (door capaciteit of areaal) of lokaal niet toegestaan.








(oppervlaktewater)

2.9.6


Bij het vullen van de spuitmachine met oppervlaktewater houdt u 2 m afstand tot de insteek van het talud en is de aanzuigslag voorzien van een terugslagklep.







******


Akkerbouw Certificeringsoverleg april 2017 Pagina van


Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina