Vergrijzing en politieke argumentatie



Dovnload 22.1 Kb.
Datum20.05.2018
Grootte22.1 Kb.

di 010704

Zin en onzin over vergrijzing

Over discrimantie van ouderen, generatietegestellingen en perspectieven door verlengde levensverwachitingen

door G.P.A.Braam


Al het huidige gepraat over vergrijzing heeft een zeer eenzijdige ondertoon. Het draagt bij tot discrminatie van ouderen en tot verhevigde generatietegenstellingen. Dat kan anders maar dan moet men evenwichtiger visies overwegen.

De laatste decennia legt men op grond van de vergrijzing gewoonlijk een zeer sterk accent op de stijgende kosten van de ouderen. Men doet vooral zorgelijk over het feit dat die kosten op de werkende bevolking drukken. Men gaat er dan vaak aan voorbijj dat dit laatste vanzelfsprekend is, want de ouderen kunnen veelal op grond van hun gezondheid nu eenmaal niet meer via arbeid zelf geld verdienen. Daarnaast heeft de vergrijzing ook positieve aspecten. Met name de verlengde levensduur opent gunstige perspectieven, en niet alleen omdat daarmee de omvang van de werkende bevolking kan worden vergroot, maar ook omdat er een groot aantal zogenaamde” jongere ouderen”zijn
Discriminatie van ouderen

Bezien we de huidige meest gangbare accentuering van de vergrijzing, dan is deze zeer eenzijdig . Dat vergrijzing een van de grote prestaties van de westerse beschaving is, wordt weliswaar met de mond beleden, maar meestal wordt direct daarna het rampzalige karakter geschetst. Want de ouderen, zo zegt men, gaan erg veel kosten. Het ademt de geest van een natuurramp, waarvoor men denkt rampscenarios te moeten opstellen. Dit accent op kosten kan gemakkelijk twee zaken in de hand werken, ten eerste dat ouderen worden gediscrimineerd en ten tweede dat generatietegenstellingen worden verscherpt.

Allereerst iets over de discriminatie. Heimelijk maar soms ook openlijk wordt gesteld dat het voor de ouderen ook wel met wat minder kan. Dat wordt mede gevoed door zeer eenzijdige beelden van ouderen , die zouden reizen en golf spelen in de sfeer van Zwitserleven. Dat daarop bezuinigd kan worden is één van de gangbare opvattingen geworden, een gedachtenloos collectief geloof waarin men de vergrijzing als een spook ziet In de draai die men aan de probleemstelling heeft gegeven ligt een zeer sterk accent op geld en kosten en in die accentlegging gaat men er van uit dat die kosten mede worden verhaald op de ouderen van nu, ofwel en dat is heel ernstig- op de huidige ouderen. Zeer abrupt en zonder overgangsregelingen zijn ze met kortingen geconfronteerd. We kunneen ons afvragen of men beseft dat die huidige ouderen weerloos zijn, want ze kunnen veelal door zwakkere gezondheid kunnen ze hun inkomens niet meer via arbeid zelf aanvullen. Het gevolg is dat de politici bezuinigen op de zorg onder andere met eigen bijdragen, verkleining van de zorgpakketen tot en met verpleeghuizen toe. Wat de inkomens betreft zien we dat de AOW achterblijft. Een bijzonder geval vormen de pensioenfondsen. Veel van die fondsen hebben de waardevastheid van de pensioenen aangetast, omdat er tekorten dreigen. Dat komt niet alleen door de gedaalde aandelenkoersen, maar zeker ook door het beheer van de fondsen zelf. Er is zorgeloos omgegaan met het door de werknemers en werkgevers gespaarde geld . De fondsbestuurders hebben in de jaren negentig de premies veel te laag vastgesteld en die van de werkgevers soms geheel kwijtgescholden. Voorts heeft de Rijksoverheid milliarden uit het de kas van het ABP binnengehaald(voetnoot). Dit is een wrange constatering, omdat de huidige ouderen soms 40 jaar lang premies hebben opgebracht, zowel voor hun eigen pensioen als voor de AOW. Het lijkt voor iedereen dat men die opgebouwde rechten niet mag aantasten. Maar bij die iedereen behoren kennelijk niet de politici, en ook niet vakbonden, die in de besturen van de fondsen zitting hebben (de ouderen heben nota bene zelf geen zetels).

Bij dit alles beroepen overheid, pensioenfondsen en vakbonden zich op “solidariteit”. Ouderen zouden een deel van de kosten moeten opbrengen uit solidariteit met werkenden. Dit is in dat verband een volkomen misplaatste gedachte. Zelfs in verzekeringstermen betekent solidariteit dat men meebetaald aan de zwakkeren , degenen die getroffen zijn en niet omgekeerd.(voetnoot ABP). Daar komt nog bij dat waarschijnlijk de meeste instanties niet eens op de hoogte zijn van de hoogte van de inkomens van ouderen. Dat maakt de zaak nog ernstiger. Die inkomens zijn voor velen namelijk maar heel pover. Een kwart van de ouderen leeft volgens de gangbare defintities op de rand van armoede ; zij hebben niet meer dan AOW plus hoogstens 250 euro per maand als aanvullend pensioen. Bovendien zijn velen ziek en is de sterfte aanzienlijk. Vooral honderduizenden alleenstaande vrouwen bevinden zich in een kwetsbare posititie.

Bij dit alles voelen veel ouderen zich in de steek gelaten en beroofd van een deel van vroegere toezeggingen. De term discriminatie is van toepassing. Dat lijkt natuurlijk een zwaar beladen woord. Het wordt immers meestal gebruikt met betrekking tot rassen, allochtonen, gehandicapten en vrouwen. Discriminatie van ouderen lijkt in eerste instantie niet zo duidelijk zichtbaar, maar de harde maatregelen waarvan hierboven gewag werd gemaakt spreken duidelijke taal: Ouderen van nu worden behandeld op een manier zoals de huidige werkenden later beslist niet behandeld willen worden.
Generatietegenstellingen

Het tweede genoemde gevolg van de eenzijdige probleemstelling is een verhevigde tegenstelling tussen generaties Het is zo ver gekomen dat ouderenvertegenwoordigers verscheidene pensioenfondsen voor de rechter hebben gedaagd. Ze strijden tegen een soort monsterverbond van werkgevers en werknemers. Die hebben immers belang bij lagere en vooral niet langer geïndexeerde pensioenen. Want dan kunnen premies en loonkosten laag worden gehouden. De ouderenvertegenwoordigers hebben als het ware te maken met een complot tegen ouderen. Het betreft niet alleen de vakbonden. We horen ook meer en meer geluiden van de werkenden- vooral de jeugdige werkers- die er op duiden dat men het idee van die generatietegenstelling aanhangt. “Moeten wij betalen voor de dure AOW, mooi niet “, schreeuwt een student in een kop van de NRC. Het is nauwelijks te verwonderen dat men zo denkt, want dat idee is er eerst ingestopt. Al jaren lang hebben beleidsmakers en sinds de jaren tachtig ook sommige economiehoogleraren het spook opgeroepen dat de AOW onbetaalbaar wordt. Onbetaalbaarheid impliceert echter een waardeoordeel. Het gaat er immers slechts om hoe men de lasten over hogere en lagere inkomens wil verdelen. (Het betreft meer in het algemeen het probleem van de inkomensverdeling, dat men natuurlijk via de belastingtarieven voor hogere inkomens kan aanpakken. Dit heilige huisje weigert men echter tot dusverre ter discussie te stellen).

De tegenstellingen hebben echter ook andere achtergrond, want ook bij de werkenden zijn flinke problemen neergelegd. Ze worden geconfronteerd met veel hogere pensioenpremies, en met een plotselinge

verstoring van hun verwachtingen. Velen zien hun eindloonpensioenregelingen veranderen in een middelloonformule. En wat het ergste is : De overgangstermijnen voor de werkenden zijn vaak zeer kort. Een gevolg is dat er grote onzekerheid groeit. Mensen van bijvoorbeeld omstreeks 50 jaar zien het pre-pensioen wankelen of veel duurder worden. En sommige werkenden, ook als ze nog veel jonger zijn dan dan 50 jaar beginnen de twijfelen of er voor hen nog een AOW zal zijn . Ze vragen zich af of de premies die ze tot dusverrre hebben betaald, voor henzelf nog enig rendement zullen opleveren als ze zelf 65 jaar zijn geworden. Ook hier dus aantasting van de rechtzekerheid, of op zijn minst een dreiging hiervan. Dit alles draagt mede bij aan een generatietegenstelling.

Wetenschappers proberen de generatietegenstellingen in hun beschouwingen in te passen. Al heel lang is er in de sociologische literatuur sprake geweest van het thema “generatieconflicten”, maar de laatste decennia betreft dit met name ook de inkomens en de zorg. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR)(voetnoot) hield zich bezig met generatietegenstellingen en lanceerde in 1999 de nota een “Generatiebewust beleid”. Hoewel er genuanceerde beschouwingen worden gepresenteerd, waart ook hier het spook van de onbetaalbaarheid rond. Eén van de aanbevelingen luidt dan ook, dat er in de toekomst een AOW bijdrage kan worden gevraagd van 65 plussers!(p.12),ofwel men vindt dat de jongere generaties niet alles moeten betalen, ook hier weer dreigende discriminatie. Ook in recent wetenschappelijk onderzoek meent men spanningen tusen generaties te bespeuren (Demos, jan 2004(voetnoot)) Het is evenwel zeer goed mogelijk dat men de spanningen vindt omdat zeer veel mensen inmiddels in die tegenstellingen zijn gaan geloven. Nogal kras is de probleemstelling van een onderzoek van het CNV(voetnoot).Daarin signaleert men dat de solidariteit van jongeren met ouderen groter is dan van rijke ouderen met armere leeftijdsgenotenoten Dit suggereert dat de oplossing binnen de categorie van de gepensioneerden zelf moet plaats vinden. De vraagstelling deugde hier mijns inziens niet. Men had natuurlijk moeten vragen in hoeverre inkomenscategorieën van ALLE leeftijdsgroepen iets over hebben voor armen. Maar het CNV maakt dan ook deel uit van het monsterverbond. Ook dit laatste twijfelachtige onderzoek kan de generatietegenstellingen aanwakkeren.
Kunstmatigheid van generatietegenstellingen (gevolg van statisch denken)

Al met al is het zo ver gekomen dat het spook van de vergrijzing, wegens een al of niet vermeend kostenprobleem leidt tot ouderendiscriminatie en tot het aanscherpen van tegenstellingen tussen generaties.

Toch is er een andere probleemstelling mogelijk, in ieder geval een probleemstelling met veel meer nuances. Want dat rampscenario heeft iets heel merkwaardigs, met name als we bij die zogenaamde strijd tussen generaties stil staan. Want als we de levensloop bezien dan is dat uiteraard een langdurig proces dat zich over tientallen jaren uitstrekt en waarbij steeds nieuwe golven van jonge mensen op de wereld komen.Die nieuwe golven zullen zich ook steeds weer moeten afvragen wie er voor hun oude dag zorgt. De jongeren van nu zijn over 50 jaar ook oud en zo gaat dat door. In het huidige denken heeft men die levensloop echter als het ware gefixeerd op één moment , als het ware in stukken geknipt en men is angstig dat de jongeren van nu het niet pikken.

.Bij nader overdenking ziet men dus dat er sprake is van een uitermate vreemde gedachtekronkel waarin men het dynamische aspect over het hoofd ziet Er wordt als het ware statisch gedacht. De werkenden van nu krijgen immers in de toekomst net zo goed te maken met oudedagsvoorzieningen. Ook zij worden ouder en krijgen op den duur pensioen, AOW en wellicht verpleegzorg. Als zij oud zijn willen ze ongetwijfeld ook een redelijk leven kunnen leiden. Maar nu doet men als het ware of jongeren van nu nooit oud zullen worden

Die generatietegenstelling is dus onnodig en puur kunstmatig.
Andere probleemstelling: de levensloop als geheel

Het wordt hoog tijd voor een andere probleemstelling, die geen discriminatie impliceert en ook geen generatiestrijd. Daarbij valt het volgende te overwegen

Ten eerste: Het zou toch bijna vanzelfsprekend moeten zijn dat men de ouderdom in het juiste perspectief stelt. Gemiddeld genomen is het de levensfase van sterven en ziekte. (Er zijn natuurlijk nuances nodig, waarover aanstonds meer). Als men oud is, kan men geen inkomen meer verwerven. Het is dus volstrekt normaal dat werkende generaties sparen voor hun eigen pensioen en/of dat zij met hun AOW-premie bijdragen aan het inkomen van ouderen van nu. Dat geldt natuurlijk ook als de kosten plotseling hoger worden, zoals de laatste jaren bij de pensioenfondsen.. En dat heeft niets te maken met ‘opdraaien voor’. Men kan natuurlijk tegenwerpen dat de mensen tijdens hun arbeidsleven zelf de verantwoordelijk heid moeten nemen om individueel voor hun oude dag te sparen. Deze tegenwerping gaat echter niet op voor de vele lagere inkomens, die onvoldoende mogelijkheden voor sparen hebben. Voorts is het een gegeven dat de mensen er inmiddels al bijna een halve eeuw op rekenen dat er zo iets als een AOW bestaat , evenals pensioenen. Men heeft ook al die tijd daarvoor betaald. Men kan dit niet negeren. Of er een vergrijzingsgolf aan de gang is of niet , er valt niet aan te ontkomen dat de werkenden de kosten betalen hetzij voor hun eigen pensioen later , hetzij voor de huidige ouderen Als er momenteel wordt ingegrepen in de voorzienigen en uitkeringen van mensen die nu al oud zijn, dan is dat in strijd met het rechtsgevoel van velen ( de man in de straat heeft daar andere en nog duidelijker woorden zoals “diefstal”voor). Als er al iets moet veranderen dient men zeer lange overganstermijnen in acht te nemen, alvorens die regelingen van kracht worden.

Ten tweede:. Uitgaande van betaling door de categorie werkenden kan men zich afvragen hoe groot de omvang van die categorie moet zijn. Het is algemeen bekend dat sinds het begin van de jaren tachtig het aantal werkenden in de leeftijd van 55 tot 65 jaar zeer sterk is afgenomen. Dat is niet alleen een gevolg van de VUT, maar ook van allerlei ontslagregelingen . Maar even belangrijk is dat de ouderdom, ofwel de levensloop, van kanrakter is veranderd. Het aantal jaren van de levensverwachting is aanzienlijk gestegen. Er schuilt dus wat dit betreft een forse tegenstrijdigheid in het vroegtijdig stoppen met werken. Het ligt voor de hand om dit proces weer terug te draaien, dus de prepensioenregelingen af te schaffen, en desnoods de pensioenleeftijd naar 66 jaar te verhogen (uiteraard met in achtneming van zeer lange overganstermijnen). Op die manier zou men de categorie werkenden kunnen vergrootten en daarmee de vergrijzingkosten spreiden. Dit stuit kennelijk op heftige weerstanden in het bijzonder van de vakbeweging. Dat is niet goed te begrijpen. Het kan een wanhoopsdaad van de vakbeweging zijn omdat die veel leden verliest. Het is ook mogelijk zijn dat de overgangsregelingen weer eens zo abrupt zijn dat mensen die bijvoorbeeld vijftig jaar of ouder zijn hiermee te zeer worden overvallen. Maar het langer doorwerken is één van de mogelijkheden om de kosten van de vergrijzing in alle nuchterheid te lijf te gaan.

Ten derde: De hogere levensverwachtinge heeft nog een ander aspect. Er is een nieuwe categorie 65 plussers ontstaan, de zogenaamde “ jongere ouderen”, zo ongeveer tot de leeftijd van 70 jaar. In die categorie is de gezondheid vaak nog redelijk goed ( Ook al is de sterfte hier al niet te verwaarlozen). Al eerder is opgemerkt dat men van deze categorie ook zekere plichten mag verlangen. Zo suggerreerde ik zelf al jaren geleden een verplichte -betaalde - arbeidsdag per week. Er liggen talrijke taken in de zorg en het onderwijs die zouden kunnen worden vervuld. Op een dergeljjk suggestie kan men hoongelach verwachten. Dit is natuurlijk bedroevend. En het is nog bedroevender als men bedenkt dat een samenleving vroeger wel in staat was om ieder een verplichte dienstplicht te laten vervullen, met als doel andere mensen te doden. En een verplicht dienst voor ziken , minder bedeelden en voor taken in het onderwijs zou niet te organiseren zijn?

Natuurlijk zijn de laatste drie punten wel eens eerder naar voren gebracht, maar het het huidige beleid dat discriminatie van ouderen in zich bergt en dat generatietegenstellingen aanscherpt, maakt het dringend nodig om ze opnieuw in beschouwing te nemen. Dat kan er dan toe leiden dat we gaan inzien dat het volstrekt onzinnig is om de vergrijzing als een spook te zien, in plaats van als een kostbare verworvenheid. En dat het even onzinnig is om vanuit de vergrijzing naar generatietegenstellingen te redeneren. Het vereist dan wel dat men openstaat voor het simpele gegeven dat ouderen niet meer aan het arbeidsproces kunnen deelnemen en dat kosten moeten worden opgebracht door degenen die werken. Maar men moet ook openstaan voor de noodzaak dat er enige verschuiving nodig is van het begintijdstip van de ouderdom en tenslotte voor een kleine andere taakinvulling van de jongere ouderen. Dan is het ook mogelijk om de de discriminerende maatregelen ten opzichte van de huidige en niet te vergeten de toekomstige ouderen te vermijden.




NIET LEZEN

Nog te verwerken

Noten

---Bezuiningen opschamele personeelsbezetting in verpleeghuizen, waarin tienduizenden ouderen verblijven, men verhoogt de eigen bijdragen, en men zet de inkomens onder druk. Want er wordt al jaren zorgelijk gedaan over de betaalbarheid van de AOW. De waardevastheid van de pensioenen is inmiddels aangetast .Dat alles gaat onder het mom van het woord solidariteit Ministers gebruiken dat en het CNV deed dat. Er moet wederzijdse solidaritiet zijn , zo zegt men dus ok van oudren met werkenden Dat leest men ook in een jaarverslag van het Algemeen Brugerlijk Pensioenfonds. Dit woordgebruik is van een verontrustende onjuistheid.

--Het moet toch mogelijk zijn dat deze funktionnarissen een goed woordeboek aanschaffen (salaris directeur ABP omstreeks een half millioen Euro,, jaarverslag , 2002 pag 80)

Het merkwaardige is dat iedereen elkaar kritiekloos napraat. Het ministerie van VWS komt binnenkort met een nota “Visie op vergrijzing” De voorberichten. doen vermoeden dat daarin vooral over activering van ouderen wordt geschreven (dat kost niet zo veel )


--Het merkwaardige is dat iedereen elkaar kritiekloos napraat. Het ministerie van VWS komt binnenkort met een nota “Visie op vergrijzing” De voorberichten. doen vermoeden dat daarin vooral over activering van ouderen wordt geschreven (dat kost niet zo veel )
----een verschijnsel dat overigens niet alleeen op dit gebied voorkomt, maar op bij ons mensen van hoog tot laag op vele terreienen We zijn allen kuddedieren,politici en wetnschappers niet uitgezonderdd
PGGM

Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina