Versie 2 februari 2017, 425. 909 woorden Versie maart 2016, 422. 200 woorden



Dovnload 20.67 Mb.
Pagina64/148
Datum07.11.2017
Grootte20.67 Mb.
1   ...   60   61   62   63   64   65   66   67   ...   148

littera letter

litterae (pl.t.) brief, brieven, wetenschap, literatuur

litus, -oris (n.) strand, kust

locare plaatsen

locus plaats, positie, toestand, gelegenheid, ruimte

longe (adv) ver, lang

longus lang

loqui (locutus sum) spreken, noemen

lucrum winst

luctus, -us rouw(klacht)

lucus (heilig) woud

ludere (lusi, lusum) spelen, zich amuseren

lugere (luxi, luctum) (be)treuren

lumen, -inis licht, oog

luna maan

lupus wolf

lustrare verlichten, inspecteren, doorkruisen

lux, lucis licht, leven

luxuria (zucht naar) weelde

lympha water

maerere (maerui) (be)treuren

maestus bedroefd

magis meer

magister (leer)meester

magistratus, -us ambt, magistraat

magnus, maior, maximus groot, belangrijk

maiestas, -atis gezag, aanzien

maior (maximus) natu ouder, oudst

maiores, -um (pl) voorouders

malle (malo, malui) liever willen

malus, peior, pessimus slecht

malum slachte daad, ramp

manare stromen

mandare opdragen, gelasten, toevertrouwen

mandatum (meestal pl.) opdracht, bevel

manêre (mansi, mansum) blijven, voortduren, te wachten staan

manes, -ium zielen van de overledenen, schimmen

manifestus tastbaar, duidelijk

manus, -us hand, bende

mare, -is (n) zee

maritus echtgenoot

mater moeder

materia, materies materie, materiaal

maturus rijp, (vroeg)tijdig

meditari overwegen, uitdenken

medium openbaarheid

medius in het midden

mel, mellis honing

membrum lichaamsdeel

meminisse zich herinneren

memor, -is (+ gen.) denkend aan

memorare melding maken van

memoria geheugen, herinnering, tijd die men zich kan herinneren

mens, -tis (f) geest, verstand, gedachte

mensa tafel

mensis, -is (m) maand

mercator, -is handelaar

merces, --edis loon, betaling

merere (merui, meritum) verdienen, dienen

mereri (meritus sum) zich verdienstelijk maken

merito terecht

meta keerpunt, eindpunt

metuere (metui) vrezen, bang zijn

metus, -us angst

meus mijn, van mij

miles, -itis soldaat

militaris krijgs-, soldaten-

militia krijgsdienst

mille duidend

minae, -arum (be)dreiging

minax, -acis dreigend

minuere (minui, minutum) verminderen

mirari zich verwonderen, bewonderen

miscere (miscui, mixtum) door elkaar mengen, in beroering brengen

miser ongelukkig

miserari beklagen

miseria ellende

misericordia medelijden

mittere (misi, missum) zenden, laten gaan, werpen

mobilis bewegelijk

modestia gematigdheid, zelfbeheersing

modo slechts, zoëven

modo … modo nu eens … dan weer

modo (voegwoord) mits

modus maat, manier

moenia, -ium (stads)muren

moles, -is grote last, moeite, groot voorwerp, massa

moliri ondernemen

mollis zacht, buigzaam

monere (monui, monitum) herinneren aan, waarschuwen

mons, -tis (m) berg

monstrum wonderlijk verschijnsel

monumentum monument, gedenkteken

mora vertraging, uitstel

morari vertragen, ophouden, talmen, treuzelen

morbus ziekte

mori (morior, mortuus sum) sterven

mors, -tis (f) dood

mortalis sterfelijk, sterveling

mos, moris (m) zede, gewoonte

motus, -us beweging

movere (movi, motum) bewegen

mox weldra, spoedig

mulier, -ieris vrouw

multitudo, -inis (f) menigte

multus, plures, plurimi veel

mundus wereld

municipium provinciestad

munire versterken

munus, -eris taak, geschenk

murmur, -is geluid

murus muur

musa muze

mutare veranderen, verwisselen

mutus geluidloos, stom

mutuus wederkerig

nam, namque want

nancisci (na(n)ctus sum) (ver)krijgen

narrare vertellen

nasci (natus sum) geboren worden

natio, -ionis stam, volk

natura natuur, aard

natus, -us geboorte, leeftijd

nauta zeeman

navis, -is (f) schip

-ne soms?, of

ne opdat niet, om niet

ne ... quidem zelfs niet, niet eens, ook niet

nec, neque en niet, noch

necare doden

necessarius noodzakelijk, onvermijdelijk

necesse nodig

necessitas, -atis noodzaak, dwang

nectere (nexui, nexum) knopen, verbinden

nefas zonde

negare ontkennen, weigeren

neglegere (neglexi, neglectum) verwaarlozen

negotium bezigheid, zaak, moeilijkheid, moeite

nemo, -inis niemand

nemus, -oris bos, woud

nepos, -otis kleinzoon

nequire (nequo, nequivi, nequitum) niet in staat zijn

nequiquam tevergeefs

nervus zenuw

nescire (nesci(v)i niet weten

nescius niet wetend

neve, neu en niet

nex, necis moord

nidus nest

niger zwart

nihil niets

nimbus regenbui, wolk

nimis, nimium (adv.) te, te veel

nisi, ni als niet, behalve

niti (nisus, nixus sum) steunen op, zich inspannen

nitidus glanzend, schitterend

niveus sneeuwwit

nobilis aanzienlijk, beroemd

nocēre (nocui, nocitum) schaden

nocte, noctu ´s nachts

nocturnus nachtelijk

nolle (nolo, nolui) niet willen

nomen, -inis (n) naam, titel

nominare benoemen

non niet


nondum nog niet

nonnullus enige

nos wij

noscere (novi, notus) leren kennen



noster onze

novus nieuw

novissimus laatste, achterste

nox, noctis nacht

nubere (nupsi, nuptum) trouwen

nubes, -is (f) wolk

nudare ontbloten

nudus naakt

nullus, -ius geen

numen, -inis goddelijke kracht

numerus getal, aantal

numquam nooit

nunc nu

nuntiare berichten



nuntius koerier, bericht

nuper onlangs, niet lang geleden

nuptiae, -arum huwelijk

nusquam nergens

nympha nimf

ob (+ acc.) voor, wegens, omwille van

obicere (-icio, -ieci, -iectum) voor iemand (iets) neergooien, verwijten

obire (-ii, -itum) tegemoet gaan

oblivisci (oblitus sum) (+ gen.) vergeten

obscurus duister

obsidēre (-sedi, -sessum) belegeren, bezet houden

obstare (-stiti, -statum) staan voor, hinderen

obstupescere (-stupui) verbaasd worden

obtinēre (-tinui, -tentum) bezet-, vast houden, in bezit nemen

obviam tegemoet

obvius tegemoet

occidere (-cidi, -casum) vallen, sneuvelen

occídere (-cidi, -cisum) vellen, doden

occultare verbergen

occultus verborgen

occupare in bezit nemen

occurrere (-curri, -cursum) tegemoet komen, tegengaan, opkomen bij

oceanus oceaan

oculus oog

odisse haten, een hekel hebben aan

odisse haten

odium haat

odor, -is geur

offerre (obtuli, oblatum) tonen, (aan)bieden

officere (-ficio, -feci, -fectum) hinderen, afbreuk doen

officium taak, plicht

olim vroeger, later

omen, -inis (n) voorteken

omíttere (-misi, -missum) terzijde leggen, achterwege laten

omnino volkomen, beslist, in totaal

omnis ieder, elk (meervoud: alle)

onus, -eris last

opacus beschaduwd, duister

opera moeite, inspanning

opinio, -ionis mening, naam, reputatie

oportet (oportuit) het behoort

opperiri (oppertus sum) wachten

oppidum stad

opportunus gunstig

opprimere (-pressi, -pressum) neerdrukken, overweldigen

oppugnare aanvallen, bestormen

ops, opis hulp

opes (pl) hulpmiddelen, rijkdom, macht

optare wensen

opulentus rijk, machtig

opus, -eris (n) werk, schanswerk

ora kust, rand

orare smeken, (be)pleiten

oratio, -ionis (f) taal, redevoering

orbis, -is kring, cirkel

ordo, -inis (m) rij, (volg)orde, orde, geld, rang, klasse

origo, -inis oorsprong

oriri (ortus sum) ontstaan, opkomen

os, oris (n) mond, gezicht, uiterlijk

os, ossis (n) bot

osculum kus

osténdere (ostendi, ostentum) tonen, onder ogen brengen

otium vrije tijd, rust

ovis, -is schaap

ovum ei

pabulum voedsel, voer



paene bijna

palma (hand)palm, zegepalm

palus, -udis (f) moeras

pandere (pandi, passum) uitspreiden

par, paris gelijk aan, opgewassen tegen, billijk

parare voorbereiden, voorbereidingen treffen

párcere (peperci) (+ dat.) sparen

parents, -tis ouders (subst.)

parēre (parui) (+ dat.) gehoorzamen

parere (peperi, partum) voortbrengen, verwerven

pars, -tis (f) deel, kant, partij (pl.)

partim (adv) deels

parum niet genoeg

parvus , minor, minimus klein

pascere (pavi, pastum) laten grazen, voeden

passim (adv) overal, wijd en zijd

passus, -us pas (ca 1.50 m)

pastor, -is herder

patefácere open maken, openbaar maken

pater, -ris vader

patēre openstaan

pati (patior, passus sum) verdragen, toestaan

patria vaderland

patrius van de vader

patrare tot stand brengen, voltooien

pauci, -orum weinig

paulatim langzamerhand

paulum weinig, een beetje

pauper, -is arm

pavēre (pavi) angstig zijn

pavor, -is angst

pax, pacis vrede

peccare een fout maken

pectus, -oris borst, inborst, hart

pecus, -oris vee

pecus, -udis beest

pedes, -itis infanterist

pelagus (n.) zee

pellere (pepuli, pulsum) voortdrijven, verdrijven

penates, -ium huisgoden, staatsgoden

pendēre (pependi) hangen, in spanning verkeren

penetrare (diep) doordringen

penitus diep, geheel

penna veer, vleugel

per + acc. door … heen, gedurende, door middel van

peragere (-egi, -actum) voltooien, behandelen

percellere (-culi, -culsum) verpletteren, verbijsteren

percipere (-cipio, -cepi, -ceptum) waarnemen, in zich opnemen, begrijpen

perdere (-didi, -ditum) te gronde richten, verliezen

perducere (-duxi, -ductum) brengen door, - tot

perferre (-tuli, -laetum) overbrengen, verdragen

perficere (-ficio, -feci, -fectum) voltooien

perfidia trouweloosheid

pergere (perrexi, perrectum) (voort)gaan

periculum gevaar

perire (-ii, -itum) te gronde gaan

permittere (-misi, -missum) toevertrouwen, toestaan

permovēre (-movi, -motum) tot iets bewegen

pernicies ondergang

perpetuus ononderbroken

persequi (-secutus sum) volgen

persuadēre (-suasi, -suasum) overtuigen, overreden

pertinēre (-tinui, -tentum) zich uitstrekken, betrekking hebben op, van belang zijn voor

pervenire (-veni, -ventum) aankomen

pes, pedis voet

pestis, -is dodelijke ziekte

petere (petivi, petitum) trachten te bereiken, trachten te verkrijgen

pharetra pijlkoker

philosophia filosofie

pietas, -atis vroomheid, plichtsbetrachting, liefde

pignus, -oris onderpand, bewijs

pinguis vet

pinus pijnboom

piscis, -is (m) vis

pius vroom, plichtsgetrouw, liefdevol

placēre (placui, placitum) bevallen

placet (placuit) het behaagt, men besluit

placidus vredig, kalm

plebs, -is (f) de gewone mensen

plenus vol

plerique de meesten, zeer velen

plerumque meestal

poculum beker

poena genoegdoening, boete

poeta dichter

pollicēri (pollicitus sum) beloven

pondus, -eris gewicht

ponere (posui, positum) leggen, plaatsen, neerleggen

pons, -tis brug

pontifex, -icis priester

pontus zee

popularis van -, voor het volk, van hetzelfde volk

populus volk

porrigere (porrexi, porrectum) uitstrekken

porta poort

portus, -us haven

poscere (poposci) eisen, vragen

posse (potui) kunnen

possidēre (possedi, possessum) bezitten

post, postea (adv) daarna, later

post (prep) (+ acc.) achter (plaats); na (tijd)

posterus (adi) volgend, later

postis, -is deur(post)

postquam nadat

postulare eisen

potare (potavi, potum) drinken

potens, -tis machtig

potentia macht, invloed

potestas, -atis macht, bevoegdheid, gelegenheid

potior, potissimus liever, verkieslijker

praebēre (praebui, praebitum) aanbieden, (met se) het zich betonen

praebêre se zich betonen

praeceps, -ipitis overhaast, hals over kop omlaag

praecipere (-cipio, -cepi, -ceptum) voorschrijven, van te voren nemen

praeclarus schitterend, voortreffelijk

praeda buit

praeesse (-fui) de leiding hebben

praemium beloning

praesens, -tis aanwezig, tegenwoordig

praesertim vooral

praesidium bescherming, bezetting, garnizoen

praestare (-stiti, -statum) uitblinken, aan de dag leggen

praeter (+ acc.) voorbij, behalve

praeterea bovendien

praeterire (-ii, -itum) voorbijgaan

praetor, -is praetor (magistraat, voornamelijk belast met de rechtspraak)

pratum weide

precari bidden, smeken

preces, -um smeekbede

premere (pressi, pressum) drukken

pretium prijs, waarde, betaling

primo (adv) eerst

primus eerste

princeps, -ipis eerste, voornaamste, keizer

principatus, -us eerste plaats, keizerschap

principium begin

prior, -is eerder, beter

priscus uit oude tijden

pristinus vroeger

priusquam voordat

privatus van een gewoon burger, particulier

pro (+ abl.) vóór, voor, in de plaats van, - als, in verhouding tot

probare goedkeuren, aannemelijk maken

procedere (-cessi, -cessum) voortgaan

procul op enige afstand

prodere (-didi, -ditum) tonen, openbaar maken, verraden

prodesse (profui) voordelig zijn

proelium gevecht

profecto stellig

proficisci (-fectus sum) vertrekken

profugere (-fugi) vluchten

profundus diep

progredi (-gredior, -gressus sum) voortgaan

prohibēre (-hibui, -hibitum) (+ abl.) afhouden van, verhinderen

proicere(-icio, -ieci, -iectum) (naar voren) werpen

proinde net zo, daarom

proles, -is nageslacht

promittere (-misi, -missum) beloven

promptus openbaar, beschikbaar, snel, geneigd tot

pronus voorover, geneigd tot

prope (adv) dichtbij, bijna

prope (prep) dichtbij

properare zich haasten, haastig doen

propere haastig

propinquus nabij

propior, -is dichterbij

proponere (-posui, -positum) openbaar maken, voor ogen stellen

propositum voornemen

proprius eigen

propter (+ acc.) wegens

propterea daarom

prorsus helemaal

prosperus voorspoedig, gunstig

prospicere (-spicio, -spexi, -spectum) in de verte kijken,voorzien, voorzieningen treffen

protinus direct

providēre (-vidi, -visum) voorzien, zorgen voor

provincia provincie, ambtsterrein

prudens, -tis op de hoogte, verstandig

pubes, -is volwassenheid

publicus van het volk, openbaar

pudicus kuis, ingetogen

pudor, -is schaamte, eergevoel

puella meisje

puer jongen

pueritia kinderjaren

pugna gevecht

pugnare vechten

pulcher mooi

pulvis, -eris stof

purpureus purperen

purus zuiver

putare menen

qua waar(langs)?

quaerere (quaesivi, quaesitum) zoeken, vragen

quaeso zo vraag ik

quaestio, -ionis onderzoek, rechtbank

quaestor, -is quaestor (magistraat vooral belast met financiële zaken)

qualis hoedanig?, zodanig als

quam hoe(zeer), zoals, (na compar.) dan

quamquam hoewel

quamvis (adv) hoe … ook

quamvis (voegwoord) hoewel

quando wanneer?, eens, ooit

quantus hoe groot?, zo groot als

quare waarom?

quartus vierde

quasi alsof

quatere doen trillen, beuken

-que en

quemadmodum hoe?, zoals



querela klacht

queri (questus sum) klagen

qui, quae, quod (relativum) die, dat

qui, quae, quod (pron. interrogativum) welke

quia omdat

quicumque, quaecumque, quodcumque wie/wat ook maar, ieder(e) willekeurige

quidam een zekere

quidem althans

quies, -ietis rust, slaap

quin waarom niet, die niet

quin (na ontkennende hoofdzin) dat, of

quinque vijf

quippe immers

quire (quivi, quitum) kunnen

quis, quid wie, wat, welke

quisquam, quicquam een willekeurig iemand, willekeurig wie, wie ook maar

(unus)quisque ieder(een)

quisquis willekeurig wie, wie ook maar

quivis een willekeurig iemand

quo waarheen, naarmate

quo (+coni) opdat (daardoor)

quod (voegwoord) omdat, dat

quondam eens

quoniam omdat

quoque ook

quotiens hoe vaak?, zo vaak als

rabies razernij

radius spaak, straal

ramus tak

rapere (rapio, rapui, raptum) meesleuren, roven

rapidus meesleurend, snel

rarus zeldzaam, schaars, verspreid

ratio, -ionis (be)rekening, verantwoording, verstand, handelswijze, plan

ratis, -is vlot, schip

recedere (-cessi, -cessum) teruggaan, weggaan

recens, -tis nieuw, vers

recipere (-cipio, -cepi, -ceptum) terugnemen, terugtrekken, opnemen, ontvangen

se recipere se zich herstellen

rector, -is leider, stuurman

rectus recht, goed, juist

reddere (-didi, -ditum) (terug)geven, maken

redire (-ii, -itum) teruggaan, terugkomen, terecht komen

reditus, -us terugkeer

referre (rettuli, relatum) (terug)brengen, berichten, rapporteren

refert (+ gen.) het is van belang (voor)

reficere (-ficio, -feci, -fectum) vernieuwen, herstellen

regere (rexi, rectum) leiden, sturen, regeren

regina koningin

regio, -ionis streek, richting

regius koninklijk

regnare koning zijn, heersen

regnum koningschap, koninkrijk

religio, -ionis geloof, bijgeloof

relinquere (-liqui, -lictum) achterlaten

reliquus over(gebleven), overig

remittere (-misi, -missum) terugsturen, doen verslappen

removēre (-movi, - motum) verwijderen

renidēre (-nidui) stralen, glanzen

repente plotseling

reperire (repperi, repertum) vinden, te weten komen

repetere (-petivi, -petitum) terugverlangen

reponere (-posui, -positum) terugzetten, weer plaatsen

reputare overdenken

requiescere (-quievi, -quietum) rusten, tot rust komen

requirere (-quisivi, -quisitum) opzoeken, verlangen, eisen

reri (ratus sum) menen

res, rei zaak, gebeurtenis, ding, geval

resistere (-stiti) weerstand bieden, stil staan

resolvere (-solvi, -solutum) losmaken, verzwakken

resonare (-sonui, -sonitum) (doen) weerklinken

respicere (-spicio, -spexi, -spectum) omkijken naar, zorgen voor

respondēre (-spondi, -sponsum) antwoorden, beantwoorden, vergelden

restituere (-stitui, -stitutum) herstellen, teruggeven

retinēre (-tinui, -tentum) terughouden, vasthouden

retro achteruit, terug

reverti (-versus sum) terugkeren

revertere (-verti) terugkeren

rex, regis koning

ridere (risi, risum) lachen

ripa oever

rite volgens (godsdienstig) gebruik, naar behoren

rivus beek

robur, -oris (n) hard hout, kracht, het sterkste deel

rogare vragen

rogatio, -ionis (wets)voorstel aan de volksvergadering

ros, roris dauw

rota wiel

ruere (rui, rutum) instorten, zich in iets storten

ruina instorting, val, ondergang

rumpere breken

rupes, -is rots

rursus opnieuw, terug

rus, ruris (n.) land, (platte)land

sacer heilig, gewijd

sacerdos, -otis priester

sacramentum eed van trouw

saeculum generatie; tijdperk, eeuw

saepe dikwijls

saevire (saevii) woedend zijn, razen

saevus woest, hardvochtig

sagitta pijl

salsus zout

saltus, -us bergwoud, bergpas

salus, -utis (f) behoud, gezondheid

sanctus onschendbaar, eerbiedwaardig

sane zeker, inderdaad

sanguis, -inis (m) bloed

sapiens, -tis wijs, verstandig

satiare verzadigen

satis genoeg; nogal, tamelijk

saxum rots(blok)

scelestus misdadig

scelus, -eris (n) misdaad

scientia kennis

scilicet vanzelfsprekend, zeker

scire weten

scopulus klip, rotspunt

scríbere (scripsi, scriptum) schrijven

secare (secui, sectum) snijden

secretus afgezonderd

secundus volgende, tweede; gunstig

sed maar


sedēre zitten

sedes, -is (f) (zit)plaats

seditio, -ionis opstand

seges, -etis gewas

semel eenmaal

semen zaad

semper altijd

senator, -is senator

senatus, -us (toegang tot de) senaat

senex, -is oud; oude man

sensus, -us waarnemingsvermogen, gevoel

sententia mening

sentire (sensi, sensum) waarnemen, merken, oordelen

sepelire (sepelivi, sepultum) begraven

septem zeven

sepulchrum graf

sequi (secutus sum) volgen, najagen

serere (sevi, satum) zaaien, planten

sermo, -onis gesprek, (spreek)taal

sertum bloemenkrans

serus laat

servare behouden, redden; bewaren; in het oog houden

servire slaaf zijn, dienen

servitium slavernij, de slaven

servitus, -utis slavernij, onderworpenheid

servus slaaf

seu, sive of, hetzij

sex zes


si voor het geval dat, als; of (misschien)

sic zo


siccus droog

sicut (net) zo als

sidus, -eris ster, sterrenbeeld

signum teken, veldteken, beeld

silentium stilte

silva bos

silvestris van het bos, bosrijk

similis gelijk, gelijkend

simul tegelijk, zodra

simulacrum veeld, afbeelding; schijnbeeld

simulare doen alsof

sin (voegw.) maar als

sine zonder

sinere (sivi, situm) (toe)laten

singuli een voor een, afzonderlijk

sinister linker, ongunstig

sinus, -us welving, boezem (kleed); binnenste; baai

sitis, -is (f) dorst

situs, -us ligging

socius bondgenoot, deelgenoot

socordia zorgeloosheid, achteloosheid

sodalis, -is kameraad

sol, solis zon

solēre (solitus sum) gewoon zijn

solidus stevig, vast

sollicitudo, -inis ongerustheid

solum bodem, grond

solum slechts, aleen

solus, -ius alleen

solvere losmaken, betalen

somnus slaap

sonare (sonui, sonitum) geluid geven, klinken

sonitus, -us klank, geluid

sonus klank, geluid

sordidus smerig, verachtelijk

soror, -is zuster

sors, -tis lot, orakel

spargere (sparsi, sparsum) (be)strooien

spatium ruimte, afstand, tijdsduur

species aanblik, schijn

spectare (be)kijken, het oog hebben op

sperare hopen

spernere (sprevi, spretum) verachten

spes hoop

spirare blazen, ademen

spiritus, -us adem , geest, hoogmoed

sponte uit eigen beweging

spumare schuimen

stabulum stal

stare (steti, statum) staan, blijven bij

statim meteen, direct

statio, -ionis wachtpost



Deel met je vrienden:
1   ...   60   61   62   63   64   65   66   67   ...   148


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina