V 51 Wilskracht



Dovnload 14.47 Kb.
Datum11.11.2018
Grootte14.47 Kb.

V 51 Wilskracht
De versgezette bak koffie in de koffiecorner met de huiselijke loungebanken, mijn eigen kantoor met opgeruimd bureau, de gangen die iedere avond gedweild worden, ik moet er nog steeds aan wennen. Toch klagen er veel mensen over de gezondheidszorg. Misschien zou ik daar wel aan meedoen, als ik niet net het veldhospitaal in Mali achter me gelaten had. Nog steeds vertoeft een deel van me in de hitte, de stof en verlang ik soms terug naar de primitieve omstandigheden en het ongelooflijke doorzettingsvermogen van de mensen. Onder de huidige omstandigheden is Mali geen plek om je kinderen te laten opgroeien, heb ik me door Else laten overtuigen.

Ik begin met mijn ronde door het frisgewassen verpleeghuis. Een deel van de mensen zal na een revalidatieperiode terugkeren naar huis, het grootste deel van mijn patiënten zal hier echter sterven. Toch voel ik me als arts hier net zo nodig als in Afrika.


In de afgelopen twee weken heb ik de meeste mensen al eens gezien. Het is altijd nog een verrassing, hoeveel mensen mij nog kunnen herinneren van mijn vorige visite. Mira loopt met me mee en doet de overdracht. Meestal nemen we de status door op de kamer van de patiënt, voor onze nieuwe patiente houdt Mira me staande voor de deur en doet ze op fluistertoon verslag. De dame in kwestie heeft na een val een nieuwe heup gekregen. Het probleem is dat de vrouw niet meewerkt aan haar revalidatie. Ik leg Mira uit dat dit bij ouderen vaak het gevolg is van het zich niet willen overgeven aan de nieuwe situatie. Mira schudt met haar hoofd en uit vervolgens haar ongenoegen over het gedrag van de oude vrouw, die zich voortdurend negatief uitlaat over de verpleging. Ik beloof Mira om eens te kijken wat ik voor elkaar krijg.
In het bed ligt een gerimpelde oude vrouw, haar haren zo wit als het kussen. In haar slaap lijkt ze vooral fragiel en teer. Dit is niet wat ik verwachtte op basis van Mira’s beschrijving. Mira schudt haar voorzichtig wakker. Als de vrouw haar ogen opent, verandert opeens de hele aanblik. De donkerbruine ogen kijken alert en ik diagnosticeer meteen dat deze dame ze nog goed op een rijtje heeft.

‘Mevrouw Stellenbosch, hier is de dokter.’

Bij de naam Stellenbosch gaan mijn nekharen al overeind staan. Mijn rechterwijsvinger begint te kloppen. Dit kan toch niet. Een tweede blik op de dame zegt genoeg. In mijn mond verzamelt zich een weeïg speeksel, vaak een voorbode van overgeven. Mijn adem stokt en het gezicht van Mira verraadt dat ze ziet dat ik wit wegtrek.

‘Gaat het, Jacob?’

Ik zucht diep en probeer me te vermannen. Ik houd me voor dat ik voor heter vuren heb gestaan.

‘Ja, komt door de bedompte lucht hier.’

‘Ik dacht dat je wel wat gewend was.’

‘Warm, ja, maar niet benauwd. We opereerden in de frisse lucht in de schaduw van een grote boom,‘ bluf ik, aangezien het een eenmalige gebeurtenis was tijdens eens stroomstoring.

Ik doe een stap naar voren en zie geen herkenning bij mevrouw Stellenbosch.

‘Zijn jullie daar weer? Ik hoop dat je het klachtenformulier hebt meegebracht, dan kan ik meteen aantekeningen maken over de wanvertoning hier. ‘

Mira kruipt ineen en kijkt me aan met een blik van ‘zie je nu zelf’.

‘Mira, ga maar koffie drinken, die is toch de laatste patiënte.’

Mira weet niet hoe snel ze de kamer moet verlaten. Ik stap op mevrouw Stellenbosch af.

‘Mag ik me voorstellen, dokter Boerma,’ terwijl ik observeer of dit tot een reactie leidt.

‘Weer een nieuwe, hoeveel dokters zijn hier wel niet. En denk je dat ik er beter van wordt? Zijn hier ook mensen die iets weten van geneeskunde?’

Haar snerpende stem past beter bij haar ogen dan bij haar frêle uiterlijk. Ik ga zo neutraal mogelijk verder.

‘Ik wil even zien wat u al kunt. Daarvoor wil ik dat u rechtop gaat zitten met de benen over de rand van het bed.’

‘Dat kan ik niet.’

‘Mevrouw Stellenbosch,’ ik hoor de trilling in mijn stem bij het uitspreken van haar naam, ‘ik moet de status opmaken. Daarvoor moet u even gaan zitten en daarna wil ik u even zien staan. Wacht ik zal uw bed iets lager zetten.’

‘Ik wil de arts van gisteren. U bent incompetent.’

Het bloed stijgt naar mijn hoofd. Incompetent, vroeger was ik idioot, stom, achterlijk. Ik wend me van haar af en ga voor het raam staan. Ik doe alsof ik het uitzicht bewonder, ik zie echter niets. Ze krijgt niet mijn tranen te zien. Uit gewoonte strijk ik over mijn rechterwijsvinger. Een dissonant, die niet past bij mijn goed verzorgde artsenhanden. De top krom, de nagel vergroeid. Ik probeer de vinger vaak te verbergen, wat gewoon niet lukt met een wijsvinger.

‘Blijft u daar nog lang staan? Ik zou graag even slapen. Hoe heet u ook alweer?’

Ik recht mijn rug. Dit laat ik me niet gebeuren. Ik ga voor haar staan en kijk haar doordringend aan.

‘Jacob Boerma. Als u niet meewerkt aan uw revalidatie, zal de ziektekostenverzekering uw verblijf op de afdeling niet langer tolereren. U zult of naar huis gestuurd worden en als dat niet kan, wordt u overgeplaatst naar de permanente afdeling. Ik wil dus dat u opstaat.’

Ze knijpt haar ogen samen, haar blik een en al venijn. Meteen valt me de trilling op bij haar linkeroog. Woede, dat is het. De pure woede condenseert in die trilling.

‘Jacob Boerma.’

Ze spreekt mijn naam met de aangehouden rollende R, om de zaak kracht bij te zetten. Het trillinkje, de rollende R. Ik richt me bewust op mijn ademhaling.

‘Je kunt niet die Jacob Boerma zijn. Dat domme varken uit mijn klas had de hersens niet om arts te worden. Nooit.’

Ik moet moeite doen om haar niet heel hardhandig beet te pakken. VMBO, meer zat er niet in volgens juffrouw Stellenbosch. Wat heb ik moeten knokken om naar HAVO te gaan. Toen naar VWO, want dat had ik nodig om mijn droom waar te maken. Ik was niet dom, alleen mijn zelfvertrouwen was zodanig de kop ingedrukt, dat ik leed aan een permanente faalangst. Hele zomers heb ik geleerd voor herkansingen.

‘Ja, toch wel, uw lot ligt nu in handen van dat varken, aangenaam. Gaat u nu staan.’

Met teveel kracht breng ik haar tot zit.

‘Jacob, je doet me pijn. Au. Ik ga een klacht indienen.’

‘Staan, nu, anders kan ik mijn werk niet doen. In Afrika liepen mensen met een gebroken enkel dertig kilometer naar de dokterspost, dan zie ik niet waarom u niet kunt staan met een nieuwe heup.’

Ik probeer mijn stem te dempen, anders horen ze me nog. Als er nu iemand binnenkomt, ben ik de sigaar.

‘Een dokter bij de negertjes dus. Dat betekent dat je geen goede dokter bent. Daar ben je te stom voor.’

‘Opstaan.’

Ik ben buiten mezelf.

‘Dat doet pijn.’

‘Weet je wat pijn doet? Ik houd haar de vinger voor. Een vinger in de klem van de puntenslijper. Weet u het nog? Hoeveel uur heb ik daar gestaan? Weet u het nog? En nu hoeft u alleen twee tellen te staan en dat doet pijn.’

Ik heb mijn gezicht dicht bij haar gebracht, zodat mijn woorden slagen in haar gezicht zijn. Ik recht mijn rug. Voor me zit een vrouwtje op bed. De trilling in haar ooghoek is verdwenen. Haar woede heeft plaats gemaakt voor angst. Een overwinningsroes blijft uit. Ik ben geen dokter geworden om mensen bang te maken.

‘Kom ik help u het bed weer in.’

Ik voel hoe haar broze handen op me steunen. Ik ga even op het voeteneinde zitten en durf haar nauwelijks aan te kijken.

‘Als ik dat niet had gedaan, dan was je misschien nooit dokter geworden. Je was een zwakkeling.’

Ik denk terug aan de arts die me hielp met mijn vinger. Ze weet niet eens dat er een kiem van waarheid schuilt in haar woorden. Die dokter was zorgzaam, gaf me vertrouwen dat het goed zou komen. Hij heeft zelfs een bericht aan het schoolhoofd gestuurd, het leverde niets op, alleen dat ik wist wat ik wilde worden.

Mira komt binnen. Ze kijkt me vragend aan.

‘Gelukt?’



‘Geen complicaties na de operatie. Geen reden om fysiotherapie langer uit te stellen. Morgen starten met oefeningen.’

Ik bekijk mijn vinger nog eens goed. Eigenlijk valt het wel mee. Zo lelijk is hij niet. Ik sta op en verlaat zonder omkijken de kamer.

Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina