Uitvoering van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap Trb



Dovnload 384.13 Kb.
Pagina1/5
Datum20.05.2018
Grootte384.13 Kb.
  1   2   3   4   5

Uitvoering van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (Trb. 2007, 169)
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAG
Inhoudsopgave
Plan van aanpak voor de implementatie van het VN-verdrag Handicap

  1. Algemeen


Uitvoering van het op 13 december 2006 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.

  1. Algemeen

  2. Artikelsgewijs

De regering is de leden van de fracties erkentelijk voor de voortvarendheid waarmee de Kamer na indiening van het wetsvoorstel het nader verslag heeft uitgebracht.

Het betreft het voorstel van rijkswet tot goedkeuring van het verdrag en het wetsvoorstel tot uitvoering van het verdrag. De nota naar aanleiding van het nader verslag bij het voorstel van rijkswet tot goedkeuring van het verdrag wordt mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken aangeboden. De nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel tot uitvoering van het verdrag wordt mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangeboden.
De nota naar aanleiding van het verslag geeft de leden van de fracties van VVD, PvdA, SP, CDA, D66, ChristenUnie en GroenLinks aanleiding tot het stellen van een aantal nadere vragen. Deze vragen worden in deze nota beantwoord in de structuur van het nader verslag.
Leeswijzer

De beantwoording sluit aan bij de systematiek en volgorde van de memorie van toelichting en het nader verslag. In de hoofdstukken één tot en met drie worden de vragen beantwoord die door de leden van de verschillende fracties zijn gesteld. Vragen met dezelfde strekking zijn samengevoegd en in één keer beantwoord. Met deze wijze van beantwoorden wordt de Kamer uitleg geboden over de inhoud en de strekking van de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel en daarmee de werking van het verdrag.


Plan van aanpak voor de implementatie van het VN-verdrag Handicap

  1. Algemeen


De leden van de fractie van de VVD stellen dat het Hof van Justitie EU in het arrest van 18 maart 2014 (zaak C-363/12) heeft geoordeeld dat de bepalingen van het verdrag inhoudelijk niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn en dus geen directe werking in het Unierecht hebben. Deze leden vragen of de regering het ermee eens is dat het verdrag niet voldoet aan de voorwaarden voor rechtstreekse werking.

Zoals de leden van de fractie van de VVD terecht opmerken, heeft het Hof van Justitie in de uitspraak van 18 maart 2014 (zaak C-363/12) geoordeeld dat het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap geen directe werking heeft in het Unierecht. In het arrest van het Hof van Justitie EU gaat het om de vraag of de geldigheid van een handeling van de Unie kan worden getoetst aan het verdrag. Het gaat om de vraag of het verdrag in het Unierecht rechtstreekse werking heeft. De criteria die het Hof van Justitie in het algemeen hanteert voor de beoordeling of sprake is van rechtstreekse werking zijn weliswaar verschillend van de criteria die de Nederlandse rechter hanteert voor de beoordeling of sprake is van rechtstreekse werking in Nederlands-constitutionele zin, maar zij komen qua strekking en uitwerking met elkaar overeen1. De regering is tot de conclusie gekomen dat wat betreft de een ieder verbindendheid van de bepalingen uit het VN-verdrag, het karakter van het verdrag – zoals bevestigd door het Hof van Justitie – naar Nederlands constitutioneel recht programmatisch is en er in het kader van dit verdrag geen andere bepalingen zijn die rechtstreeks werkend zijn in de Nederlandse rechtsorde dan al geregeld in eerdere algemene verdragen (zoals ook verwoord in de memorie van toelichting). Het verdrag verplicht de regering tot het aannemen van wettelijke maatregelen en bevat derhalve overigens geen bepalingen die onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn om naar hun inhoud een ieder te kunnen verbinden.

De bestaande Nederlandse regelgeving is overigens naar het oordeel van de regering in overeenstemming met de verplichtingen die uit het verdrag voortvloeien dan wel wordt daarmee via een tweetal aanpassingen van de wetgeving (Wgbh/cz en Kieswet) in overeenstemming gebracht.

De leden van de fractie van de VVD vragen of de regering het eens is met de Advocaat-Generaal van het Hof van Justitie EU, wanneer hij stelt dat het zou neerkomen op een inbreuk op het voorrecht van de wetgever indien een rechter verdragsbepalingen toch rechtstreeks werkend zou verklaren, nu verdragspartijen expliciet te kennen hebben gegeven dat zij geen rechtstreekse werking hebben beoogd.

De regering merkt hierover het volgende op. Tijdens de onderhandelingen over het verdrag is de eventuele rechtstreekse werking van verdragsbepalingen als zodanig niet aan de orde gekomen. Dat is immers een nationaalrechtelijke aangelegenheid. De Advocaat-Generaal van het Hof van Justitie stelt echter dat de bepalingen algemene, tot de verdragsluitende staten gerichte verplichtingen vaststelt en dat het verdrag in een programmatische vorm is opgesteld. De regering is tot de conclusie gekomen dat wat betreft de een ieder verbindendheid van de bepalingen uit het VN-verdrag het karakter van het verdrag – zoals bevestigd door het Hof van Justitie – naar Nederlands constitutioneel recht programmatisch is en er in het kader van dit verdrag geen andere bepalingen zijn die rechtstreeks werkend zijn in de Nederlandse rechtsorde dan al geregeld in eerdere algemene verdragen (zoals ook verwoord in de memorie van toelichting).




De leden van de fractie van de VVD merken op dat de regering in de nota naar aanleiding van het verslag stelt dat het verdrag geen nieuwe rechten in het leven roept, maar een verder toegepaste uitwerking van de rechten en verplichtingen geeft die voortvloeien uit bestaande mensenrechtenverdragen. Deze leden merken voorts op dat volgens de regering, onder verwijzing naar artikel 26 van het IVBPR, artikel 5, tweede lid, rechtstreekse werking heeft en dat het verbod van discriminatie volgens artikel 2 van het verdrag tevens omvat de verplichting redelijke aanpassingen te treffen. Deze leden stellen dat als artikel 5, tweede lid, rechtstreeks werkt en het verbod van discriminatie de verplichting omvat om redelijke aanpassing te treffen, het verdrag toch wel nieuwe rechten schept.

De regering merkt hierover het volgende op. Met het wetsvoorstel tot uitvoering van het verdrag zal naar de mening van de regering zijn voldaan aan de verplichtingen die uit het verdrag voortvloeien voor zover het de burgerlijke en politieke rechten betreft. Het gaat zoals vermeld om een wijziging van de Wgbh/cz en van de Kieswet. Na toetsing is vastgesteld dat de overige regelgeving voldoet aan de uitgangspunten van het verdrag.

De verplichting om redelijke aanpassingen te treffen, is geen zelfstandig mensenrecht. Het kan noodzakelijk zijn in een concrete situatie redelijke aanpassingen te treffen om te voorkomen dat het recht op gelijke behandeling in die concrete situatie wordt geschonden. Hierbij gaat het om noodzakelijke en passende wijzigingen, en aanpassingen die geen disproportionele of onevenredige, of onnodige last opleggen.
Een en ander is ook verwoord in de bestaande wetgeving. In artikel 2 van de Wgbh/cz is de verplichting tot het treffen van doeltreffende aanpassingen opgenomen.

In de nota naar aanleiding van het verslag bij de goedkeuringswet is opgemerkt dat met de uitbreiding van de Wgbh/cz tot het terrein van goederen en diensten in de Nederlandse wetgeving nieuwe rechten en verplichtingen ontstaan, nu artikel 2 van de Wgbh/cz verplicht tot het treffen van doeltreffende en passende aanpassingen, tenzij deze onevenredig belastend zijn. Die vorm van regulering is als zodanig niet nieuw; zij bestaat reeds op andere terreinen maar wordt nu aangevuld met het terrein van het aanbod van goederen en diensten. Via de uitvoeringswet wordt de verplichting uit het verdrag om redelijke aanpassingen te treffen geïmplementeerd door de Wgbh/cz uit te breiden tot het terrein goederen en diensten. De implementatie van deze verdragsbepaling wordt via deze uitvoeringswet ook uitdrukkelijk aan de wetgever voorgelegd.



De leden van de fractie van de VVD vragen de regering voorbeelden te geven van situaties die wel of niet onevenredig belastend zijn in de zin van artikel 2 van de Wgbh/cz.

Alvorens in te gaan op voorbeelden van doeltreffende aanpassingen die wel of niet onevenredig belastend zijn, het volgende.

De in artikel 2 van de Wgbh/cz opgenomen verplichtingen om doeltreffende aanpassingen te verrichten komt voort uit de verplichting tot het treffen van redelijke aanpassingen uit het verdrag. Artikel 2 van de Wgbh/cz bepaalt dat men verplicht is een doeltreffende aanpassing te verrichten, tenzij deze onevenredig belastend is.
Het verzoek om een doeltreffende aanpassing te verrichten kan spelen in heel verschillende situaties. Een verzoek om een doeltreffende aanpassing dient in ieder individueel geval beoordeeld te worden. Als in een bepaald geval een bepaalde doeltreffende aanpassing is verricht, betekent dat niet dat men enkel om die reden een soortgelijke aanpassing in een ander geval kan verlangen.

Ten aanzien van de onevenredige belasting het volgende. Of er sprake is van een onevenredige belasting hangt af van de omstandigheden van het geval. Het houdt een weging in van enerzijds de belangen van de persoon met de handicap en anderzijds de belangen van de betrokken organisatie of onderneming. Bij die afweging zal rekening worden gehouden onder meer met de volgende in de memorie van toelichting van de uitvoeringswet genoemde factoren:


−de omvang en de middelen van de organisatie of onderneming,
−de geraamde kosten,
−het belang van de aanpassing voor de desbetreffende persoon met de handicap,
−de operationele en technische haalbaarheid van de aanpassing, en
−de vraag of de betrokken aanpassing onuitvoerbaar of onveilig is.
Als er sprake is van een onevenredige belasting, dan kan de aanpassing dus achterwege blijven.

Voorbeelden van gevallen die wel of niet onevenredig belastend zijn, zijn de volgende.


1. Iemand die slecht ter been is moet om een kapperszaak binnen te gaan twee treden op. Als betrokkene als doeltreffende aanpassing van de kapper vraagt om een lift aan te brengen, zal die lift naar mag worden aangenomen voor de kapper een onevenredige belasting vormen. Indien betrokkene de kapper vraagt om een handje te worden geholpen of om een loopplank neer te leggen, zal dat, afgezien van bijzondere omstandigheden, geen onevenredige belasting vormen.

2. Iemand met een rolstoel kan niet zelfstandig een restaurant binnen gaan doordat er drie treden voor de ingang liggen en de deur ook smal is. In dat geval kan een doeltreffende aanpassing zijn dat een werknemer van dat restaurant op verzoek van deze persoon hem een handje helpt bij het binnengaan. Naar mag worden aangenomen, is deze aanpassing niet onevenredig belastend. Indien het verzoek is om de entree van het restaurant te veranderen waar een verbouwing voor nodig is, dan zal er sprake zijn van een onevenredige belasting.

3. Er kan sprake zijn van een onevenredige belasting wanneer er te veel hulp en begeleiding nodig is. Het College voor de Rechten van de Mens (CRM) oordeelde dat een onderwijsstichting geen verboden onderscheid maakte door een meisje met down syndroom niet door te laten gaan op de reguliere school (oordeelnummer 2011-144). Door het gedrag van het meisje kwamen de belangen van de andere leerlingen in het gedrang. Ook was te veel begeleiding nodig. Daarmee was er sprake van een onevenredige belasting voor de onderwijsstichting. Het CRM oordeelde dat bij de benodigde begeleiding sprake was van individuele begeleiding waardoor de leerling eigenlijk geen deel meer uit maakte van het groepsproces, waarmee het doel van de wet niet meer wordt bereikt.

4. Iemand met een visuele beperking vraagt in een restaurant aan iemand van het personeel om de menukaart voor te lezen. Dit zal over het algemeen niet als onevenredig belastend worden aangemerkt. Indien deze persoon verzoekt om een menukaart in braille, dan zal dat voor een restaurant dat niet beschikt over een dergelijke menukaart naar mag worden aangenomen wel onevenredig belastend zijn.

5. Een scholier die in een rolstoel zit, wil lessen in de klas kunnen volgen en vraagt de school als doeltreffende aanpassing een lift aan te brengen. Naar verwachting is dat voor de school onevenredig belastend. De school kan wel een andere doeltreffende aanpassing verrichten, bijvoorbeeld door het lesrooster zo in te richten dat de scholier op de begane grond de lessen in de klas kan volgen. Daarvan mag worden aangenomen dat het niet onevenredig belastend is.

6. Als iemand met een taxi vervoerd wil worden, kan betrokkene vooraf het taxibedrijf vertellen wat voor hem nodig is. Als het bedrijf een geschikte auto heeft, zal dat bedrijf die auto sturen. Is het een klein taxibedrijf, dat niet over een dergelijke auto beschikt, dan kan ook van dit taxibedrijf als onevenredig belastend niet worden geëist dat het als doeltreffende aanpassing een speciale stoel in de auto zet of een ingreep toepast die het mogelijk maakt met de rolstoel de auto in te gaan.

7. Een vrouw met obesitas solliciteerde als promotiemedewerker bij een bedrijf. De verplichte werkkleding paste haar niet en zij werd niet aangenomen. Zij diende een klacht in bij het CRM. Het CRM oordeelde dat het bedrijf in deze zaak niet verplicht is de vrouw aan te nemen, omdat aparte werkkleding erg duur is en daarmee onevenredig belastend. Door uitsluitend twee kledingmaten beschikbaar te stellen, kan dit bedrijf een betaalbaar product aanbieden en zijn positie op de markt behouden. Dit belang weegt in deze zaak zwaarder dan het belang van de vrouw om te worden aangenomen als promotiemedewerker. Bovendien bood dit bedrijf de vrouw een vergelijkbare functie aan, met kleding in haar eigen maat.

8. Iemand met een verstandelijke beperking die slecht kan lezen, wil bij een reisbureau een vakantie boeken. De tekst van de brochure kan hij niet goed begrijpen. Voor hem is het dan ook moeilijk te bepalen welke reis voor hem geschikt is. De doeltreffende aanpassing die in dit geval verricht wordt, is dat de medewerker van het reisbureau betrokkene uitlegt wat de verschillende reismogelijkheden zijn en hem zo nodig verdere assistentie verleent. Dit is niet onevenredig belastend omdat dit past binnen de dienstverlening die een reisbureau doorgaans biedt.


De leden van de fractie van de VVD leggen de volgende casus voor. Stel dat op een plein keuze is uit tien cafés. Eén van de cafés is niet toegankelijk voor mensen met een rolstoel, de overige wel. Deze leden vragen of ene caféhouder dan verplicht is om zijn zaak rolstoelvriendelijk te maken of dat hij kan verwijzen naar één van de cafés op hetzelfde plein die wel toegankelijk is voor mensen meteen rolstoel.
Allereerst wordt benadrukt dat het verdrag uitsluitend verplicht tot het treffen van redelijke aanpassingen in een concreet geval in een specifieke situatie, tenzij deze een onevenredige belasting vormen. Het verdrag verplicht dus niet om preventief, los van de behoefte van een persoon in een concrete situatie, voorzieningen te treffen of obstakels te verwijderen.

Het verdrag verplicht de caféhouder dus niet om zijn zaak in het algemeen rolstoelvriendelijk te maken. Mogelijk is dat als er meerdere personen zijn die bij zijn zaak verzoeken om een vergelijkbare soort doeltreffende aanpassing, de caféhouder besluit om toch een algemene voorziening te treffen. Hij kan hier zelf toe beslissen, bijvoorbeeld omdat hij inschat dat hij daarmee een grotere klantenkring kan bereiken, maar hij is hier niet toe verplicht.


De caféhouder is uitsluitend verplicht om naar gelang de behoefte in een concrete situatie doeltreffende aanpassingen te verrichten, tenzij deze een onevenredige belasting vormen. Als er in dit specifieke geval dus iemand aan deze caféhouder vraagt om een aanpassing, zodat hij het café met de rolstoel binnen kan gaan, is de caféhouder verplicht te onderzoeken of een doeltreffende aanpassing mogelijk is. De caféhouder kan dus niet volstaan met te verwijzen naar één van de andere cafés op het plein. Een doeltreffende aanpassing kan in dit concrete geval bijvoorbeeld inhouden dat de caféhouder een plank neerlegt op zodanige wijze dat betrokkene met de rolstoel naar binnen kan.


De leden van de fractie van de VVD vragen hoe het mechanisme van de lijst met officiële beperkingen werkt. Deze leden merken op dat de lijst dynamisch is en er nu bijvoorbeeld een discussie gaande is over obesitas. Deze leden willen weten wat de impact hiervan is op de reikwijdte van het verdrag. Tevens vragen deze leden of het bijvoorbeeld mogelijk is dat vliegtuigmaatschappijen verplicht worden om mensen met obesitas twee stoelen voor dezelfde prijs te geven.
Het belangrijkste document over handicaps en beperkingen is de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) van de WHO. De ICF is echter geen lijst van handicaps of beperkingen. De ICF beschrijft hoe mensen omgaan met hun gezondheidstoestand. Iemands gezondheid is met behulp van de ICF te karakteriseren in lichaamsfuncties en anatomische eigenschappen, activiteiten en participatie. Gezondheid is zo te beschrijven vanuit lichamelijk, individueel en maatschappelijk perspectief. Aangezien iemands functioneren plaatsvindt in een bepaalde context, bevat de ICF ook omgevingsfactoren.

Over het begrip handicap in de zin van het verdrag het volgende.


Het begrip handicap wordt in het verdrag niet enkel vanuit de medische hoek benaderd. Zoals in de preambule onder e staat opgenomen, wordt erkend dat handicap een begrip is dat aan verandering onderhevig is en voortvloeit uit de wisselwerking tussen personen met functiebeperkingen en sociale en fysieke drempels die hen belet ten volle, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving. Artikel 1 van het verdrag bepaalt dan ook dat personen met een handicap omvat personen met langdurige beperkingen die hen in wisselwerking met diverse drempels kunnen beletten op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving. Of een bepaalde beperking of handicap medisch gezien ˝erkend˝ wordt is dus niet bepalend voor de vraag of een persoon een handicap heeft in de zin van het verdrag.

De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) is een implementatie van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000, tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PbEG, 2000, L303). Noch de Wgbh/cz, noch de Richtlijn 2000/78/EG hebben een definitie van het begrip handicap. In de wetsgeschiedenis van de Wgbh/cz2 is onder meer het volgende opgemerkt: ˝Een sluitende definitie van de begrippen handicap of chronische ziekte is in het kader van gelijkebehandelingswetgeving nodig noch wenselijk. Of iemand belemmeringen ondervindt wegens zijn handicap of ziekte is immers ook afhankelijk van de context waarbinnen iemand functioneert.˝

Het Hof van Justitie EU heeft inmiddels in verschillende arresten3 het begrip handicap in Richtlijn 2000/78/EG uitgelegd overeenkomstig artikel 1 van het verdrag. Het Hof van Justitie EU oordeelt namelijk dat het begrip „handicap” in de zin van richtlijn 2000/78/EG moet worden opgevat als een beperking die met name het gevolg is van langdurige lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels de betrokkene kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen. In het arrest van 18 december 2014 (C-354/13) voegt het Hof er nog aan toe (r.o 54): ˝Dit begrip „handicap” heeft niet enkel betrekking op de onmogelijkheid om een beroepsactiviteit uit te oefenen, maar ook op belemmeringen bij het uitoefenen van een dergelijke activiteit. Een andere uitlegging zou onverenigbaar zijn met de doelstelling van die richtlijn, (…)˝.

In het arrest van 18 december 2014 (C-354/13) kwam de vraag aan de orde of zwaarlijvigheid een handicap in de zin van Richtlijn 2000/78/EG is. Het Hof van Justitie EU oordeelt dat zwaarlijvigheid als zodanig geen handicap vormt. De zwaarlijvigheid valt wel onder het begrip handicap, aldus het Hof van Justitie EU, als zij gezien de omstandigheden, leidt tot een beperking die met name het gevolg is van lichamelijke, geestelijke of psychische aandoeningen die in wisselwerking met diverse drempels deze persoon kunnen beletten volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen, en die beperking langdurig is. Het Hof van Justitie EU oordeelt vervolgens (r.o. 60):

˝Dat zou met name het geval zijn als de zwaarlijvigheid van de werknemer hem belet volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen als gevolg van een verminderde mobiliteit of van het feit dat zich bij deze persoon ziekteverschijnselen voordoen die hem beletten zijn werk te verrichten of hem belemmeren bij de uitoefening van zijn beroepsactiviteit.˝

Ook voor wat betreft het begrip handicap in de zin van de Wgbh/cz is obesitas als zodanig geen handicap, maar kan dat onder omstandigheden wel zijn4.


Met het wetsvoorstel tot uitvoering van het verdrag wordt de Wgbh/cz uitgebreid met het terrein goederen en diensten. Voor de aanbieder van goederen en diensten is er de verplichting om doeltreffende aanpassingen te verrichten, tenzij deze onevenredig belastend zijn (artikel 2 van de Wgbh/cz). De aanbieder hoeft echter geen aanpassingen aan het goed of de dienst zelf te doen, omdat de uitbreiding van de Wgbh/cz zich richt op het doen van doeltreffende aanpassingen bij het aanbieden van en verlenen van toegang tot het goed of de dienst. Vliegtuigmaatschappijen zijn dus niet verplicht om in een geval dat obesitas een handicap in de zin van de Wgbh/cz vormt twee stoelen voor dezelfde prijs te geven.
De leden van de fractie van de VVD vragen of bevestigd kan worden dat met de aanvullende overheidsmaatregelen wél voldaan is aan de verplichtingen uit het verdrag.
Alle bestaande wetgeving en beleid is getoetst en doorgelicht. Met het wetsvoorstel tot uitvoering van het verdrag zal naar de mening van de regering zijn voldaan aan de verplichtingen die uit het verdrag voortvloeien voor zover het de burgerlijke en politieke rechten betreft. Het gaat om een wijziging van de Wgbh/cz en van de Kieswet.
Voor wat betreft de economische, sociale en culturele rechten, is in de memorie van toelichting van de goedkeuringswet per artikel aangegeven wat in Nederland op het desbetreffende terrein is en wordt gedaan. Aan de verdere verwezenlijking van de economische, sociale en culturele rechten dient te worden gewerkt (artikel 4, tweede lid, van het verdrag). Het verdrag schrijft niet voor hoe dat moet gebeuren en op welke termijn. Een staat heeft een grote mate van vrijheid bij de wijze waarop aan de verwezenlijking wordt gewerkt. Of het voor de verdere verwezenlijking van de economische, sociale en culturele rechten nodig is wetgeving tot stand te brengen of te wijzigen, beleid in te voeren of te wijzigen of andere maatregelen te treffen, is afhankelijk van het onderwerp in kwestie en zal dus in de toekomst moeten worden bezien.
De leden van de fractie van de VVD merken op kennis te hebben genomen van de reactie van de Alliantie van landelijke organisaties van mensen met beperking, aandoening of chronische ziekte op het plan van aanpak. De Alliantie vindt, aldus genoemde leden, dat in de memorie van toelichting van de goedkeuringswet ten onrechte de indruk wordt gewekt dat er alleen nog enkele aanvullende overheidsmaatregelen nodig zijn. De aan het woord zijnde leden zijn echter van mening dat met de aanvullende overheidsmaatregelen wél is voldaan aan de verplichtingen uit het verdrag. Kan de regering deze visie van de leden van de fractie van de VVD bevestigen. Voorts vragen genoemde leden de regering te bevestigen dat de uitvoeringspraktijk van wetten als de Wet Langdurige Zorg, Wmo 2015, Participatiewet, Wet Zorg en Dwang, Wet Verplichte Geestelijke Gezondheidszorg, Wet Forensische Zorg, Zorgverzekeringswet, Jeugdwet, Passend Onderwijs en Bouwbesluit/Omgevingswet voldoende in lijn is met het verdrag.

Aan de verdere verwezenlijking van de economische, sociale en culturele rechten dient te worden gewerkt. Het gaat om het werken aan een samenleving die steeds meer inclusief en toegankelijk wordt. De regering is van oordeel dat dit de inzet vergt van veel verschillende maatschappelijke partijen, binnen de vele verschillende beleidsdomeinen die het verdrag bestrijkt. Verschillende maatschappelijke partijen zijn bij het plan van aanpak betrokken. Het plan van aanpak beschrijft een procesaanpak om te komen tot afspraken in de samenleving. Om tot die afspraken te kunnen komen, worden een bestuurlijk overleg en een platform inclusie (werktitel) ingericht. Daarmee wordt nadrukkelijk beoogd om tot concrete afspraken te komen. Centraal staan afspraken die worden gemaakt door allerlei organisaties en combinaties van organisaties, die bestaande of nieuwe activiteiten gaan uitvoeren. Of andere maatregelen zullen worden getroffen, is afhankelijk van het onderwerp in kwestie en zal dus in de toekomst moeten worden bezien.


Naar het oordeel van de regering zijn de door de leden van de fractie van de VVD genoemde wetten in overeenstemming met het verdrag; alle bestaande wetgeving is in het kader van dit wetsvoorstel doorgelicht en getoetst. Het is aan de verantwoordelijke uitvoerders om te borgen dat door middel van een zorgvuldige uitvoering de uitvoeringspraktijk van de genoemde wetten in lijn met het verdrag is.


De leden van de fractie van de VVD vragen van welk type gegevens verzekeraars gebruik maken om te komen tot een individuele risicobeoordeling en wat de gevolgen zijn van deze beoordeling voor de verzekeringnemer.

Vooropgesteld wordt dat de informatie die verzekeraars nodig hebben om een risicobeoordeling te kunnen maken, kan verschillen al naar gelang het (type) risico. In het algemeen maken verzekeraars bij de risicobeoordeling gebruik van actuariële of statistische gegevens. Het is denkbaar dat in voorkomende gevallen en met inachtneming van de Wet op de medische keuringen ook gebruik gemaakt wordt van medische gegevens, indien dat voor een individuele risicobeoordeling nodig is.

De voorgestelde wijziging van de Wgbh/cz leidt ertoe dat financiële diensten onder de werking van deze wet worden gebracht. De wijziging heeft tot gevolg dat direct onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte niet is toegestaan. Indirect onderscheid kan onder omstandigheden gerechtvaardigd zijn. Personen met een (bepaalde) chronische ziekte of handicap kunnen dus niet op grond van die ziekte of handicap anders worden behandeld dan andere verzekeringnemers. Dit geldt ook voor verzekeringen.

Een zorgvuldige risicobeoordeling kan ertoe leiden dat de verzekeringnemer die een handicap of chronische ziekte heeft, een verzekering kan sluiten met dezelfde premie en onder dezelfde voorwaarden als een ander die deze handicap of chronische ziekte niet heeft. Artikel 3 van de Wgbh/cz sluit echter niet uit dat betrokkene als gevolg van de risicobeoordeling de verzekering onder omstandigheden slechts tegen betaling van een hogere premie of met een beperktere dekking kan sluiten (net als dat bij andere verzekeringnemers het geval kan zijn). De rechter en het College voor de Rechten van de Mens zijn desverzocht bevoegd om te toetsen of hierbij geen ontoelaatbaar (indirect) onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte plaatsvindt.


De leden van de fractie van de PvdA vragen wie de functie van samenwerkingsplatform overneemt van Alles Toegankelijk nu deze is opgeheven en of dit een taak is van het platform inclusie en of de regering het met deze leden eens is dat een dergelijk samenwerkingsplatform van groot nut kan zijn bij de uitvoering van het verdrag.
Aan de in het bestuur van Alles Toegankelijk deelnemende organisaties is gevraagd, in overeenstemming met het uitgangspunt bij de start, om de ontwikkelde kennis en producten bij beëindiging van Alles Toegankelijk goed te verankeren bij de reguliere partijen. Met de betrokken organisaties van Alles Toegankelijk, zijnde vertegenwoordigers van cliënten, bedrijfsleven en gemeenten is besproken op welke wijze de (aanstaande) ratificatie van het verdrag en met name de implementatie daarvan, die onder andere toegankelijkheid betreft, kan worden gestimuleerd. Dit heeft zijn beslag gekregen in het plan van aanpak. In het plan van aanpak wordt het platform inclusie (werktitel) genoemd. Het platform verbindt partijen zowel uit de rijksoverheid, gemeenten (VNG), het bedrijfsleven / werkgevers en (VNO-NCW) / MKB Nederland en vertegenwoordigende organisaties van mensen met een beperking (Alliantie implementatie VN-verdrag). Zij functioneren in het platform als gelijkwaardige partners. Daarmee kan dit platform als samenwerkingsplatform worden beschouwd zoals de leden van de fractie van de PvdA aangeven. Dit platform heeft dan ook, zoals deze leden opmerken, een belangrijke rol bij de uitvoering van het verdrag. Het platform beoogt samen met partners de groeiende aandacht voor de inclusieve samenleving een flinke duw te geven. Met de nadruk op in beweging komen en van denken naar doen gaan.
De leden van de fracties van PvdA, SP, CDA, D66, ChristenUnie en GroenLinks stellen vragen over het ontbreken van concrete doelen en een tijdpad in het plan van aanpak, hetgeen door deze leden als een gemiste kans wordt gezien. Deze leden verzoeken de regering hierop een toelichting te geven. De leden van de fracties van PvdA, CDA, D66, ChristenUnie en GroenLinks vragen voorts of de regering alsnog concrete doelen gaat formuleren om de inclusieve samenleving uiteindelijk te bereiken met een tijdslijn daarbij. De leden van de fractie van de SP vragen wat wordt verstaan onder “pledges,” wat er gebeurt met beloftes die door partijen niet worden waargemaakt en welke organisaties zijn betrokken bij de uitwerking van het verdrag. Verder vragen de leden van de fractie van D66 wanneer de verdere vertaling van het plan van aanpak in concrete maatregelen gereed zal zijn en of een investeringsagenda hier onderdeel van zal zijn. De leden van de fractie van het CDA zien het plan van aanpak vooral als een procesbeschrijving en vragen de regering aan te geven waarom er niet voor is gekozen om eerste afspraken te maken waar in het kader van het verdrag mee kan worden begonnen. Deze leden vragen of er nu geen kostbare tijd verloren dreigt te gaan. Leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de regering het ermee eens is dat verschillende partijen voortvarend aan vervolgafspraken dienen te werken. In dat verband vragen zij zich af of het doen van pledges niet te vrijblijvend is en vragen de regering aan te geven waarom hiervoor is gekozen.
Het uitgangspunt is een progressieve verwezenlijking van het verdrag, dat programmatisch van aard is en waarbij gewerkt wordt aan een samenleving die steeds meer inclusief en toegankelijk wordt. Het verdrag geeft hierbij de richting aan.

De regering is met de belangrijkste betrokkenen zoals (vertegenwoordigers van) de doelgroep van het verdrag, werkgevers, bedrijfsleven en gemeenten, na een uitvoerige gedachtewisseling ter zake, van mening dat de implementatie van het verdrag vooral een proces van cultuurverandering en vernieuwing is dat zijn beslag moet krijgen in de samenleving, met name op lokaal niveau en met inachtneming van ieders verantwoordelijkheid. Het realiseren van een inclusieve samenleving is immers geen kwestie van op landelijk niveau ‘op een knop drukken’. Bovendien is op voorhand niet vast te stellen welke maatregelen in de samenleving ‘in het algemeen’ genomen moeten worden. Er moet, zoals reeds vermeld, op de diverse terreinen van het verdrag gewerkt worden aan progressieve verwezenlijking. Het verdrag expliciteert niet welke maatregelen de staat dient te nemen en op welke wijze. Er bestaat voor staten, zo ook voor Nederland, veel vrijheid in de wijze waarop aan de verwezenlijking daarvan wordt gewerkt.


De regering is daarbij van oordeel dat dit de inzet vergt van veel verschillende maatschappelijke partijen, binnen de vele verschillende beleidsdomeinen die het verdrag bestrijkt.

Het plan van aanpak beschrijft, zoals de leden van de fractie van het CDA opmerken, derhalve inderdaad een procesaanpak om te komen tot gerichte acties in de samenleving. Zoals eerder is toegelicht, zal met de inrichting van een bestuurlijk overleg en een platform inclusie (werktitel) worden ingezet op het bereiken van concrete afspraken door allerlei organisaties en combinaties van organisaties, die bestaande of nieuwe activiteiten gaan uitvoeren. Onder andere zijn dat (vertegenwoordigers van) de doelgroep van het verdrag, werkgevers, bedrijfsleven, gemeenten, rijksoverheid en een groot aantal andere maatschappelijke organisaties. Op 26 augustus jl. heeft een dergelijk bestuurlijk overleg plaatsgevonden op het ministerie van VWS. De begrijpelijke en terechte wens zoals geformuleerd door meerdere fracties om een concretiseringslag te maken is daarbij uitgebreid aan de orde gekomen. De door partijen breed gedeelde opvatting is dat deze concretiseringslag inderdaad van grote waarde is. Tevens tussen betrokken partijen gedeeld dat de beste manier om dit te bereiken is door concrete doelstellingen te formuleren op basis van daadwerkelijk door mensen ervaren problemen. Op die manier wordt gestreefd naar een eenvoudige, praktische aanpak op lokaal en landelijk niveau die voor mensen daadwerkelijk tot verbeteringen leidt op korte- en lange termijn.

Een andere vorm waarbij partners zich kunnen committeren is het ondertekenen van een zogenoemde ‘pledge’: een plechtige belofte waarin de doelen, activiteiten en het delen van de voortgang en ervaringen beschreven staan en wat de partners concreet zullen doen. Met een pledge betuigen organisaties hun steun aan de doelstelling om te komen tot een inclusieve samenleving. Het is een verklaring waarmee de organisaties die de pledge ondertekenen de verantwoordelijkheid op zich nemen om hun ambities en voornemens in concrete activiteiten en resultaten om te zetten en over de voortgang daarvan te rapporteren. De inhoud van de pledge is aan de betrokken partijen. Aangezien deze pledges vanuit deze partijen zelf worden opgezet en partijen zich hieraan committeren, verwacht de regering dat deze pledges ook daadwerkelijk zullen worden waargemaakt door de betrokken partijen. Het bestuurlijk overleg, daarin gevoed door het platform inclusie, moet bewaken dat de pledges voldoende concreet zijn en ook werkelijk worden uitgevoerd, mede om te voorkomen dat pledges te vrijblijvend worden, een risico waar de leden van de fractie van de ChristenUnie op wijzen. Daarmee is de regering van mening dat er wel degelijk concrete doelen zullen worden geformuleerd, maar dan wel op basis van wat er op dat moment, afhankelijk van de situatie en op basis van hetgeen er in samenspraak met de verschillende betrokken partijen als kans of knelpunt wordt gezien, nodig is. De uitwerking van de concrete doelen zal dan ook in de praktijk dicht bij de burger op lokaal/gemeentelijk niveau plaats vinden. Bijvoorbeeld via de lokale agenda’s voor inclusie die ook door de Alliantie worden geopperd. Het zal een proces zijn, waarbij steeds wisselende accenten moeten kunnen worden gelegd.
In overleggen met de vertegenwoordigers van de doelgroepen en ook tijdens de hoorzitting van uw Kamer, komen steeds twee zaken naar voren: het vergroten van de bewustwording en de noodzaak voor een lokale aanpak “dicht bij de burger”. Deze zaken staan in het huidige plan van aanpak genoemd. Daar moet naar de mening van de regering nu als eerste de aandacht naar uit gaan en acties op worden ontwikkeld op de wijze zoals hierboven is toegelicht.

De regering is voornemens om in het najaar een kwartiermaker aan te stellen die in nauw overleg met de beoogde partners, toewerkt naar een concrete beschrijving van de externe en interne werkwijze van het platform. Het platform moet werkzaam zijn uiterlijk op het moment van inwerkingtreding van het verdrag waarmee een ‘vliegende start’ mogelijk wordt. Door VWS worden middelen beschikbaar gesteld voor de activiteiten van het platform inclusie om tot concrete afspraken te komen.


De leden van de fractie van de PvdA, SP, CDA en D66 willen graag meer duidelijkheid over de rol die de centrale overheid voor zichzelf ziet bij de uitvoering van dit plan van aanpak en de ratificatie van het verdrag en hoe de eigenstandige rol van de overheid als verdragspartij wordt vormgegeven. Zo vragen de leden van de fractie van de PvdA welke doelstellingen de regering deze kabinetsperiode nog wil bereiken en wat daarvoor nodig is. De leden van de fractie van de SP en D66 vragen wie er coördineert namens de regering en welke bewindspersoon verantwoordelijk is voor de uitvoering van het plan van aanpak. De leden van de fractie van het CDA vragen waarom de regering voor zichzelf een andere rol ziet dan de rol die zij de lokale overheid toedichten. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke verantwoordelijkheid de regering zelf als wetgever en systeemverantwoordelijke draagt voor het plan van aanpak. De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe de regering haar eigen rol ziet inzake de uitvoering van het verdrag en hoe de overheid haar eigenstandige rol met betrekking tot wetgeving en beleid wil oppakken. Voorts vragen deze leden op welke wijze de regering haar voorbeeldfunctie en aanjaagfunctie op het gebied van gelijke rechten en een inclusieve samenleving verder wil invullen.
De staat ratificeert het verdrag en is als verdragspartij verantwoordelijk voor de uitvoering ervan. Nadat het verdrag is geratificeerd, ligt de “verzekerende rol” van de uitvoering van het verdrag dus bij de overheid. Dit betekent dat de overheid ervoor verantwoordelijk is dat het verdrag wordt nagekomen en dat nieuwe wet- en regelgeving niet in strijd is met het verdrag. De staat moet op grond van het verdrag ook twee jaar na ratificatie en daarna elke vier jaar een rapport indienen bij het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap over de maatregelen die zijn genomen en over de voortgang die is geboekt.
In artikel 33 van het verdrag staat beschreven dat lidstaten binnen hun bestuurlijke organisatie een of meer contactpunten dienen aan te wijzen. In de memorie van toelichting bij de goedkeuringswet staat dat het ministerie van VWS de rol van contactpunt op zich zal nemen. Dit betekent dat de coördinerende rol is belegd bij de bewindspersoon van VWS. Vanuit die rol is de bewindspersoon van VWS te samen met de voor de diverse onderwerpen verantwoordelijke andere bewindspersonen aanspreekbaar op het realiseren van voortgang in de implementatie. Vanuit deze stelselverantwoordelijkheid is de regering ook aanspreekbaar op mogelijke belemmeringen in landelijk beleid. In de komende periode maakt de regering zoals eerder toegelicht, afspraken met partijen zoals vertegenwoordigers van de doelgroep van het verdrag, werkgevers en gemeenten, die een onmisbare rol hebben bij de implementatie. De regering heeft daarbij vooral een agenderende en aanjagende taak. Het bestuurlijk overleg is bedoeld om met deze partijen de voortgang van de implementatie van het verdrag te analyseren en waar nodig bij te sturen door landelijke stimulansen te bespreken, in gevallen waarin bepaalde onderwerpen op lokaal of sectoraal niveau onvoldoende worden opgepakt.

Ten aanzien van de rol van gemeenten het volgende. Zoals vermeld is de regering aanspreekbaar op haar stelselverantwoordelijkheid en maakt zij in dat verband afspraken met belangrijke partijen. Zo ook met gemeenten aangezien zij dicht bij de burger staan en verantwoordelijk zijn voor een groot aantal zaken die de positie van mensen met een beperking in de samenleving direct beïnvloeden. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om wonen, werken, ondersteuning, openbaar vervoer, de gemeentelijke infrastructuur en het onderwijs. Met de Wmo 2015 hebben gemeenten bovendien de expliciete opdracht om de zelfredzaamheid, eigen regie en maatschappelijke participatie van mensen met een beperking te vergroten. Gemeenten spelen derhalve een belangrijke rol bij de implementatie van het verdrag. In samenwerking met vertegenwoordigende organisaties van mensen met een beperking kunnen gemeenten beleid maken dat het beste past bij wat lokaal nodig is.


De gedeelde ambitie van de regering en de maatschappelijke partijen die reeds zijn genoemd, is om een beweging in gang te zetten en de groeiende aandacht voor de inclusieve samenleving een flinke duw te geven. Daarbij ligt de nadruk op in beweging komen en van denken naar doen gaan. Een belangrijk doel is om de beweging steeds weer impulsen te geven. Hierbij kan gedacht worden aan impulsen ter verbetering van de toegankelijkheid, de positie op de arbeidsmarkt, bejegening en nog vele andere zaken. Op de vele domeinen van het verdrag kan nog vooruitgang worden geboekt. De regering wil tijdens deze regeerperiode, zoals eerder vermeld, starten met het vergroten van de bewustwording en daar acties op ontwikkelen via de wijze zoals die is beschreven in het plan van aanpak. Zorgen voor bewustwording in de gehele samenleving is van groot belang. Weten waar mensen met een beperking hinder ondervinden waardoor ze niet kunnen participeren, levert meer begrip op en daarmee ook meer wil om in actie te komen. In deze regeerperiode moet daarmee een aanvang zijn gemaakt. Ook wil de regering tijdens deze periode bewerkstelligen dat er vanaf de inwerkingtreding van het verdrag een werkend proces is rond de implementatie. Dit betekent dat het platform inclusie (werktitel) is geïnstalleerd en operationeel is en er is sprake van een goede afstemming op bestuurlijk niveau over de voortgang. Zoals hiervoor aangegeven is in een onlangs gehouden bestuurlijk overleg tussen betrokken partijen afgesproken dat de beste manier om een concretiseringslag te maken is door doelen te formuleren op basis van daadwerkelijk door mensen ervaren problemen. Op die manier wordt gestreefd naar een eenvoudige, praktische aanpak op lokaal en landelijk niveau die voor mensen daadwerkelijk tot verbeteringen leidt op korte- en lange termijn.
Het uitgangspunt van inclusief beleid is dat vooraf goed wordt nagedacht over toegankelijkheid.

Hoe toegankelijker een samenleving is, hoe meer personen met een beperking zelfstandig aan de samenleving kunnen deelnemen. Dit heeft mede tot gevolg dat minder of minder snel een beroep op (financiële) ondersteuning door de overheid zal worden gedaan. Bovendien kan worden aangenomen dat hoe toegankelijker de samenleving is, hoe minder er in een concreet geval een verzoek om een redelijke aanpassing zal worden gedaan. De regering is het eens met de leden van de fractie van GroenLinks dat de overheid daarbij een voorbeeldfunctie heeft. Overigens dient de overheid hier zelf ook nog wel de nodige stappen in te zetten. Zo is er ook binnen de overheid nog meer bewustwording noodzakelijk bijvoorbeeld ten aanzien van toegankelijkheid van informatie en gebouwen. Dit zal in het kader van de verdere tenuitvoerlegging van het verdrag dan ook nog de nodige aandacht moeten krijgen in samenspraak met de maatschappelijke partijen via de wijze zoals eerder is beschreven. Een mogelijkheid is dat de overheid dit doet in de vorm van een pledge.


De leden van de fracties van de PvdA en ChristenUnie stellen vragen over een publieks- en bewustwordingscampagne. De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af in hoeverre daarbij geleerd is en gebruik gemaakt wordt van andere bewustwordingscampagnes rondom dementie in het buitenland en die van Alzheimer Nederland en of dergelijke campagnes breder ingezet kunnen worden dan voor bewustwording rondom dementie. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of er een bewustwordingscampagne komt en op welke termijn. Voorts vragen deze leden wat de hoofdboodschap van een dergelijke campagne zal zijn.
Bewustwording is een belangrijk element in het kader van de implementatie, aangezien deze op elk niveau in de samenleving moeten worden opgepakt. De regering is van mening dat een campagne een goed instrument is om meer bewustwording te creëren. Er wordt aangesloten bij de landelijke campagne tegen discriminatie die op korte termijn zal worden ingezet door het ministerie van BZK. Op dit moment wordt onderzocht op welke wijze dat kan, bijvoorbeeld via een deelcampagne waarin aandacht zal zijn voor mensen met een handicap in verschillende domeinen zoals arbeidsparticipatie. Van belang hierbij is dat mensen met een beperking zich herkennen in deze campagne. Daarom zullen ook (vertegenwoordigers van) mensen met een beperking worden betrokken bij de voorbereiding en het formuleren van de hoofdboodschap. De campagne moet bijdragen aan bewustwording van het publiek over wat het hebben van een beperking in interactie met de samenleving betekent. In dat kader wordt bezien hoe het moment van ratificatie van het verdrag en deze campagne op elkaar kunnen aansluiten.
Ten aanzien van het gebruik maken en leren van andere bewustwordingscampagnes zoals die rondom dementie het volgende. Er wordt altijd kennis van en ervaring met andere campagnes gebruikt bij de totstandkoming van nieuwe campagnes. Echter de boodschap die een campagne beoogt over te brengen of andere aspecten van een campagne verschillen altijd. Derhalve kan niet zomaar gebruik worden gemaakt van het werkingsmechanisme van een andere bewustwordingscampagne.
De leden van de fracties van PvdA, SP, CDA, D66 en ChristenUnie vragen om een nadere toelichting over de structuur rond de implementatie van het verdrag. De leden van de fractie van de PvdA vragen welke onderwerpen op het bestuurlijk niveau worden besproken. Verder vragen deze leden welke concrete doelstellingen het platform inclusie heeft, welke tijdslijn er wordt gehanteerd en uit welke partijen dit platform bestaat en wie daar aan tafel zitten. Daarbij vragen deze leden welke domeinen door het platform als prioriteit worden aangemerkt en welke activiteiten worden overwogen. Voorts vragen deze leden hoe de voortgang wordt gemeten door het platform. Tevens vragen zij zich in dit verband af of de samenleving na twee jaar volledig inclusief is, aangezien als doorlooptijd van het platform twee jaar wordt aangehouden. De leden van de fractie van de SP vragen wie er deelnemen in het bestuurlijk overleg en wie aan het platform inclusie. Tevens willen deze leden weten hoe het zit met de salariëring voor de functies. Deze leden vragen zich ook af hoe de regering ervoor gaat zorgen dat het motto ‘Nothing about us, without us’ in het plan van aanpak verwerkt wordt. Verder willen deze leden weten waarop het platform inclusie zich moet baseren om te constateren dat Nederland zich goed of niet goed houdt aan het verdrag. Ook is het deze leden niet duidelijk hoe deze overlegstructuren zich verhouden tot het ministerie van VWS. Deze leden vragen, net als de leden van de fractie van D66 en de leden van de fractie van de ChristenUnie, om een toelichting op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het ministerie van VWS en de andere ministeries, het bestuurlijk overleg, het platform inclusie en de andere betrokken partijen. De leden van de fractie van de SP geven daarbij nog aan dat het niet alleen gaat over het maken van afspraken, maar ook om de uitvoering van beleid. De leden van de fracties van CDA en D66 vragen hoe het bestuurlijk overleg zich verhoudt tot de stuurgroep VN-verdrag waar in de memorie van toelichting ook over gesproken is en willen weten hoe binnen de overheid (interdepartementaal en centraal-decentraal) onderlinge afstemming tot stand komt. Deze leden benadrukken dat vooraf helder moet zijn wie waarvoor verantwoordelijk is en wie er uiteindelijk een beslissing kan nemen en verzoeken de regering hierover duidelijkheid te verschaffen.
Over de structuur die wordt ontwikkeld voor de implementatie van het verdrag, kan de regering het volgende toelichten.
De regering roept ten behoeve van de implementatie een bestuurlijk overleg en het platform inclusie (werktitel, hierna het platform) in het leven. Zowel in het bestuurlijk overleg als in het platform komen de maatschappelijke partijen die nauw betrokken zijn bij de implementatie samen.

In het bestuurlijk overleg hebben in ieder geval zitting de Alliantie VN-verdrag (waarin Ieder(in), LPGGz, LFB, Per Saldo en de Coalitie voor Inclusie zijn verenigd), de VNG, VNO NCW/MKB NL en de staatssecretaris van VWS als coördinerend bewindspersoon. Wanneer nodig kunnen bewindspersonen van relevante ministeries bij het bestuurlijk overleg worden uitgenodigd indien het gaat om thema’s waarvoor zij beleidsinhoudelijk verantwoordelijk zijn en waarvoor er behoefte is om nadere afspraken over te maken of indien er vragen leven ten aanzien van de uitvoering van beleid. Het bestuurlijk overleg komt meerdere malen per jaar samen.


Op dit moment is nog niet bekend uit welke partijen het platform precies zal bestaan. Voor de vormgeving en inrichting van het platform zal een kwartiermaker worden aangesteld. Tijdens deze fase werkt de kwartiermaker in nauw overleg met de al eerder genoemde betrokken maatschappelijke partijen, toe naar een concrete beschrijving van de externe en interne werkwijze - en op basis daarvan aan – een voorstel met betrekking tot de inrichting van het platform. Het platform moet werkzaam zijn uiterlijk op het moment van inwerkingtreding van het verdrag. De opdracht voor de kwartiermaker wordt door de deelnemende partijen van het bestuurlijk overleg vastgesteld. Vaststaat dat er in het platform mensen werkzaam zullen zijn met een ‘doenersmentaliteit’ die in staat zijn om te verbinden en creatief en slagvaardig tot resultaten kunnen komen. Uiteraard dienen deze mensen tevens te beschikken over een netwerk dat relevant is voor de implementatie van het verdrag. Dit kunnen mensen zijn uit de geledingen van de maatschappelijke partijen zelf of bij een voor het verdrag relevante sector. Het platform moet zelf inclusief werken, dus mét de mensen met een beperking: “nothing about us, without us” zoals de leden van de fractie van de SP terecht aangeven. In de kwartiermakersfase zal ook worden bepaald hoe de salariëring van de mensen die werkzaam worden in het platform wordt vormgegeven. Hierbij zal uiteraard rekening worden gehouden met de daartoe geldende overheidsrichtlijnen.
Ten aanzien van de verantwoordelijkheidsverdeling nog het volgende. Het bestuurlijk overleg fungeert als opdrachtgever van het platform. Het platform kan vervolgens zelfstandig opereren binnen het door het bestuurlijk overleg afgegeven mandaat. Het platform ontwikkelt vervolgens ook voorstellen en initiatieven voor bestuurlijke afspraken (adviserende rol). Het platform zwengelt de samenwerking in brede netwerken aan, waarbij partijen zelf hun verantwoordelijkheid nemen die nodig is om de inclusieve samenleving dichterbij te brengen. Dat zijn bijvoorbeeld werkgevers, werknemers, maatschappelijke organisaties, scholen, gemeenten et cetera. Zij kunnen zich committeren door bijvoorbeeld een pledge te ondertekenen. Het platform moet bewaken dat de pledges voldoende concreet zijn en ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Er zijn ook andere activiteiten mogelijk dan het ontwikkelen van pledges. Het verdrag betreft alle domeinen van de samenleving en voor die domeinen zijn wellicht verschillende activiteiten mogelijk of noodzakelijk. De kwartiermaker zal zich hierover buigen alsmede over de hoofddoelen en -activiteiten van het platform en een typering van de beoogde resultaten op korte en langere termijn. Vooralsnog wordt een looptijd van twee jaar aangehouden voor het platform. Dit betekent uiteraard niet dat na die twee jaar de samenleving volledig inclusief is, waar de leden van de fractie van de PvdA terecht op wijzen. Wel kan na die periode worden vastgesteld of de inzet van het platform voldoende effectief is geweest, zodat kan worden bezien of voorzetting, eventueel in gewijzigde vorm, van toegevoegde waarde is.
In het bestuurlijk overleg zullen alle ontwikkelingen met betrekking tot de rechten van mensen met een beperking aan de orde kunnen worden gesteld. Zoals hiervoor aangegeven, moeten daadwerkelijk door mensen ervaren problemen daarbij leidend zijn teneinde tot een praktische aanpak te komen. Hier wordt bovendien de voortgang van de implementatie in de samenleving door de betrokken partijen geanalyseerd, bewaakt en waar nodig en mogelijk bijgestuurd. Het overleg biedt de mogelijkheid voor gezamenlijke reflectie en bespreking van mogelijke initiatieven die (lokaal) het beoogde effect zouden kunnen sorteren. Dit kan gevoed worden vanuit het platform dat bijvoorbeeld aan de hand van pledges kan beoordelen of er voldoende beweging gaande is in de samenleving, maar dit kan ook door vertegenwoordigende partijen zelf worden aangekaart. Daarmee wordt voorzien in het zicht houden of er in Nederland activiteiten worden ontplooid die bijdragen aan de implementatie van het verdrag.

Ten aanzien van de in de memorie van toelichting bij de rijkswet tot goedkeuring van het verdrag genoemde stuurgroep VN-verdrag Handicap zal worden bezien of deze op ambtelijk niveau nog een rol kan vervullen als voorbereidend gremium op het bestuurlijk overleg en schakel met het platform. Dit zal tijdens de kwartiermakersfase, mede aan de hand van de voorstellen van de kwartiermaker, worden bezien.


De leden van de fractie van de PvdA vragen hoe de Kamer wordt geïnformeerd over het bestuurlijk overleg en over de voortgang van de implementatie van het verdrag. De leden van de fractie van de SP vragen of de regering bereid is om de verslagen van het bestuurlijk overleg openbaar te maken, zodat de Kamer haar controlerende functie kan uitoefenen op de gemaakte afspraken en het implementatieproces van het verdrag. In het kader van de controlerende functie verzoeken deze leden de regering ook de Kamer periodiek te informeren over gemaakte afspraken en uitvoering van het verdrag.
De regering acht het van belang om uw Kamer jaarlijks over de voortgang te informeren. En uiteraard ten tijde van de rapportage over de voortgang aan het VN-comité twee jaar na ratificatie en op andere momenten als er zaken met betrekking tot de voortgang te melden zijn. Hierover zal uw Kamer per brief worden geïnformeerd door de staatssecretaris van VWS als coördinerend bewindspersoon. Hierbij kan gedacht worden aan activiteiten en resultaten van het platform en belangwekkende zaken uit het bestuurlijk overleg. Aangezien verslagen persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren en de externe deelnemers aan het overleg bevatten die niet van te voren op de hoogte zijn gesteld van eventuele openbaarmaking, is het staande praktijk in het verkeer met uw Kamer dat deze niet worden toegezonden. Omdat de regering echter zo maximaal mogelijke transparantie wil betrachten zullen deze, indien de Kamer dat zou wensen, ter vertrouwelijke inzage bij de griffie worden gelegd.
De leden van de fractie van de PvdA constateren dat er drie onderdelen gefinancierd worden door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, te weten: (1) de inrichting, exploitatie en activiteiten van het platform inclusie, (2) de monitoring door het College van de Rechten van de Mens en (3) de activiteiten in het kader van bewustwording. Deze leden vragen of nader kan worden aangegeven om welke bedragen het gaat per activiteit en op basis waarvan het benodigde budget is vastgesteld. Zo willen deze leden weten welke middelen worden vrijgemaakt voor de publiekscampagne en welke middelen specifiek voor de uitvoering van de af te spreken ‘pledges’ en waar in de begroting middelen ter beschikking worden gesteld. De leden van de fractie van de ChristenUnie zouden graag de meerjarenbegroting van het plan van aanpak willen zien en willen weten hoeveel middelen er op korte en lange termijn gereserveerd zijn voor het verwezenlijken van de inclusieve samenleving.
De regering begrijpt de behoefte van deze leden om meer inzicht te krijgen in de middelen voor de activiteiten van het platform, de monitoring door het College voor de rechten van de mens en de activiteiten in het kader van de bewustwording. De kosten van de monitoring door het College van de rechten van de mens voor dit jaar en volgend jaar bedragen per jaar circa € 0,5 miljoen. Voor de overige kosten waar de leden naar vragen kan de regering helaas niet meer melden dan dat het proces van uitwerking van het op 12 juni aan de Tweede Kamer toegezonden plan van aanpak en – aan de hand daarvan – oordeelsvorming over de daarvoor benodigde middelen gaande is. De aan te stellen kwartiermaker zal hierin een belangrijke rol spelen. Zodra daarover meer duidelijkheid bestaat, zal uw Kamer uiteraard worden geïnformeerd.
De leden van de fractie van de SP willen weten wie precies de coördinatie en de juridische verantwoordelijkheid draagt, indien een claim wordt ingediend als niet aan het verdrag wordt voldaan.
Nadat het verdrag is geratificeerd ligt de “verzekerende rol” van de uitvoering van het verdrag bij de overheid. De Staat is partij bij het verdrag en daarmee juridisch gebonden aan de verplichtingen die volgen uit het verdrag. De coördinerende rol ligt bij de Staatssecretaris van VWS.
Op landelijk niveau wordt een coördinatiepunt ingericht waarin de Staatssecretaris van VWS in zijn coördinerende rol en de voor de diverse onderwerpen verantwoordelijke andere bewindspersonen samen met vertegenwoordigers van cliënten, werkgevers en gemeenten het proces beschouwen en mogelijkheden van landelijke stimulansen bespreekt, in gevallen waarin bepaalde onderwerpen op lokaal of sectoraal niveau onvoldoende worden opgepakt.

Zoals reeds verschillende malen is aangegeven heeft het verdrag een programmatisch karakter, wat betekent dat de bepalingen een opdracht aan de staat inhouden om maatregelen te nemen met als doel de rechten van personen met een handicap te verzekeren. Deze bepalingen expliciteren dus niet precies welke maatregelen de staat dient te nemen en op welke wijze. Naar het oordeel van de regering zijn er in het kader van dit verdrag geen andere bepalingen die rechtstreeks werkend zijn in de Nederlandse rechtsorde dan al geregeld in eerdere algemene verdragen (zoals ook verwoord in de memorie van toelichting).



De leden van de fractie van de SP vragen of de regering de mening deelt dat zij een primaire verantwoordelijkheid draagt dat het verdrag wordt gevolgd voor de toegang tot basale, door de regering te garanderen, voorzieningen als het gaat om inkomen, werk, zorg en huisvesting. De leden van de fractie van het CDA merken op dat lidorganisaties en belangenorganisaties van mensen met beperkingen stellen dat de toegang tot basale voorzieningen (werk vinden, zorg krijgen, wonen en onderwijs) een ‘harder’ recht is in het VN-verdrag dan in huidige wetgeving. Deze leden willen graag een uitgebreide visie van de regering op dit specifieke punt en vernemen graag of de regering het eens met deze belangenorganisaties en zo ja, waarom wel en zo nee, waarom niet.

Het onderhavige verdrag roept geen nieuwe rechten in het leven. Het is een toegesneden uitwerking van de verplichtingen voortvloeiend uit bestaande mensenrechtenverdragen, met name ook uit het IVESC. In het algemeen kan niet gesteld worden dat onderhavig verdrag een “harder” recht verleent ten opzichte van andere mensenrechtenverdragen. De huidige wetgeving is, ook voor wat betreft de toegang tot basale voorzieningen, in overeenstemming met de verplichtingen die voortvloeien uit de bestaande mensenrechtenverdragen en uit onderhavig verdrag.


De leden van de fractie van de SP vragen zich af of de regering zich heeft laten inspireren door andere landen die het verdrag al hebben geratificeerd. Indien dit het geval is vragen deze leden hoe de regering hierdoor geïnspireerd is geraakt en indien dit niet het geval is, waarom niet. Voorts vragen deze leden of de regering bij de uitwerking van het plan ook een inventarisatie heeft gemaakt van hoe landen zoals Zweden, Duitsland en België het plan van aanpak hebben uitgewerkt. Indien dit het geval is, willen deze leden weten wat de regering hiervan heeft geleerd. Specifiek wijzen de leden van de fractie van de SP op het plan van Duitsland en of de regering daarbij heeft gekeken naar de overeenkomsten en verschillen met Nederland. Indien dit niet het geval is, willen deze leden weten of de regering alsnog bereid is deze analyse te maken en naar de Kamer te sturen.
In de nota naar aanleiding van het verslag bij de goedkeuringswet wordt een beeld geschetst van de implementatie van het verdrag in andere landen binnen de EU. Essentie daarvan is dat landen een coördinatiemechanisme hebben opgericht met betrokkenheid van organisaties die mensen met een beperking vertegenwoordigen. De inrichting van dat coördinatiemechanisme wordt overigens overal verschillend ingevuld op basis van hoe het land is georganiseerd. Verder worden plannen van aanpak voor de implementatie opgesteld. De inhoud van die plannen van aanpak zijn, gelet op de diversiteit van de EU-landen, verschillend van aard. De regering heeft derhalve kennisgenomen van de aanpak van andere EU-landen, zo ook die van de landen die door de leden van de fractie van de SP worden genoemd.
Zweden

Zweden heeft een strategie ontwikkeld voor 2011-2016. De implementatie van het verdrag vormt de basis voor toekomstig beleid. In deze strategie zijn negen prioritaire thema’s opgenomen: fysieke toegankelijkheid, ICT-beleid, sociaal beleid, onderwijs, arbeidsmarkt, toegang tot de rechter, vervoer, gezondheid, cultuur, media en sport.


België

België heeft vooralsnog geen plan van aanpak opgesteld voor de implementatie. Dit was overigens een van de kritiekpunten van het VN-comité. Naar aanleiding daarvan is mei jongstleden op landelijk/federaal niveau een proces gestart om tot een plan van aanpak te komen. Ook gaan Vlaanderen, Wallonië en het Duitssprekende deel van België voor zover dit nog niet het geval is, een eigen lokale agenda voor de implementatie opstellen.


Duitsland

Vanwege de federale structuur van Duitsland, ligt een belangrijk onderdeel van de implementatie bij de Duitse deelstaten. De federale regering heeft op 15 juni 2011 een plan van aanpak goedgekeurd, met daarin een algemene strategie op lange termijn voor de implementatie van het verdrag. De maatregelen die daarin zijn opgenomen zijn met name gericht op het dichten van de bestaande kloof tussen de juridische situatie en de praktijk. Het actieplan van de federale overheid wordt aangevuld met andere actieplannen van de deelstaten, gemeenten en maatschappelijke organisaties, alsmede aanbieders van diensten voor personen met een handicap.

De meeste deelstaten hebben eigen actieplannen ontwikkeld of zijn nog bezig om die te ontwikkelen. Op basis hiervan heeft de regering vastgesteld dat de situatie in het eigen land leidend is voor de wijze waarop de implementatie van het verdrag wordt vormgegeven. Dit betekent dat bij het opstellen van het plan van aanpak vooral de situatie in Nederland als uitgangspunt is genomen. Nederland is een netwerksamenleving waarin de verhoudingen horizontaler zijn dan vroeger en met meer bestuurslagen. Dit leidt er toe, zoals ook eerder is toegelicht, dat er samenwerking nodig is in brede netwerken, waarbij partijen zelf de verantwoordelijkheid nemen. Cultuurverandering kan in Nederland niet top-down, met een druk op de knop, worden gerealiseerd. Dat is een belangrijk vertrekpunt voor de aanpak voor de implementatie van het verdrag.
De leden van de fractie van de SP vragen nadere uitleg bij de 7 interpretatieve verklaringen die de regering voornemens is af te leggen bij de ratificatie van het verdrag. Deze leden vragen de regering een overzicht te sturen met daarin een uitleg per verklaring waarom de regering hier vanaf wil afzien. De leden van de fractie van de PvdA merken op dat de regering op een vraag van deze leden antwoordt dat enkele bepalingen in het verdrag open zouden staan voor meerdere interpretaties en dat enkele van deze interpretaties zouden kunnen conflicteren met bestaand nationaal beleid. Deze leden vragen nader aan te geven met welke nationale wetgeving en met welke aspecten hiervan de zeven bepalingen uit het verdrag botsen.

Inleidende opmerking:


De vraag van de leden van de fractie van de SP lijkt aan te geven dat de regering van bepaalde zaken in het verdrag wil afzien. De vraag van de leden van de fractie van de PvdA gaat uit van het botsen van nationale wetgeving met verdragsbepalingen. Van belang is dat de regering gekozen heeft voor het afleggen van interpretatieve verklaringen. Zoals de regering in de toelichting bij het wetsvoorstel heeft aangegeven, zal het verdrag worden nageleefd en gevolgd. De verklaringen dienen ter verduidelijking op welke wijze het verdrag door Nederland wordt geïnterpreteerd. Met de gegeven verduidelijking is geen sprake van een botsing tussen de verdragsbepalingen en nationale wetgeving en praktijk, en wordt niet van de verdragsbepalingen of onderdelen daarvan afgezien.

Artikel 10


Artikel 10 ziet op de beschermwaardigheid van het leven, zoals die ook reeds is vastgelegd in artikel 6 IVBPR en artikel 2, eerste lid, van het EVRM. De tekst van de bepaling in dit verdrag wijkt wel af van de andere verdragen. De vertalingen van dit verdrag laten ruimte open voor de vraag hoe het begrip ‘eenieder’ moet worden ingevuld, zoals in de toelichting bij het wetsvoorstel is aangegeven. Waar de Franse tekst het heeft over een ‘personne humaine’ gaat het in de Engelse versie over een ‘human being’. Dit roept de vraag op in hoeverre ‘eenieder’ nu juist als persoon, of eerder als menselijk wezen moet worden gezien. Het verdrag legt daarnaast een positiefrechtelijke verplichting op aan staten die partij zijn om maatregelen te nemen teneinde te waarborgen dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen ten volle het inherente recht op leven kunnen genieten.

Onduidelijk is daarmee in hoeverre de bepaling eenzelfde reikwijdte heeft als vergelijkbare bepalingen in andere verdragen. Ten aanzien van de reikwijdte van het recht op leven zoals dat in artikel 2 van het EVRM is vastgelegd is de nodige discussie geweest. Er bleek behoefte aan meer duiding van dat recht. Als voorbeeld van een nadere uitwerking kan genoemd worden de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak van Vo t. Frankrijk (EHRM 08 juli 2004, nr. 53924/00). In die uitspraak heeft het Hof aandacht besteed aan de vraag waar het recht op leven uit die verdragsbepaling precies begint. Het Hof kwam tot de conclusie dat de verdragsbepaling een zekere beoordelingsmarge overlaat aan de bij het verdrag aangesloten staten. Het is aan de bij het verdrag aangesloten staten om in nationale wetgeving een nadere uitwerking te geven. De regering acht het van belang bij de nieuwe formulering in dit verdrag aan te geven dat aansluiting wordt gezocht bij artikel 2 van het EVRM, en de invulling van het recht in nationale wetgeving nader is uitgewerkt. Meer specifiek gaat het daarbij om de afweging die in Nederland is gemaakt om een zwangerschap af te mogen breken totdat de vrucht naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is buiten het moederlichaam in leven te blijven, zoals vastgelegd in het Wetboek van Strafrecht en de Wet afbreking zwangerschap. Ook betreft het mogelijkheden om in een latere fase de zwangerschap actief te beëindigen, zoals opgenomen in de Regeling late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging pasgeborenen, en de afweging die is gemaakt omtrent het gebruiken van embryo’s voor andere doeleinden dan het tot stand brengen van een zwangerschap, zoals geregeld in de Embryowet.

Artikel 12
De nationale wetgeving die betrekking heeft op artikel 12, vierde lid, van het VN-verdrag Handicap betreft onder meer Boek 1 Titels 17, 19 en 20 van het Burgerlijk Wetboek, die recentelijk zijn gewijzigd door de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap. De wet biedt de mogelijkheid om ondercuratelestelling te verzoeken. Ondercuratelestelling heeft tot gevolg dat de handelingsbekwaamheid wordt beperkt. Nederland begrijpt artikel 12, vierde lid, zo dat plaatsvervangende besluitvorming (zoals bij ondercuratelestelling) is toegestaan in bepaalde (uitzonderlijke) situaties. In de nota naar aanleiding van het verslag over de goedkeuringswet heeft de regering gewezen op de noodzaak van het als ultimum remedium kunnen inzetten van de ondercuratelestelling.5 Het verdrag biedt deze ruimte volgens Nederland.

De regering heeft echter kennisgenomen van “General Comment nr. 1 on Article 12” van het Comité voor de rechten van personen met een handicap (hierna: VN-comité) waaruit blijkt dat dit VN-comité de opvatting heeft dat uit artikel 12, vierde lid, van het VN-verdrag Handicap zou volgen dat elke vorm van plaatsvervangende besluitvorming (‘substituted decision-making’) vervangen moet worden door ondersteunende besluitvorming (‘supportive decision-making’).6 Het VN-comité onderkent dat ‘its understanding of Article 12 diverges from the understanding common to the Contracting States, as evidenced by all the initial reports of State Parties so far’.

Over de status van deze “general comment” merkt de regering het volgende op. Een “general comment” van een verdragscomité kan een waardevol instrument zijn om lidstaten te ondersteunen bij de interpretatie en implementatie van de rechten die in het verdrag worden gewaarborgd. De “general comment” heeft echter een niet-bindend karakter en de verplichtingen die lidstaten bij ratificatie van het verdrag zijn aangegaan kunnen niet met een dergelijk instrument worden opgerekt. Dit laatste is met name van belang te noemen nu een meerderheid van de lidstaten (zo niet alle) artikel 12, vierde lid, van het VN-verdrag op een wijze interpreteert waaruit volgt dat plaatsvervangende besluitvorming in bepaalde gevallen mogelijk blijft.
Gelet op de opvatting van het VN-comité dat plaatsvervangende besluitvorming onder het verdrag niet geoorloofd zou zijn, ziet de regering aanleiding een interpretatieve verklaring af te leggen onder artikel 12, vierde lid, van het verdrag. Hiermee wordt duidelijkheid geboden over de verplichtingen die volgens Nederland uit het verdrag volgen en waaraan het zich bij ratificatie van het verdrag verbindt. De verschillende interpretatieve verklaringen die door landen als Australië, Canada, Noorwegen en Polen reeds zijn afgelegd onder artikel 12 steunen de lezing van de Nederlandse regering dat plaatsvervangende besluitvorming onder het verdrag geoorloofd is wanneer dit noodzakelijk is en met voldoende waarborgen is omgeven.7

Artikel 14


Over artikel 14 het volgende.
Het Committee on the Rights of Persons with Disabilities heeft in een ‘general comment’ van maart 2014 gesteld dat uit artikel 12 in samenhang met een aantal andere verdragsbepalingen voortvloeit dat het verdrag gedwongen zorg bij mensen met een handicap verbiedt. De regering is van mening dat het standpunt van het Committee betekent dat de enkele aanwezigheid van een handicap nooit voldoende is als grondslag voor gedwongen zorg. Er moet sprake zijn van gedrag dat voortvloeit uit de handicap en dat leidt tot ernstig nadeel. Gedwongen zorg is op grond van het wetsvoorstel Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en het wetsvoorstel Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) altijd pas mogelijk als een uiterst middel nadat de mogelijkheden tot vrijwillige zorg zijn uitgeput en er geen andere mogelijkheid meer is om ernstig nadeel te voorkomen, (het “nee, tenzij”-principe) en nadat daarvoor een zorgvuldige procedure is doorlopen. Het gaat erom dat enkel de handicap als zodanig geen rechtvaardiging is voor gedwongen zorg en dat gedwongen zorg alleen als uiterste middel mogelijk is en met juridische waarborgen moet zijn omkleed. Dit standpunt van Nederland over gedwongen zorg is in lijn met de mensenrechtelijke standaarden van de Raad van Europa. Om hierover geen onduidelijkheid te laten bestaan, legt de regering hierover bij artikel 14 een interpretatieve verklaring af. Die interpretatieve verklaring is daarnaast wenselijk om duidelijk te stellen dat de eisen die artikel 14  aan gedwongen zorg stelt, ook van toepassing zijn bij de noodzakelijke behandeling van een psychische stoornis. Australië en Noorwegen hebben reeds over dit artikel een vergelijkbare interpretatieve verklaring afgelegd als de Nederlandse regering voornemens is af te geven.

Artikel 15


De tweede volzin van artikel 15, eerste lid, ziet op deelname aan medisch-wetenschappelijk onderzoek. Het verdrag stelt als voorwaarde dat deelname steeds berust op in vrijheid gegeven toestemming.

Toestemming is een belangrijk en fundamenteel uitgangspunt ter waarborging van de belangen van proefpersonen. Bij het vormgeven van de bescherming die proefpersonen behoeven is essentieel dat niet alleen gelet wordt op de risico’s en belasting van deelname aan medisch-wetenschappelijk onderzoek. Ook de vooruitgang van de medische wetenschap gericht op het tot stand brengen van betere behandelmethoden of diagnostiek voor alle patiënten moet daarin meegewogen worden. Bij kwetsbare groepen, die niet in staat zijn zelf toestemming voor deelname aan onderzoek te kunnen geven, gaat het om het vinden van de juiste balans. Recent is de Verordening betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG vastgesteld (Verordening 536/2014). Voor kinderen en wilsonbekwame volwassenen is in de verordening een nadere invulling aan deze weging gegeven. Eerder dit jaar is aan uw Kamer een voorstel gestuurd tot het aanpassen van de wijziging van de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen in verband met het wijzigen van de mogelijkheden voor het verrichten van medisch-wetenschappelijk onderzoek met minderjarigen en meerderjarige wilsonbekwamen (Kamerstukken II 2014/15, 33 508, nr. 13). Het voorstel behelst het opnemen van de Europese norm in de Nederlandse wet voor alle vormen van medisch-wetenschappelijk onderzoek. De norm reflecteert dat wanneer kwetsbare groepen meedoen aan medisch-wetenschappelijk onderzoek de risico’s en belasting moeten worden beperkt, maar deelname zonder toestemming van deze proefpersonen zelf niet wordt uitgesloten. Van belang is dat ook voor deze groepen nieuwe wetenschappelijke inzichten mogelijk gemaakt worden. Hun betrokkenheid bij de uitvoering kan daarvoor noodzakelijk zijn. Hoe het vereiste van toestemming door de proefpersoon zelf, zoals dat in het verdrag is opgenomen, moet worden gelezen verdient daarom enige uitleg. De regering zal de interpretatieve verklaring die bij ondertekening is afgelegd herhalen en herzien, om te reflecteren op welke wijze het met de verdragsbepaling te bereiken belang wordt gediend.

Artikel 23
Dit artikel gaat over de eerbiediging van de woning en het gezinsleven. Meer in het bijzonder ziet het eerste lid, onder b, van artikel 23 onder meer op beslissingen omtrent gewenst aantal kinderen en geboortespreiding en over toegang tot leeftijdsrelevante informatie. De aanhef van het artikel geeft aan dat het staten verplicht daartoe doeltreffende en passende maatregelen te treffen. Onderdeel b benadrukt dat personen met een handicap van alle noodzakelijke middelen worden voorzien om te waarborgen dat de rechten om in vrijheid en bewust te kunnen beslissen over het gewenste aantal kinderen en geboortespreiding en op toegang tot leeftijdsrelevante informatie, voorlichting over reproductieve gezondheid en geboorteplanning worden erkend.

Voor zover de plicht aan staten onder onderdeel b meer zou omvatten dan het waarborgen van toegang tot informatie en voorlichting, is de vraag hoe ver deze plicht om personen met een handicap te voorzien van noodzakelijke middelen om deze rechten uit te oefenen, precies gaat. Dit is in het bijzonder het geval bij de vraag wat als verantwoorde medische zorg moet worden gezien in het kader van hulpverlening gericht op het tot stand brengen van zwangerschappen. Een dergelijke plicht bestaat immers niet in algemene zin ten aanzien van eenieder. Bovendien dient bij de verplichting tot het beschikbaar stellen van de noodzakelijke middelen niet alleen rekening gehouden te worden met de belangen van de wensouders, maar zal ook gelet moeten worden op de belangen van het toekomstige kind. In het tweede lid van hetzelfde artikel is benadrukt dat bij zaken omtrent onder meer voogdij en adoptie in alle gevallen de belangen van het kind voorop dienen te staan. Bij onderdeel b van het eerste lid van artikel 23 heeft de regering aangegeven de bij ondertekening afgelegde verklaring bij bekrachtiging te zullen herhalen. Die verklaring geeft aan dat bij de verplichtingen die voortvloeien uit het eerste lid, onder b, van artikel 23 eenzelfde lezing past, zodat ook daar de belangen van het – in dit geval toekomstige – kind voorop staan. Het gaat hier specifiek om de toegang tot vruchtbaarheidstechnieken. Daarbij is er geen uitzonderingspositie voor personen met een handicap. Van belang is wel dat rekening gehouden kan worden met de belangen van het toekomstige kind. Deze praktijk wordt geacht in lijn te zijn met de wijze waarop naar opvatting van de regering deze verdragsbepaling moet worden gezien, zoals moge blijken uit de bij ondertekening afgelegde en bij bekrachtiging te herhalen verklaring.

Artikel 25
In de beantwoording van de vragen van de PvdA in de nota naar aanleiding van het verslag is uitgegaan van het advies dat het College voor de Rechten van de Mens aan de regering heeft uitgebracht. In dat advies is geen specifieke aandacht besteed aan de bij ondertekening van het verdrag overlegde interpretatieve verklaring bij artikel 25 van het verdrag. In 2014 heeft het College ook een advies aan de Tweede Kamer uitgebracht. Daarin wordt wel specifiek stilgestaan bij artikel 25, en de door de regering voorziene interpretatieve verklaringen.

Het College meent allereerst dat met de interpretatie die bij onderdeel a van artikel 25 wordt gegeven, een onderscheid wordt gemaakt tussen (wens)ouders met en zonder handicap dat zich niet verhoudt met het discriminatieverbod zoals dat in artikel 5 van het verdrag wordt bepaald. De interpretatieve verklaring zou daarmee haaks staan op de eerbiediging van het gezinsleven uit artikel 23, eerste lid, van het verdrag.

Het recht op het genot van het hoogst haalbare niveau van gezondheid is vastgelegd in artikel 25. Passende maatregelen moeten door staten die partij zijn bij het verdrag worden genomen personen met een handicap de toegang te waarborgen tot diensten op het gebied van seksespecifieke gezondheidszorg. Specifiek is aangegeven dat staten personen met een handicap voorzien van hetzelfde aanbod met dezelfde kwaliteit en volgens dezelfde normen voor gratis of betaalbare zorg op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid. Van belang is dat er geen verboden onderscheid wordt gemaakt bij aanspraken en vergoedingen. Tegelijk moet in ogenschouw genomen worden dat toegang tot hulpverlening op medisch inhoudelijke gronden wordt vastgesteld. In het geval van IVF worden medische factoren die de kans op succes bepalen meegenomen in afwegingen omtrent het aanbod, alsook de situatie waarin het kind terecht komt en de belangen van het kind daarin. Dit betekent dat specifieke eigenschappen van de wensouders, die ook – maar zeker niet uitsluitend – kunnen samenhangen met een handicap, de toegankelijkheid van dergelijke vruchtbaarheidstechnieken kunnen bepalen. Hiertoe zal een interpretatieve verklaring bij dit onderdeel van artikel 25 worden afgelegd bij bekrachtiging. Zoals in de toelichting bij het wetsvoorstel is aangegeven, zijn de aanspraken die verzekerden op grond van het Nederlandse stelsel van sociale ziektekostenverzekeringen kunnen inroepen wettelijk verankerd. De regering wordt geadviseerd door de het College voor zorgverzekeringen over het verzekerde pakket, en maakt daarbij budgettaire afwegingen. Niet alles wat mogelijk is in de gezondheidszorg kan ook in het pakket worden opgenomen.

Ten aanzien van onderdeel f van artikel 25 merkt het College op dat een interpretatieve verklaring om de autonomie van de patiënt te benadrukken bij keuzes van de patiënt zelf rondom medische behandeling, voedsel en vocht, overbodig is. In onderdeel f van artikel 25 gaat het om de verplichting aan staten te voorkomen dat gezondheidszorg, -diensten, voedsel en vloeistoffen op discriminatoire gronden vanwege een handicap worden ontzegd. Het onderdeel is volgens het College bedoeld om mensen met een beperking er tegen te beschermen dat door beslissingen van derden hen zorg wordt ontzegd. Het vloeit uit de algemene beginselen van het verdrag voort dat de wil en voorkeuren van mensen met een beperking moet worden gerespecteerd. De interpretatieve verklaring voegt hier niets aan toe, aldus het College.

De verdragsbepaling stelt dat staten moeten voorkomen dat op discriminatoire gronden personen zorg, voedsel of vocht wordt ontzegd. De regering wil met de verklaring de autonomie van de persoon met een handicap juist onderstrepen. Van belang is dat de keuze van de persoon zelf om af te zien van behandeling of voedsel en vocht door de omgeving en hulpverlening wordt gerespecteerd. Om die reden is bij ondertekening een verklaring afgelegd, die aangeeft dat dit onderdeel in het licht van de genoemde autonomie van de patiënt wordt gelezen. Dit beginsel van zelfbeschikking is uitgangspunt voor veel gezondheidsrechtelijke wetgeving, en in dit kader vastgelegd in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Een persoon met een handicap kan voor palliatieve sedatie en daarmee samenhangend het staken van vocht en voedsel kiezen.

Het is echter ook mogelijk dat de patiënt niet meer goed in staat is zelf en dergelijke keuze te maken. Een arts kan in die situatie tot de conclusie komen dat behandeling of het toedienen van vocht of voedsel als medisch zinloos handelen moet worden beschouwd. Belangrijk is dat dit niet als een verboden onderscheid moet worden gezien, ook al kan de situatie waarin de patiënt verkeert samenhangen met een ernstige handicap. De interpretatieve verklaring van artikel 25 zal daarom worden uitgebreid. De verantwoordelijkheid van een arts om af te kunnen zien van zinloos medisch handelen vloeit voort uit diens verplichting tot goed hulpverlenerschap, zoals opgenomen in de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (Wgbo) en de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG).

Artikel 29
Voor wat betreft artikel 29 van het verdrag is er geen sprake van een mogelijke botsing tussen een verplichting op grond van het Verdrag en nationale wetgeving, maar van mogelijke strijdigheid van verschillende verplichtingen die artikel 29 van het Verdrag in het leven roept. Door het afleggen van een interpretatieve verklaring bij deze bepaling wordt getracht hieromtrent duidelijkheid te scheppen.

Artikel 29 verplicht de partijen bij het Verdrag ertoe om de stemvrijheid en het stemgeheim van personen met een handicap te waarborgen. Om dit mogelijk te maken moet onder meer ondersteuning zijn toegestaan bij het uitbrengen van de stem. Nu artikel 29 geen onderscheid maakt naar de aard van de handicap is het noodzakelijk hier duidelijkheid over te scheppen, omdat anders het stemgeheim en de stemvrijheid van personen met een verstandelijke beperking niet kunnen worden gegarandeerd. De interpretatieve verklaring moet duidelijk maken dat de term “ondersteuning” in artikel 29, onderdeel a, onder iii, naar het oordeel van de regering moet worden opgevat als ondersteuning buiten het stemhokje, behoudens voor zover het fysiek noodzakelijke ondersteuning betreft. Alleen dan wordt uitvoering gegeven aan de in artikel 29 van het Verdrag verankerde bescherming van het recht van personen met een handicap om in het geheim en zonder intimidatie hun stem uit te brengen en ter waarborging van de vrije wilsuiting van personen met een handicap. De Nederlandse wetgeving regelt in artikel J 28 Kieswet, dat bijstand in het stemhokje slechts aan kiezers is toegestaan vanwege hun lichamelijke gesteldheid. Buiten het stemhokje kan vanzelfsprekend alle gewenste ondersteuning worden geboden (zoals uitleg over het stembiljet), maar het uitbrengen van de stem is iets wat de kiezer zelfstandig moet doen. Alleen zo kunnen de stemvrijheid en het stemgeheim worden gewaarborgd.


De leden van de fractie van de SP vragen of de Nederlandse staat geen schertsfiguur slaat vanwege de zeven voorbehouden. Deze leden vragen hoe andere landen hiermee omgaan. Tevens vragen zij de regering dit nader toelichten en een overzicht te sturen van voorbehouden die andere landen hebben ingediend.
Vooraf de opmerking dat het Koninkrijk geen voorbehouden heeft gemaakt. Een staat kan bij het ondertekenen of bekrachtigen van een verdrag voorbehouden maken of (interpretatieve) verklaringen afleggen. Met een voorbehoud wordt de juridische binding van het verdrag beperkt. Een verklaring heeft, anders dan een voorbehoud, geen beperking op de verplichtingen die voor de verdragspartij uit het verdrag volgen.
Het Koninkrijk heeft bij ondertekening alleen verklaringen afgelegd. Die verklaringen zullen, met enkele andere verklaringen, bij ratificatie herhaald worden. Andere partijen kunnen hierop reageren. Tot op heden zijn er echter door verdragspartijen geen signalen afgegeven dat zij dat gaan doen.

Door verschillende verdragspartijen zijn verklaringen afgelegd en voorbehouden gemaakt. Een vermelding van de afgelegde verklaringen en gemaakte voorbehouden, met vermelding van de eventueel gemaakte bezwaren door andere verdragspartijen is opgenomen op de website https://verdragenbank.overheid.nl/nl/Verdrag/Details/011595 b.html .


De huidige stand van zaken van augustus 2015 wordt hier opgenomen.




Deel met je vrienden:
  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina