Type oefening



Dovnload 38 Kb.
Datum17.12.2017
Grootte38 Kb.




Type oefening

Estafette

Aandachtspunten

Maak zo klein mogelijke groepjes (tweetallen), zodat de spelers zo veel mogelijk in beweging zijn, of bedenk een vorm waarbij meerdere spelers per groepje tegelijkertijd in beweging moeten komen.

Spreek vooraf duidelijk af:



  • Welk startsignaal gebruikt wordt

  • Waar welke bewegingsvorm wordt toegepast.

  • Vanaf waar je start

  • Waar je eindigt

  • In welke houding je start en eindigt (zitten, staand, liggend).

Simpelste vorm:

Spelers starten achter een lijn en rennen na afgesproken signaal naar de andere kant (en weer terug). Wie is het eerst?



Vormen van houding aan de start en/of eind

  1. Staan: voeten gericht naar de muur of de zaal

  2. Zitten: voeten gericht naar de muur of de zaal

  3. Zitten in hoepel of op mat

  4. Liggen: met hoofd naar de muur of zaal, op buik of rug

  5. Hurken: voeten gericht naar de muur of zaal

Vormen van verplaatsing

  1. Zijwaartse aansluitpas

  2. Shuffle (voor en achterwaarts)

  3. Achteruit rennen

  4. Knieheffen, om en om

  5. Knieheffen met één been

  6. Hakken-billen om en om

  7. Hakken-billen met één been

  8. Knieheffen – hakken-billen om en om

  9. Op handen en voeten (aapjes)

  10. Buikligging (tijgers)

  11. Na elke pas met 2 handen de vloer aantikken

  12. Op de tenen

  13. Huppelpas zonder en met wolenwiek

  14. Kruispas

  15. Hinkelen

  16. Met de handen op de knieën

  17. Met sprongetjes (2 voeten tegelijk)

  18. Met een duik of rol

Verplaatsingsvormen met twee of meer spelers

  1. Kruiwagen: de ene speler houdt de benen van de ander vast

  2. Paard en ruiter: de een bij de ander op de rug

  3. Bokkesprong: de ene speler springt over de gebogen rug van de ander

  4. Hand in hand

  5. Spelers staan in rij achter elkaar. De achterste kruipt tussen de benen door naar voren en gaat vooraan staan. Dan start de volgende.

  6. Spelers staan in rij achter elkaar en leggen een arm op de schouder van de speler voor hen. De achterste speler zigzagt om de spelers, onder de armen (poortjes) door en sluit voor aan. Dan start de volgende achterste speler,

Verplaatsing met bal

  1. Bal op de hand dragen (binnenkant / rug / vingertoppen

  2. Zelfde, maar dan bal boven het hoofd houden

  3. Bal met één hand dribbelen, met bal muur aantikken

  4. Bal met twee handen dribbelen, met bal muur aantikken

  5. Bal onder een been door dribbelen

  6. Met bal tussen de knieën

  7. Met sprongetjes (2 voeten tegelijk) en bal tussen de voeten (konijnensprongen)

  8. Bal van ene naar andere hand gooien

  9. Kruipen op handen en voeten, bal voortdrijven met hoofd (“geitenbal”)

Met banken

Aantal banken achter elkaar zetten:

  1. Over de bank rennen / verplaatsen

  2. Bank tussen de benen, rennen of met sprongetjes

  3. Bank tussen de benen, in kikkersprong, handen op de bank

  4. Met één voet op de bank en andere voet ernaast

  5. Buik op de bank houden en met armen voorttrekken

  6. Bal op de bank dribbelen

  7. Speler op de bank, bal op de vloer dribbelen

Met hoepels

Maak bij gebruik van een hoepel de afspraak dat de spelers de hoepel neerleggen.

  1. Halverwege het veld door hoepel heen kruipen

  2. De een houdt hoepel vast, de ander kruipt of duikt er door

  3. Iets in de hoepel leggen

  4. Iets door de hoepel doorgeven / gooien

  5. Met de hoepel om het lijf verplaatsen

  6. Elke speler 2 hoepels: van de achterste in de voorste hoepel stappen en steeds de achterste hoepel naar voren verplaatsen

Met pionnen en/of palen

  1. Zigzag om pionnen heen

  2. Zigzag pionnen aantikken

  3. Tennisbal(len) van de ene op de andere pion(nen) leggen

  4. Stok over pionnen leggen en erover springen

  5. Rondje om de paal

  6. Rondje om de paal, voeten gericht naar voren houden

Met kast

  1. Over de kast klimmen

  2. Iets over de kast gooien

Met mat

  1. Op de mat een koprol maken

  2. Op de rug op de mat liggen en de bal x keer omhoog gooien en vangen / bovenhands spelen.

Vormen van doorgeven

Materialen die kunnen worden doorgegeven:

  • Tennisballen

  • Pittenzakjes

  • Ballen

  • Blokjes

  • Lintjes

Iets bij het net doorgeven:



  • Onder het net door

  • Over het net: verschil tussen geven en gooien!

  • Achterstevoren tussen de benen door onder het net.

  • Achterstevoren over het net

Estafettevormen






  1. Spelers staan per tweetal aan beide kanten van het net. Spelers1 geven na fluitsignaal, de bal aan spelers2. Spelers2 rennen met bal naar achterlijn, tikken met bal achterlijn of muur aan en rennen terug, geven bal door aan speler1, etc. Elke speler gaat x keer heen en weer.







  1. In de hoepels aan één kant liggen x ballen. Spelers1 rennen naar de hoepel, pakken 1 bal en geven deze bij het net door aan spelers2. Deze rennen naar hun hoepel en leggen de bal erin. Terug naar het net, spelers1 aantikken, deze rennen om 2e bal te halen etc.




  1. Zelfde, maar nu ligt er ook een rij hoepels onder het net. De ballen worden nu niet direct aan elkaar doorgegeven, maar neergelegd in en weggepakt uit de hoepel onder het net.









  1. Aan de ene kant liggen 3 pittenzakjes in de hoepel, aan de andere kant 3 (tennis)ballen. Spelers starten aan het net, rennen naar de hoepel, pakken bal en zakje en geven dat onder het net aan elkaar door en leggen het in de hoepel aan hun eigen kant. Etc.




Per groepje één bal.

  1. Spelers staan achter elkaar in een rijtje, de voorste heeft de bal. De bal wordt tussen de benen achterwaarts of voorwaarts doorgegeven.

  2. Zelfde, maar de bal wordt met 2 handen boven het hoofd doorgegeven naar achteren (en evt. weer terug).

  3. Zelfde als vorige, maar dan zittend

  4. Zelfde, maar dan heen boven het hoofd en terug tussen de benen door.

  5. De spelers staan naast elkaar in rij en geven de bal zijwaarts door.

  6. Alle vorige vormen, maar nu worden één voor één x aantal ballen uit een hoepel voor de rij gepakt en in een hoepel achter de rij gelegd.

  7. Met één bal, de voorste speler sluit telkens achteraan nadat hij de bal heeft doorgegeven. De rij verplaatst zich zo naar achteren. Welke groep is als eerste de lijn over (en evt. weer terug)?






Per groepje één bal.

  1. Speler1 staat ca. 2 meter voor een rijtje spelers. Speler1 gooit bal naar voorste speler. Deze gooit of speelt terug en gaat zitten. Dan gooit speler1 naar de 2e speler in het rijtje etc. Daarna terug (achterste speler gaat staan, vangt en gooit terug etc.). Als de bal wegrolt, eerst halen en terug in de rij, dan weer verder. Welk rijtje is het snelst?




Groepje in crikels

  1. Twee groepjes in twee cirkels. 1 of meer ballen zo snel mogelijk bovenhands naar elkaar gooien of spelen. Welke groep heeft het snelst 20 goede ballen achter elkaar?

  2. Zelfde, maar bij bepaald signaal wordt richting veranderd.

  3. Inhaalbal. De spelers (even-aantal) van beide teams staan in één grote cirkel. Er zijn twee ballen in het spel. Twee spelers van verschillende teams beginnen na signaal en spelen in dezelfde richting naar hun eigen teamgenoten (ze slaan dus telkens een speler van ander team over). Welk team haalt de bal van het andere team in?




  1. Groepjes van vijf in vierkant. Spelers lopen hun bal achterna. Welk groepje is als eerste foutloos weer in de uitgangspositie?




  1. Per groepje 2 matten. De groep verplaatst zich van de ene kant naar de andere kant via de matten. De groep pakt dus telkens de mat achter zich en legt deze voor zich, waarna alle spelers op de voorste mat springen, etc. Komt er een voet op de vloer, dan opnieuw beginnen.




Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina