Uitvoering van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap Trb



Dovnload 384.13 Kb.
Pagina4/5
Datum20.05.2018
Grootte384.13 Kb.
1   2   3   4   5




Kosten (€) van voorzieningen naar soort





Jobcoach

Intermediaire

Voorzieningen


Meeneembare voorzieningen

Vervoers-voorzieningen

Overig

Totaal

2009
















103.000.000

2010
















119.000 000

2011
















129.000.000

2012

78.780.401

5.644.142

15.591.027

21.485.468

1.475.700

122.976.738

2013

53.248.368

5.766.851

9.930.808

20.731.485

2.986.504

92.664.016

2014

42.943.450

4.314.151

5.663.291

19.081.495

789.427

72.791.814





Verdeling van kosten (€) naar doelgroep en voorzieningen






2013


2014




Wajong

WAO/WAZ/WGA


Wajong

WAO/WAZ/WGA


Jobcoach

50.572.057

2.676.311

39.865.752

3.077.698

Intermediaire

Voorzieningen


1.023.090

4.743.761

392.858

3.933.573

Meeneembare voorzieningen

566.621

9.364.186

529.770

5.133.663

Vervoers-voorzieningen

3.630.076

17.101.408

4.044.605

15.117.370

Overig

2.021.410

1.045.929

-

625.785

Totaal

57.816.436

34.847.580

44.832.985

27.888.089

Procentuele verdeling

62%

38%

62%

38%





Verdeling van aantallen naar doelgroep en voorzieningen






2013


2014




Wajong

WAO/WAZ/WGA


Wajong

WAO/WAZ/WGA


Jobcoach

18.523

1.938

19.491

1.556

Intermediaire

Voorzieningen


373

1.965

378

1.863

Meeneembare voorzieningen

317

6.219

374

4.030

Vervoers-voorzieningen

1.188

2.422

1.105

2.731

Overig

30

206

38

196

Totaal

20.431

12.750

21.386

10.376

Procentuele verdeling

62%

38%

67%

33%

Tot 2015 kon UWV ook arbeidsplaatsaanpassingen verstrekken voor mensen uit de gemeentelijke doelgroep, bijvoorbeeld een bijstandsgerechtigde met een beperking. Vanaf 1 januari 2015 zijn gemeenten hiervoor verantwoordelijk op grond van de Participatiewet.

De staatssecretaris van SZW monitort de inzet van gemeenten van re-integratie-instrumenten – waaronder arbeidsplaatsaanpassingen - voor de populatie van de Participatiewet. De eerste gegevens van de monitor worden in het laatste kwartaal 2015 verwacht.


De leden van de fractie van het CDA vragen naar aanleiding van het rondetafelgesprek van 9 februari 2015, waar mevrouw Westerhof van het Dovenschap naar voren bracht dat ook dove kinderen in het onderwijs moeten meedoen aan luistertoetsen, of de regering dit herkent en wat de regering daarvan vindt.
Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van het CDA naar de invulling van luistertoetsen voor leerlingen met een auditieve beperking kan het volgende worden opgemerkt. Luistertoetsen Engels - en in het voortgezet onderwijs ook de luistertoetsen voor andere moderne vreemde talen - maken onderdeel uit van de schoolexamens. Dove leerlingen die een moderne vreemde taal in hun profiel hebben, leggen deze toets ook af. Op dit moment maken zij daarbij meestal gebruik van een doventolk. Bij het gebruik van een doventolk wordt in de praktijk echter eerder de vaardigheid van de tolk dan de kunde van de leerling zelf gemeten. Recent is met de belangenorganisaties en instellingen voor dove leerlingen uitgebreid gesproken over het maken van een uitzondering voor dove leerlingen. Het veld bleek hier geen voorstander van, omdat op deze wijze dove leerlingen geen mogelijkheid geboden zou worden om getoetst te worden op hun vaardigheden.   

OCW heeft Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) en CINOP (Stichting gericht op het leren van jongeren en volwassenen voor de arbeidsmarkt en samenleving van morgen) daarom verzocht om in samenwerking met Siméa, Cito en het College voor toetsen en examens een handreiking voor scholen in het voortgezet onderwijs en mbo-instellingen op te stellen. Deze handreikingen zijn sinds kort beschikbaar gesteld op de websites van Cito, Siméa en op http://www.steunpunttaalenrekenenmbo.nl/steunpuntmbo/p000913/nieuws/nieuws/handreiking-taalexaminering-dove-en-slechthorende-mboers. Een van de mogelijkheden in de handreiking om te toetsen is bijvoorbeeld om gebruik te maken van filmpjes met ondertiteling. Op deze wijze toetst de school niet direct het luisteren zelf (want dat valt uiteraard niet te toetsen bij dove leerlingen) maar wel communicatieve vaardigheden.


De leden van de fractie van D66 vragen nogmaals naar de stand van zaken rondom het toelaten van blindengeleide- en assistentiehonden in taxi’s en private en publieke ruimten. Deze leden vragen hoe en wanneer de regering nu concreet realiseren dat weigeren niet meer mag. Voorts vragen deze leden welke maatregelen de regering hiertoe neemt en of daarbij is voorzien in handhavings- en sanctie-instrumentarium. 
Om het weigeren van assistentiehonden te voorkomen is een wijziging van het Besluit personenvervoer 2000 ingezet. Hierbij wordt gestreefd naar inwerkingtreding op 1 januari 2016. Tegen het weigeren van assistentiehonden kan dan handhavend worden opgetreden. De Inspectie voor Leefomgeving en Transport is de handhavende instantie.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering een toelichting op het werkprogramma van de Alliantie te geven. Tevens hebben deze leden vragen over de Alliantie implementatie VN-verdrag en vragen wanneer de Alliantie is opgericht en hoe lang is de Alliantie bezig geweest met het ontwikkelen van het plan van aanpak.
In de Alliantie voor de implementatie van het VN-verdrag (hierna de Alliantie) werken Per Saldo, LFB, LPGGz, Coalitie voor Inclusie en Ieder(in) met elkaar samen. De Alliantie is najaar 2013 opgericht. Samen met hun leden en netwerken zet de Alliantie zich in voor zorgvuldige wetgeving voor de ratificatie en daadkrachtige implementatie van het VN-verdrag. De Alliantie heeft een nieuwe samenwerkingsstructuur bedacht met een kerngroep en (in eerste instantie) een drietal thematische werkgroepen. In de werkgroepen zal de Alliantie een open uitnodigingsbeleid hanteren zodat ook andere organisaties en personen die dat willen, kunnen aansluiten. Er zijn samenwerkingsafspraken gemaakt. De werkgroepen gaan vervolgens een eigen activiteitenplan maken en deze plannen zullen worden gebundeld in een Alliantieprogramma. De nieuwe structuur en samenwerkingsafspraken worden volgens plan vastgesteld in de Alliantievergadering van 27 augustus 2015. De Alliantie is betrokken geweest bij de ontwikkeling van het plan van aanpak. Zo is het plan van aanpak in het bestuurlijk overleg van 13 februari 2015 met de Alliantie, de VNG en VNO NCW/MKB NL vastgesteld. De Alliantie heeft daarbij kenbaar gemaakt de uitgangspunten van het plan van aanpak als een goede basis te zien om te komen tot concrete afspraken over de implementatie met verschillende organisaties in de samenleving. De totstandkoming van het plan van aanpak waaraan de Alliantie heeft meegewerkt heeft enkele maanden in beslag genomen.
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen zich af of het plan van aanpak nog op andere wijze aan de implementatie van wetgeving en het verdrag zelf is getoetst.
Het uitgangspunt is een progressieve verwezenlijking van het verdrag, waarbij gewerkt wordt aan een samenleving die steeds meer inclusief en toegankelijk wordt. Het verdrag geeft hierbij de richting aan. Het verdrag vormt daarmee de basis voor de activiteiten die uit dit plan van aanpak voortvloeien. In die zin is het plan van aanpak getoetst aan het verdrag.
De leden van de fractie van de ChristenUnie merken op dat er in het plan van aanpak geen passages aan Caribisch Nederland zijn gewijd. Waarom niet, vragen deze leden. Is de regering het met deze leden eens dat het ratificeren van het verdrag ook gevolgen dient te hebben voor de mensen met een beperking in het Caribische deel van Nederland.
In het plan van aanpak zijn inderdaad geen passages gewijd aan het Caribische deel van Nederland. Bij het plan van aanpak zijn betrokken de organisaties die in het Europese deel van Nederland belangrijk zijn bij de verdere implementatie van het verdrag. In dit verband is van belang dat het verdrag vooralsnog niet voor het Caribische deel van Nederland zal gelden. Voor de toepassing van het verdrag in Caribisch Nederland is uitvoeringswetgeving nodig. Zoals toegezegd zal een inventarisatie worden uitgevoerd naar de implicaties van medegelding van het verdrag in Caribisch Nederland14.

Wel wordt gestimuleerd om in de tijd tussen goedkeuring en bekrachtiging van het verdrag materiële verbetering aan te brengen in de positie van mensen met een beperking in Caribisch Nederland. Zo kunnen de beschikbare middelen in de integrale aanpak van de sociaal economische problematiek ook worden ingezet voor het verbeteren van de positie van mensen met een beperking. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid voor de eilandbesturen om projecten of pilots te starten voor activiteiten ten behoeve van mensen met een beperking in Caribisch Nederland gerelateerd aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Op basis hiervan wordt bezien welke onderdelen van de Wet maatschappelijke ondersteuning op welke wijze en onder welke voorwaarden op de eilanden tot stand kunnen worden gebracht.


De leden van de fractie van de ChristenUnie willen weten op welke termijn het mogelijk is om een inventarisatie te maken van de regelgeving en beleid in Caribisch Nederland, zodat bepaald kan worden wat er nodig is om het verdrag voor Caribisch Nederland te laten gelden.
De inventarisatie naar de implicaties van medegelding van het verdrag in Caribisch Nederland zal dit najaar worden gestart. Deze inventarisatie zal een looptijd kennen van ongeveer zes maanden. Op basis van de uitkomsten van deze inventarisatie, kan vervolgens worden besloten over een concrete en redelijke termijn waarbinnen medegelding van het verdrag alsnog kan worden gerealiseerd en een stappenplan daarnaartoe.
De leden van de fractie van de ChristenUnie willen weten of er een loket komt waar mensen met een beperking zich kunnen melden wanneer blijkt dat wetgeving verkeerd uitpakt in relatie tot het VN-verdrag.

Als mensen problemen hebben met wetgeving gaat het vooral over de wijze waarop de desbetreffende wet wordt toegepast of uitgevoerd door een publieke of private organisatie. Het uitgangspunt is dat eerst de partij wordt aangesproken op die uitvoering. Mochten mensen van mening zijn dat wetgeving in relatie tot het VN-verdrag voor verbetering vatbaar is, dan is de regering daarop aanspreekbaar. Deze signalen kunnen individueel dan wel via het overleg van departementen met vertegenwoordigende organisaties van de doelgroep van het verdrag worden ingebracht.



De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat de implicatie van de implementatie van het VN-verdrag voor het ontwikkelen van wetten is. Zo vragen deze leden of wetsvoorstellen voortaan een paragraaf dienen te bevatten waarin de Kamer kan nagaan hoe dat voorstel zich verhoudt tot het VN-verdrag.

Aan de verdere verwezenlijking van de economische, sociale en culturele rechten dient te worden gewerkt (artikel 4, tweede lid, van het verdrag). Het verdrag schrijft niet voor hoe dat moet gebeuren en op welke termijn. Een staat heeft een grote mate van vrijheid bij de wijze waarop aan de verwezenlijking wordt gewerkt. Allen die betrokken zijn bij het voorbereiden en tot stand komen van nieuwe wetgeving dienen zich af te vragen of het verdrag bij deze nieuwe wetgeving een rol speelt. In de eerste plaats mag nieuwe wetgeving niet in strijd zijn met het verdrag. In de tweede plaats kan met deze nieuwe wetgeving een bijdrage worden geleverd aan de verdere implementatie van het verdrag. Bij de totstandkoming van nieuw beleid of regelgeving is in het proces reeds vastgelegd dat beleidsmakers en wetgevingsjuristen toetsen hoe deze nieuwe voorstellen zich verhouden tot de verdragsrechtelijke verplichtingen die Nederland is aangegaan. Het is reeds gebruikelijk dat, voor zover verdragsbepalingen een rol kunnen spelen, in de memorie van toelichting hier overwegingen aan worden gewijd.


De leden van de fractie van GroenLinks opperen het idee om 2016 uit te roepen tot het jaar van inclusie en in dat jaar voortvarend maatregelen te nemen om die inclusie na te streven.

De regering acht het idee van de leden van de fractie van GroenLinks sympathiek. In 2016 zal er in het kader van de ratificatie van het verdrag en de start van het platform inclusie (werktitel) in ieder geval veel aandacht worden besteed aan inclusie. Hoe dit precies vorm gaat krijgen is nog onderwerp van nadere uitwerking. In 2016 is het streven dat met de inzet van het platform er voortvarend aan de slag wordt gegaan met de implementatie van het verdrag en in dat kader gekomen wordt tot concrete afspraken met betrokken organisaties die moeten leiden tot het naderbij brengen van de inclusieve samenleving.


De leden van de fractie van GroenLinks vragen wanneer de regering de Kamer concretere afspraken kan toesturen. In dat verband vragen deze leden wat de inzet van de regering is en op welke wijze zij partij is in die afspraken.
Zoals eerder vermeld op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de PvdA, is de regering met de belangrijkste betrokkenen zoals (vertegenwoordigers van) de doelgroep van het verdrag, werkgevers, bedrijfsleven en gemeenten van mening dat de implementatie van het verdrag vooral een proces van cultuurverandering en vernieuwing is dat zijn beslag moet krijgen in de samenleving, met name op lokaal niveau en met inachtneming van ieders verantwoordelijkheid. Zoals eerder is toegelicht, zal met de inrichting van een bestuurlijk overleg en een platform inclusie (werktitel) worden ingezet op het bereiken van concrete afspraken door allerlei organisaties en combinaties van organisaties, die bestaande of nieuwe activiteiten gaan uitvoeren. Onder andere zijn dat (vertegenwoordigers van) de doelgroep van het verdrag, werkgevers, bedrijfsleven, gemeenten, rijksoverheid en een groot aantal andere maatschappelijke organisaties. Op 26 augustus jl. heeft een dergelijk bestuurlijk overleg plaatsgevonden op het ministerie van VWS. De begrijpelijke en terechte wens zoals geformuleerd door meerdere fracties om een concretiseringslag te maken is daarbij uitgebreid aan de orde gekomen. De door partijen breed gedeelde opvatting is dat deze concretiseringslag inderdaad van grote waarde is. Tevens tussen betrokken partijen gedeeld dat de beste manier om dit te bereiken is door concrete doelstellingen te formuleren op basis van daadwerkelijk door mensen ervaren problemen. Op die manier wordt gestreefd naar een eenvoudige, praktische aanpak op lokaal en landelijk niveau die voor mensen daadwerkelijk tot verbeteringen leidt op korte- en lange termijn.
Zoals reeds is vermeld, is de gedeelde ambitie van de regering en de maatschappelijke partijen om een beweging in gang te zetten en de groeiende aandacht voor de inclusieve samenleving een flinke duw te geven. Op de vele domeinen van het verdrag kan nog vooruitgang worden geboekt. De regering wil tijdens deze regeerperiode zoals eerder vermeld, starten met het vergroten van de bewustwording en daar acties op ontwikkelen via de wijze zoals die is beschreven in het plan van aanpak. Ook wil de regering tijdens deze periode bewerkstelligen dat er vanaf de inwerkingtreding van het verdrag een werkend proces is rond de implementatie. Dit betekent dat het platform inclusie is geïnstalleerd en operationeel is en er is sprake van een goede afstemming op bestuurlijk niveau over de voortgang.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering aan te geven op welke wijze nieuwe wetgeving wordt getoetst aan het VN-verdrag. Deze leden vragen voorts wat bij die toetsing het uitgangspunt is en op welke wijze de Kamer op de hoogte wordt gebracht van de uitkomst van de toetsing. Voorts vragen deze leden of het mogelijk is bij nieuwe wetgeving in de bijbehorende memorie van toelichting verslag te doen van de toetsing.
Zoals eerder is aangegeven op een soortgelijke vraag van de leden van de fractie van de ChristenUnie, dienen allen die betrokken zijn bij het voorbereiden en tot stand komen van nieuwe wetgeving zich af te vragen of het verdrag bij deze nieuwe wetgeving een rol speelt. In de eerste plaats mag nieuwe wetgeving niet in strijd zijn met het verdrag. In de tweede plaats kan met deze nieuwe wetgeving een bijdrage worden geleverd aan de verdere implementatie van het verdrag. Bij de totstandkoming van nieuw beleid of regelgeving is in het proces reeds vastgelegd dat beleidsmakers en wetgevingsjuristen toetsen hoe deze nieuwe voorstellen zich verhouden tot de verdragsrechtelijke verplichtingen die Nederland is aangegaan. Het is reeds gebruikelijk dat, voor zover verdragsbepalingen een rol kunnen spelen, in de memorie van toelichting hier overwegingen aan worden gewijd.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering of zij voornemens of bereid is bestaande wetgeving te toetsen of door te lichten.

De bestaande wetgeving is reeds getoetst en doorgelicht. In het artikelsgewijs deel van de memorie van toelichting bij de goedkeuringswet is per artikel uiteengezet wat er in Nederland is aan wetgeving of beleid op het desbetreffende terrein.


Waar voor wat betreft de burgerlijke en politieke rechten de situatie in Nederland niet in overeenstemming is met de verplichting uit het verdrag, is dat in het artikelsgewijze deel bij het desbetreffende artikel aangegeven (zie bij artikel 5 voor de wijziging van de Wgbh/cz en bij artikel 29 voor de wijziging van de Kieswet). In het wetsvoorstel tot uitvoering van het verdrag zijn de wijzigingen van de Wgbgh/cz en de Kieswet opgenomen die nodig zijn om tot bekrachtiging van het verdrag te kunnen overgaan.
Ook voor de economische, sociale en culturele rechten is in de memorie van toelichting per artikel aangegeven wat in Nederland op het desbetreffende terrein is en wordt gedaan. Aan de verdere verwezenlijking van de economische, sociale en culturele rechten dient te worden gewerkt (artikel 4, tweede lid, van het verdrag).
Uitvoering van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.


  1. Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina