Stefan hertmans als prozaïST



Dovnload 23.19 Kb.
Datum26.10.2018
Grootte23.19 Kb.

STEFAN HERTMANS ALS PROZAÏST
Oorlog en terpentijn, de zesde roman en het negende prozawerk van Stefan Hertmans (°Gent 1951), kende bij zijn verschijnen in 2013 een succes dat de veel gelauwerde auteur nog niet eerder te beurt was gevallen. Het boek moest heel snel en herhaaldelijk herdrukt worden, het werd bekroond met de Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap 2014 en met de Prijs van de lezersjury Gouden Boekenuil 2014 en het was al genomineerd voor de Libris Literatuurprijs 2014. Daarbovenop kwam dan nog de AKO Literatuurprijs 2014. Op dat moment waren er al 200.000 exemplaren in Nederland en Vlaanderen over de toonbank gegaan en waren de vertaalrechten verkocht aan gerenommeerde uitgeefbedrijven in Duitsland, Frankrijk, Engeland, Australië, de Verenigde Staten, Italië en de drie Scandinavische landen. Een publieksroman met een onmiddellijk en ongekend succes.

Een volkomen verrassing was deze massale belangstelling en bewondering nochtans niet: Oorlog en terpentijn heeft als uitgangspunt de oorlogsdagboeken van de grootvader van Hertmans en trekt te midden van de vele herdenkingen van de ‘Grote Oorlog’ de aandacht als een direct, bijzonder aangrijpend en authentiek getuigenis. De omvang van dit succes heeft vooral te maken met de kwaliteiten zelf van het boek: het is een subtiel gecomponeerd drieluik waarin de dagboeken van de grootvader in ‘herschreven’ vorm centraal staan, voorafgegaan en gevolgd door commentaar en aanvullingen, met eigen herinneringen, van de kleinzoon. Het is een met veel liefde geschreven hommage aan de grootvader die tegelijkertijd een familiekroniek en een tijdsbeeld bevat: behalve zijn herinneringen aan de gruwelijke belevenissen in de oorlogsjaren heeft de grootvader ook herinneringen aan zijn eigen kindertijd vol armoede in het Gent van rond 1900 vastgelegd. De grootvader, die amateur-schilder en kopiïst was, had bovendien een grote verering voor zijn eigen vader, die kerkenschilder was, zodat er een portret ontstaat van vier generaties. Dit alles in verschillende vertellagen met elkaar verweven en afgewisseld met zeer lyrische, poëtische passages. Hertmans is ook in zijn proza een dichter, die in zijn omgang met het eigen verleden de sporen ervan in het heden leert herkennen en duiden. Deze roman is een pur sang Hertmans-boek, dat geheel in het verlengde ligt van het proza dat is voorafgegaan maar daar nu ook een sterk realistische component aan toevoegt en daardoor een zeer groot publiek kan aanspreken.

De schilderende grootvader was al nadrukkelijk aanwezig in Hertmans eerste prozaboek Ruimte (1981), dat meteen bekroond werd met de Prijs van de Provincie Oost-Vlaanderen voor het debuut (1983). Wie deze roman nu herleest wordt getroffen door de sterk autobiografische component die er toen al was, wat nauwelijks werd opgemerkt door het vernieuwende, grensverleggende karakter van de schriftuur. In Ruimte – een debuut met grote voorouders, zoals eerder al werd opgemerkt – kwam een sensibiliteit aan het licht die verwant is met die van R.M. Rilke, Maurice Gilliams, Willy Roggeman, Paul de Wispelaere en Marcel Proust. De anekdotisch-vertellende mededeling is er verdrongen door een explosieve zelfreflectie en door obsessieve pogingen om een schriftelijke neerslag te vinden voor de geringste inwendige verschuiving of ervaring. Ruimte is een zelfportret waarin wordt geprobeerd het diepste, essentiële bewustzijn te benaderen, dat in nauw verband staat met de omgevende ruimte. Zowat de hele, zeer rijke en zeer diverse thematiek van Hertmans’ veelzijdige oeuvre is hier al aanwezig, maar het anekdotische element – ook de herinneringen aan de eigen kinderjaren – komt slechts sporadisch en fragmentarisch op de voorgrond: centraal is het waarnemende én reflecterende, overgevoelige bewustzijn, dat alleen in flarden kan worden weergegeven. Ook reeds aanwezig in dit eerste boek is de opmerkelijke aandacht voor de natuur, die vooral in details – met het fijn-schildersoog van de grootvader is men nu geneigd te zeggen – met de precieze benaming van planten en bloemen, wordt weergegeven. Die natuurindrukken worden steeds geassocieerd met overal aanwezige geuren, en ook dat is een element dat een constante zal worden in het latere werk. Maar bij het herlezen van Ruimte, na Oorlog en terpentijn, treffen nu vooral de laatste bladzijden, gewijd aan de man met wie de schrijver zich steeds meer verbonden zal voelen: ‘mijn trotse, harde grootvader’, die toen net was overleden. Een verlies dat hem met een ‘volstrekte, eindeloze eenzaamheid’ vervult maar waaruit hij sterkte zal putten, zo noteert de jonge Hertmans al in 1981: ‘Alles wat aftakelt of ontsiert, betekent ook meteen kracht, maakt er de waarde van uit. Het is een litteken, dat waarde verleent aan het gave, omdat het verdichting van materie is door pijn.’

Na Ruimte volgden twee verhalenbundels: Gestolde wolken (1987) en De grenzen van woestijnen (1989), die tegelijk aansluiten bij en zeer sterk verschillen van het debuutproza. Hertmans schrijft ook hier op de schurende rand van de reële wereld en de innerlijke ervaringswereld; ook hier wordt lyrisch proza afgewisseld met beschouwende fragmenten. Maar in de verhalen is de fragmentarische dagboekstructuur verlaten en laat de verteller zijn fantasie de vrije loop: de werkelijkheid wordt afgetast langs haar grenzen met het bovenwerkelijke, het gefantaseerde, vaak het absurde. Deze verhalen zijn in de eerste plaats ontregelend en trekken de ‘gewone’ ervaring door naar vervreemdende projecties, naar een ‘andere’ dimensie die het domein van het realistische verlaat en overgaat in het groteske, het surrealistische. De innerlijke ervaringswereld bekend uit Ruimte, met haar sterke gevoeligheid voor geluids- en geurindrukken, neemt hier gehypertrofieerde of sterk uitvergrote proporties aan. In het eerste verhaal hoort de ik-figuur spijkers fluiten in het hout, de ‘onooglijke angel’ van een mug zwelt tot iets duizelingwekkends, haren waaien ‘overdonderend luid’ en de nevel ‘schuurt als oud zeil’. Hertmans flirt hier al met de eeuwenoude traditie van het groteske, de werkelijkheid vervormende proza, dat in later werk nog in zijn meest grimmige gedaante zal terugkeren. In de twee verhalenbundels blijft de fantasie echter nog speels glijden langs de lijn werkelijk-onwerkelijk-absurd en wordt vooral de komische kant van het groteske belicht: Hertmans creëert een fantasiewereld waarin een huis wordt ervaren als een vlot op het water en zich dan ook gaat verplaatsen, waarin een jonge knaap over een kerk kan springen als hij hoofdpijn heeft en waarin een operazangeres een virtuoze nachtegaal in haar buik blijkt te hebben.



Ook in Naar Merelbeke (1994), de roman waarmee Hertmans als prozaïst voor het eerst doordrong tot een zeer groot lezerspubliek, wordt een wereld vol bizarre dromen opgeroepen. De roman is een ‘leugenachtig boek’, een pastiche van het back-to-the-roots-proza dat in de jaren ’80 zeer populair werd en tegelijk een hilarische, postmoderne ‘remake’ van Maurice Gilliams’ Elias of het gevecht met de nachtegalen. De belevenissen van een jonge, overgevoelige knaap, die vooral uitmunt door zijn buitenissige fantasie, hebben bij Hertmans echter een veel lichtere, vrolijke toets. Door zijn moeder wordt de jongen niet voor niets ‘komediant’ en ‘aanstellerke’ genoemd. Aan het begin van zijn verhaal ‘strijkt’ God neer op zijn hemd in de vorm van een felgeel, driehoekig insect dat een poot mist, rechtsachter. Daarna blijkt het rechterbeen van de knaap geamputeerd te zijn, een wel wat lastige ‘kinderachtige komedie’ die hij volhoudt tot het afsluiten van zijn kinderjaren. Maar er is nog veel meer: in zijn wereld is er sprake van een zich verplaatsende kastanjeboom (de geur van kastanje is daarbij verbonden met seksualiteit – iets waarvoor het kind nog geen woord heeft), het duurt even voor hij doorheeft dat een meisje twee benen heeft en onderaan niet uit één stuk is, hij speelt met een paling (Pol geheten) die hij houdt in een badkuip, hij loopt rond met de sprekende parkiet Louis op zijn hoofd, hij heeft behoefte aan iets of iemand ‘die hem perfect begreep en er altijd was’ en bedenkt hiervoor Mozart met wie hij altijd kan praten. De jongen heeft ook een grote fascinatie voor het vreemde gedrag van oom Doresta die in Rouen woont en een grote liefde heeft voor de niet met name genoemde schrijver Flaubert. De naam Doresta zelf, zo wordt geïnsinueerd, kan ‘Doar es-t-a’ betekenen, Gents voor ‘daar is-t-ie’, of ‘daar is hij’, wat dan een versie is van ‘Ecce homo’. Het hoofdstukje over Mozart opent overigens met ‘Lange tijd ging ik ’s zomers heel vroeg slapen’, een variatie op een veel geciteerde zin uit À la recherche du temps perdu van Proust. En zo staat het boek vol allusies en verwijzingen en vormt het een ironiserend, postmodern spel met het genre, met de literaire traditie. Maar in de eerste plaats is het een ironiserende autobiografie van de kinderjaren, die niet zozeer onverbloemd is als wel fel ingekleurd en bijgekleurd met fantasieën. Met die kinderjaren zijn in de herinnering tal van paradijselijke plekjes verbonden en, niet onbelangrijk, ook de strenge grootvader. Hij wordt geassocieerd met woede (hij verkoopt de kleine een lel als de te zachte vader die niet wil geven), maar maakt ook houten krukken voor hem, leert hem schilderen met olieverf, leert hem wat er in de tuin te zien is en neemt hem mee naar de foor in Gent. De grootvader zit aan een beek te schilderen waar een merel fluit, wat de kleine doet verlangen naar het ‘paradijselijke’ oord Merelbeke. Een teleurstelling, zou nog blijken. De eigen tuin is een mooier paradijs, met veel groen.

Naar Merelbeke werd bekroond met de Prijs voor het Prozawerk van de Provincie Oost-Vlaanderen én met de Prijs van de Vlaamse Provincies (1998). Daarna duurde het nog vrij lang tot er een nieuwe roman verscheen, Als op de eerste dag (2001). Maar intussen publiceerde Hertmans het essayerende reisproza Steden (1998), naast verschillende dichtbundels, essays, kritisch werk en theaterstukken. Als alom gerespecteerd auteur kwam hij ook steeds vaker op de voorgrond in de media met opiniërende stukken.

Als op de eerste dag wordt in de ondertitel als ‘roman in verhalen’ voorgesteld, en deze omschrijving geldt eigenlijk voor bijna alle romans van Hertmans. Het eerste verhaal is helemaal gewijd aan de herinnering aan een ‘donker schilderij’ met een witte pauw op de voorgrond dat in de kamer hing waarin hij sliep als kind. Het is een afbeelding die hij pas later zal kunnen identificeren als een kopie van ‘Landschap met vogels’ van de 17e-eeuwse Nederlandse landschapschilder Melchior de Hondecoeter, vervaardigd door zijn grootvader Urbain Martien, vader van Hertmans’ moeder, inderdaad dé grootvader uit Oorlog en terpentijn en eerder werk. Het hele boek bevat een aantal ‘oerscènes’ of herinneringen aan zijn ‘kinderlijk reservaat’ en aan zijn rebelse schooljaren in Gent, toen hij een grote fan was van Jimi Hendrix en de strenge grootvader de gitaar van de puber consequent ‘die mandolien’ noemde. Ook alle andere verhalen zoeken de impact van ‘de eerste dag’ vast te leggen, de eerste indrukken die onuitwisbaar zijn maar moeilijk in adequate woorden te vatten. In dit boek komt het groteske element (in de door Bachtin beschreven traditie) naar voren in de nadruk op een grote zintuiglijkheid en lichamelijkheid, met veel bloed, zaad en andere lichaamsvochten. De verbeeldingskracht onttrekt zich aan alle regels en haalt het verhevene neer door het te mengen met het triviale. Deze fascinatie voor het vormloze, het uit de band springende en het buitensporige is nog sterker aanwezig in Harder dan sneeuw (2004), aangekondigd als een ‘bloedstollende en ontwrichtende roman, waarin een nachtmerrie werkelijkheid lijkt te worden’. Nieuw in deze roman is dat hij minder beschouwend dan vertellend is geworden en dat hij de recente actualiteit van terreur en complottheorieën in beeld brengt. Het grotesk-vervormende krijgt een genadeloos bedreigende gedaante in een wereld waarin het onmogelijk geachte perfect mogelijk blijkt te zijn. Zoals neerplenzende handjes en het regenen van kikkers – scènes die Hertmans naar eigen zeggen heeft gevonden in een film van David Lynch. De auteur die bij zijn vroegste prozawerk en poëzie nog de reactie ‘moeilijk’ of ‘hermetisch’ kon opwekken, verrast hier zijn lezers met een harde, actievolle thriller, bijna klassiek verteld, met een beginpunt, een te volgen plot en een eindpunt.

In Het verborgen weefsel (2008) is de verhaaldraad dan weer veel dunner en het gaat opnieuw om een ander genre, waarmee Hertmans zijn palet of register nogmaals verbreedt. Het boek kan gelezen worden als een ‘intiem dagboek’ waarin een portret wordt geschetst van een naar buiten toe zeer harde, maar innerlijk zeer kwetsbare intellectuele vrouw. Toch ligt ook deze roman in het verlengde van vorig proza. Hertmans experimenteert hier verder met de mogelijke uitdrukkingsvormen van het onzegbare en legt in dit met veel empathie geschetste portret van een geëmancipeerde vrouw tegelijkertijd heel veel van zichzelf. De thematiek van de roman, de onoplosbare dilemma’s waar Jelina voor staat, haar intellectualisme enerzijds en haar bijzonder kwetsbare gevoeligheid anderzijds, haar sterk zintuiglijke in de wereld zijn, zijn de centrale thema’s van het gehele oeuvre van Hertmans. Jelina is een hyperbewuste en piekerende, in zichzelf gekeerde schrijfster die op zoek is naar zin en betekenis. Zij nadert de veertig en is bekend om haar sceptische houding. Maar zij blijft koppig zoeken naar ‘de stille kern in haarzelf’, zij is ‘een mens van eindeloze introspectie’ die vaststelt dat ze alles heeft om gelukkig te zijn (een man, een huis, een tuin, een minnaar en een kind – in die volgorde) maar ook ontdekt dat juist dat geluk een toestand is ‘waarin men de voeling met zichzelf kwijtraakt’. In haar woekert een onvrede die niet zichtbaar is voor anderen: het is een ‘weefsel’ dat ‘verborgen’ blijft. Wat Hertmans hier uitgebreid analyseert lijkt wel een uitgewerkte beschrijving van het bewustzijn dat hij eerder in een essay als ‘vitale melancholie’ heeft omschreven: het is een verborgen weefsel dat zichzelf in stand houdt om te kunnen overleven.



Het mag duidelijk zijn: het prozawerk van Stefan Hertmans vertoont een zeer grote diversiteit en complexiteit, een divergent zoeken naar betekenis in een wereld zonder zekerheden. Maar in dit veelzijdige en veelvormige geheel tekent zich ook een samenhang af door een prominent autobiografische basislijn en een terugkerende, zichzelf variërende thematiek.
Anne Marie Musschoot

Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina