Schepenen van Financiën Vlaamse centrumsteden luiden noodklok over stadsfinanciën



Dovnload 77.24 Kb.
Pagina2/2
Datum20.05.2018
Grootte77.24 Kb.
1   2

Financiële uitdagingen


De komende jaren dreigen de lokale financiën ernstig te ontsporen. Dat heeft te maken met een pak uitdagingen die op de lokale besturen afkomen waarop ze zelf nauwelijks of geen impact hebben:2

  • Pensioenen: als enige overheidsniveau financieren de lokale besturen de pensioenen van hun statutaire ambtenaren helemaal zelf, dus zonder een beroep te doen op de federale schatkist. Door de toename van het aantal pensioneringen en de langere levensverwachting stijgt die pensioenfactuur de komende jaren telkens (en dus cumulatief) met meer dan 100 miljoen euro voor alle Vlaamse gemeenten, OCMW’s en politiezones samen. Dat is een stuk meer dan de verwachte jaarlijkse stijging van het Gemeentefonds, die 70 tot 75 miljoen euro bedraagt. De stijging van de pensioenfactuur is een totaal onsamendrukbare uitgave. Zelfs al sluit je bij wijze van spreken het stadhuis, dan nog moeten de steden dit bedrag ophoesten.

  • Vergrijzing: de stijgende levensverwachting van de bevolking leidt tot een sterke toename van de vraag naar door de OCMW’s geleverde diensten, zowel wat betreft thuiszorg, als residentieel via allerlei vormen van beschermd wonen (assistentiewoningen, woonzorgcentra, enz.). Lokale besturen zijn het aan de samenleving verplicht om hierin hun verantwoordelijkheid op te nemen.
    Door de vergrijzing neemt aan ontvangstenzijde de fiscale draagkracht van gemeenten af: meer mensen genieten een vervangingsinkomen. Bovendien valt bejaardeninfrastructuur onder een gunstiger fiscaal regime dan klassieke gezinswoningen.


  • Duurdere schuldfinanciering: de tot voor de financiële crisis zeer vlotte toegang van de centrumsteden tot schuldfinanciering via banken, is helemaal voorbij. Banken hebben slechts beperkte volumes kredieten meer ter beschikking, kiezen voor kortere looptijden (wat zwaardere budgettaire uitgaven per jaar betekent) en rekenen bovenop de marktrente marges aan van 200 basispunten en meer om hun eigen liquiditeitsrisico in te dekken. Tot voor de financiële crisis bedroegen die marges vaak slechts enkele basispunten.

  • Economische crisis: de centrumsteden ondervinden volop de gevolgen van de economische crisis. De belastinginkomsten verminderen of nemen trager toe, en de uitgaven van de OCMW’s voor allerlei vormen van steun stijgen. Bovendien leidt de strengere federale werkloosheidsreglementering ertoe dat meer mensen noodgedwongen bij het OCMW moeten aankloppen.

  • Energie- en andere dividenden: de voorbije jaren zijn de dividenden die richting gemeentekas gaan alleen maar verminderd. Er was de vrijmaking van de energiesector in 2003 (met een recurrent verlies van 350 miljoen euro voor alle Vlaamse gemeenten samen), er was de vereffening van de Gemeentelijke Holding (dividendverlies van 50 miljoen euro) en er zijn vandaag de financiële gevolgen van het klantenverlies bij de standaardleveranciers ECS en EDF-Luminus, waarin de gemeenten nog een stuk participeren.
    Daarnaast kampen de distributienetbeheerders (geheel of grotendeels in handen van de gemeenten) momenteel met enorme tekorten omdat ze de door de Vlaamse overheid opgelegde verplichtingen (vooral op het vlak van groene stroom) niet volledig mogen doorrekenen in de nettarieven. Als binnenkort de bevoegdheid over de nettarieven geregionaliseerd worden, zullen die enorm moeten stijgen. Tenzij de Vlaamse overheid, uit schrik voor een te zware tariefverhoging, beslist dat de aandeelhouders-gemeenten dit maar moeten ophoesten via lagere dividenden. Op die manier zou Vlaams beleid (de subsidiëring van investeringen in de productie van groene stroom) uiteindelijk door de gemeenten moeten worden gedragen.


  • Vergroening: verschillende centrumsteden werden de voorbije jaren geconfronteerd met een grote (en vrij onverwachte) stijging van het geboortecijfer. Dat betekent extra nood aan voorschoolse kinderopvang, kleuter- en lagere scholen en buitenschoolse opvang, en dus zware bijkomende investeringen en uitgaven voor de exploitatie.

  • Politie en brandweer: de steden maken alle deel uit van een politiezone. Die is verplicht haar budget in evenwicht te houden. De federale dotatie ligt vast en evolueert niet of onvoldoende mee met de bijkomende uitgaven waar politiezones voor staan (cf. o.a. de gevolgen van de Salduzwet, de maatschappelijke behoefte aan meer blauw op straat, de sterke stijging van de pensioenfactuur, enz.). Het budgettaire gat moet dichtgereden worden door de gemeenten.
    Momenteel wordt ook werk gemaakt van de verdere uitrol van de brandweerhervorming via de creatie van brandweerzones. De steden vrezen de financiële gevolgen van de bijkomende normering die aan de zones worden opgelegd, en van de onderhandelingen over het toekomstige statuut van de brandweer die momenteel worden gevoerd zonder dat de werkgevers, de lokale besturen, mee aan tafel zitten. Bij de start van de brandweerhervorming was er het politieke engagement van de federale overheid om te komen tot een 50/50-verhouding tussen de lokale en de federale financiering van de brandweer. Vandaag dragen gemeenten nog steeds ca. 90% van die kosten.


  • Rioleringen en waterzuivering: uiterlijk tegen 2027 gebiedt Europa proper oppervlaktewater. Om dat te bereiken moeten de Vlaamse gemeenten jaarlijks 400 miljoen euro uittrekken om het resterende rioleringsnet aan te leggen. Voor het onderhoud en de instandhouding van het bestaande net is daarnaast jaarlijks 600 miljoen euro nodig. De saneringsbijdrage op de waterfactuur brengt, als alle gemeenten het maximum vragen, 300 miljoen euro op, en de Vlaamse investeringssubsidies zijn goed voor 100 miljoen euro. Dat betekent dat ook de centrumsteden voor die waterzuivering nog enorme budgetten moeten ophoesten, die niet of nauwelijks door anderen worden gedragen.

  • Nieuwe begrotingsnormen (Vlaams en Europees): momenteel werken alle centrumsteden aan de opmaak van een meerjarenplan 2014-2019 en een budget 2014. Daarin zullen ze uiteraard ook moeten aantonen dat ze financieel in evenwicht zijn. Dat evenwicht wordt voortaan op een nieuwe manier berekend. Concreet moet het saldo van de exploitatie-ontvangsten en –uitgaven in 2019 volstaan om de leninglasten (intresten en aflossingen) te dragen, zonder rekening te houden met eenmalige meevallers of overschotten uit het verleden. Deze norm wijst op een structureel evenwicht, maar is een stuk strenger dan wat lokale besturen tot nu toe kenden.
    Tegelijk vrezen de centrumsteden het begrotingswerk dat op andere overheidsniveaus momenteel wordt gevoerd. Hoewel het voor het Belgische vorderingensaldo voor Europa niets opbrengt (daarvoor worden immers alle overheden samengeteld), merken we de neiging bij de federale en de Vlaamse overheid om een deel van de eigen budgettaire problemen af te schuiven op de gemeenten en OCMW’s, bv. door subsidies te schrappen of niet te indexeren.


  • Maatschappelijke uitdagingen: de boutade wil dat lokale besturen het dichtst bij de burger staan, maar dat betekent ook dat ze het eerst geconfronteerd worden met allerlei maatschappelijke uitdagingen of worden aangesproken om op een aantal domeinen een voorbeeldrol te spelen. We denken aan de algemene trend naar duurzaamheid (waarbij effecten vaak afhangen van voorafgaande investeringen), maar ook aan de dualisering van de samenleving, aan de gezinsverdunning (met meer en andere woonnoden), aan digitalisering, enz.
  1. Steden willen verantwoordelijkheid nemen


De schepenen van Financiën stellen vast dat de budgettaire problemen die op de centrumsteden afkomen, zeer groot zijn. Toch zijn ze bereid om, net zoals gemeenten dat tot nu toe altijd hebben gedaan, hun verantwoordelijkheid op te nemen. Tot nu toe kunnen de Vlaamse gemeenten in het algemeen en de centrumsteden in het bijzonder trouwens ook een mooi financieel palmares voorleggen:

  • Begrotingen in evenwicht sinds 1988. Dat staat zo in de wetgeving en wordt ook jaar na jaar streng gecontroleerd.

  • Lokale besturen zijn nog steeds goed voor ca. 50% van de overheidsinvesteringen. Daarvan besteden de Vlaamse gemeenten jaarlijks ca. 1,5 miljard euro, wat goed is voor ca. 20.000 arbeidsplaatsen in de privésector.

  • Lokale besturen zijn goed voor slechts 6% van de totale Belgische overheidsschuld. Dat betekent dat gemeenten nooit leningen hebben aangegaan om hun courant beleid te financieren, wat op andere niveaus de voorbije jaren duidelijk wel is gebeurd.


Deze cijfers bewijzen dat de lokale besturen de voorbije decennia altijd geprobeerd hebben om de tering naar de nering te zetten, zonder daarbij te veel de dienstverlening in te krimpen, investeringen terug te schroeven of de belastingen te verhogen. De centrumsteden hebben daarbij ook telkens een heel pakket aan opdrachten en taken uitgevoerd die hun door de Vlaamse en federale overheid worden opgelegd.

De uitdagingen die nu op de lokale besturen afkomen, zijn echter van die aard dat het met cosmetische ingrepen alleen niet meer zal lukken. De schepenen zijn absoluut bereid om binnen hun college en samen met andere lokale partners op zoek te gaan naar nog bijkomende efficiëntiewinsten, bijvoorbeeld door nog meer te investeren in de samenwerking tussen diensten en tussen stad en OCMW. Ze willen ook actief deelnemen aan een lokaal kerntakendebat om te kijken welke diensten echt nodig zijn voor de bevolking. Ze zijn bereid alle uitgaven onder de loep te nemen, en het gebouwenpatrimonium te analyseren en waar mogelijk en nodig te optimaliseren.

Alleen, vandaag leeft het gevoel dat het met dergelijke ingrepen alleen niet meer zal lukken. Door de stad als burgernabije overheid vrezen de schepenen van Financiën dus ook pijnlijke en voor de bevolking direct voelbare maatregelen te zullen moeten nemen:

  • Het inkrimpen van de dienstverlening door te schrappen in openingsuren, bepaalde diensten stop te zetten, enz.

  • Het fors afbouwen van de investeringen, met een onmiddellijk gevolg voor de staat van het bestaande patrimonium. We wijzen erop dat elke daling van de investeringen van de Vlaamse gemeenten met 10% een negatieve impact op de werkgelegenheid in de privésector betekent van ongeveer 2000 arbeidsplaatsen.

  • Het verhogen van de vergoedingen die voor allerlei gemeentelijke diensten worden aangerekend.

  • Het eventueel zelfs verhogen van de belastingen.

  • Het terugschroeven van het aantal personeelsleden, door gepensioneerden niet of slechts heel beperkt te vervangen en aflopende contracten niet te vernieuwen. Ook dat heeft uiteraard een belangrijk werkgelegenheidseffect, voor een deel (en jammer genoeg) bij mensen die op de gewone arbeidsmarkt niet of moeilijk aan de slag kunnen.
  1. Graag solidariteit van de centrale overheden


De schepenen van Financiën van de Vlaamse centrumsteden zijn ervan overtuigd dat de centrale overheden een cruciale rol kunnen spelen om rampscenario’s op het vlak van de lokale financiën te helpen voorkomen.

Ze dringen dan ook aan op de volgende engagementen:

  • Dat de Vlaamse overheid garanties geeft dat de jaarlijkse groei met 3,5% van het Gemeentefonds de hele legislatuur 2013-2018 behouden blijft. Alleen zo kunnen de gemeenten met een redelijke graad van zekerheid hun eigen (door de Vlaamse overheid opgelegde) meerjarenplanning 2014-2019 afwerken.

  • Dat de Vlaamse overheid de subsidies voor gesubsidieerde contractuelen (ca. 200 miljoen euro per jaar) eindelijk gaat indexeren. Op die manier kan de tendens waarbij de gemeenten en OCMW’s jaar na jaar een groter deel van de loonkosten op zich nemen worden stopgezet.

  • Dat de Vlaamse overheid het systeem van de rioolsubsidies aanpast, waardoor individuele gemeenten absolute zekerheid kunnen krijgen over welke subsidiëring ze hiervoor de komende jaren mogen verwachten. Rioolprojecten vergen altijd zeer zware investeringen, o.m. door de ermee gepaard gaande wegenwerken. In deze financieel moeilijke tijden zullen gemeenten die alleen blijven doen als ook de cofinanciering door de Vlaamse overheid verzekerd is.

  • Dat de Vlaamse overheid bij de komende onderhandelingen over een sectoraal akkoord 2014-2019 voor het personeel van de lokale besturen geen financiële engagementen aangaat tegenover de vakbonden die uiteindelijk door de gemeenten moeten worden gedragen.

  • Dat de federale overheid voor de financiering van de pensioenen haar verantwoordelijkheid opneemt voor de sectoren waarvoor zij mede bevoegd is. Concreet betekent dit extra financiering voor de zware stijging van de pensioenuitgaven voor de politie en voor de ziekenhuizen.

  • Dat de federale overheid verdere maatregelen neemt om de pensioenfactuur (die zoals gezegd helemaal door de lokale besturen zelf wordt gedragen) betaalbaar te houden. Het gaat dan om het verder stimuleren van langer werken, het milderen van het aantal jaar van non-activiteit die voor de berekening van het pensioen als werkjaar gelden, het beperken van de automatische aanpassing van de pensioenen aan koopkrachtmaatregelen voor de actieven, enz.

  • Dat de federale overheid alle meerkosten ten gevolge van de brandweerhervorming (nieuwe normen, statuut brandweerpersoneel, …) ten laste neemt, zodat de al lang beloofde 50/50-financiering over enkele jaren eindelijk kan worden bereikt. Bovendien moeten de werkgevers van de brandweer (de lokale besturen) zelf mee aan tafel zitten om over het statuut te onderhandelen.

  • Dat de Vlaamse en de federale overheid geen maatregelen nemen met een negatieve invloed op de dividenden die gemeenten krijgen als aandeelhouder van de netbeheerders voor elektriciteit en aardgas. Als er moet ingegrepen worden in de energieprijs, dan moet dat het eerst gebeuren door de federale overheid, door het btw-tarief van 21% te verlagen.

  • Dat in het algemeen de Vlaamse en federale overheid in hun eigen budgettaire oefening geen maatregelen nemen met een negatieve impact op de lokale financiën en dat als bijkomende taken en opdrachten aan de gemeenten worden gegeven, de kosten hiervan integraal zouden worden gecompenseerd.


De schepenen van financiën van de Vlaamse centrumsteden:
Christoph D’Haese, burgemeester Aalst

Koen Kennis, schepen van Financiën Antwerpen

Boudewijn Laloo, schepen van Financiën Brugge

Angelo Bruno, schepen van Financiën Genk

Christophe Peeters, schepen van Financiën Gent

Valerie Del Re, schepen van Financiën Hasselt

Catherine Waelkens, schepen van Financiën Kortrijk

Carl Devlies, schepen van Financiën Leuven

Walter Schroons, schepen van Financiën Mechelen

Hilde Veulemans, schepen van Financiën Oostende

Henk Kindt, schepen van Financiën Roeselare

Mike Nachtegael, schepen van Financiën Sint-Niklaas

Francis Stijnen, schepen van Financiën Turnhout
Gent, 9 april 2013

1 Aalst, Antwerpen, Brugge, Genk, Gent, Hasselt, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas, Turnhout.

2 Voor een meer uitgebreide toelichting verwijzen we naar het dossier financiële uitdagingen 2013-2018 dat Belfius heeft opgesteld: https://www.belfius.be/info/NL/Media/FinancieleUitdagingen2013_tcm_11-52693.pdf

Schepenen van Financiën luiden de noodklok - /


Deel met je vrienden:
1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina