Uitvoering van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap Trb



Dovnload 384.13 Kb.
Pagina5/5
Datum20.05.2018
Grootte384.13 Kb.
1   2   3   4   5

Algemeen


De leden van de fractie van de PvdA geven aan dat regelgeving natuurlijk geen doel an sich kan zijn, maar vragen zich af of er wel concrete doelstellingen worden gesteld. Voorts vragen deze leden hoe de regering in deze regeerperiode de eerste concrete stappen gaat zetten tot volledige inclusiviteit.
Zoals reeds is toegelicht, bevat het verdrag zelf de doelstellingen; van belang is dat een beweging in gang wordt gezet die leidt tot een progressieve verwezenlijking van die doelstellingen. De gedeelde ambitie van de regering en de maatschappelijke partijen is om een beweging in gang te zetten en de groeiende aandacht voor de inclusieve samenleving een flinke duw te geven. Een belangrijk doel is om de beweging steeds weer nieuwe impulsen te geven. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan impulsen ter verbetering van de toegankelijkheid, de positie op de arbeidsmarkt en bejegening. Op de vele domeinen van het verdrag kan nog vooruitgang worden geboekt. De regering wil tijdens deze regeerperiode zoals eerder vermeld, starten met het vergroten van de bewustwording en daar acties op ontwikkelen via de wijze zoals die is beschreven in het plan van aanpak. Ook wil de regering tijdens deze periode bewerkstelligen dat er vanaf de inwerkingtreding van het verdrag een werkend proces is rond de implementatie. Dit betekent dat het platform inclusie (werktitel) is geïnstalleerd en operationeel is en er is sprake van een goede afstemming op bestuurlijk niveau over de voortgang. In dat kader kan het zijn dat geconstateerd wordt dat het voor de verdere verwezenlijking van de economische, sociale en culturele rechten nodig is om wetgeving tot stand te brengen of te wijzigen, beleid in te voeren of te wijzigen of andere maatregelen te treffen. Dit behoort dan uiteraard tot de stelselverantwoordelijkheid van de overheid.
De leden van de fractie van de PvdA ontvangen graag een reactie van de regering op de stelling van de Alliantie dat er in het verdrag wel degelijk een verplichting zit voor staten om algemene voorzieningen te treffen om te zorgen dat de samenleving toegankelijk is voor al haar burgers en dat de uitbreiding van de Wgbh/cz de overheid niet ontslaat van het nemen van algemene maatregelen. De leden van de fractie van de PvdA vragen of de regering bereid is om algemene voorzieningen te treffen en de eerdere voornemens te heroverwegen en of de regering bereid is om concrete afspraken op korte en lange termijn te maken over het treffen van algemene voorzieningen met relevante sectoren, en om deze afspraken vast te laten leggen in het plan van aanpak.
Zoals de Alliantie stelt, is het juist dat verdragspartijen verplicht zijn aan de verdere verwezenlijking van de economische, sociale en culturele rechten te werken. Het verdrag schrijft niet voor hoe dat moet gebeuren en op welke termijn. Het verdrag expliciteert niet welke maatregelen de staat dient te nemen en op welke wijze. Er bestaat voor staten, zo ook voor Nederland, veel vrijheid in de wijze waarop aan de verwezenlijking daarvan wordt gewerkt.

De regering is daarbij van oordeel dat dit de inzet vergt van veel verschillende maatschappelijke partijen, binnen de vele verschillende beleidsdomeinen die het verdrag bestrijkt.

In het plan van aanpak wordt daartoe een proces beschreven om te komen tot afspraken in de samenleving. Om tot die afspraken te kunnen komen, worden een bestuurlijk overleg en platform inclusie (werktitel) ingericht. Daarmee wordt nadrukkelijk beoogd om tot concrete afspraken te komen. Deze afspraken kunnen worden gemaakt op de vele domeinen van het verdrag, zoals toegankelijkheid, arbeidsmarkt en onderwijs. Deze concrete afspraken zullen worden gemaakt op basis van wat er op dat moment, afhankelijk van de situatie en op basis van hetgeen er in samenspraak met de verschillende betrokken partijen op dat moment als knelpunt wordt gezien, nodig is. De afspraken zullen dan ook in de praktijk dichtbij de burger met relevante sectoren tot stand komen. Al eerder is aangegeven dat ook gemeenten een belangrijke verantwoordelijkheid hebben en vanuit hun positionering ook bij uitstek kunnen invullen, daar waar het gaat om het bevorderen van de toegankelijkheid van lokale voorzieningen of het initiëren van nieuwe algemene voorzieningen.
De leden van de fractie van de PvdA merken op dat de regering aangeeft dat er geen beleid of wetgeving mag worden gemaakt die in strijd is met het verdrag. Deze leden vragen op welke wijze beleid en wetgeving wordt getoetst en hoe die toetsing kenbaar wordt gemaakt aan de Kamer, ook in het geval nieuwe wetgeving mogelijk leidt tot een verslechtering van de positie van mensen met een beperking.
Allen die betrokken zijn bij het voorbereiden en tot stand komen van beleid of wetgeving dienen zich af te vragen of het verdrag hierbij een rol speelt. In de eerste plaats mogen het beleid en de wetgeving niet in strijd zijn met het verdrag. In de tweede plaats kan met het beleid en de wetgeving een bijdrage worden geleverd aan de verdere implementatie van het verdrag. Bij de totstandkoming van nieuw beleid of regelgeving is in het proces reeds vastgelegd dat beleidsmakers en wetgevingsjuristen toetsen hoe deze nieuwe voorstellen zich verhouden tot de verdragsrechtelijke verplichtingen die Nederland is aangegaan. Het is reeds gebruikelijk dat, voor zover verdragsbepalingen een rol kunnen spelen, in de memorie van toelichting hier overwegingen aan worden gewijd.

De leden van de fractie van de PvdA vragen op welke wijze de Kamer wordt geïnformeerd over de monitor die de staat gaat uitvoeren en de rapportage aan het VN-comité.

Van belang is onderscheid te maken tussen de verschillende rapportages aan het VN-comité. In de eerste plaats zal de staat een rapport uitbrengen waarin per artikel van het verdrag wordt toegelicht hoe het verdrag wordt uitgevoerd. De rapportage biedt daarmee een overzicht van de stand van zaken op alle domeinen van het verdrag. De staatssecretaris van VWS zal als coördinerend bewindspersoon deze rapportage aan uw Kamer doen toekomen.

Daarnaast zal het College voor de Rechten voor de Mens als onafhankelijke instantie om de uitvoering van het verdrag te bevorderen, beschermen en monitoren een monitor ontwikkelen om de voortgang van de implementatie van het verdrag in Nederland te meten. Hierover zal het College periodiek een rapportage uitbrengen aan het VN-comité.

Ten slotte zullen de vertegenwoordigende organisaties van mensen met een beperking, een zogenoemde schaduwrapportage indienen bij het VN-comité met de bevindingen vanuit

het perspectief van mensen met een beperking. Zowel het College als deze organisaties zullen, naar mag worden aangenomen, uw Kamer deze rapportages doen toekomen.
De leden van de fractie van het CDA merken op dat het VN-verdrag wel degelijk een verplichting bevat voor staten om algemene voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn concrete maatregelen nodig, aldus deze leden. Deze leden vragen de regering of zij bereid is om in het kader van de verplichting van de verdragspartijen met betrekking tot het treffen van algemene voorzieningen, haar voornemens ter zake te heroverwegen.
Zoals reeds is toegelicht op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de PvdA, is het juist dat verdragspartijen verplicht zijn aan de verdere verwezenlijking van de economische, sociale en culturele rechten te werken. De regering is van mening dat de implementatie van het verdrag dat een programmatisch karakter heeft vooral een proces van cultuurverandering en vernieuwing is dat zijn beslag moet krijgen in de samenleving, met name op lokaal niveau en met inachtneming van ieders verantwoordelijkheid. Het realiseren van een inclusieve samenleving is immers geen kwestie van op landelijk niveau ‘op een knop drukken’. Bovendien is op voorhand niet vast te stellen welke maatregelen in de samenleving ‘in het algemeen’ genomen moeten worden.

De regering is daarbij van oordeel dat dit de inzet vergt van veel verschillende maatschappelijke partijen, binnen de verschillende beleidsdomeinen die het verdrag bestrijkt.

Het plan van aanpak beschrijft een procesaanpak om te komen tot afspraken in de samenleving. Om tot die afspraken te kunnen komen, worden een bestuurlijk overleg en een platform inclusie (werktitel) ingericht. Daarmee wordt nadrukkelijk beoogd om tot concrete afspraken te komen. De regering is van oordeel dat er wel degelijk concrete doelen zullen worden geformuleerd, maar dan wel op basis van wat er op dat moment, afhankelijk van de situatie en op basis van hetgeen er in samenspraak met de verschillende betrokken partijen op dat moment als knelpunt wordt gezien, nodig is. De uitwerking van de concrete doelen zal dan ook in de praktijk dichtbij de burger op lokaal/gemeentelijk niveau plaatsvinden.

Gemeenten hebben een belangrijke verantwoordelijkheid en kunnen die vanuit hun positionering ook bij uitstek invullen, daar waar het gaat om het bevorderen van de toegankelijkheid van lokale voorzieningen of het initiëren van nieuwe algemene voorzieningen.




  1. Artikelsgewijs


De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe de regering inzet op de verdere verspreiding van specifieke kennis die in de gehandicaptenzorg is geborgd naar andere domeinen. Deze leden noemen daarbij de gezondheidszorg, vervoer, onderwijs en justitie. Daarbij vragen deze leden hoe de belangrijkste actoren uit de sector hiervoor worden ingezet.
De regering erkent het belang van verspreiding van kennis en bewustwording. Daar worden door kennisinstituten nu ook al de nodige activiteiten op ontplooid, ook in het meer integraal uitvoeren van programma’s waarin de diverse domeinen samenkomen. Er zijn dus al goede voorbeelden waarop kan worden voortgebouwd. Zo is er de Quickscan van Movisie met betrekking tot de vraag of maatjesprojecten een manier kunnen zijn om mensen met een lichte verstandelijke beperking te helpen om te gaan met voor hen lastige kwesties bij alledaagse activiteiten. Zoals het reizen met openbaar vervoer of het omgaan met formulieren en ICT. In het kader van de activiteiten van de agenda voor de toekomst informele zorg en ondersteuning zal de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) goede praktijkvoorbeelden uit de sector verspreiden van hoe mensen met uiteenlopende beperkingen volwaardig kunnen meedoen in de samenleving. De kennis wordt gedeeld met gemeenten, bedrijven en sociale wijkteams, zodat zij handvatten hebben om in de wijk de omslag te maken. Gemeenten en veld (alsook aanbieders, professionals etc.) hebben kennisvragen en vinden het belangrijk dat er zowel regionaal als landelijk een kennisinfrastructuur is die deze vragen kan oppakken. Het gaat daarbij niet alleen om kennisvragen op het terrein van de Wmo maar om kennisvragen die betrekking hebben op het brede sociale domein, alsook op het snijvlak van domeinen. Met de voortgangsrapportage HLZ van 25 juni 2015 is uw Kamer geïnformeerd over de ingezette vernieuwing van de kennisinfrastructuur sociaal domein15. De regering zal met deze betrokken partijen bezien welke mogelijkheden er zijn om hieraan nog een verdere impuls te geven, bijvoorbeeld door middel van een meer intensieve samenwerking van kennisinstituten en stroomlijning van kennisinfrastructuren.

De leden van de fractie van de PvdA wijzen erop dat de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) graag een aanpassing zou zien van de Kieswet om mogelijk te maken dat kiezers met een verstandelijke beperking kunnen stemmen met eventuele ondersteuning in het stemhokje. Zij vragen of de regering bereid is onderzoek te doen naar deze mogelijkheid, en willen weten hoe dan de keuze van diegene die stemt wordt geborgd en beïnvloeding van de stemmer wordt tegengegaan.
Als kiezers met een verstandelijke beperking bijstand zou worden toegestaan bij het uitbrengen van hun stem, bestaat er een risico van ongewenste beïnvloeding. Er kan immers niet worden uitgesloten dat de kiezer met een verstandelijke beperking ongewenst wordt beïnvloed door zijn begeleider. Dat is in strijd met het principe van stemvrijheid. Wel wordt er gewerkt aan een nieuw model stembiljet dat mogelijk door het gebruik van logo's toegankelijker is voor kiezers met een verstandelijke beperking. Tevens onderzoekt het kabinet de haalbaarheid van de invoering van een stemprinter zoals geadviseerd door de commissie Elektronisch stemmen en tellen in het stemlokaal. Daarbij wordt ook onderzocht of kiezers met een verstandelijke beperking zelfstandig met een stemprinter overweg kunnen.
De leden van de fractie van de PvdA vragen of het onder het terrein van goederen en diensten van de Wgbh/cz brengen van onderwijs betekent dat alle scholen (primair en voortgezet), mbo-scholen, hogescholen en universiteiten, toegankelijk worden voor mensen met een beperking.

 

Op grond van de wetgeving passend onderwijs hebben alle scholen in het primair en voortgezet onderwijs zorgplicht: het bevoegd gezag van de school moet voor elke leerling met een extra ondersteuningsbehoefte die wordt aangemeld, binnen zes weken een passend aanbod doen. Verder zijn alle scholen en ook de instellingen in het mbo en hoger onderwijs verplicht om op grond van de Wet gelijke behandeling (Wgbh/cz) aanpassingen te doen voor leerlingen en studenten met een beperking. Het kan dan gaan om een aanpassing van de opleiding en de wijze van examinering aan de beperking van de student. 



Het dient daarbij wel te gaan om een redelijke aanpassing voor de school of de instelling. Er is dus keuzevrijheid in de invulling van de voorzieningen. Zo kan voor een leerling in een rolstoel een aparte lift worden geregeld, maar kan ook gekeken worden of het mogelijk is het lesrooster zo aan te passen dat de leerling in de reeds toegankelijke lokalen onderwijs kan volgen. Bij de invulling dienen verder de wettelijke inrichtingsnormen in acht worden genomen en de aanpassingen mogen niet leiden tot verlaging van het niveau van de opleiding of het examen.

 

De leden van de fractie van de PvdA delen de visie van de Alliantie dat inclusief onderwijs zoals dat wordt beschreven in het VN-verdrag betekent dat het huidige reguliere onderwijs zoals we dat kennen wezenlijk verandert naar onderwijs dat alle kinderen met hun verschillen respecteert, verwelkomt en hen helpt zich optimaal te ontwikkelen. Deze leden vinden ook dat inclusief onderwijs in hoort te spelen op de manier van leren en de leerbehoeften van elk kind en levert maatwerk en steun in de klas, met meerdere leerkrachten en waar nodig extra expertise. Inclusief onderwijs vergt ook wat van het personeel. Expertise vanuit regulier als speciaal onderwijs is nodig en het personeel moet goed samen werken met ouders om in te kunnen spelen op behoeften van het kind. Deze leden hebben enkele vragen rondom de eisen die het verdrag oplegt ten aanzien van onderwijs. Kan de regering uitleggen waarom het commitment in de Salamanca Statement en de verplichtingen met betrekking tot het realiseren van inclusief onderwijs voortvloeiend uit het kinderrechtenverdrag tot op heden nog niet zijn uitgevoerd?   



Verder vragen de leden van de fractie van de PvdA naar de uitwerking van de Salamanca Statement. Ook vragen zij de regering uit te leggen waarom bij de ontwikkeling van de wetsvoorstellen ter ratificatie van het VN-verdrag nog steeds geen uitvoering wordt gegeven aan de verplichting inclusief onderwijs voor alle kinderen te ontwikkelen en in te voeren. 
Met de wetgeving passend onderwijs geeft de regering met ingang van schooljaar 2014–2015 een verdere uitvoering aan het ”Salamanca Statement and Framework for action on special needs education“. Met dit statement is een groot aantal landen overeengekomen dat reguliere scholen aangepaste onderwijsprogramma’s moeten bieden aan alle kinderen, ongeacht fysieke, intellectuele, sociale, emotionele verschillen, taalverschillen of andere situaties. Daarbij is het streven dat reguliere scholen zoveel mogelijk tegemoet komen aan de onderwijsbehoeften van ieder kind. Het doel van het verdrag is dat het recht van personen met een handicap op onderwijs zonder discriminatie en op basis van gelijke kansen wordt verwezenlijkt.

 

Zoals vermeld, kent Nederland een traditie van scheiding tussen speciaal en regulier onderwijs. In Nederland hebben ouders en leerlingen de keuze uit zowel (vaak nabijgelegen) regulier als speciaal onderwijs. Met de wetgeving passend onderwijs worden bovendien extra mogelijkheden gecreëerd voor maatwerkoplossingen waarbij regulier en speciaal onderwijs samenwerken om leerlingen passend onderwijs te bieden. Ook speelt er een geografische component mee: in een dichtbevolkt gebied als Nederland is er voor kinderen binnen redelijke afstand zowel regulier als speciaal onderwijs beschikbaar. Daarmee is er minder noodzaak om, bijvoorbeeld vanwege de reistijden, een vergaande mate van integratie te bevorderen.



 

Wel is er met de invoering van passend onderwijs nadrukkelijk de wens om kinderen zoveel mogelijk thuisnabij onderwijs te bieden. Het uitgangspunt is dan ook ‘regulier waar het kan’. In het eerste jaar van passend onderwijs zijn scholen en samenwerkingsverbanden hard aan het werk gegaan om passend onderwijs vorm te geven. De uitdaging in de komende periode is om daadwerkelijk meer maatwerk te gaan bieden voor leerlingen die dat nodig hebben. Daarom staat de komende periode in het teken van het doorontwikkelen van passend onderwijs. 

 

Kenmerkend voor passend onderwijs is dat er meer leerlingen met verschillende ondersteuningsbehoefte bij elkaar in de klas zitten. Dat maakt de beheersing van differentiatievaardigheden bij leraren noodzakelijk. In de Lerarenagenda staan de acties die worden ondernomen om de professionaliteit van leraren te vergroten. Eén van de prioriteiten is de begeleiding van beginnende leraren, omdat juist zij de differentiatievaardigheden nog onder de knie moeten krijgen. Zo is in het vo het project ‘Begeleiding Startende Leraren’ gestart, in samenwerking met de universitaire lerarenopleidingen. Ook is er sterk geïnvesteerd in de samenwerking tussen scholen, pabo’s en de eerste- en tweedegraads opleidingen.



 

De leden van de fractie van de PvdA vragen welke doelstellingen de regering heeft ten aanzien van inclusief onderwijs.
Het doel van passend onderwijs is om een zo passend mogelijk onderwijsprogramma aan te bieden voor alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben, waar mogelijk in het reguliere onderwijs.

 

Goed onderwijs en goede extra ondersteuning van een leerling in de klas staat of valt met de inzet van de leraar. De leraar staat er niet alleen voor: hij ondersteunt de ontwikkeling van de leerlingen samen met het team, de school en het samenwerkingsverband. Parallel aan passend onderwijs wordt daarom geïnvesteerd in opbrengstgericht werken voor alle leerlingen én in de professionalisering van leerkrachten. In de zevende voortgangsrapportage passend onderwijs is nader ingegaan op competenties en betrokkenheid van onderwijspersoneel, en ook op de thema’s waar de regering in de komende periode extra aandacht aan zal geven:



https://www.passendonderwijs.nl./nieuws/zevende-voortgangsrapportage-passend-onderwijs/
De leden van de fractie van de PvdA vragen een nadere toelichting op het feit dat het wel is toegestaan indirect onderscheid te maken bij financiële diensten voor mensen met een handicap of chronische ziekte. Deze leden vragen of dat betekent dat nog steeds indirect onderscheid gemaakt mag worden tussen ‘gezonde’ mensen en mensen met een handicap of chronische ziekte en dat premies nog steeds flink hoger liggen dan voor ‘gezonde’ mensen. Deze leden vragen voorts wie bepaalt of de objectieve rechtvaardiging die verzekeraars moeten geven wanneer mensen met een handicap een hogere premie krijgen of geweigerd worden voor een verzekering ook daadwerkelijk gerechtvaardigd is en wie controleert of verzekeraars binnen de grenzen van de Wgbh/cz blijven. Tot slot vragen deze leden waarom de regering het belangrijk vindt dat indirect onderscheid mogelijk blijft en wiens belang wordt gediend met het behouden van indirect onderscheid.
De in het wetsvoorstel opgenomen uitbreiding van het werkingsgebied van de Wgbh/cz tot alle goederen en diensten leidt tot een duidelijker rechtskader en een betere bescherming van personen met een handicap of chronische ziekte. Dit geldt ook ten aanzien van financiële dienstverlening. Onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte bij financiële diensten wordt expliciet verboden. Voor direct onderscheid is dit verbod absoluut. Indirect onderscheid kan onder omstandigheden gerechtvaardigd zijn. De reden hiervan is dat indirect onderscheid, op welke discriminatiegrond dan ook, nooit geheel is uit te sluiten en dat het volledig verbieden van indirect onderscheid op zichzelf tot onredelijke gevolgen kan leiden. Daarom is niet alleen in de Wgbh/cz maar ook in de andere gelijkebehandelingswetten16, overigens in navolging van de Europese richtlijnen op het gebied van gelijke behandeling, een geclausuleerde uitzondering opgenomen voor indirect onderscheid.

Van indirect onderscheid is sprake indien een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een handicap of chronische ziekte, een bepaalde godsdienst, levensovertuiging, politiek gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, seksuele gerichtheid, burgerlijke staat of leeftijd in vergelijking met andere personen bijzonder treft. Indirect onderscheid doet zich bijvoorbeeld voor, indien voor de vervulling van een functie de eis wordt gesteld dat de werknemer de Nederlandse taal goed beheerst. Dit is op zich een neutraal criterium, maar het ligt in de rede dat deze eis in het bijzonder voor personen met een niet-Nederlandse achtergrond een hoge drempel kan vormen. De functie-eis leidt daarmee tot indirect onderscheid op grond van nationaliteit. Desondanks kan het gerechtvaardigd zijn om deze taaleis te stellen, bijvoorbeeld als het een functie betreft met veel mondelinge of schriftelijke publiekscontacten, zoals een receptionist of een conducteur.

Een vergelijkbare situatie kan zich voordoen op het gebied van financiële dienstverlening. Ook daar vindt de regering de geclausuleerde uitzondering voor indirect onderscheid gerechtvaardigd. Daarbij zij opgemerkt dat indirect onderscheid alleen is toegestaan indien het onderscheid objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dit doel passend en noodzakelijk zijn. Als voorbeeld ter verduidelijking nemen we de levensverzekering.

Een neutraal criterium dat bij dergelijke verzekeringen kan worden gebruikt in de beoordeling van, bijvoorbeeld, de hoogte van de premie, is de levensverwachting. Hoewel dit criterium neutraal is, ligt het voor de hand te veronderstellen dat sommige aandoeningen een nadelige invloed hebben op de levensverwachting. Dat kan ertoe leiden dat personen met een (bepaalde) handicap of chronische ziekte in vergelijking met andere personen onevenredig worden getroffen door het criterium ‘levensverwachting’. Desondanks kan het objectief gerechtvaardigd zijn, het criterium ‘levensverwachting’ te hanteren. Een solide, betaalbaar en rendabel stelsel van verzekeringen is immers niet goed denkbaar, indien gevallen waarin het verzekerde risico onvermijdelijk en snel zal intreden hetzelfde wordt behandeld als gevallen waarin de gebeurtenis onzeker is of naar verwachting pas na geruime tijd (en langdurige premiebetalingen) zal optreden. Dit betekent dat aan het ene uiterste de situatie staat van een persoon met een zodanig sterk verkorte levensverwachting door terminale ziekte, dat het redelijk kan worden geacht dat de mogelijkheid een levensverzekering af te sluiten niet aan de orde is. Aan het andere uiterste staat de persoon die gezond van lijf en leden is (en die voldoet aan de overige voorwaarden voor een levensverzekering), die zonder meer een levensverzekering kan afsluiten. Het gebied tussen deze twee uitersten is zeer gedifferentieerd.



Vanwege deze gedifferentieerdheid is het van belang dat, wil er sprake zijn van een objectieve rechtvaardiging voor het indirecte onderscheid, er niet alleen sprake moet zijn van een legitiem doel, zoals een solide, betaalbaar en rendabel stelsel van verzekeringen, maar ook dat de middelen voor het bereiken van dit doel passend en noodzakelijk zijn. Dit kan betekenen dat er in de concrete situatie gekeken moet worden, uiteraard binnen het kader van de Wet op de medische keuringen, of het als zodanig neutrale criterium van de levensverwachting, de wijze waarop dit criterium wordt toegepast en de resultaten daarvan, in de gegeven situatie passend en noodzakelijk zijn. Een aantal voorbeelden ter verduidelijking. Er zijn ziekten waarbij de levensverwachting nagenoeg gelijk is aan de levensverwachting van personen zonder handicap of ziekte. In die situaties zal een oordeel op basis van (voornamelijk) statistische en actuariële gegevens veelal afdoende zijn. Ook zijn er ziekten waarbij er tussen individuele personen met dezelfde ziekte medisch gezien beduidend verschillende verwachtingen zijn aangaande de levensverwachting. In dergelijke situaties is het enkel afgaan op statistische of actuariële gegevens mogelijk niet voldoende. Immers, de statistiek kan dan een gemiddeld lagere verwachting aangeven, terwijl die verwachting voor de individuele persoon niet of nagenoeg niet geldt gezien diens medische conditie, de verwachte ontwikkeling van zijn ziekte en de stand van de medische wetenschap. In een dergelijke situatie zou het louter afgaan op statistische en actuariële gegevens ertoe leiden dat de levensverwachting, een op het oog neutraal criterium, in de praktijk niet op noodzakelijke en passende wijze wordt toegepast. Een dergelijke situatie zou in het uiterste geval, namelijk indien er sprake is van categorische afwijzing, zelfs neer kunnen komen op verboden direct onderscheid. Een andere situatie waarbij de noodzakelijkheid en de passendheid van het middel extra goed in ogenschouw dienen te worden genomen, kan zich voordoen bij levensverzekeringen die gekoppeld zijn aan de looptijd van een hypotheek. Ook indien een persoon een zekere mate van verlaagde levensverwachting heeft, is het mogelijk dat dit gegeven als zodanig niet voldoende rechtvaardiging is om een onderscheid te maken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een persoon op jonge leeftijd een hypotheek wil en de levensverzekering geldt voor de duur van de hypotheek, waarvan de einddatum ruim eerder ligt dan de levensverwachting van de verzekeringsnemer.
Dit neemt niet weg dat – net als bij andere verzekeringsnemers – de verzekeraar een risicobeoordeling uitvoert, die, eveneens net als bij andere verzekeringsnemers, tot een hogere premie of andere nadelige voorwaarden kan leiden. Onderdeel van de betere bescherming van personen met een handicap of chronische ziekte is een omkering van de bewijslast (artikel 10 Wgbh/cz). Mocht er sprake zijn van indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte, dan zal de verzekeraar moeten onderbouwen waarom dat in het concrete geval objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Mogelijk kunnen verzekeraars en consumenten-/patiëntenorganisaties de komende tijd gezamenlijk invulling gaan geven aan deze criteria. Via jurisprudentie en oordelen van het College voor de Rechten van de Mens zal de toepassing van de wet mogelijk nog verder worden uitgekristalliseerd. Door de voorgestelde uitbreiding van de Wgbh/cz kan bij geschillen immers niet alleen een beroep worden gedaan op de (burgerlijke) rechter, maar ook op het College voor de Rechten van de Mens, dat bevoegd wordt een oordeel te geven (artikel 12 Wgbh/cz). Dit uiteraard naast de vormen van toezicht en geschillenbeslechting die specifiek op de financiële dienstverlening zijn gericht, zoals de Autoriteit Financiële Markten (AFM), het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (KiFid) en de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ). Hiermee is naar het oordeel van de regering in voldoende mate voorzien in rechtsbescherming en toezicht.
De leden van de fractie van de PvdA wijzen erop dat het College voor de Rechten van de Mens vindt dat niet wordt voldaan aan artikel 29 van het verdrag, omdat er niet wordt voorzien in 100% toegankelijkheid van stemlokalen voor mensen in een rolstoel. Genoemde leden vragen de regering om te reageren op deze conclusie van het College.
Het verdrag verplicht niet tot 100% toegankelijkheid van stemlokalen voor mensen in een rolstoel, maar roept bij de staten die partij zijn de verplichting in het leven om (onder meer) te waarborgen dat personen met een handicap de gelegenheid hebben hun stem uit te brengen. In Nederland wordt daarin onder meer voorzien doordat een kiezer in de gemeente waar hij woonachtig is met zijn stempas kan stemmen in een stemlokaal naar keuze. Gemeenten zijn verplicht bij alle kiesgerechtigden een lijst te bezorgen met stemlokalen waar zij hun stem kunnen uitbrengen; daarbij moet worden vermeld welke stemlokalen zijn aangewezen als toegankelijk voor personen met een beperking. Deze stemlokalen moeten in de gemeente zodanig zijn gelegen en ingericht dat kiezers met lichamelijke beperkingen zoveel mogelijk hun stem zelfstandig kunnen uitbrengen. Kiezers met een lichamelijke beperking kunnen op deze manier een stem uitbrengen in een voor hen geschikt stemlokaal in de buurt, zonder dat zij daar verder iets voor hoeven te doen (zoals het aanvragen van een kiezerspas).
De leden van de fractie van de PvdA lezen dat kiezers met lichamelijke beperkingen ‘zoveel mogelijk’ hun stem zelfstandig moeten kunnen uitbrengen, en willen weten waarom de inzet niet is dat zij altijd zelfstandig hun stem kunnen uitbrengen. Zij vragen of dat niet het uiteindelijke doel moet zijn.
Het is niet haalbaar om het stemproces zo in te richten dat voor alle voorkomende beperkingen voorzieningen kunnen worden getroffen. De term ‘zoveel mogelijk’ in artikel J 4, tweede lid, van de Kieswet brengt tot uitdrukking dat kiezers met een lichamelijke beperking, binnen de grenzen van het mogelijke, zelfstandig hun stem moeten kunnen uitbrengen. Kiezers die vanwege hun lichamelijke beperking niet zelfstandig kunnen stemmen, kunnen hulp krijgen in het stemhokje bij het uitbrengen van hun stem. Kiezers wier lichamelijke beperking het onmogelijk maakt om de gang naar het stemlokaal te maken, kunnen gebruik maken van de mogelijkheid tot het uitbrengen van een stem bij volmacht.
De leden van de fractie van de PvdA willen weten hoe de brede toegankelijkheid van stemlokalen, stemprocedures en stemmiddelen voor mensen met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking, psychische aandoening of chronische ziekte in de Kieswet en de bijbehorende memorie van toelichting geborgd wordt.
De toegankelijkheid van stemlokalen kent vele facetten. Belangrijk zijn niet alleen de bereikbaarheid van stemlokalen (kan men via de openbare weg bij het stemlokaal komen?), de betreedbaarheid daarvan (kan men vanaf de openbare weg tot in het stemlokaal komen?) en de bruikbaarheid (kan men de stemfaciliteiten in het stemlokaal gebruiken?), maar ook de communicatie daarover (hoe worden kiezers voorgelicht over adressen van toegankelijke stemlokalen?). In 2012 is in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de checklist ‘toegankelijkheidscriteria stemlokalen’ opgesteld, waarin alle bovengenoemde uitgangspunten nader zijn uitgewerkt in een aantal criteria. De checklist is opgesteld in samenspraak met de voormalige Chronisch Zieken en Gehandicaptenraad (thans Ieder(in)). Een stemlokaal wordt geacht voldoende toegankelijk te zijn als wordt voldaan aan alle in de lijst opgesomde toegankelijkheidscriteria. Voorafgaand aan een verkiezing wordt de checklist aan gemeenten gestuurd, met het verzoek om met deze criteria rekening te houden bij het aanwijzen en inrichten van stemlokalen. Ook moeten gemeenten aan alle kiesgerechtigden kenbaar maken welke stemlokalen speciaal zijn ingericht voor mensen met een lichamelijke beperking.

Wat betreft de stemmiddelen kan worden gemeld dat er wordt gewerkt aan een nieuw model stembiljet dat mogelijk door blinde en slechtziende kiezers is te gebruiken en door het gebruik van logo's mogelijk toegankelijker is voor kiezers met een verstandelijke beperking. Tevens onderzoekt het kabinet de haalbaarheid van de invoering van een stemprinter zoals geadviseerd door de commissie Elektronisch stemmen en tellen in het stemlokaal. Daarbij wordt ook onderzocht of kiezers met beperkingen zelfstandig met een stemprinter overweg kunnen.


De leden van de fractie van de PvdA lezen dat het gemeenten nu vaak ook niet lukt om tot 25% toegankelijke stemlokalen te komen, en vragen of dit een reden moet zijn om dan de eisen maar naar beneden bij te stellen.
De opmerking in de nota naar aanleiding van het verslag dat het veel gemeenten niet lukt om tot 25% toegankelijke stemlokalen te komen, was een (deel van de) reactie op de vraag van de leden van de fracties van PvdA, SP, D66 en GroenLinks waarom niet wordt ingezet op een hoger percentage toegankelijke stemlokalen. Het is de regering er derhalve niet om te doen de eisen naar beneden bij te stellen, maar zij acht een verhoging van het percentage van 25 niet aangewezen.
De leden van de fractie van de PvdA vragen of er valt te leren van gemeenten die wel veel toegankelijke stemlokalen hebben (best practices), en of er onderzoek is gedaan of valt te doen naar de mogelijkheden om wel tot meer toegankelijke stemlokalen te komen. Zij willen weten of de moeite die het kost om te zorgen voor een voldoende aantal toegankelijke stemlokalen een grotestedenprobleem is, of juist meer een probleem van kleine gemeenten waar lokale voorzieningen steeds schaarser worden. Zij merken op dat het recht op politieke participatie voor hen een groot goed is, en vragen hoe dit recht zo goed mogelijk kan worden beschermd en hoe het mogelijk gemaakt kan worden dat mensen met hulp van iemand in het stemhokje hun stem kunnen uitbrengen.
De toegankelijkheid van stemlokalen is tijdens de provinciale staten- en waterschapsverkiezingen van 18 maart 2015 opnieuw onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat 10 van de 54 geobserveerde, door gemeenten als toegankelijk aangewezen stemlokalen daadwerkelijk aan alle criteria voldeden. De regering zal in overleg met de VNG en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVvB) in aanloop naar de komende verkiezingen nagaan hoe gemeenten de toegankelijkheid van stemlokalen verder kunnen verbeteren. Daarbij zal gebruik worden gemaakt van de ervaringen (best practices) van gemeenten die in voormeld onderzoek goed scoorden.

Uit voormelde observatie blijkt niet dat het percentage stemlokalen dat daadwerkelijk toegankelijk is, samenhangt met de gemeentegrootte. Onder gemeenten die bovengemiddeld scoren bevinden zich zowel grotere als kleinere gemeenten, net als onder gemeenten die juist benedengemiddeld scoren.

Met de leden van de fractie van de PvdA ziet de regering het recht op participatie als een groot goed. Om die reden heeft zij enkele jaren geleden in samenspraak met de Chronisch Zieken- en Gehandicaptenraad (thans Ieder(in)) een checklist met toegankelijkheidscriteria voor stemlokalen ontwikkeld, die voorafgaand aan elke verkiezing aan alle gemeenten wordt gestuurd met het verzoek om met deze criteria rekening te houden bij het aanwijzen en inrichten van de stemlokalen. Daarnaast is al in artikel J 28 van de Kieswet vastgelegd dat kiezers die vanwege een lichamelijke beperking niet zelfstandig kunnen stemmen, zich in het stemhokje kunnen laten bijstaan bij het uitbrengen van hun stem.

De staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

drs. M.J. van Rijn



1 Zie bijvoorbeeld Zaak C-366/10, overwegingen 53 e.v.53. Vervolgens kan het Hof de geldigheid van een handeling van de Unie slechts aan een internationaal verdrag toetsen wanneer de aard en de opzet van dat verdrag zich daar niet tegen verzetten (zie arrest van 9 september 2008, FIAMM e.a./Raad en Commissie, C 120/06 P en C 121/06 P, Jurispr. blz. I 6513, punt 110).

54. Ten slotte dienen, wanneer de aard en de opzet van het betrokken verdrag niet in de weg staan aan toetsing van de geldigheid van de handeling van de Unie aan de bepalingen van dit verdrag, de voor de toetsing van de geldigheid van de handeling van de Unie aangevoerde bepalingen van dit verdrag inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn (zie reeds aangehaalde arresten IATA en ELFAA, punt 39, en Intertanko e.a., punt 45).

55. Die voorwaarde is vervuld wanneer de aangevoerde bepaling een duidelijke en nauwkeurig omschreven verplichting bevat, voor de uitvoering of werking waarvan geen verdere handeling is vereist (zie arresten van 30 september 1987, Demirel, 12/86, Jurispr. blz. 3719, punt 14; 15 juli 2004, Pêcheurs de l’étang de Berre, C 213/03, Jurispr. blz. I 7357, punt 39, en arrest van 8 maart 2011, Lesoochranárske zoskupenie, C 240/09, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).


2 Kamerstukken II 2001/02, 28 169, nr. 3, p. 9

3 ZIe bijvoorbeeld het arrest van 18 maart 2014 (zaak C-363/12), het arrest van 22 mei 2014 (zaak C-356/12) en het arrest van 18 december 2014 (zaak C-354/13)

4 Zie ook College voor de Rechten van de Mens, oordeel 2015-18 van 26 februari 2015

5 Kamerstukken II 2014/2015, 33 992 (R2034), nr. 6, p. 51-52.

6 Committee on the Rights of Persons with Disabilities, General Comment nr. 1 (2014) Article 12: Equal recognition before the law, CRPD/C/GC/1.

7 Dit standpunt wordt bijvoorbeeld ook ingenomen door Denemarken en Duitsland. Zie Denmark, Submission No 19 and Federal Republic of Germany, Submission No. 32 to the UN Committee on the Rights of Persons with Disabilities, Draft General Comment on Article 12 of the Convention–Equal Recognition before the Law, 2014.

8 http://www.coalitievoorinclusie.nl/CoalitieNieuws/140212EindverslagVODH.pdf.

9 Artikel 2.1.3 lid 3 – Wmo 2015In de verordening wordt bepaald op welke wijze ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van deze wet, waarbij in ieder geval wordt geregeld de wijze waarop zij:

a. in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen;

b. vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen;

c. worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen;

d. deel kunnen nemen aan periodiek overleg;

e. onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden;



f. worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.


10 Staatsblad 2005, nr. 573

11 Kamerstukken II 2013/14, 33 750 XV, nr. 39

12 Een doventolk is ondermeer een intermediaire voorziening.

13 Het betreft hier een subsidie aan de werkgever voor de aanpassing van de arbeidsplaats.

14 Memorie van toelichting, Kamerstukken II 2013/14, 33 992 (R2034), nr. 3, p. 12.

15 Kamerstukken II 2014/2015, 34104 nr. 63

16 Algemene wet gelijke behandeling, Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid.



Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina