Sociologie, een eerste kennismaking



Dovnload 0.63 Mb.
Pagina1/11
Datum13.06.2018
Grootte0.63 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

SOCIOLOGIE

  1. SOCIOLOGIE, EEN EERSTE KENNISMAKING

1.1 INLEIDING : NIET IEDEREEN LEEFT EVEN LANG

Niet iedereen leeft even lang… Hoe moeten we die vaststellingen verklaren?  voer voor sociologen (p.2)

DE VERKLARING… RELATIES TUSSEN MENSEN

Sociale ongelijkheid  verschillen in levenskansen



  1. Een hoge opleiding stimuleert het vermogen om ingewikkelde problemen op te lossen.

  2. In onze samenleving leidt een diploma naar een job. Goede job? Meer kans op meer variatie in het werk en arbeidsomstandigheden zijn gezonder.  Hogere arbeidstevredenheid



  • Sociologen veronderstellen dat kenmerken van de ene leefsituatie worden overgedragen naar een andere  kenmerken van de werkomstandigheden kunnen het doen en laten bepalen van mensen buiten het werk.

  • Wie nooit initiatief moet nemen in de werksituatie, heeft minder kans om vaardigheden te ontwikkelen die helpen om situaties te controleren.

  • Kortom, een hogere opleiding leidt tot materiële voordelen en bepaalt ook de persoonlijke vorming.

De wijze waarop mensen samen iets doen oefent een invloed uit op het leven van die mensen.

  • Sociale omgeving is een cruciale factor

1.2 DE SOCIOLOGISCHE VERBEELDING

= een specifieke wijze van kijken naar wat met mensen in hun leven gebeurt.

Onze biografie ondergaat de invloed van het geheel van de sociale relaties waarvan we deel uitmaken. Voor de socioloog zijn de gebeurtenissen die deel uitmaken van een individuele biografie niet zo individueel.

Het geheel van sociale relaties waarvan we deel uitmaken = samenleving

Geschiedenis is daarbij heel belangrijk, het historische verloop bepaalt het uitzicht van een specifieke samenleving. Bv; de industrialisatie


  • Sociologische verbeelding = Sociale relaties bepalen de biografieën van mensen; die sociale relaties zijn echter zelf het resultaat van een historisch proces.

Bv; het feit dat jongeren universiteit volgen. Niet omdat iedereen zo intelligent is. De samenleving bevordert die keuze, vraag naar hooggeschoolde werknemers. (p. 5)

1.3 VAN GEDRAG TOT SAMENLEVING

Figuur 1.1: Gedrag, interactie en omgeving (p.6)



1.1.3 GEDRAG

Onder gedrag verstaan we elke actie of reactie van een individu, zoals een lichamelijke beweging, een verbale uiting of een subjectieve gewaarwording. Gedrag bevat altijd zowel een objectief waarneembare als een subjectieve waarneembare dimensie.



  • Objectief waarneembare/ externe componenten:

De aspecten die door ten minste 2 individuen, ego en alter, kunnen waargenomen worden. Bv. Het gesproken woord, gebaren, lichamelijke bewegingen

Door 1 waarnemer, ego, waarneembaar

Motivationeel component: ultieme drijfveren van handelen

Bv. Winstmaximalisatie, zucht naar sociale erkenning/ controle, seksuele lust



Emotioneel component: innerlijke gevoelens

Cognitief component: beelden die we ons vormen van de werkelijkheid

Reflexieve component: beeld dat je van jezelf vormt

De 2 dimensies doorkruisen elkaar. Bv. De verwevenheid van de interne en externe dimensies van gedrag is het feit dat meeste emoties samengaan met specifieke gelaatsuitdrukkingen.



1.3.2 SOCIAAL HANDELEN

Handelen is gedrag met een nadrukkelijke doelgerichtheid. Door de doelgerichtheid krijgt het handelen een betekenis. De betekenis van een handeling is gelijk aan de mentale voorbereiding of projectie van de voltooide handeling. De betekenis van een handeling valt samen met de mentale projectie die aan de handeling voorafgaat.

Bv. Het verlaten van het klaslokaal

Sociaal handelen = Wanneer we ons handelen richten op het vroegere, het huidige of het toekomstige handelen van anderen (Max Weber 1864-1920) Handelen is dus sociaal wanneer de actor bij het plannen rekening houdt met wat anderen deden, doen of kunnen doen.

Weber ontwierp een typologie van sociaal handelen.


  1. Instrumenteel rationeel handelen: Actoren willen een bepaald doel bereiken binnen een specifieke handelingssituatie. Die bestaat uit andere mensen en/of objecten.

Condities: Niet te wijzigen elementen; niet vrij gemanipuleerd worden

Middelen: Te wijzigen elementen; werken faciliterend (ondersteunend)

Elke handeling waarin actoren doelen wensen te realiseren, bevat volgens Weber dus zowel condities als middelen.

Efficiëntie is het meest kenmerkend criterium van rationeel handelen



  1. Waarde rationeel handelen: Een bewust geloof in de waardevolheid van de handeling staat centraal. Kan van ethische, esthetische, religieuze of andere aard zijn. De handeling is dus op zichzelf waardevol en niet het realiseren van een doel. Draait om het volgen van eisen die de actor als binden schat.

Bv. Religieuze roeping, inherent plichtsgevoel, …

Onderscheid rationeel en waarde rationeel handelen = een analytisch onderscheid



  • Het onderscheid is denkmatig aangebracht door sociologen. In praktijk zijn er ook middelen (mogelijkheden) en condities (beperkingen) bij waarde rationeel handelen.

  • De vraag stellen: efficiëntie of inherente waardevolheid van de handeling?



  1. Affectief handelen: Gedreven door het navolgen van gevoelens. Kan bestaan uit een ongecontroleerde reactie op een bepaalde stimulus. Betekenis ervan is niet altijd duidelijk maar handelen gedreven door gevoelens kan wel van een betekenis voorzien worden.

  2. Traditioneel handelen: volgt ingeworteld door gewoontehandelen. Gewoonte lokaliseert zich in de sociale dimensie van het leven en niet in de individuele. Traditie leidt tot herhaling van eenzelfde handeling en wordt gekenmerkt door een verplicht karakter.

Wanneer mensen zich echter bewust worden van de traditie en die op zichzelf gaan waarderen = waarde rationeel handelen

  1. Reflexief handelen: is gebaseerd op ‘stoppen, denken en kiezen’ (tegengesteld aan traditioneel handelen). De reflexieve mens wordt niet meer voortgestuwd door door de kracht van het verleden. Nadenken over welke richting we uit willen gaan. Reflexief handelen gaat samen met onzekerheid (terwijl traditioneel met zekerheid)

1.3.3 INTERACTIE

Sociaal handelen vormt de onderbouw van interactie. Interactie wordt gevormd door handelingen van een persoon én de reactie daarop door een andere persoon. Het handelen is niet chaotisch, maar herkenbaar en voorspelbaar. Het is ook betekenisvol. Sociaal handelen is gebaseerd op principes die voor de medemensen als ‘zinvol’ ervaren worden.

2 soorten motieven: ‘opdat’motieven en ‘omdat’motieven

Mensen handelen ‘opdat’ iets zou worden gerealiseerd. Het is duidelijk dat een handeling van een persoon vanuit een ‘opdat’ motief, voor de andere persoon een ‘omdat’ motief wordt.



1.3.4 VORMEN VAN INTERACITE

CONFORMITEIT Conforme interactie is interactie die verloopt volgens de betekenis die beide partners aan de interactie vastknopen. 2 aspecten zijn aanwezig: Wederzijds akkoord over wat in die interactiesituatie zal gebeuren en een akkoord over hoe die overdracht zal gebeuren. Tegengestelde van conformiteit is deviantie.

SAMENWERKING Sociale eenheden proberen samen een doel te realiseren. Voordat er een samenwerking is, moet er een akkoord –stilzwijgend of afgesproken- zijn en een wederzijdse bereidheid tot samen handelen. Conformiteit is een deelaspect van samenwerking. Interacties gebaseerd op samenwerking en conformiteit maken geordend samenleven mogelijk.  conformiteit en samenwerking is het kernobject van sociologie.

CONFLICT en samenwerking zijn elkaars tegengestelde. Tenminste 2 partijen gaan niet akkoord met hoe een interactie moet verlopen, waarbij ze een poging doen om de interactie te laten verlopen volgens eigen zienswijze.

Menselijk gedrag is een aanpassing aan een externe omgeving. Om tot aanpassing te komen, moeten mensen over middelen beschikken. Meestal zijn die niet in overvloed aanwezig. Wanneer het bij de verdeling van schaarse middelen niet tot een akkoord komt, is er sprake van een conflict.


  • Conflicten gaan vaak over waarden, aanzien en macht.

  • Conflict kan ook een positieve bijdrage vormen tot de opbouw en later tot de versterking van de samenleving Bv. Ontstaan van de VN als antwoord op een conflict.

  • Groepen onder invloed van een conflict met een externe vijand worden zeer onverdraagzaam met betrekking tot interne dissidentie (andere mening). Conflict kan voor groepscohesie zorgen. Een gemeenschappelijke vijand brengt mensen dichter bij elkaar.

RUIL Sociale ruil: baten of beloningen. Wanneer we geen compenserend wederkerig gedrag vertonen worden we als ondankbaar bestempeld. Dankbaarheid wordt als een sociale norm beschouwd.

Waarom deze interactievormen kennen? Sociologie is in staat concrete interacties te verklaren aan de hand van algemene vormkenmerken. Het principe van de wederkerigheid is misschien wel het duidelijkste voorbeeld.

1.3.5 DE STOLLING VAN INTERACTIE IN CULTUUR EN STRUCTUUR

Uit interacties groeien cultuur en structuur.



Cultuur = betekenis die mensen aan het handelen en de objecten uit hun omgeving toekennen, en die geformaliseerd wordt in waarden, normen, overtuigingen, wetten.

Ideeën ontstaan over wat goed en slecht is

Ook verschillende posities ontstaan   

Structuur = het geheel van posities van actoren en de vorm van de interacties en relaties tussen die actoren (rijken, armen, bezitters, niet-bezitters,..)

= een realiteit waarmee we geconfronteerd worden en waar we geen vat op hebben.

Structuren en culturen bewegen enkel na langdurige en massale ‘niet-conformistische’ handelingen.

1.3.6 DE CONTEXT

Demografische factoren: verwijzing naar primaire demografische kenmerken. Bv: geboortes, huwelijken, migraties, sterftes,… De secundaire demografische kenmerken: werking van die primaire demografische componenten bv: leeftijdsstructuur, bevolkingsdichtheid, gemiddelde gezinsgrootte, …

Ecologische factoren: betrekking op de natuurlijke omgeving. Bv: topografie, klimaat, bodemgesteldheid,… de organisatie van het dagelijks leven ontwikkelen zich dikwijls als gevolg van een adaptatie aan het fysisch milieu.

Materiële en technologische factoren: Ter beheersing van de omgeving en die dienen om de behoeften van de mens zo adequaat mogelijk te bevredigen. Tot die categorie behoren technologische ontwikkelingen, de organisatie van de economie, organisatie van het transport, …

1.4 DE SOCIOLOGIE EN HAAR AANVERWANTE DISCIPLINES

1) Sociologen leveren geen enkelvoudige verklaringen, maar concentreren zich op algemene wetmatigheden. In tegenstelling tot bijvoorbeeld een historicus: probeert fenomenen in het verleden te verklaren door voornamelijk te verwijzen naar het belang van factoren die tijd- en plaatsspecifiek zijn  Detectives die op basis van kritisch bronnenonderzoek een complex fenomeen uit het verleden proberen te begrijpen en verklaren  Sociologen proberen echter expliciet, vanaf het opzetten van het onderzoek, tijd- en ruimtegebonden verklaringen te overstijgen door gebruik te maken van algemene wetmatigheden.



Culturele antropologie = Het beschrijven en interpreteren van culturen. Focus ligt op het uniek en specifieke, maken gebruik van kwalitatief onderzoek, nl veldwerk.

Historicus en culturele antropologie hebben elk een andere invalshoek en analysemethode, maar staan que onderzoeksobject heel dicht bij sociologie.



  1. Sociologen verklaren gedrag, handelingen en/of interacties door de invloed van de sociale omgeving, dus door te verwijzen naar andere sociale handelingen en/of interacties  onderscheid Microsociologie (studie van kleine groepen en de interactie tussen individuen)

Bv: het verklaren van de kans dat een individu een diefstal pleegt door te verwijzen naar de al of niet aanwezigheid van criminelen in zijn vriendengroep

vs. Macrosociologie (focus ligt op kenmerken van grotere sociale eenheden)



Bv: de verklaring van de verschillende mate van sociale ongelijkheid in westerse landen door te verwijzen naar verschillen in sociaal beleid tussen die landen.

Sociologen nemen niet het individu maar wel de sociale omgeving en de sociale relaties van de individuen als referentiekader bij de verklaring van gedrag. Ze veronderstellen dat gedraging weliswaar een biologische en psychologische basis hebben, maar finaal een reflectie zijn van de sociale organisatie van de leefwereld of de situatie waarin mensen vertoeven.



Sociale psychologie = subdiscipline, tussen sociologie en psychologie. De studie van attitudevorming en attitudeverandering, met inbegrip van overtuigingsprocessen. Interindividuele benadering

Sociobiologie = gedragsvormen en sommige erop voortbouwende vormen van sociaal handelen zijn het resultaat van een duizenden jaren lange aanpassing aan een externe omgeving. Het is verkeerd te veronderstellen dat menselijke sociale organisaties enkel en alleen door de voor mensen zo ‘typische’ cultuur bepaald worden.

Kijken vanuit een evolutionair tijdsperspectief (Edward Wilson, analyse van incest)



  • Inteelt leidt tot biologisch minder aangepaste nakomelingen

Biosociale verklaring = wisselwerking tussen het biologische en het sociale in het algemeen. Klemtoon op de wijze waarop biologische processen aan de basis liggen van interacties en maatschappelijke processen kunnen beïnvloeden.

1.5 BASISREGELS BIJ DE UITVOERING VAN SOCIOLOGISCH ONDERZOEK

1.5.1 OBJECTIVITEIT

Verklaringen en inzichten die de sociologie over de sociale werkelijkheid opbouwt moeten geldig zijn voor meer dan één wetenschapper.



1.5.2 CONCEPTEN

= Sociologische begrippen  Belangrijk! Want iedereen is in staat zijn een beschrijving te geven van zijn of haar onmiddellijke omgeving  vage/dubbelzinnige concepten



1.5.3 GENERALISATIE

Een generaliserende verklaring is een verklaring die op basis van een aantal beperkte stellingen meerdere situaties verklaart die feitelijk van elkaar verschillen, maar een identieke onderliggende dynamiek hebben.



Theories of the middle range : er wordt niet naar één theoretische verklaring gekeken. Maatschappij is te complex om verklaard te worden door één theorie. Meerdere veralgemeende, objectieve verklaringsmodellen van de werkelijkheid vatten.

1.5.4 EMPIRISCH MATERIAAL

Andere sociologen moeten de resultaten kunnen verifiëren.



Kwantitatieve vs. Kwalitatieve gegevens: betekenissen van interactie wilt bestuderen, cijfermateriaal is minder geschikt.  dagboeken, brieven, biografieën idealer

Wetenschapper kan van nieuw, oorspronkelijk onderzoek uitgaan, of onderzoek dat gebaseerd is op secundaire gegevens

Primaire gegevens: socioloog bepaalt zelf op welke manier hij/zij aan gegevens komt en wat de kenmerken van die gegevens moeten zijn.

Verschillenden technieken: schrifteliike enquête, ondervraging interview, observatie (participerende observatie) geen laboratoriumomstandigheden

Secundaire gegevens: gegevens die niet door de onderzoeker zelf verzameld worden, maar gebruikt worden om tot inzichten te komen in bepaalde sociale fenomenen; van andere onderzoekers afkomstig.

1.5.5 CUMULATIVITEIT

= bouwt verder op resultaten van voorgaand onderzoek.



  • Op de hoogte zijn van wat andere sociologen al met dit onderwerp deden.

1.5.6 VERIFIEERBARE RAPPORTERING

Groei in wetenschap mogelijk maken  onderzoeksbevindingen berichten

Resultaten moeten verifieerbaar en controleerbaar zijn.


  • Strenge beoordelingsprocedure van het onderzoeksartikel:

  1. Literatuuroverzicht en probleemstelling

Beschikbare onderzoeksliteratuur vinden, kritisch lezen en synthetisch samenvatten plus adequate bronvermelding

  • Op die manier probleemstelling vormen = bondige omschrijving van het eigenlijke onderwerp van de studie die tegelijkertijd het onderwerp in het geheel van de kennis plaatst.



  1. Overzicht van gebruikte methode en technieken

Manier waarop hij/zij de studie uitvoert; de methodologische onderbouw van het sociologisch onderzoek

  1. Bespreking van de resultaten

Wat zijn de voornaamste resultaten die uit de studie naar voor komen?

  1. Conclusie en/ of discussiegedeelte

Welke gevolgtrekkingen worden uit de gegevens afgeleid. Ook interpreteert de onderzoeker haar/zijn resultaten binnen het geheel van de wetenschappelijke kennis.

Wetenschappelijke studies die de bovenstaande vorm aannemen = wetenschappelijke artikels  opgestuurd naar wetenschappelijke tijdschriften

Studies ingediend voor publicatie  gecontroleerd en beoordeeld

Redactieraad duidt comité aan (3 lezers; peer review)

Beoordeling op kritische, anonieme wijze

3 beslissingen mogelijk :



1.6 KWANTITATIEF OF KWALITATIEF

Eeuwige discussie over de juiste wetenschappelijke methode  methode die sociologiespecifiek is.



Weber : zinadequaatheid en causale adequaatheid als eisen voor goed sociologisch werk

Causale adequaatheid = kansuitspraak kan doen met betrekking tot oorzaak-gevolgrelaties

Een verklaring is zin- of subjectiefadequaat wanneer de gemaakte verbanden in overeenstemming zijn met onze gewoonlijke denk- en voelpatronen.

Positivisme : sociologen die zich richten op de eis tot veralgemening met betrekking tot oorzaak-gevolgrelaties



Verstehende/interpretatieve methode: richten op de zinvolheid.

1.6.1 DE KWANTITATIEVE BENADERING : HET POSITIVISME

Verwijst naar een kennistheorie die ontwikkeld werd door Francis Bacon, John Locke, Isaac Newton. Comte (1798-1857) als Durkheim (1858-1917) behoren tot positivistische grondleggers onder de sociologen. In Amerika kende het positivisme zijn hoogtepunt tussen 1930 en 1960. Belangrijke namen: George Lundberg, William F. Ogburn en Paul Lazarsfeld

4 principes in het positivisme:


  • Kennis kan enkel gebaseerd zijn op ervaring (observatie)

  • Er wordt gestreefd naar causale verklaringen door generalisaties

  • Er is een eenheid van wetenschappelijke methode in de wetenschappen; hierdoor zijn de natuurwetenschappelijke methodes van toepassing in de sociale wetenschappen

  • Er moet een rigoureuze scheiding zijn tussen feiten en waarden; wetenschappelijke inzichten hebben dus geen sociaal normerende status.



  • Zorg ontstaan voor methodologie.



  1. Theoretisch model : kan niet alle factoren in kaart brengen. Enkel die variabelen waarvoor we op basis van vorige onderzoek of op basis van logische afleidingen kunnen besluiten dat ze in verband staan met de afhankelijke variabele worden in de verklaring ingebracht. Een verklarend model moet dus een goede verklaring geven en ook zo eenvoudig mogelijk.

  2. Theoretische concepten van het model worden in variabelen omgezet

  3. Variabelen worden causaal geordend. Volgorde is belangrijk voor het bepalen van directe en indirecte invloeden

  4. Causale relaties worden geacht algemene wetmatigheden te zijn. Het streven naar deze algemene wetmatigheden is eerder een ideaal dan een realiteit.

  5. Positivistische sociologie wordt ondersteund door de statistische analyse. Gegevens kunnen van primaire of secundaire aard zijn.

1.6.2 DE KWALITATIEVE BENADERING : NADRUK OP BETEKENIS

Sociale wetenschappers moeten, als ze hun studieobject volledig willen kennen en respecteren, rekening houden met de betekenissen en de interpretaties die inherent zijn aan die sociale werkelijkheid.

19e eeuw: debat gevoerd in termen van ‘Naturwissenschaften vs. Geisteswissenschaften’ (Heinrick Rickert en Wilhelm Dilthey)

Er op richten dat de betekenis die onlosmakelijk met het menselijke handelen verbonden is, te begrijpen

Meest gebruikte technieken: participerende observatie en diepte-interview

Hoe kan men nu tot veralgemeningen komen op basis van kwalitatieve studies?

Kwalitatief onderzoek is een noodzakelijke aanvulling voor positivistisch onderzoek:


  1. Het deductief denken van het positivisme (afleiden van hypotheses op basis van theorie). Tracht bestaande inzichten te bevestigen. Om nieuwe inzichten te ontwikkelen is het noodzakelijk om open te staan voor zaken die niet door hypotheses voorspeld worden. Kwalitatief onderzoek is hier een alternatief voor.

  2. Positivistische onderzoeksmodellen zijn misschien té reducerend als samenvatting van de wereld. Studie-objecten worden in hun volledigheid bestudeerd. Een belangrijk aspect is context-gevoeligheid.

  3. Concepten worden continu door contacten en observaties in het ‘veld’ getest. Op die manier is er meer zekerheid dat de gehanteerde concepten de wereld van deze participanten op een juiste manier bevatten.

  4. Reflexiviteit van de onderzoeker : kan gemakkelijk impressies, irritaties en gevoelens die ontstaan noteren in het dagboek.



  • Beide benaderingswijzen sluiten elkaar niet uit, maar vullen elkaar aan. Nadruk leggen op causale processen : positivistische benadering; kennis en betekenissen : interpretatieve benadering

2 bedenkingen:

  • Eis tot zowel causale als zinadequaatheid: aanmaning voor kwalitatieve sociologen. Blijf zeker niet steken in een idiosyncratische beschrijving van een bepaald fenomeen. Een verklaring moet het unieke, historische overstijgen.

Aanmaning voor kwantitatieve sociologen: blijven nagaan hoe de oorzaak-gevolgrelaties ervaren worden door de betrokkenen actoren, om geen absurde, onrealistische veronderstellingen te beschrijven.

  • Er zijn legitieme pragmatische redenen om een keuze te maken tussen kwantitatief en kwalitatief onderzoek. Sommige doelgroepen zijn zo onbereikbaar om klassiek survey-onderzoek te doen, dat observaties en diepte-interviews de enige mogelijke onderzoektechnieken zijn.

1.7 DE PLAATS VAN DE SOCIOLOOG IN DE MAATSCHAPPIJ

Bijzonder situatie: bestudeert de sociale werkelijkheid, hij/zij zit er ook midden in.

Is er een verband tussen zijn/haar wetenschappelijke arbeid en zijn/haar maatschappelijke positie?


  • Onderzoeksresultaten mogen niet beïnvloed worden door de waarden die de socioloog als mens aanhangt. Het sociologische onderzoek moet waarderingsvrij zijn. Wat telt, is de strengheid en zorgvuldigheid van de toepassing van de wetenschappelijke methode.

MAAR: de keuze van het onderwerp is waardegebonden. De waarden van een socioloog hebben een invloed op de keuze van het onderwerp.

Niet alleen waarden bepalen de keuze van onderwerpen, maar ook de machtspatronen  veel financiering van wetenschappelijk onderzoek  bepaalde aspecten vh maatschappelijk leven binnen de sociologie kan niet aan bod komen



Scheiding tussen theorie en praktijk?

  • Frankfurter Schule ( auteurs Marcuse, Adorno, Horkheimer) bestond uit een groep Duitse sociale wetenschappers: kritische maatschappijvisie:

Geen scheiding tussen theorie en praktijk  wetenschappers moeten meewerken aan sociale veranderinsprocessen

Verenigde Staten: Radical Sociology : “Socioloog kan nooit een vrijblijvende houding aannemen.” Een zogezegde “neutrale socioloog” ondersteunt het status quo en kiest dus voor de bestaande sociale verhoudingen.




Deel met je vrienden:
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina