Spreuk bij het werk



Dovnload 93.57 Kb.
Datum15.09.2018
Grootte93.57 Kb.

HET VEERHUIS

1945


Het water

I

Voor mijn Vader


SPREUK BIJ HET WERK

Als ik nu in dit land

maar wat alléén mag blijven,

dan zal de waterkant

het boek wel voor mij schrijven.
Dit is wat ik behoef

en hiertoe moest ik komen,

het simpele vertoef

bij dit gestadig stromen.


Het water gaat voorbij,

wiss’lend gelijk gebleven,

het heeft stilaan in mij

een nieuw begin geschreven.


Ik weet met zekerheid,

hier vind ik vroeg of later

het woord dat mij bevrijdt

en levend is als water.

EEN LIEDJE VAN HET WATER

Ik lag de lieve lange dag

tussen het bloeiend fluitekruid;

er zweefde een liedje voor mij uit,

nu hoort naar wat ik zingen mag:
Wie nooit de lieve lange dag

bij ’t spiegelklare water lag,

zijn uur is kort, zijn vreugd heeft uit,

want nimmer zag hij wat ik zag

tussen het bloeiend fluitekruid.
Wie naar het klare water gaat

hem zullen de ogen opengaan,

want zeker zal hij hier verstaan,

geknield tussen wat groeit en leeft,

hoe God het schoonste zingen geeft

bij water, bloeiend kruid en riet

om niet!

DE RIT

De hooggewielde wagen

gaat door het spattend grint;

ik voel de korte vlagen

van ruimte, zon en wind


bij ’t dravelingse rijden

over de zware dijk;

de stroom is mij bezijden,

de polder ligt te kijk.


De spiegels van mijn ogen

staan open op het licht;

een jong en waaks vermogen

is in mij opgericht.


En bij dit straffe draven,

der hoeven held’re slag

ontspringen duizend gaven

den fonkelenden dag.


Feest is er in dit rijden

en lichte zegepraal,

zó wint mijn drift het wijde

en zó wil ik mijn taal.

SCHEPEN
Florens velis (Lucretius)
Schepen als zeilende bloemen

over de zilv’ren rivier,

mag ik gezegend mij noemen,

’t rijkste ontwaarde ik hier.


Statig hun langzaam verschijnen,

donker van zeil en van boeg;

in de besluiting der lijnen

trots en zich zelve genoeg.


Zeilen als zwellende blaad’ren

aan een ontplooiende kroon;

schaduwen dragend bij ’t naad’ren,

donker, verrukkelijk schoon.


Zalig en overgegeven

volg ik hun komen en gaan,

tot in het hart van het leven

raakt mij hun nadering aan.

HET ANDERE LAND

Zacht is de waterkant

zacht is de groene weide;

maar zachter kleurt het land

ginds aan de overzijde.
Het riet, de oeverrand

fluist’ren te allen tijde

beloften in het land

ginds aan de overzijde.


En staande hand in hand

wij zwijgend turen beiden

naar ’t licht bewaasde land

ginds aan de overzijde.


Zo na ons hart verwant

zo ver van ons gescheiden;

het onbereikbaar land

ginds aan de overzijde.

NAAR DE WINTER

De waterkant wordt ruig verweerd,

het rietland goud en roest van dracht;

vandaag heb ik mijn boot gemeerd

bij 't huis dat naar de winter wacht.
Van zwerfse tochten teruggekeerd

draag ik in mij nog al de pracht

der dagen, die thans ongedeerd

over de drempel wordt gebracht.


Laat hier de winter en zijn macht

mij vinden, op het werk gekeerd,

in stilte, overrijk bevracht,

het nutteloze afgeweerd.


Het water

II

HET VEERHUIS


Als langs de duisterende waterbaan

de veerboot aan de meerpaal is gebracht,

begint het rijkste wat ik ken: te nacht

hoor ik het water aan de schoeiing slaan.
Diep ingenesteld in het donker huis

lig ik te luist’ren naar die trage klop;

en een verbeiden richt zich langzaam op,

speurendhet hart wordt in de stilte thuis.


En wéér hervindt het, door de stroom bespeeld,

zijn ondoorgrondelijk en diep bezit,

van hemel en rivierland rijst het beeld;

de dag is heerlijk, heerlijker is dit


verholene, wat de daggezichten bindt:

één blinde kern, die schoksgewijs ontstaat,

en het vertragen dan tot diep beraad

als woord na woord te fluisteren begint.


Daarbuiten leeft de stroom, waarover wijd

der sterrebeelden pracht is opgegaan;

door ’t venster waait een reuk van water aan,

ik weet geen naam voor dèze zaligheid.

HET ZOLDERVENSTER

Wij stonden voor het zoldervenster saam,

daarbuiten heersten zon en wind en regen

in vlagen blinkende elkander tegen;

de spitse droppels sloegen aan het raam.
En toenvoorbij de hemel op ons aan

kwam recht een vlucht van wilde ganzen streven

het licht lag telkens op hun vleugels even

om dan in donkerte weer om te slaan.


Het schreeuwen was vlakbijhet klein vertrek

scheen plots’ling door het voorjaar ingenomen,

zo onverwacht en stormende gekomen

en groeiende in het woordeloos gesprek


dat aanving: alles wat zich nieuw bezint

na donk’re maandenafweer en verlangen

dooreengemengeld; wereld ingevangen

door ’t raam, de wanden en het dakgebint.

IN HET SCHIP

Te liggen met gesloten ogen

in ’t donkere ruim dat ons omvat

een wieg van binten, toegebogen

de goede stroom om ’s harten schat.
Eentonig trilt een sidderend schuren

de ketting langs, het krakend hout

slaapt nieto water, deze ure

wees met het schip en ons vertrouwd,


dat wij tezamen ons bezinnen

hoezeer gij van ons beiden zijt;

want tussen wat wij zó beminnen

en ons is geen gescheidenheid.


Tòt wij ons aan de droom vertrouwen

die diep in ons geborgen is:

’t zeil dat omhoog gaat aan de touwen,

als het weer licht en morgen is.

DE WEL

Wij zwommen samen door de kalme stroom

en schoven door een spiegeling van wolken;

toen trok een tinteling van koeler kolken

scherp door de luwe kreken bij de zoom.
Het lokte ons om door die huivering,

die zuil van wellend water heen te schieten;

met lichte schrik, met schaterend genieten

bespeeld door koudes frisse zuivering.


Wij vluchtten wel, als ons tè vast omsloot

om pols en voet de greep van koele ringen,

maar keerden schalks, tot zij ons weer omvingen

en gaven tartend ons de wiss’ling bloot.


Verrukkelijke wijsheid van het spel,

hoezeer zijt gij ons beiden bijgebleven:

het water klaar, de lieve lust te leven

en ’t argeloos lachen om die kleine wel.

TROOST DER RIVIER

In droefenis een zuiv’re toeverlaat,

o zilveren rivier, waart gij het meest,

gij zijt de wel van helderheid geweest,

die spiegeldiep, mijn vragen heeft verzaad.
Want wie u trouw blijft, weet hoezeer geneest

het peinzen, dat bij u te rade gaat,

en zoekt en buigt zich over, tot hij leest

de zin, die in uw stroom geschreven staat.


Wat bleef van opstand aan uw oeverbocht?

wat kleine tranen om een klein verdriet,

verwaaid.Het land rust mild en wijd.
Dan heeft de oogopslag zijn rijk gezocht,

en ’t eindeloos blinken van uw stroomgebied

omvat hij in een klare zekerheid.

Melodieën

PASTORALE


Over het water,

over de wei,

die mij de liefste zijt

wees mij nabij.
Ruisen van water,

bloeiend het land,

parelende klaarte

die het omspant.


Daarin een vragen

zwervende uit,

jubelend klagen

ontspringt aan de fluit.


Over het water,

over de wei

speelt het u nader,

nader bij mij.


Weif’lend in schromen

tilt zich de voet,

aarzelend komen

met al vermoed


weelde der uren

veilig verwacht,

diep is hun duren,

dieper de nacht.


Over het water,

over de wei,

die mij de liefste zijt

wéés mij nabij

DANS

Wat zingt het popelend refrein?

Kom mede in de snelle rei;

wij dansen op de klaverwei,

met lichte voet, op lichte maat,

totdat de rei verstrengeld staat:

guirlande.
Wat zingt het popelend refrein?

Kom mede in het heerlijk spel;

het uur is kort, de dag is snel,

wij grijpen wat zo rap ontwijkt

als vleugend licht dat overstrijkt

de landen.


Wat zingt het popelend refrein?

Kom mede in de dansfiguur;

wees éne vonk in ’t kruisend vuur

van ogenlachen naar elkaar,

tot lief bij liefste, paar na paar,

belanden.

OGENTROOST EN EREPRIJS

Ogentroost en ereprijs

need’rig bloeiselzijn in mei

open op de grote wei,

wie bij hen één dag wil toeven

zal geen rijkdom meer behoeven;

als de leeuwerik wordt hij vrij,

als de blik van kind’ren wijs

ogentroost en ereprijs.
Ogentroost en ereprijs

glàns en zoete artsenij

zijn hun namen allebei;

wie met hen alléén wil wezen,

méér zal hij dan honing lezen;

zoèk hen in het vroeg getij,

vind verwond’rings paradijs

ogentroost en ereprijs.

TOT DE SLAAP
Zo kom tot rust. Vertrouw u aan de nacht,

te slapen gaat nu alles op de aarde

en geef verloren wat uw hart bezwaarde,

langs verre stromen wordt het thuis gebracht.


Zo kom tot rusten hoor naar het gestadig

ruisen des levens. Al wat is geschapen

doorwoont het, aan zijn hartslag moogt gij slapen:

ook in u zelve arbeidt het genadig.


Zo kom tot rusten vind de diepe dalen

van slaap. De sterren gaan, de waat’ren stromen;

zo word dan op hun maten meegenomen

gerust.Nòg wacht de nacht: ùw ademhalen.

KINDERLIEDJE

’k Moest dwalen, ’k moest dwalen

langs bergen en langs dalen;

zo zong het in mijn kindertijd,

nòg wordt het hart mij weerloos wijd

bij ’t simpele herhalen,

’k moest dwalen.
Een vragen, een vragen

werd dwingend meegedragen

als ’t zingen door de ronde ging;

een eind’loze verwondering

kwam stilaan in mij dalen,

’k moest dwalen.


Ontwaren, ontwaren

van verten die er waren,

van heuvels waar de voeten gaan,

maar eenzaamheid kwam bonzend slaan

in ’t hart bij het herhalen,

’k moest dwalen.


Na jaren, na jaren

hoe bitter werd te ervaren

levens verlangen, levens pijn

gevangen in dit klein refrein,

geluk nooit te behalen,

’k moest dwalen.


Herkenningen

GEBOORTE

Wanneer een vers is afgemaakt

en tot zijn eigen vorm gekomen,

dan wordt het èven aangeraakt

en gaat het leven er in stromen.


De kleuren gloeien langzaam aan,

dan komt het aderwerk verschijnen;

de bloedklop doet zijn stuwing gaan

door nerven en vertakte lijnen.


Eén is er, die dit wonder ziet

nog van het eerste waas beslagen:

de maker zelf, die om het lied

zijn pijn en moeite heeft gedragen.


En diep verwonderd, oog in oog

met dit voltooid, bewegend leven,

dankt hij wie hem tot arbeid boog

en zó zijn zegen heeft gegeven.

DE VOGEL

Kwam een vogel gevlogen

in de pracht van zijn vlucht,

waar zijn wieken bewogen

lag er kleur in de lucht.
Kwam een vogel gevlogen

en mijn hart boog zich neer:

wat mij zó heeft bewogen,

laat het stem krijgen, Heer.


Kwam een vogel gevlogen

over water en wei;

in het licht van mijn ogen

streek hij neder bij mij.

DE VLINDER

De vlinder kwam van perk tot perk gevlogen,

tot rustend hij de wieken opensloeg,

daar lag op ’t blauw, in schemerende bogen,

de sterrenhemel, die hij pralend droeg.
Op gronden van azuur stond uitgeschreven

der sterren stand in fijne stippeling,

en rond die diepten was een zoom gedreven

van zwart, waarin de blik besterven ging.


Ik sprak, over dit hemelveld gebogen:

‘doet gij mij zó de diepste zin verstaan?’

Een stem: ‘verstond gij reeds uw eigen ogen

waarin dit alles mag gespiegeld staan?’

DE FAZANT

Waar onverwacht het pad zich buigt

stond op een klein vak open land

tussen de bossen en het ruigt

in’t klare herfstlicht de fazant.
Geruisloos knielde ik op de grond,

mijn hand zocht waar de kijker hing,

en nader schoof de held’re ring

tot scherp het beeld getekend stond.


Goudbruin, waarlangs in ademing

Verdoffe’ en gloeien rusteloos vloog,

de staart die vleugen purper ving,

de kop met het juwelenoog.


En toen ik fel en feller zocht,

wist ik dat in dit klein stuk glas

de afgebeden lusthof was,

die voortaan ik betreden mocht.

DE HAZELAAR

Voor A. Erichsen

Onverwacht mij tegen

in ’t nog winters jaar

op de sprong der wegen

bloeit de hazelaar.
Tegen ’t licht gehangen

slingertjes van goud;

aarzelend, bevangen

raak ik aan het hout.


Trillend dwaalt van boven

’t fijne wolken los;

en met bloei bestoven

in het naakte bos


blijf ik in een beven

teruggehouden staan,

en ik raak nog even

’t donker stamhout aan.

ONHEIL

De wilde roos heeft kort gebloeid dit jaar

langs ’t huis waarin wij waren met elkaar.
Niet vol in de aar als anders stond het graan

op ’t veld waardoor wij samen zijn gegaan.


De vrucht verschrompelt aan de tak dit keer,

wellicht zien wij elkander nimmer weer.

ONTWAKEN

In de héle vroege dag

ving de merel aan te zingen,

met een vlijmend-zoet doordringen

van wat diep verborgen lag.
Ving de merel aan te zingen,

en ik wist: wij waren beiden

in ons samenzijn gescheiden,

toen ik roerloos luisterend lag.


In de héle vroege dag

zong de merel van ons beiden,

àlles wat ik had verzwegen;

zong hij mij het afscheid tegen

van wie argeloos naast mij lag.

HET VIOLENPERK



Voor Titia en Martien

Het ronde perk met donkere violen,

gevat in groen van zomergeurend gras,

verzonken wereld waar ik kind in was,

in een verwonderd spelen weggescholen.
Het ronde perk met donkere violen,

purper, onpeilbaar zwart en smeulend bruin

hier was het hart der paden in de tuin,

het middelpunt van droom en heerlijk dolen.


Het ronde perk met donkere violen,

hoe boog ik dieper op hun zware gloed

naar het geheim, dat schemerend vermoed,

in hun fluwelen staren bleef verholen.


Het ronde perk met donkere violen,

daar, turend in een ernstig bloemenhart,

wist ik voor ’t eerst, in helle schrik verward,

de gave, slapende in mij verscholen.

WADDENEILAND

Wat ik gezien heb op die éne dag

aan kleurend water en vervloeiend zand,

aan plante’ en schelpen, liggend op de hand,

is méér dan nòg mijn hart bevatten mag.
De eigen voetstap trad een ketting af

tussen de vogelprenten op het strand

de duizenden, het was de verste rand

van mensenleven waar ik mij begaf


tot in de stilte, vloeiend als een ring
Water en lucht en tijdeloze tijd,

ik dronk het dieptot aan die pareling

van klaarte openbarend ieder ding:

sterk straalt het in zijn kleur, zijn eigenheid.


En dit aanschouwen wordt zo hemelwijd:

dan meet wie éne schelp te rapen ging

en wegzinkt in die tint, die tekening,

het veld der velen dat hij overschrijdt.



Ars poëtica
Voor M.

TUIN VAN EPICURUS



Voor de vrienden

Gij die in eenvoud wilt tezamenhoren,

de tiende jaarkring sloot om onze dis,

waar vriendschap open als het zonlicht is

werd ons een ongepeild geluk beschoren.
In arbeid werd der uren goud ontgonnen;

de volle rijkdom van het eigen ik

vindt ieder terug, gespiegeld in de blik

van wie aan hèm zijn klaarte heeft gewonnen.


Zie naar het lichthoe kleurt het mild en stil

ons samenzijn. Wat grenzen zijn gesteld

aan wie het nodige slechts nemen wil?
Nog ongeweten wegen zult gij gaan.

Vriendschapgij hebt haar reinigend geweld

alreeds beseft. Zo weet: zij ving pas aan.

STEM VAN EPICURUS


Nu komt de nacht over de diepe tuin

en zijn geheimen, die wij daags betraden,

reeds rijst de maan voorbij de cederkruin,

wit valt het licht op perk en slingerpaden.
De vrienden rustenik wil deze nacht

alleen zijn met de strenge sterrenbeelden,

mij zelve peilendwat ik heb gebracht

aan wie met mij de volle jaren deelden.


Zij kwamen, blinden in hun vurig streven

maar wie mijn gaarde en mijn wet verkoos

heb ik der wijsheid held’re spreuk gegeven:

voor al uw pijlen zij geluk de roos.


Ik zag hun zin in manlijkheid zich richten;

zij wonnen bij het rijpen van de tijd

die blik, gewet aan vrijheids vergezichten,

waaraan ik klaar de mijnen onderscheid.


Gedachten vonden ongeweten banen

hoe vlàmden zij bij ’t kruisen van elkaar!

van woord en weerwoord ruisen deze lanen

en van vervuldheid is de nacht er zwaar.


Beladen tuin, die draagt het zoet verzamen

der vrienden, in uw stilte is het goed

het kostbaar snoer te tellen van hun namen,

nu nadert wat hun liefde niet vermoedt.

LUCRETIUS-VERTALING

Een suizelen van regen aan de ruit

en binnen niets dan dit: te zijn gebogen

over de tekst, die voor de vraag der ogen,

de onafgewenden, langzaam zich ontsluit.
En dan de zware stuwingeen bewogen

dwingende arbeid; tot het denken stuit

en luistert: helder hoorbaar het geluid

der eigen stemhet edelste vermogen.

DE BIJEN
Purpureosque metunt flores et flumina libant. (Vergilius)
De donk’re bijen brommen om de korven

waar bij de schuur de oude linde staat,

ik denk aan de arbeid in de korf geborgen,

het langzaam groeien van de honingraat.


En wéér op deze plekals zóveel dagen

bestormt mij plotseling een overvloed

van beelden, zó in lichtglans toegedragen,

dat overstelpt ik de ogen sluiten moet.


Urenterwijl de zoekende gedachten

zich allengs tot verbinding schikken gaan,

de dag verstrijkt, het zwermen der bevrachte

gonzende dieren houdt gestadig aan.


Tot de avond invalt en ik neergebogen

mij dankend op de rijke dag bezin;

doordringend komt een zoemen langs gevlogen,

een late bij keert nog ter korve in.

VAGANTES

De verre verte blauwt.Wij trekken door de dalen

en zien der heuv’len oogsten in het heerlijk licht

broeders in éne spreuk, die zingend wij herhalen:

‘der aarde schoonste spiegel is het gaaf gedicht.’
Ons is de goede zon, het ruisen van de regen,

de zoete lindengeur bij ’t vallen van de nacht;

bij elke tweesprong waait een nieuwe droom ons tegen

en de gedachte kust het voorhoofd onverwacht.


Zo hebben wij berooid de overvloed gevonden

en ’t hechtste dak dat voor de sterv’ling is gebouwd:

bij wind en weer in elk getij te zijn verbonden

met Hem, die zich in ’t land en in ons hart ontvouwt.

TOLSTOI PLOEGENDE

Een ongemeten landin zwoegen gaan de paarden,

de ploeglijn kleurt de grond met donker stremmend schrift;

laag hangt het wolkendek over de vale aarde.


Tolstoi, het ploeghout klemmend. Wat geladen drift

en zwijgenswil aan krachten overzwaar vergaarden

temt hij. De voren worden recht en scherp gegrift.
Als ver het land gekeerd ligt, wordt hem weids hergeven

de rust, zo diep verzadigd als de aarde geurt.

En waar aan ’t akkereind hij fronsend stilstaat, even,
eer voor het laatst den grond het grijpend ijzer scheurt,

voelt hij hoe losgewoeld, in siddering van leven,

de werking van het scheppen nieuw in hem gebeurt.

SAPPHO

Nòg staat haar voetstap in het gouden zand

en in de purp’ren branding wordt gesproken

met hàre stemhel, in de val gebroken

de donk’re omslag ruisend langs het strand.


Zij ging de zware gang: van het praegnant

begin, de vlam van drift ontstoken,

tot strenge en kuise arbeid en beloken

beluist’ren van een goddelijk verband.


Dit maakt ons ademloos bij haar geluid

wanneer het stijgt, of donker zingt en klaagt;

het leven zelve beeft in deze toon.
Zoals de zee, die om dit eiland sluit,

verlangens oerzang naar de kusten draagt.

Er is geen scheiding in hun beider schoon.

VREUGDE IN HOLLAND


Vreugd is het in de grote wei te staan,

water en bloei en lucht zo ver men ziet

het oog speurt hoe de vogels over gaan

en wet zijn scherpte aan een vrij gebied.
Vreugd is het, om waar levend water vliet

te zwemmen, wijd de armen uit te slaan:

dan tint’len de gedachtenmen geniet

hun sterke stroom zo vrij te voelen gaan.


En vreugd is in de liefde, gaaf en frank,

voor wie het hart zich koos tot zijn gezel,

de bloei der verten in elkanders ogen
Maar schoonste vreugd, als dàn des harten dank

zó diep is, dat het op de zuiv’re wel

der eigen taal vanzelve wordt gebogen.

Het carillon

HET CARILLON


Ik zag de mensen in de straten,

hun armoe en hun grauw gezicht,

toen streek er over de gelaten

een luisteren, een vleug van licht.
Want boven in de klokketoren

na ’t donker-bronzen urenslaan

ving, over heel de stad te horen,

de beiaardier te spelen aan.


Valerius:een statig zingen

waarin de zware klok bewoog,

doorstrooid van lichter sprankelingen,

‘Wij slaan het oog tot U omhoog.’


En één tussen de naamloos velen,

gedrongen aan de huizenkant

stond ik te luist’ren naar dit spelen

dat zong van mijn geschonden land.


Dit sprakeloze samenkomen

en Hollands licht over de stad

Nooit heb ik wat ons werd ontnomen

zo bitter, bitter liefgehad.



Oorlogsjaar 1941



Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina