Samenvatting vwo thema Transport



Dovnload 52.94 Kb.
Datum17.12.2017
Grootte52.94 Kb.

Samenvatting 6 VWO Thema 3 Transport

 


 

DOELSTELLING 1

Je moet bij dieren open, gesloten, enkelvoudige en dubbele bloedsomlopen kunnen onderscheiden.

Open bloedsomloop.

Het bloed stroomt voor een deel vrij door het lichaam.

Bij insecten: hart – aorta – vrij door het lichaam – hart.

Gesloten bloedsomloop.

Het bloed stroomt in bloedvaten door heel het lichaam.

Enkelvoudige bloedsomloop.

Per omloop stroomt het bloed één keer door het hart.

Bij vissen: hart – kieuwen – rest van het lichaam – hart.

Dubbele bloedsomloop.

Per omloop stroomt het bloed twee keer door het hart.

Bij vogels en zoogdieren: hart – longen – hart – rest van het lichaam – hart.

Kleine bloedsomloop: zuurstof wordt in het bloed opgenomen en koolstofdioxide aan de lucht afgegeven.

Grote bloedsomloop: zuurstof wordt aan de weefsels afgegeven en koolstofdioxide in het bloed opgenomen.

 

DOELSTELLING 2

Je moet de bestanddelen van bloed kunnen noemen met hun kenmerken en functies.

Bloedplasma: water met opgeloste stoffen en plasma-eiwitten (albuminen, globulinen, fibrinogeen).

Het bloedplasma vervoert zuurstof, voedingsstoffen (o.a. glucose), afvalstoffen (o.a. koolstofdioxide), regelende stoffen (o.a. hormonen) en beschermende stoffen (o.a. antistoffen).

Het bloedplasma houdt het interne milieu constant.

Bloedserum is bloedplasma zonder fibrinogeen.

Functie albuminen: stoffentransport, handhaven van de colloïd-osmotische druk en de bloeddruk.

Functie globulinen: stoffentransport, afweer tegen ziekteverwekkers (antistoffen).

Functie fibrinogeen: bloedstolling.

Rode bloedcellen.

Kleine ronde schijfjes, die in het midden dunner zijn dan aan de rand.

Cellen zonder kern (daardoor betrekkelijk korte levensduur).

Worden gevormd in het rode beenmerg uit stamcellen, onder invloed van het hormoon EPO uit de nieren.

Worden afgebroken in het rode beenmerg, in de milt en in de lever.

Bevatten hemoglobine die zuurstof en koolstofdioxide kan binden.

Functie: transport van zuurstof en koolstofdioxide.

Witte bloedcellen (garnulocyten, lymfocyten en monocyten).

Cellen met kern.

Worden vooral gevormd in het rode beenmerg uit stamcellen (lymfocyten ontwikkelen zich verder in lymfatisch weefsel: o.a. lymfeknopen en de milt).

Functie granulocyten: vernietigen van ziekteverwekkers door fagocytose.

Functie lymfocyten: afweer tegen ziekteverwekkers (door o.a. antistoffen, gevormd door plasma-cellen).

Functie monocyten: vernietigen van ziekteverwekkers door fagocytose en opruimen van dode celresten (door macrofagen, in de weefsels buiten de bloedvaten).

Bloedplaatjes.

Delen (zonder kern) van uiteengevallen cellen.

Worden gevormd in het rode beenmerg.

Functie: bloedstolling.

Bloedstolling.

Bloedplaatjes kleven aan de beschadigde bloedvatwand en vormen een bloedpropje.

Uit het beschadigde weefsel en uit de bloedplaatjes komen stoffen vrij. Deze stoffen brengen met behulp van stollingsfactoren in het bloedplasma (o.a. Ca2+-ionen) een keten van reacties op gang. Uiteindelijk leidt dit ertoe dat fibrinogeen wordt omgezet in fibrine.

Fibrine vormt een netwerk van draden dat de wond afsluit (bloedstolsel).

 

DOELSTELLING 3



Je moet de delen van een hart kunnen noemen met hun functies en kenmerken.

 

Delen

Kenmerken en functies

• Rechterboezem


- ontvangt zuurstofarm bloed uit de onderste en bovenste holle ader en voert dit door naar de rechterkamer

- weinig gespierde wand


Rechterkamer


- pompt zuurstofarm bloed in de longslagader(s)

- gespierde wand


• Linkerboezem


- ontvangt zuurstofrijk bloed uit de longaders en voert dit door naar de linkerkamer

- weinig gespierde wand


• Linkerkamer


- pompt zuurstofrijk bloed in de aorta
- zeer gespierde wand

• Harttussenwand


- scheidt de linker- en rechterharthelft

• Hartkleppen


- verhinderen het terugstromen van bloed van kamers naar boezems

• Halvemaanvormige

kleppen (slagaderkleppen)


- verhinderen het terugstromen van bloed van longslagader(s) en aorta naar de kamers

• Kransslagaders


- hierdoor stroomt zuurstofrijk bloed naar de hartspier

• Kransaders


- hierdoor stroomt zuurstofarm bloed weg uit de hartspier

• Hartzakje


- vlies om het hart (met een laagje vloeistof tussen het vlies en het hart)


DOELSTELLING 4


Je moet de werking van het hart kunnen beschrijven.

Systole (samentrekking) van de boezems.

De sinusknoop in de wand van de rechterboezem geeft impulsen af.

Spieren in de wand van de boezems trekken zich samen. In de kamers vindt diastole (ontspanning) plaats.

Bloed stroomt van de boezems naar de kamers.

De hartkleppen zijn open, de halvemaanvormige kleppen dicht.

Systole van de kamers.

Via de atriumventrikelknoop en de bundel van His worden impulsen geleid naar de punt van de hartkamers.

Spieren in de wand van de kamers trekken zich samen. In de boezems vindt diastole plaats.

Bloed stroomt van de kamers naar de longslagader(s) en de aorta.

De hartkleppen zijn dicht, de halvemaanvormige kleppen open.

Papillairspieren trekken zich samen en verhinderen dat de hartkleppen doorslaan.

Het sluiten van de hartkleppen is te horen als de eerste harttoon.

Hartpauze.

Zowel in de boezems als in de kamers vindt diastole plaats.

Bloed stroomt van de holle aders en longaders naar de boezems en kamers.

De hartkleppen zijn open, de halvemaanvormige kleppen dicht.

Het sluiten van de halvemaanvormige kleppen is te horen als de tweede harttoon.

Hartritme (hartslagfrequentie): aantal hartslagen per minuut.

Het hartritme wordt beïnvloed door de bloeddruk (beïnvloeding via de hersenstam), door hormonen (o.a. adrenaline), door zintuiglijke waarnemingen en door emoties.

Het hartritme is afhankelijk van de lichaamsgrootte.

Slagvolume: de hoeveelheid bloed die per hartslag door de linkerkamer in de aorta wordt gepompt.

Het slagvolume is afhankelijk van de hoeveelheid bloed die vanuit de holle aders de rechterboezem in stroomt.

De slagvolume van de linkerkamer is ongeveer gelijk aan dat van de rechterkamer.

Minutenvolume: de hoeveelheid bloed die per minuut door de linkerkamer in de aorta wordt gepompt.

Minutenvolume = hartritme x slagvolume.

 

DOELSTELLING 5

Je moet de verschillende typen bloedvaten kunnen noemen met hun functies en kenmerken.

Slagaders (arteriën):

hierdoor stroomt bloed van het hart weg;

hoge bloeddruk;

dikke, stevige en elastische wand;

‘slag’ merkbaar, o.a. in de polsen;

meestal diep in het lichaam gelegen;

alleen halvemaanvormige kleppen (aan het begin van longslagader en aorta).

Arteriolen:

fijne vertakkingen van slagaders in de organen;

wand van één cellaag endotheel en glad spierweefsel;

door vasoconstrictie (vernauwing) of vasodilatatie (verwijding) kan de hoeveelheid bloed worden geregeld die door een bepaald weefsel stroomt.

Haarvaten (capillairen):

wand van één cellaag endotheel;

aan het begin van veel haarvaten zitten kringspiertjes, die het haarvat afsluiten als het weefsel in rust is;

vocht met opgeloste stoffen en witte bloedcellen kunnen door de wand heen de haarvaten verlaten.

Venulen:

fijne bloedvaatjes waar de haarvaten zich herenigen;

kunnen via shuntbloedvaten het bloed direct vanuit de arteriolen ontvangen (bijv. in de huid bij lage milieutemperaturen).

Aders (venen):

hierdoor stroomt bloed naar het hart toe;

lage bloeddruk;

dunne wand;

geen ‘slag’ merkbaar;

meestal ondiep in het lichaam gelegen;

kleppen verhinderen dat het bloed terugstroomt (vooral in de ledematen).

 

DOELSTELLING 6

Je moet de delen van het bloedvatenstelsel kunnen noemen en de stroomrichting van het bloed erin kunnen aangeven.

Kleine bloedsomloop: rechterkamer – longslagaders – longaders – linkerboezem.

Grote bloedsomloop: linkerkamer – aorta – armslagaders – armaders – halsslagaders – halsaders – leverslagader – leverader – darmslagader – poortader – nierslagaders – nieraders – beenslagaders – beenaders – onderste holle ader – bovenste holle ader – rechterboezem.

 

DOELSTELLING 7

Je moet in delen van het bloedvatenstelsel het zuurstofgehalte, het glucose-gehalte en de stroomsnelheid van het bloed kunnen aangeven.

Zuurstofgehalte van het bloed.

Door de slagaders van de kleine bloedsomloop stroomt zuurstofarm bloed.

Door de aders van de kleine bloedsomloop stroomt zuurstofrijk bloed.

Door de slagaders van de grote bloedsomloop stroomt zuurstofrijk bloed.

Door de aders van de grote bloedsomloop (waaronder de poortader) stroomt zuurstofarm bloed.

Glucosegehalte van het bloed.

In de poortader treden de grootste schommelingen op.

Van de overige bloedvaten is het glucosegehalte van het bloed in de leverader het hoogst.

Waar het bloed uit de leverader wordt gemengd met bloed afkomstig van andere organen, daalt het glucosegehalte van het bloed.

Stroomsnelheid van het bloed.

Per type bloedvat is de stroomsnelheid van het bloed omgekeerd evenredig met de totale diameter van de bloedvaten.

In de slagaders is de stroomsnelheid van het bloed groter dan in de aders.

In haarvaten is de stroomsnelheid van het bloed het kleinst.

 
DOELSTELLING 8

Je moet het verloop van de bloeddruk in verschillende typen bloedvaten
kunnen beschrijven.

Van slagaders naar aders neemt de bloeddruk voortdurend af.

De bloeddruk is het hoogst in de linkerkamer en de aorta tijdens de systole van de kamers.

In de slagaders fluctueert de bloeddruk sterk.

In de aders is de bloeddruk vaak te laag om de bloedstroom op gang te houden.

In de aders helpen andere krachten mee om de bloedstroom op gang te houden:

de pulserende druk van slagaders die naast de aders liggen;

de samentrekking van skeletspieren;

de ademhalingsbewegingen (lage druk in de borstholte en hoge druk in de buikholte tijdens een inademing).

De bloeddruk wordt min of meer constant gehouden door aanpassing van het hartritme (negatieve terugkoppeling).

Als de bloeddruk daalt onder de normwaarde, zorgt de hersenstam ervoor dat het hartritme stijgt. Hierdoor stijgt de bloeddruk.

Als de bloeddruk stijgt boven de normwaarde, zorgt de hersenstam ervoor dat het hartritme daalt. Hierdoor daalt de bloeddruk.

De bloeddruk kan verhoogd zijn doordat aan de binnenwand van bloedvaten cholesterol is afgezet (atherosclerose).

Bloeddrukmeting:

de arts pompt een manchet om de arm op, tot de armslagader geheel is dichtgedrukt;

de arts laat lucht uit de manchet ontsnappen, tot de druk in de manchet gelijk is aan de systolische bloeddruk (de bovendruk);

de arts hoort vaatgeruis, doordat na elke kamersystole de armslagader heel even wordt open-gedrukt en een klein beetje bloed doorlaat;

de arts laat lucht uit de manchet ontsnappen, tot de druk in de manchet gelijk is aan de dia-stolische bloeddruk (de onderdruk);

de arts hoort geen vaatgeruis meer, doordat het bloed weer continu door de armslagader stroomt.

DOELSTELLING 9

Je moet de kenmerken en functies van weefselvloeistof en lymfe kunnen


noemen.

Weefselvloeistof ontstaat doordat aan het begin van de haarvaten vocht uittreedt (filtratie).

Plasma-eiwitten met relatief grote moleculen kunnen de haarvaten niet verlaten en veroorzaken een colloïd-osmotische druk.

Weefselvloeistof bevat o.a. zuurstof, voedingsstoffen, koolstofdioxide en andere afvalstoffen, hormonen en plasma-eiwitten met kleine moleculen. Weefselvloeistof kan witte bloedcellen bevatten.

Functie weefselvloeistof: zuurstof en voedingsstoffen naar de cellen toevoeren en koolstofdioxide en andere afvalstoffen van de cellen wegvoeren.

Een deel van de weefselvloeistof keert aan het eind van de haarvaten terug in het bloed (absorptie).

Aan het begin van de haarvaten is de bloeddruk hoger dan de colloïd-osmotische druk, zodat filtratie optreedt.

Aan het eind van de haarvaten is de bloeddruk lager dan de colloïd-osmotische druk, zodat absorptie optreedt.

Een deel van de weefselvloeistof wordt opgenomen in fijne lymfevaten.

Lymfevaten verenigen zich tot grotere lymfevaten. In de lymfevaten komen kleppen voor.

Het lymfevatenstelsel voert de lymfe weer terug naar het bloedvatenstelsel.

Lymfeknopen (lymfeklieren) zuiveren de lymfe van o.a. ziekteverwekkers.



 

Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina