Samenvatting Aardrijkskunde H1 2: Het landschap als dynamisch systeem



Dovnload 410.57 Kb.
Pagina1/2
Datum23.12.2017
Grootte410.57 Kb.
  1   2

Samenvatting Aardrijkskunde H1
2: Het landschap als dynamisch systeem

Voedingsstoffen die bomen nodig hebben worden dankzij voedselkringloop constant gerecycled  opgeslagen in 3 plaatsen:



  1. Levend organisch materiaal van bomen/planten

  2. Dood organisch materiaal op de grond

  3. Zwarte humuslaag in bodem

Bodem = Bovenste deel van de grond waar planten in wortelen en dat in meer of mindere mate is verkleurd door organisch materiaal en uitspoeling





Zwarte grond

Rode grond

Grijze grond

Gele grond

Oorspronkelijke kleur van de grond










x

Verkleurde grond

x

x

x




Verweerde grond




x







Uitgespoelde grond




x

x





Tropische regenwouden

Snellere processen door hoge temperatuur, vochtigheid, continue groeiseizoen



  • Rode bodem  zwarte humuslaag ontbreekt  snelle mineralisatie  vrijgekomen voedingsstoffen worden niet direct opgenomen, want: wegspoeling door neerslag

 sterke chemische verwering  ontstaan ijzer/aluminiumhoudende verbindingen  rode kleur

Mineralisatie = Het proces waarbij plantenmateriaal in zijn geheel wordt afgebroken.

Humificatie = Het proces waarbij plantenmateriaal gedeeltelijk wordt afgebroken.
Naaldwouden


  • Kort groeiseizoen

  • Processen liggen ‘stil’ door lage temperaturen  relatief dikke laag organisch afval  uitspoeling voedingsstoffen in bodem door lage verdamping

  • Grijze bodem  weinig humus en veel weggespoelde stoffen

Geofactoren = De onderdelen van een landschap die op elkaar inwerken en samen de processen aan en het uiterlijk van het aardoppervlak bepalen  manieren waarop zij op elkaar inwerken:



  • Klimaat Dominant

  • Verschillen in ondergrond

  • Grondsoort
    Levend organisch materiaal

    3


  • Hoogteligging

  • Reliëf

  • Invloed van de mens
    Op de bodem: - Dood org. mat. - bodemdieren - bacteriën

Figuur processen:


4


  1. uitspoeling
    5


  2. Humificatie

  3. Afstervend organisch materiaal
    Bodem: - Humus - Grond


  4. Fotosynthese
    2


  5. Mineralisatie

  6. Verwering



1

6

3: Als de geofactoren veranderen

Klimaat + ondergrond verschillen overal ter wereld van elkaar  grote afwisseling landschapzones

Voorwaarde groeien van bossen:


  • Voldoende water

  • Temperatuur in de zomer niet te laag Niet aanwezig  grassen + struiken of niks.

  • Groeiseizoen niet te kort

Tropische zone  tropisch regenwoud

Gematigde zone  zomergroen loofwoud

Boreale zone  naaldwoud
Neerslagoverschot = De hoeveelheid water die overblijft wanneer er meer neerslag valt dan er verdampt  neerslag – verdamping

Uitspoeling = Bodemvormend proces waarbij regenwater dat door de grond stroomt, voedingsstoffen meeneemt en wegspoelt  neerslagoverschot in bossystemen is groot dus veel uitspoeling.


Wanneer het te droog/koud is voor boomgroei, ontstaan andere bodems:

  • Grassteppe  Neerslagoverschot op gematigde breedte vrijwel nul, weinig uitspoeling dus bodem bestaande uit dikke zwarte humuslaag.

  • Toendra  Lage temperatuur + kort groeiseizoen  nauwelijks vertering organisch materiaal, bovengrond bestaat uit veen.

  • Woestijnbodem  Neerslagtekort, dus geen/nauwelijks organisch materiaal  witte/grijze kleur door verdamping water na regenbui.

Landschap wordt beïnvloed door landbouw:



  • Voedselkringloop wordt doorbroken

  • Van diversiteit naar monocultuur  natuur is divers, landbouw niet.

Monocultuur = Vorm van landbouw waarbij grote oppervlakten worden aangeplant met één gewas ziektegevoeliger, bodem komt bij oogsten in 1 keer bloot te liggen.

Chemische vruchtbaarheid = Vruchtbaarheid die bepaald wordt door de hoeveelheid voedingsstoffen in een bodem.

Fysische vruchtbaarheid = Vruchtbaarheid die bepaald wordt door de hoeveelheid water en lucht in de bodem en de doordringbaarheid voor wortels.
4: De mondiale landschapzones

Tropische zone = Landschapzone die gekenmerkt wordt door een hoge temperatuur het hele jaar door en een hoge neerslaghoeveelheid  tropisch regenwoud, savanne, woestijnsteppe  onder druk door toegenomen bevolkingsdichtheid etc.

Ongeschikt voor landbouw  traditionele landbouw = zwerflandbouw

Zwerflandbouw = Landbouwsysteem dat kenmerkend is voor de tropische zone, waarbij boeren om de paar jaar een ander stuk grond gebruiken.


Aride zone = Landschapszone die onderscheiden wordt op basis van droogte: gemiddeld minder dan 250 mm neerslag per jaar. (aride = droog)  woestijnen  neerslag is heel variabel.

Aan de rand van de woestijnen  woestijnsteppe:



  • Sedentaire akkerbouw = Akkerbouw waarbij de boeren een vaste woonplaats hebben.

  • Nomadische veeteelt = Veeteelt waarbij de boeren geen vaste woonplaats hebben.

Wadi = Een rivierbedding die een groot deel van het jaar droog staat.
Subtropische zone = Landschapszone die gekenmerkt wordt door droge, hete zomers en natte winters.

Gematigde zone = Landschapszone op gematigde breedte waarin de temperatuurverschillen tussen zomer en winter niet al te groot zijn  zomergroen loofwoud, grassteppe  geschikt voor landbouw: groeiseizoen lang genoeg, bodem heeft goede chemische vruchtbaarheid door humuslaag, dichtbevolkte gebieden.


Boreale zone = Landschapszone met naaldwouden die grotendeels samenvalt met gebieden met een landklimaat.

Polaire zone = Landschapszone op hoge breedte waar het groeiseizoen erg kort is en geen bomen voorkomen  toendra

Beide zones kennen permafrost = Een geheel of gedeeltelijke bevroren bodem. In voorjaar ontdooit bovengrond waardoor moddergrond ontstaat  tijdelijke situatie: niet-bevroren laag ingesloten tussen twee bevroren lagen  kan verzakking veroorzaken.
5: Landdegradatie

Landdegradatie = De processen aan het aardoppervlak waardoor grond minder goed bruikbaar is voor landbouw  ontstaat doordat men ondergrond probeert te verbeteren voor o.a. landbouw.

Bodemerosie = Het wegspoelen of wegwaaien van de vruchtbare humusrijke bovenlaag  humuslaag bevat voedingsstoffen voor gewassen dus problemen voor landbouw  ontstaat vaak doordat grond onbedekt is na oogst + monocultuur  bodem is niet geheel bedekt wanneer 1 type gewas op de akker staat.

Klimaat, reliëf, grondsoort en wijze van bewerken kunnen erosieproces versterken wanneer:



  • Neerslag valt op momenten in het jaar dat er net geoogst is

  • Regenbuien gekenmerkt worden door hoge intensiteit

  • Regenbuien gekenmerkt worden door grote druppels

  • Grond bestaat uit fijne korrels waardoor regenwater slecht kan infiltreren en over de grond weg zal stromen

  • Ontbossing van steile gebieden voor landbouw

  • Loodrecht ploegen op de hoogtelijnen


    Deel met je vrienden:
  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina