Sjiieten in nederland



Dovnload 2.19 Mb.
Pagina1/7
Datum31.10.2018
Grootte2.19 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7


SJIIETEN IN NEDERLAND

Karin Neijenhuis

Student nr. 3041662
Scriptie in het kader van de master ‘Islam in de moderne wereld’

Faculteit Geesteswetenschappen

Universiteit Utrecht
Zutphen, augustus 2008


INHOUD
VOORWOORD 4

INLEIDING 5

Hoofdstuk 1 De islam in beweging 11

1.1. Religie versus religiositeit 11

1.2. Verschillen binnen de islam 12

1.3. Factoren die van invloed zijn op religiositeit 13

1.4. De sjiitische invalshoek 15

Hoofdstuk 2 De sjiieten 21

2.1 Het sjiisme, controverse over het leiderschap 21

2.2. Verschillen tussen soennieten en sjiieten 22

2.3. Arba’īn, een sjiitisch ritueel 23

Hoofdstuk 3 Vestiging en organisaties van sjiieten in Nederland 25



    1. Sjiieten in het Westen 25

    2. Sjiieten in Nederland 26

    3. Sjiitische organisaties 27

      1. Methode van dataverzameling 27

      2. Een analyse van de organisaties 29

      3. Doelen en activiteiten 31

3.4. Het sjiisme georganiseerd 33

Hoofdstuk 4 Het sjiitische gezag in Nederland 35



    1. Hiërarchie binnen het sjiisme 35

    2. Religieuze belastingen 36

    3. De rol en de invloed van de geestelijkheid 37

    4. Sjiitsche ’olamā in Nederland 40

Hoofdstuk 5 ’Āshūrā 47

5.1. De slag bij Kerbala 47

5.2. De rituelen rondom ’āshūrā 48

5.3. ’Āshūrā in Nederland 52

5.3.1. De processie – 4 moharram 53

5.3.2. De rowze-bijeenkomsten 54

CONCLUSIES 61

LITERATUUR 66

WOORDENLIJST 71

Bijlage 1 Sjiitische organisaties in Nederland 73

Bijlage 2 Lijst van geïnterviewde personen 92

Bijlage 3 Pamflet over ’āshūrā 93


VOORWOORD
Voor u ligt mijn eindscriptie voor de master ‘Islam in de moderne wereld’. Binnen deze studie heb ik er voor gekozen om onderzoek te doen naar het sjiisme in Nederland. Door mijn studie Perzisch en een aantal bijvakken over Iran was mijn kennis over dit land met het sjiisme als officiële religie inmiddels behoorlijk groot, maar over sjiieten in Nederland, hun aantallen, moskeeën en geloofsvormen had ik zeer weinig gelezen of gehoord. Het enige dat ik wist, was dat juist de Iraniërs, waar ik de meeste kennis over had, hier in Nederland niet direct moskeegangers waren.

Daarnaast speelde ook de huidige beeldvorming over moslims een rol voor mijn keuze. Deze beeldvorming is naar mijn mening zeer eenzijdig, vaak negatief en gebaseerd op onvolledige kennis over de islam en zijn gelovigen. Ik dacht dat ik met het in kaart brengen van het sjiisme in Nederland een andere kant van de islam kon laten zien en dat is ook zo.


Deze scriptie is geschreven voor mensen met een basiskennis over de islam. Ik ga er vanuit dat woorden als sharia, fatwa, imam en ayatollah bekend zijn en ook dat de lezer weet dat sjiieten en soennieten de twee grootste geloofsgroepen van de islam zijn. Als de lezer het nieuws in kranten of op de televisie enigszins volgt, zal hij in staat zijn om deze scriptie te begrijpen.
Om al mijn informatie bij elkaar te krijgen, heb ik veel mensen gesproken. Sommigen kort om mij door te verwijzen naar iemand anders en bij anderen ben ik langs geweest om een uitgebreid interview te houden. Zonder al deze mensen was deze scriptie nooit tot stand gekomen en daarom wil ik ze hierbij allemaal danken, zowel voor alle informatie als ook voor de bijzondere gastvrijheid.

Teşekkür ederim, shukran, kheili mamnun, motashakkeram, dank je wel: Ellaha Abassi, Lafta Abdul Satar, Isha Ahmady, Rana Akram, Wasfi Albadri, Halah Al-Edany, Haider Algezaeiry, Zahraa Aljazaree, Hussein Alkhateeb, Jafar Alsagheer, Abdul Nabi Al Temimi, Israfil Demirtekin, Mehdi Fakheri, Sevda Gamzeli, Jahangir Hussain Khan, Abdal Amir Jebbr Athab, Shapol Majid, Attah Mesbah, Leila Moallemzadeh, Said Mohammed Salem Moallemzadeh, Abdul Azziz Mobayyen, Shamael Mobayyen, de familie Mohadam-Izady, Amer Morgahi, Aydin Ramazan, Mohammed Saaydi, Annemeik Schlatmann, Johanna Sinnema, Zainab Al-Touraihi, Erol Tunç,

Daarnaast dank ik nog Matthijs van den Bos voor de mogelijkheid om een deel van mijn onderzoek in opdracht van hem te kunnen doen. En ook dank ik Martin van Bruinessen voor de begeleiding en Nico Landman die als tweede lezer deze scriptie beoordeeld heeft.

Tenslotte dank aan mijn ouders, Gerrit en Riet Neijenhuis en mijn vrienden die regelmatig mijn gemopper, als het weer even tegen zat, aan hebben moeten horen.


Karin Neijenhuis

Zutphen, augustus 2008


INLEIDING

In zijn boek Globalised Islam suggereert Roy dat de wijze waarop moslims in het westen hun religie vorm geven aan het veranderen is. Hielden de eerste generaties van moslims die zich in het Westen hadden gevestigd, vast aan tradities zoals die in het land van herkomst in gebruik waren, de huidige generatie is er meer op gericht om zelf een invulling aan het geloof te geven.1 Volgens Roy vindt er een proces van deterritorialisering van de islam plaats, waarmee hij bedoelt dat er een steeds grotere groep moslims in een niet islamitisch land woont, waardoor de religie niet meer is gelieerd aan een bepaald gebied. Hij ziet een verband tussen dit proces en de veranderingen van vormen en de mate van religiositeit van de moslims.

Verschillende moslimgroepen wonen tegenwoordig met verschillende etnische groepen, talen en religieuze denominaties verspreid over de wereld en tradities uit het vaderland worden vervangen door nieuwe geloofsvormen. Roy geeft aan dat voor moslims in het Westen de inhoud van het moslim zijn geen vanzelfsprekendheid meer is, omdat de banden met het thuisland nu minder sterk zijn dan voor de vorige generaties, waardoor zij hun geloof niet meer kunnen definiëren aan de hand van oorspronkelijke tradities. Een ieder moet zijn eigen keuzes maken en uitvinden wat hem tot een moslim maakt. Daarbij kan een moslim in het Westen kiezen uit verschillende moskeeën en heeft hij de toegang tot boeken, internet en TV waar een verscheidenheid aan ideeën, interpretaties en fatwa’s te vinden is.
Bij de beschrijving van deze ontwikkelingen spreekt Roy over moslims in het algemeen. Ik vraag me echter af hoe deze ontwikkelingen bij sjiieten verlopen. Verandert de wijze waarop sjiieten in Nederland hun geloof beleven en verandert de mate van hun religiositeit ook? Of houden zij nog erg vast aan tradities van hun herkomstlanden?

Mijn veronderstelling is dat twee grote verschillen tussen soennieten en sjiieten hierop van invloed kunnen zijn. Deze verschillen betreffen de rol van de ‘olamā binnen de sjiitische gemeenschap en de specifieke sjiitische rituelen zoals ’āshūrā, de dag waarop de dood van Imam Hoseyn herdacht wordt. De sjiitische geestelijkheid is anders georganiseerd dan de soennitische geestelijkheid. Doordat elke sjiitische gelovige een hoge geestelijke leider (marja’-e taqlīd) kiest om te volgen en aan hem of zijn afgevaardigde religieuze belastingen (khoms) betaalt, spelen geestelijke leiders een grotere rol in het leven van sjiieten, waardoor oorspronkelijke tradities meer in stand worden gehouden.

De sjiitische rituelen die te maken hebben met de geboorte- en sterfdagen van de twaalf Imams en ’āshūrā in het bijzonder, zijn van groot belang voor sjiieten. Voor veel sjiieten is ’āshūrā zelfs belangrijker dan de ramadan. Dit soort rituelen benadrukken ook de sjiitische identiteit. Hierdoor wordt bij de viering van deze rituelen de traditie sterk in ere gehouden.

Naast de twee grote verschillen, zijn nog twee andere punten het vermelden waard. De sjiieten behoren voor het grootste deel tot een groep die pas later naar het Westen is geëmigreerd. Zowel in Nederland als ook in een aantal andere landen van West Europa zijn grote groepen sjiieten zich hier pas sinds de jaren tachtig gaan vestigen. Wat betreft Nederland waren het voor 1980 vooral Indonesiërs, Turken en Marokkanen die hier heen kwamen. Dit waren – buiten een groep Turkse alevieten en soms ook twaalver sjiieten - met name soennieten. De groep sjiieten van de derde generatie in Nederland is dus nog erg klein.

Als laatste punt wil ik nog noemen dat sjiieten uit landen als Pakistan, Libanon en Turkije in hun vaderland ook een minderheidsgroepering vormen, waardoor ze al minder op de omgeving en meer op de eigen groep gericht zijn.
Eén van de redenen waarom ik dit onderzoek wil richten op sjiieten, is om iets te laten zien van de diversiteit binnen de islam De laatste tijd wordt er veel in stereotypen over de islam gesproken. Dit komt mede, doordat sinds de jaren negentig het culturalistisch denken van onder andere Huntington en Lewis de dominante denkrichting geworden is. In deze visie wordt de islam gezien als een religie van vaste waarden en gebruiken die niet in overeenstemming zijn met de normen van de Westerse samenleving2. De religie wordt gezien als cultureel verschijnsel, waarbij wordt uitgegaan van culturele tradities van landen in het Midden Oosten. Deze culturele tradities worden als kenmerken van de islam gezien.

De culturalistische denkwijze is versterkt sinds de aanslagen van 11 september 2001 op het WTC in New York en wordt in de politiek in het Westen vaak als uitgangspunt genomen. Ook de uitspraken van Geert Wilders sluiten aan bij deze benadering. Hij geeft aan dat “onze cultuur veel beter is dan de achtergebleven islamitisch cultuur”3 Het is de vraag over welke islamitische cultuur hij het heeft, want het islamitische Maleisië is toch zeker modern te noemen en de moslims in de Verenigde Staten behoren zeker niet tot een achtergebleven groep, maar tot de middenklasse. Ook in zijn betoog in het kamerdebat van 1 april 2008 toont hij hoe eenzijdig hij de islam bejegent: “….de koran is een gevaarlijk boek en de imperialistische islamitische ideologie is een gevaar voor onze vrijheid. We moeten de islamisering stoppen nu het nog kan. ….. Geen immigratie meer uit moslimlanden, geen moskeeën er meer bij, een initiatiefnota over immigratie, geen islamitische scholen, het uitzetten van Marokkaanse straatterroristen en ga zo maar door.”4 Hoezo is de koran een gevaarlijk boek? Omdat een zeer klein deel van alle moslims, zoals Al Qaida en de Taliban daar fundamentalistische ideeën uithalen? Wilders’ interpretatie van de koran komt op veel punten overeen met deze twee groepen, maar absoluut niet met het grootste deel van de islamitische bevolking. Hoe komt hij er bij dat de islam een imperialistische ideologie is? Op welke manier uit zich dat? Wat hebben Marokkaanse straatterroristen te maken met de islam? De belangrijkste reden voor crimineel gedrag van jonge Marokkanen komt niet voort uit de religie; de meeste van deze jongeren praktiseren de islam niet eens. Het heeft juist eerder economische, politieke of maatschappelijke redenen. En waarom benoemt hij de Antilliaanse probleemjongeren die een christelijke achtergrond hebben niet? Hij laat met deze voorstellen zien dat hij alle moslims over één kam scheert. Hij heeft absoluut geen oog voor de diversiteit binnen de islam, maar baseert zijn mening op het gedrag van een zeer kleine groep moslims.

Met dit soort populistische uitspraken zet Geert Wilders regelmatig het politieke debat naar zijn hand. Politici met een bredere visie zijn niet goed in staat deze uitspraken te nuanceren, waardoor er zelden een gedegen weerwoord geboden wordt in politieke en maatschappelijke discussies.

Over de grote verscheidenheid binnen de islam, zowel wat betreft de verschillende stromingen als ook denkrichtingen binnen een stroming en dan ook nog de individuele beleving van de gelovigen wordt maar zelden geschreven of gesproken. Ook handelen de meeste onderzoeken en essays nog over de grootste islamitische stroming, de soennitische, zonder dat specifiek te benoemen. Ditzelfde geldt voor onderzoek en literatuur over moslims in het Westen, ook dan gaat het met name over soennieten. In mijn zoektocht naar literatuur over sjiieten in het Westen heb ik met enige moeite een aantal artikelen en boeken gevonden.


Ik heb niet de pretentie om het publieke debat te kunnen beïnvloeden met dit onderzoek. Deze scriptie kan wel een aanzet zijn tot verder onderzoek naar verschillende stromingen en differentiëring in het denken over de islam in Nederland. In ieder geval krijgen mijn vrienden en familie door mijn verhalen over het onderzoek de vraag ‘Wat is het verschil tussen soennieten en sjiieten?’ beantwoord en daarmee hopelijk een bredere kijk op de islam.
Zoals zojuist is aangegeven beschrijft een klein aantal artikelen en boeken de positie en de religiositeit van de sjiieten in het Westen. Een uitgebreid onderzoek is uitgevoerd door Linda S. Walbridge in de jaren tachtig onder Libanese sjiieten in de Verenigde Staten.5 Zij beschrijft in dit onderzoek de veranderende religiositeit van de Libanezen in de loop van de twintigste eeuw. Vernon James Schubel beschrijft in een kleiner onderzoek de wijze waarop de viering van ’āshūrā in Canada plaats vindt en in hoeverre deze traditie te vergelijken is met de wijze waarop het in Zuid Azië plaats vindt.6 Kathryn Spellman heeft gedurende een viertal jaar Iraniërs in Londen bestudeerd.7 Spellman zette daarbij de mate van religiositeit af tegen de politieke gebeurtenissen in Iran vanaf de Islamitische Revolutie.

De doelstellingen van deze drie onderzoeken zijn verschillend, maar uit alle drie de onderzoeken valt te herleiden of deze groepen gericht zijn op het vaderland en oude gebruiken en rituelen in ere houden of dat zij op zoek gaan naar een eigen invulling van hun geloof.



De onderzoeksvraag

Ik wil met dit onderzoek de sjiitische bevolking van Nederland in kaart brengen. Ik wil een eerste aanzet doen om inzicht te krijgen hoe de sjiitische geloofsvorm in Nederland gestalte krijgt. Op welke manier zijn de sjiieten in Nederland georganiseerd? Welke soorten activiteiten worden er in Nederland georganiseerd? Wat is de invloed van de in Nederland wonende rūhānīyūn? Zijn ze primair gericht op hun vaderland of op de sjiitische centra in Qom en Najaf? Of zijn ze er juist op gericht verschillende lokale tradities uit de landen van herkomst bij elkaar te brengen en een nieuwe, universele transnationale geloofsvorm te creëren? Of ontstaan er juist nieuwe vormen van religieuze praktijken waarin ook invloed van Nederland in terug te vinden is?

Dit zijn enkele van de vragen die ik mezelf gesteld heb en waarop ik in de loop van mijn onderzoek antwoord wilde verkrijgen. Hierbij is mijn veronderstelling dat sjiieten sterk gelieerd zijn aan het herkomstland en de religieuze sjiitische steden Qom en Najaf. Hiermee wil ik aangeven dat je (nog) wel kunt spreken van sjiieten in de diaspora.

Het is onmogelijk om alle aspecten van de sjiitische islam te onderzoeken. Daarom richt ik mij op datgene dat volgens mijn bevindingen het meest afwijkt van de soennitische islam, namelijk de rol van de ‘olamā en de viering van ’āshūrā in Nederland.


De centrale onderzoeksvraag is, hoe de sjiitische islam in Nederland vorm krijgt, waarbij met name op de volgende aspecten wordt gelet:

  • Welke sjiitische organisaties zijn er en wat zijn hun uitgangspunten?

  • Hoe functioneert het religieus gezag binnen de gemeenschap(pen)?

  • Op welke wijze vindt de herdenking van de dood van Imam Hoseyn plaats?

En welke factoren (instituties, traditie etc.) hebben hier invloed op?
De onderzoeksvraag wordt verder gespecificeerd in de volgende subvragen:

  1. Welke factoren beïnvloeden de religie en de religiositeit van moslims in het Westen?

  2. Wie zijn de sjiieten in Nederland? (Waar komen ze vandaan, wat is de reden dat ze zich in Nederland gevestigd hebben en waar hebben ze zich gevestigd?)

  3. Welke sjiitische organisaties zijn er in Nederland? Wat zijn hun uitgangspunten? (Op welke doelgroep richten zij zich? Of: wie zeggen zij te representeren? Wat zijn hun doelen? Wat zijn hun activiteiten?)

  4. Hoe krijgt de functie van sjiitische ’olamā in Nederland vorm? (welke taken hebben zij, hoe worden zij betaald, welke onderwerpen bespreken ze, welke taal gebruiken ze, hoe worden khoms geregeld?)

  5. Welke personen hebben binnen de sjiitische islam in Nederland religieus gezag? Uit welke landen komen zij en waar zijn ze opgeleid?

  6. Welke bijeenkomsten worden gehouden ter nagedachtenis van de martelaarsdood van Hoseyn?

  7. In hoeverre zijn de bevindingen vergelijkbaar met de situatie in de herkomstlanden van de sjiieten of in andere Westerse landen?

  8. In welke mate zijn sjiieten in Nederland gericht op het herkomstland: wat is het belang van de marja’-e taqlīd, de eigen taal, traditionele religieuze rituelen en de eigen nationale of etnische groep?

Deze scriptie beperkt zich tot de richting van de twaalver sjiieten. Mijn onderzoeksgroep wordt gevormd door sjiieten die op een bepaalde wijze verbonden zijn (als lid of als deelnemer of als bezoeker) met sjiitische organisaties in Nederland.

De herkomstlanden die in dit onderzoek met name worden bestudeerd zijn Irak, Iran en Pakistan. Een enkele keer wordt een voorbeeld uit een ander land aangehaald.
Om antwoord te kunnen geven om mijn onderzoeksvraag heb ik gebruik gemaakt van interviews, observaties en literatuur. Aangezien er weinig literatuur over het sjiieten in Nederland is, is mijn onderzoek meer kwalitatief dan kwantitatief van karakter. De informatie over ’olamā en ’āshūrā in Nederland komt voort uit gesprekken met sjiitische gelovigen, uit interviews met rūhānīyūn zelf en observaties van ’āshūrā bijeenkomsten. De wijze waarop in de boeken van Spellman en Walbridge het onderzoek plaats heeft gevonden, is voor deze scriptie een voorbeeld geweest.8

Ik ben me er van bewust dat beschrijvende observaties een subjectief karakter hebben. Mijn referentiekader voor wat betreft religieuze bijeenkomsten wordt gevormd door mijn rooms katholieke opvoeding. Dit maakt bijvoorbeeld dat het mij opvalt, dat kinderen minder strak worden gehouden in de moskee en ook dat volwassenen rustig met elkaar een praatje maken en telefoneren. Deze observaties zou je niet tegenkomen in een beschrijvende observatie van een moslim. Zo zullen er meer subjectieve waarnemingen zijn. Ik heb getracht zo weinig mogelijk mijn mening te geven, maar de subjectiviteit zit al in wàt ik waarneem, dit valt niet te voorkomen.


Hoofdstuk 1 begint met een literatuurstudie om mijn uitgangspunt dat religie geen statisch gegeven is, maar verandert onder invloed van tijd en cultuur te onderbouwen. Daarna ga ik in op de verschillende factoren die van invloed kunnen zijn op verandering van de religie en de religiositeit van een groep in een diaspora. Ik maak daarbij gebruik van de drie bovengenoemde onderzoeken over sjiieten in het Westen.

In hoofdstuk 2 wordt een korte beschrijving van de sjiitische geloofsrichting weergegeven. Hoe deze richting is ontstaan en wat de verschillen zijn tussen soennieten en sjiieten. Deze informatie komt vanuit de literatuur. Daarbij geef ik ook een beschrijving van een specifiek sjiitisch ritueel dat ik in Iran heb bijgewoond.

Het volgende hoofdstuk gaat over sjiieten in het Westen en in Nederland. Ik beschrijf wanneer en waarom zij zijn geëmigreerd en ik maak een inventarisatie van sjiitische organisaties in Nederland. Deze inventarisatie geeft een beeld van het aantal sjiitische organisaties en moskeeën. Ook wordt er ingegaan op welke groepen deze organisaties zich richten, wat hun doelstellingen zijn en welke activiteiten zij organiseren.

In hoofdstuk 4 beschrijf ik de manier waarop het religieus gezag functioneert. Eerst geef ik uitleg over de marja’-e taqlīd en over de rol van de geestelijkheid in Iran en Irak. Daarna geef ik een beschrijving van de rol die de sjiitische geestelijkheid speelt in Nederland. Ik beschrijf waar ze vandaan komen, waar ze zijn opgeleid en wat hun banden zijn met ’olamā in Iran en Irak. Ook geef ik informatie over hun taken, welke onderwerpen zij met gelovigen bespreken en welke rol zij spelen bij de betaling van de khoms. Ik ben me er hierbij van bewust dat het mogelijk is dat tijdens de interviews soms maatschappelijk wenselijke antwoorden gegeven zijn. Hiermee heb ik rekening gehouden worden bij het trekken van de conclusies.

In het laatste hoofdstuk leg ik uit wat ’āshūrā inhoudt en op welke wijze tegenwoordig deze heilige gebeurtenis herdacht en gevierd wordt in Irak, Iran en Pakistan. Hierbij maak ik gebruik van literatuur en interviews. Ook geef ik een beschrijving van een aantal bijeenkomsten van ’āshūrā die ik in Nederland bijgewoond heb en maak ik een vergelijking tussen de verschillende bijeenkomsten in Nederland en de herkomstlanden.

Tenslotte wil ik in de ‘Conclusies’ met de informatie uit de eerdere hoofdstukken de laatste subvraag over mate waarin sjiieten in Nederland gericht zijn op hun herkomstland en de hoofdvraag beantwoorden.


Door mijn studie Perzisch en mijn verblijf in Iran ben ik beter bekend met het Perzisch dan met het Arabisch. Dit is voor mij de reden geweest om in deze scriptie uit te gaan van Perzische woorden. In de literatuur worden Arabische en Perzische woorden in verschillende betekenissen gebruikt. Ta’ziye is het Perzische woord voor passiespel, maar in andere landen kan dit de betekenis hebben van een ’āshūrā- bijeenkomst. Ik ga uit van de Perzische betekenis.

Ook het woord voor geestelijke ‘rūhānī’ dat ik hier gebruik, is Perzisch. Waar men bij de soennieten de geestelijke imam noemt, is deze titel binnen het sjiisme behouden voor de twaalf opvolgers van Mohammed. In Turkije gebruiken de sjiieten nog wel imam of hodja. De Irakezen gebruiken soms imam, maar meestal sheikh of seyyed. De Afghanen gebruiken mollā. Maar de Perzische termen mollā en ākhūnd “have acquired a somewhat pejorative connotation in recent years, a third term ruhani (spiritual) has been promoted especially by the clerical class itself.”9 Iraniërs hebben bevestigd dat als men respectvol over een geestelijke spreekt men rūhānī gebruikt.

Woorden als ayatollah, imam en sharia die inmiddels gemeengoed zijn in de Nederlandse taal heb ik geschreven, zoals ze in het woordenboek vermeld staan.

Wat betreft namen heb ik voor de namen van de profeet en zijn familie en de namen van de marāje’-e taqlīd de transliteratie van uit het Perzisch toegepast. Andere namen heb ik geschreven, zoals personen hun naam zelf schrijven of zoals de namen in boeken vermeld staan.


Op pagina 71 is een woordenlijst te vinden met alle Perzische woorden die in deze scriptie gebruikt zijn. Dit betreffen de schuin gedrukte woorden.
Hoofdstuk 1 De islam in beweging

Hoewel de culturalistische benadering in wetenschappelijke debatten steeds vaker onderuit wordt gehaald, vormt deze benadering toch nog vaak het uitgangspunt in discussies over de islam. De aanhangers van het culturalistisch denken zien de islam volgens Roy als “a discrete entity, a coherent and closed set of beliefs, values and anthropological patterns, embodied in a common society, history and territory.”10 Daarbij wordt de islam als verklarende factor gebruikt. Dit gebeurt momenteel ook vaak in Nederland. De islam wordt gezien als oorzaak van alle maatschappelijke problemen van moslims zoals die bijvoorbeeld spelen bij een aantal groepen Marokkanen in Amsterdam. Ook het islamitische fundamentalisme wordt vanuit de islam zelf verklaard, zonder dat gelet wordt op economische en politieke factoren.11 Daarbij wordt uitgegaan van dè islam, als een statische eenheid.

In dit hoofdstuk laat ik zien dat er van een statische, eenvormige islam geen sprake is. Ook ga ik in op de factoren die van invloed zijn op veranderingen van de religie en op de religiositeit van mensen.



Deel met je vrienden:
  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina