Vergrijzing



Dovnload 17.06 Kb.
Datum20.05.2018
Grootte17.06 Kb.

Vergrijzing
Prof. Dr. A.H.J. Kolnaar
Volgens de huidige verwachtingen zal het aantal 65-plussers in verhouding tot het aantal 20 tot 64-jarigen oplopen van ruim 0.21 nu naar maximaal 0.46 rond 2040. Dit demografisch proces zal langs grofweg drie wegen invloed hebben op de economie. Voorzover ouderen een via het omslagstelsel gefinancierd inkomen krijgen overgedragen, stijgen de lasten voor de actieve bevolking. Zijn er -al dan niet daarboven- via kapitaaldekking gefinancierde pensioenen dan worden de pensioen- en levensverzekeringsmaatschappijen geconfronteerd met spaartekorten. Tenslotte veranderen de bestedingspatronen. Zo doen ouderen een relatief groter beroep op deels ook collectief betaalde voorzieningen als met name de gezondheidszorg in brede zin.

De vergrijzingsproblematiek geniet een grote belangstelling. Wat de inkomensregelingen betreft zij verwezen naar het SER-advies “Werken aan Zekerheid” (SER 97/05), waarin een grondige analyse van de ontwikkelingen en er op aansluitende denkbare acties wordt gepresenteerd.

De centrale inkomensregeling voor de oude dag in ons land is de aow. Deze werd op omslagbasis gefinancierd via een aparte premie, die deel uitmaakt uit van het tarief in de eerste belastingschijf. Dank zij een speciaal ouderentarief betalen 65-plussers geen aow-premie.

Als het aantal uitkeringen ten opzichte van het aantal actieven toeneemt moet de premie omhoog, voorzover de uitkering aan de loonontwikkeling gekoppeld blijft. De vergrijzing leidt zo tot hogere lasten en dus lagere netto lonen. Inmiddels is aan de eventuele stijging van de aow-premie echter paal en perk gesteld door de premie te maximeren op 17.9%. Er dreigen dan financieringstekorten te ontstaan, die gedekt worden door de loon- en inkomstenbelasting te verhogen. Het gevolg van de premiemaximering is dus dat anderen, met name mensen in de hogere schijven en ook 65-plussers, (meer) betalen. De maximering voert dus tot een lastenverschuiving en niet tot in totaal lagere lasten.

De gevreesde lastenstijging kan voorkomen worden als, door een hogere participatiegraad, het aantal actieven alsnog toe gaat nemen. Uiteraard zet een hoger arbeidsaanbod pas zoden aan de dijk als de betrokkenen ook echt werk vinden, anders neemt de druk op de resterende actieven alleen maar toe. Meer werk in de marktsector moet de kern van het beleid blijven. Bevordering van werkgelegenheid, een activerend sociaal zekerheidsstelsel, reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten, zijn mede hierom van groot belang. In dit licht komt de huidige toename in ons land van het aantal werkzame vrouwen natuurlijk erg goed uit. Maatregelen om dit proces te begeleiden en te bevorderen (kinderopvang, flexibele arbeid, onderwijs, belastingen) liggen dus voor de hand.

Een grote reserve op de arbeidsmarkt is aanwezig onder 57-jarigen en ouder (tussen de 60 en 65 werkt minder dan 20%). Als we erin slagen ook deze groep weer aan het werk te krijgen dan is er een flinke bijdrage aan de vergrijzingsproblematiek geleverd. Verdergaande voorstellen beogen het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd. Met name de vakbonden zijn daar echter geen voorstander van. Overigens heeft zo’n verhoging pas zin als betrokkenen echt werken. Daartoe moet de thans gegroeide cultuur veranderen.



Duidelijk haaks hierop staat het wetsvoorstel “Fiscale behandeling van pensioenen”, thans aanhangig bij de Eerste Kamer op basis van de voorstellen van de commissie Witteveen. De intentie hiervan is de pensioengerechtigde leeftijd al op 60 jaar (met hogere jaarlijkse opbouw dan nu) te laten ingaan. Dat is tegen de achtergrond van de komende vergrijzingsproblematiean absoluut misplaatst.

Een tweede, om een andere reden bedenkelijke manoeuvre is de instelling van het zogenaamde aow-fonds. Daaruit kan straks naar verluidt een deel van de aow-lasten worden betaald. Waar het fonds thans wordt gevoed op onze kosten lijkt er dus een intertemporele lastenverschuiving aan de orde: nu meer, straks minder. Dat is echter kletskoek. Er ís geen fonds met een bestuur dat goed belegde waardepapieren beheert of iets dergelijks. De toekomstige uitgaven uit het zogeheten fonds komen dán ten laste van het Rijk en de begroting en niet nú. Dat zou zonder ‘fonds’ niet anders geweest zijn. Het in het geding zijnde stukje aow wordt evenwel straks niet betaald uit premies, maar door de belastingbetaler inclusief degenen in de hogere schijven en de 65-plussers. Precies zo als bij de aow-premie-maximering.

Beide maatregelen -maximering en ‘fonds’- impliceren een stille fiscalisering van de aow. Het principe dat men niet betaald voor ingegane risico’s (65-plussers betalen immers geen aow-premie) wordt zo langs een omweg heimelijk verlaten, met aow-fonds-trucs als mis- en afleiders.

Een met de aow-lasten vergelijkbare problematiek doet zich voor bij de ziektekosten. Ouderen maken relatief meer gebruik van zorgvoorzieningen. Ook de kosten hiervan worden voor een belangrijk deel omgeslagen over de hele verdienende bevolking (awbz) of de werknemers. Een belangrijk verschil met de aow is wel dat bijvoorbeeld de awbz-premie door iedereen (ook 65-plussers) wordt betaald. Hoe dat ook zij, eveneens uit deze hoek komen dus hogere lasten en nettoloonverlagingen af op met name de werkende bevolking.

Mede in verband met de te verwachten premie- en dus netto-inkomensontwikkelingen onder vigeur van het omslagstelsel, wordt veel gepleit voor (meer) kapitaaldekking. Pensioenpremies worden bepaald op basis van individuele gegevens (leeftijd, sterftekans, inkomen) en zijn daarom minder gevoelig voor de macroverhouding tussen actieven en nietactieven. Of de kapitaaldekking ook meer zekerheid biedt is een open vraag, die ik hier in het midden laat. Nog minder wil ik ingaan op de aansluitende kwestie hoeveel extra die vermeende hogere zekerheid kost1. Wel wil ik er nog eens op wijzen dat het idee, als zou het netto inkomen van de actieven ingeval van kapitaaldekking niet aangetast worden door de vergrijzing, op een misvatting berust.

Onder invloed van de vergrijzing, met name door de na-oorlogse geboortegolf, stijgt het aantal ingegane pensioenen. De verschuiving tussen actieven en nietactieven werkt aldus een spaartekort bij de pensioen- en levensverzekerings- maatschappijen in de hand. Ook de omvang hiervan is minder naarmate we er beter in slagen via een verhoging van de participatiegraad meer mensen aan het werk te krijgen. Het spaartekort leidt ceteris paribus tot ook een lagere nationale spaarquote, en dat over een langere periode. Volgens de endogene groeitheorie zal zo’n verlaging resulteren in een lagere groeivoet van de economie, waardoor de bruto inkomensontwikkeling minder wordt. De neoklassieke groeitheorie voorspelt eveneens een tijdelijke verlaging van de groeivoet met dezelfde gevolgen. Bovendien zal dank zij de lagere spaarquote het productieproces kapitaalextensiever worden. Dan moet de arbeidsbeloning een extra veer laten om de werkgelegenheid via vervanging van kapitaal door arbeid alsnog op peil te houden.



Een daling in het kapitaaldekkingstelsel van de brutobeloning bij desnoods constante tarieven komt uiteraard voor de nettobeloning op hetzelfde neer als de stijging van de tarieven bij onveranderde brutolonen in het omslagstelsel. Het nettoloon loopt terug. Dat is de prijs die voor de vergrijzing door de geboortegolf in de zin van de oplopende inctieven/actievenratio wordt betaald, hetzij links- hetzij rechtsom.

De overheid kan evenwel een antwoord formuleren op de dalende spaarquote in het kader van het kapitaaldekkingsstelsel en wel door daar tegenover een dalend financieringstekort met een resulterend geringer beroep op de besparingen te organiseren. Zo kan per saldo de voor het bedrijfsleven beschikbare besparing ongewijzigd blijven. Dan zijn de beschreven bruto-inkomenseffecten dus niet meer aan de orde. Mits de economische politiek er adequaat op reageert, kunnen de gevolgen van de vergrijzing binnen het kapitaaldekkingsstelsel dus beperkt blijven2.


Het zal intussen voor de overheid niet meevallen om dit beleid daadwerkelijk ten uitvoer te leggen. Benadrukt moet worden dat haar tekort terug moet synchroon met de oplopende spaartekorten bij de pensioenfondsen, dus straks, als de vergrijzing zich voltrekt. Dat zal onder meer niet meevallen, omdat dan immers tegelijkertijd sommige collectieve lasten juist omhoog dreigen te gaan. Wij wezen in dit verband al op de gezondheidszorg.

Of de overheid dan tot de beschreven manoeuvre in staat zal zijn ligt voor een deel ook in onze handen. Wij kunnen misschien een deel van de toekomstige uitgaven overnemen door ze nu alvast te doen of ze althans nu niet uit te stellen. Als we nu bezuinigen op infrastructuur, gezondheidszorg etc om het tekort nu nog verder terug te dringen, schepen we de komende generatie op met extra lasten wegens achterstallig onderhoud en wel noodzakelijke, maar niet gepleegde investeringen. De huidige bezuinigingsdrift staat, zeker nu het tekort op zich binnen redelijke grenzen is, daarmee eveneens haaks op een goede aanpak van de vergrijzings-problematiek3.



Hier wordt tegen ingebracht dat de actuele bezuinigingen leiden tot minder rentelasten voor de overheid. Zo creëren we toch ook weer ruimte voor de toekomst? Het antwoord op die vraag luidt ontkennend. Zolang uit vermogensinkomens nauwelijks wordt geconsumeerd, bijna uitsluitend wordt gespaard, impliceren de door rentebetalingen veroorzaakte tekorten enerzijds een beroep van de overheid op besparingen, anderzijds tegelijkertijd een extra aanbod van besparingen door de rente-ontvangers. Van een saldo tussen deze vraag en dit aanbod is dan geen sprake. De rentebetaling heeft dan geen invloed op de netto nationale besparingen. Over die besparingen gaat het in de economie. Wat blijft is de nadelige invloed van de bezuinigingen van thans op de uitgaven en ook de ontvangsten (via de kwaliteit van de economische structuur en het nationale inkomen) van de overheid in de toekomst.

1 Zie D.B.J. Schouten en A.H.J. Kolnaar: Financieringstekort en pensioenregelingen. ESB 21-1 1987 nr 3590, jaargang 72

2 Adequaat begeleiden wil in de opbouwfase van de kapitaaldekking zeggen, dat tegenover de dan actuele spaaroverschotten van de pensoenfondsen juist extra financieringstekorten van de overheid worden gesteld met bijbehoerende extra staatsschuld. Het blijft een misser, dat in met name ook het stabiliteitspact met de bijzondere objectief aantoonbare positie van Nederelnad indeze geen rekening is gehouden, los van de eventuele verdere mérites van dat pact.

3 In de Nederlandse situatie met zijn grote nationale spaaroverschot impliceert nóg meer kapitaaldekking noóg meer besparingen, nóg meer geld wegkruien naar het buitenland terwijl we dat volgens poliiek en SER zelf zo hard nodig hebben: voor infrastructuur, onderwijs, gezondheidszorg, milieu etc.


Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina