Type-1 allergie



Dovnload 42.36 Kb.
Datum23.12.2017
Grootte42.36 Kb.

Voedselovergevoeligheden

Allergie

De vormen van allergie kunnen worden ingedeeld naar vier typen: type-1, type-2, type-3 en type-4. Deze vier vormen van allergie hangen in grote mate samen met verschillende ziektebeelden, zoals astma, eczeem, hooikoorts, ... Overigens is in veel gevallen sprake van een combinatie van enkele van de vier typen allergie. De indeling kan helpen bij het begrijpen van de verschillende vormen van allergie en de ziektebeelden.



Type-1 allergie

De meeste allergische reacties hangen samen met het type-1 allergie. Voorbeelden zijn hooikoorts, allergisch astma en constitutioneel eczeem. Typisch voor deze vormen van allergie is dat het lichaam antistoffen aanmaakt na blootstelling met een stof die in feite niet schadelijk is (het allergeen). De antistoffen die worden geproduceerd, heten ‘immunoglobulinen van het type E’ (afgekort IgE). Met dit IgE start vervolgens een proces dat uiteindelijk leidt tot de vrijgifte van o.a. histamine.

Histamine veroorzaakt de allergische klachten zoals verstopping van de neus, jeuk van de ogen, niezen, of kortademigheid. Kenmerkend voor een type-1 allergie is dat de klachten snel optreden, al binnen ongeveer 20 minuten na blootstelling met het allergeen. Na de eerste allergische reactie kan echter ook een late allergische reactie optreden en kunnen zelfs chronische klachten volgen (Allergievoorlichting, 2011).

​De video hieronder is een weergave van het proces van een type-1 allergische reactie.





​Type-2 allergie

Deze vorm van allergie is van het cytotoxische soort. Met andere woorden, een reactie die samenhangt met de afweer via de T-cellen. Een voorbeeld van deze vorm van allergie is de bloedtransfusie reactie die ontstaan zodra iemand bloed ontvangt van een donor met een andere bloedgroep. Antistoffen hechten zich aan de ‘lichaamsvreemde cel’ en vernietigen deze cel. Ook sommige reacties op geneesmiddelen vallen onder dit type allergie.



Type-3 allergie

Dit is het zogenoemde immuuncomplex-type. Een type-3 allergie is meestal betrokken bij allergische reacties bij het gebruik van een geneesmiddel



Type-4 allergie

Deze vorm van allergie wordt ook wel het ‘vertraagde type’ genoemd. Een type-4 allergie wordt veroorzaakt door T-cellen en gaat vaak gepaard met een ontstekingsreactie en weefselbeschadiging. Contacteczeem is een voorbeeld van een type-4 allergie, denk hierbij bijvoorbeeld aan nikkelallergie ​(Allergievoorlichting, 2011).

Voedselallergie

Bij een allergie speelt het immuunsysteem een belangrijke rol. In normale omstandigheden beschermt dit systeem ons tegen lichaamsvreemde stoffen zoals virussen en bacteriën (antigenen) door antistoffen te produceren.

Een voedselallergie is een ongewone reactie op een onschadelijk voedingsbestanddeel. In bepaalde omstandigheden gaat het immuunsysteem dit voedingsbestanddeel zien als een indringer. Deze indringer wordt een allergeen genoemd. Bij het eerste contact met dit allergeen zal het afweersysteem antistoffen gaan produceren (= sensibilisatie). In deze fase treden er nog geen klachten op. Pas na een volgend contact met het allergeen zijn de klachten er wel, vaak zelfs bij de kleinste hoeveelheid voedsel.

De klachten zijn persoonsgebonden en gaan van zeer mild tot zeer ernstig. Ze zijn beperkt tot één symptoom of een verzameling van symptomen. Meestal verschijnen de klachten binnen de 15 à 20 minuten na de consumptie van het allergeen.

Allergische klachten kunnen zich uiten via:


  • de luchtwegen: hoesten, piepende adem, kortademig, pijn op de borst, benauwd, vernauwde keel, hese stem, waterige ogen, niezen, verstopte neus, lopende of jeukende neus

  • de huid: uitgebreide roodheid, uitslag over hele lichaam, zwelling tong/lippen/huid onder de ogen, jeuk

  • de maag en darmen: braken, diarree, slikproblemen, misselijkheid, pijn, krampen

  • de hersenen: angst, hoofdpijn, metaalsmaak

  • het hart: bleke of blauwe huid, zwakke pols, duizeligheid, verwardheid, shock, bewusteloosheid

De 14 meest voorkomende allergenen in voedingsmiddelen in Europa zijn: ei, lupine, melk, mosterd, noten, pinda, schaaldieren, selderij, sesam, soja, sulfiet, tarwe, vis en weekdieren. Het is verplicht om deze 14 allergenen op de etiketten van voedingsmiddelen te vermelden indien ze aanwezig zijn (Astma en allergiekoepel, 2017, Allergiediëtisten, 2017).




Koemelkeiwitallergie

Bij koemelkeiwitallergie speelt het afweersysteem van het lichaam een rol. Een spoortje koemelkeiwit kan al een allergische reactie opwekken.



Preventie

Hebben de ouders of (één van) de broers of zussen aanleg voor en klinisch aantoonbare tekenen van allergie, dan is de kans groter dat de nieuwe baby allergisch reageert. In die gevallen wordt aangeraden preventief tegen koemelkeiwitallergie te werken tijdens de eerste levensmaanden:




  • Geef de eerste 6 maanden uitsluitend borstvoeding op verzoek. Dit zorgt voor een goede bescherming tegen koemelkeiwitallergie. De mama hoeft niet preventief alle koemelkproducten weg te laten uit de voeding.

  • Daarnaast, als borstvoeding niet mogelijk is, kan de arts een hypo-allergene zuigelingenvoeding voorschrijven. Dit is een zuigelingenvoeding op basis van koemelk waarbij de eiwitten deels afgebroken zijn. Hierdoor wordt het allergeen effect van de koemelk sterk verminderd en is de kans kleiner dat de zuigeling allergisch reageert. Er is geen invloed op andere vormen van allergie.

Paarden- of geitenmelk kan geen koemelkeiwitallergie voorkomen of behandelen. Er is een kans op kruisallergie, wat betekent dat het kind op die eiwitten ook kan reageren met een allergische reactie. Daarnaast is het belangrijk te weten dat de samenstelling van paardenmelk en van geitenmelk niet geschikt is voor baby's.



Symptomen

Veel verscheidene klachten zijn mogelijk en vaak gaat het om een combinatie ervan. Elk kind kan verschillend reageren:




  • maag-darmproblemen: diarree, braken, oprispingen, kolieken, verminderde eetlust, slecht groeien, enz.

  • huidreactie: huiduitslag, eczeem , enz.



  • luchtwegproblemen: hoesten, benauwdheid, enz.


​Diagnose

De diagnose wordt pas gesteld bij weglaten van koemelkeiwitten en opnieuw invoeren van deze producten. Omdat dit kan leiden tot allergische reacties, die soms ernstig en fel kunnen zijn, hoort dit niet tot de preventieve setting. Daarvoor moet verwezen worden naar de behandelende arts.


De meeste baby's met koemelkeiwitallergie verdragen na enkele jaren wel koemelk.

Bij borstvoeding

Heeft een baby die borstvoeding krijgt last van krampen, braken, ontlastingsproblemen, groeivertraging, eczeem, ... dan kan dat een reactie zijn op de koemelkeiwitten uit de voeding van de moeder die via de moedermelk worden doorgegeven. Om dit vermoeden te bevestigen kan de moeder gedurende minstens 3 weken alle koemelk en koemelkproducten uit haar voeding weren. De voeding wordt best aangevuld met calcium verrijkte (soja)producten of calciumtabletten.

Als de baby tijdens de periode waarin geen melkproducten worden gebruikt, minder last bleek te hebben, dan kan er sprake zijn van koemelkeiwitallergie. Hoe lang de koemelkeiwitten moeten geweerd worden uit de voeding van de moeder, is individueel erg verschillend. Geleidelijk terug introduceren van koemelkeiwitten in de voeding van de moeder zal snel duidelijk maken of de baby opnieuw last krijgt, of niet.

Als vast staat dat de baby baat heeft bij het weren van de koemelkeiwitten, is het aan te raden om een diëtist te consulteren. Deze zal een overzicht geven van de te mijden en toegelaten voedingsmiddelen en zal eveneens bekijken welke maatregelen genomen moeten worden zodat de moeder geen voedingstekorten opbouwt (Kind en gezin, 2017).



Voedselintolerantie

Een voedselintolerantie wordt vaak verward met een voedselallergie. Bij een voedselintolerantie speelt het immuunsysteem van het lichaam echter geen rol.

Een voedselintolerantie wordt veroorzaakt door:
–        een tekort aan een bepaald enzyme in het lichaam zoals bij lactose-intolerantie
–        een tekort aan een transporteiwit in de darmen zoals bij fructose-intolerantie
–        door stoffen die van nature in de voeding aanwezig zijn zoals histamine
–        door additieven die toegevoegd worden aan voedingsmiddelen zoals kleurstoffen

In tegenstelling tot een allergische reactie moet je bij een intolerantie een bepaalde hoeveelheid opnemen om een reactie uit te lokken (dit heet grenswaarde of tolerantiegrens). Deze grens is bij iedereen verschillend. De klachten die optreden komen daardoor meestal geleidelijk. Ze zijn van dezelfde aard als de klachten van een voedselallergie. Over het algemeen zijn ze minder ernstig.



De klachten zijn persoonsgebonden en gaan van zeer mild tot zeer ernstig. Ze zijn beperkt tot één symptoom of een verzameling van symptomen.
Klachten kunnen zich uiten via:

  • de luchtwegen: hoesten, piepende adem, kortademig, pijn op de borst, benauwd, vernauwde keel, hese stem, waterige ogen, niezen, verstopte neus, lopende of jeukende neus

  • de huid: uitgebreide roodheid, uitslag over hele lichaam, zwelling van tong/lippen, jeuk

  • maag en darmen: braken, diarree, slikproblemen, misselijkheid, pijn, krampen

  • de hersenen: angst, hoofdpijn, metaalsmaak

  • het hart: bleke of blauwe huid, zwakke pols, duizeligheid, verwardheid, shock, bewusteloosheid

(Allergiediëtisten, 2017)



Lactose-intolerantie

​Lactose-intolerantie komt vaker voor dan koemelkeiwitallergie. De lactaseactiviteit die noodzakelijk is voor de hydrolyse van lactose, is maximaal bij de geboorte, maar neemt vervolgens af. Dit is genetisch bepaald en gebeurt bij 70% van de wereldbevolking. De expressie van de lactaseactiviteit kan echter aanhouden wegens de aanpassing van het menselijk genoom aan de omgeving. Volkeren die zich voeden met de melk van hun veestapel behouden hun lactaseactiviteit, in tegenstelling tot volkeren bij wie melk uitsluitend aan baby’s wordt gegeven.

Naast de als primair beschouwde fysiologische deficiëntie kan een lactasedeficiëntie ook secundair zijn aan een aantasting van het darmslijmvlies. Dit si het geval bij acute infectieuze aandoeningen (virale of bacteriële gastro-enteritis) of een chronische darmaandoening, zoals chronische ontstekingen, coeliakie, voedselallergieën met een weerslag op de spijsvertering, …

De opgenomen lactose die niet wordt geabsorbeerd, blijft in de darmen, waar ze vocht aantrekt en zo diarree veroorzaakt. Ter hoogte van de dikke darm geeft de door de bacteriële flora afgebroken lactose bovendien aanleiding tot de vorming van gassen die verantwoordelijk zijn voor een verergering van de diarree, buikpijn, een opgeblazen gevoel en winderigheid. De diagnose is voornamelijk klinisch en bijkomende onderzoeken zijn meestal nutteloos en duur. Bij lactose-intolerantie moeten melkproducten met een hoog lactosegehalte worden beperkt. Er zijn sterke individuele verschillen in tolerantiegrens (Bouilliez, 2014).




​Opdrachten

In welke voedingsmiddelen zit lactose?

Welke voedingsmiddelen zijn lactosevrij?

Bevat borstvoeding lactose? 

Welke flesvoeding kan gegeven worden bij lactose-intolerantie?

Coeliakie

Coeliakie, ook wel glutengevoelige enteropathie of glutenintolerantie genoemd, is een complexe aandoening te wijten aan een permanent onvermogen gluten uit de voeding te verdragen. Gluten beschadigt het dunnedarmslijmvlies, zodat er een afvlakking ontstaat van de dunne darm, met slechte opname van voedingsstoffen, diarree, constipatie, groeiachterstand, vermoeidheid, … als gevolg.

Erfelijkheid speelt bij coeliakie een rol maar in welke mate is nog niet bekend. Coeliakie is een multifactoriële aandoening die bepaald wordt door zowel genetische als omgevingsfactoren, in de eerste plaats gluten.

Coeliakie kan zowel bij kinderen als bij volwassenen worden vastgesteld. De diagnose kan vermoed worden door een bloedonderzoek maar kan enkel met zekerheid gesteld worden door een dunnedarmbiopsie

Via een bloedafname kan “gescreend” worden voor coeliakie. De interpretatie van het resultaat zal nooit gebeuren zonder ook rekening te houden met de aard en ernst van de klachten. Als er in het bloed antistoffen aanwezig zijn, is de diagnose niet met zekerheid vastgesteld. En ook al zijn in het bloed geen antistoffen te vinden, toch kan coeliakie niet volledig uitgesloten worden. De bepaling van antistoffen kan dus richtinggevend zijn om al of niet verder onderzoek te verrichten, maar zal vaak onvoldoende zijn om de diagnose met zekerheid te stellen. Bij klachten die wijzen in de richting van coeliakie is het verstandig een dunnedarmbiopsie te laten verrichten.

De zekerheidsdiagnose van coeliakie wordt verkregen met een dunnedarmbiopsie. Hierbij wordt een stukje darmslijmvlies weggenomen voor verder onderzoek onder de microscoop, na fixeren en kleuren. Wanneer darmvlokken ontbreken of ernstig beschadigd zijn, wordt het vermoeden van coeliakie bevestigd. Toename van de witte bloedcellen in de oppervlakkige laag van de dunne darm, in combinatie met de klinische symptomen, wordt als een belangrijke factor gezien bij de diagnosestelling.

Voortschrijdend onderzoek heeft er echter toe geleid dat de ESPGHAN (European Society for Pediatric Gastroenterology, Hepatology and Nutrition) in 2012 nieuwe richtlijnen opstelde voor de diagnose van coeliakie bij kinderen en adolescenten. Volgens deze nieuwe richtlijnen is een dunnedarmbiopsie in sommige gevallen niet meer nodig om de diagnose van coeliakie te stellen. De dunnedarmbiopten kunnen volgens de nieuwe richtlijnen achterwege blijven bij kinderen die aan bepaalde voorwaarden voldoen. In België blijft een dunnedarmbiopsie echter noodzakelijk om een vergoeding voor glutenvrije voeding te kunnen verkrijgen via het RIZIV (Vlaamse coeliakievereniging, 2017).

Coeliakie treft 1% van de bevolking. De symptomen starten meestal tussen het veertigste en het zegstigste levensjaar (negen gevallen bij volwassenen voor elk geval bij kinderen), maar de ziekte wordt vaak pas laat ontdekt. De incidentie is toegenomen sinds de jaren 1950, met als mogelijke verklaring de milieugerelateerde toename van auto-immuunziekten.

De behandeling van coeliakie omvat een strikt glutenvrij dieet, levenslang (Bouilliez, 2014).



Preventie

Van zodra vaste voeding geïntroduceerd wordt (vanaf (4-)6 maanden) mogen gluten geleidelijk toegediend worden, ongeacht borst-of kunstvoeding. Dit kan het risico op coeliakie en tarweallergie verminderen. Dit hoeft echter geen reden te zijn om vroeger dan de aanbevelingen te starten met vaste voeding (Kind en gezin, 2017).

Opdrachten

In welke voedingsmiddelen zijn gluten aanwezig?

Welke voedingsmiddelen zijn glutenvrij?

Stel een dagmenu samen voor een baby van 9 maanden met coeliakie (tip: ​http://www.kindengezin.be).




Literatuurlijst

Allergiediëtisten. (2017). Wat is een voedselallergie? Gevonden op 16/2/2017 via https://www.allergiedietisten.com/wat-een-voedselallergie/

Allergievoorlichting. (2011). Wat is allergie? Gevonden op 16/2/1/2017 via http://www.allergievoorlichting.nl/allergie/wat-is-allergie

​Astma en allergiekoepel. (2017). Wat is allergie? Gevonden op 16/2/2017 via http://www.astma-en-allergiekoepel.be/allergie

Bouilliez, Dr. D-J. (2014). Voedselallergie of voedselintolerantie? Food in action. p. 38-40

Kind en gezin. (2017). Koemelkeiwitallergie. Gevonden op 23/2/2017 via ​http://www.kindengezin.be/gezondheid-en-vaccineren/ziek/voedselallergieen/koemelkeiwitallergie/



Kind en gezin. (2017). Op het menu - gluten. Gevonden op 23/2/2017 via http://www.kindengezin.be/voeding-en-beweging/eten-en-drinken/starten-met-vaste-voeding/op-het-menu/

Vlaamse coeliakievereniging. (2017). Wat is coeliakie? Gevonden op 23/2/2017 via https://www.coeliakie.be/wetenschap/wat-is-coeliakie

Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina