Realisme en structurisme Frédéric Vandenberghe



Dovnload 79.83 Kb.
Datum16.10.2018
Grootte79.83 Kb.



Realisme en structurisme
Frédéric Vandenberghe

Frédéric Vandenberghe (1966- ) is aspirant bij het nationaal fonds voor wetenschappelijk onderzoek. Hij is in 1988 afgestudeerd als licenciaat in de sociologie aan de R.U.G. Sedertdien is hij verbonden aan de Ecole des Hautes Etudes en Sciences Sociales in Parijs waar hij een doktoraatsthesis voorbereidt over het reïficatiebegrip in de Duitse sociologie. Hij heeft bij Giddens gestudeerd in Cambridge en bij Habermas in Frankfurt.


"Those who still wait for a Newton are not only waiting for a train that won't arrive, they are in the wrong station altogether."
(Giddens, 1976: 13)

De sociologie heeft in de laatste twintig jaar een fundamentele transformatie ondergaan. De "orthodoxe consensus" (functionalisme-positivisme) van weleer en het wetenschappelijk oligopolie van het triumviraat Parsons-Merton-Lazarsfeld dat het ondersteunde, hebben ondertussen flink aan geloofwaardigheid verloren. Filosofen hebben al verklaard dat het positivisme theoretisch dood is. In de natuurwetenschappen werd de houdbaarheid van de positivistische wetenschapsleer serieus in vraag gesteld door de fundamentele kritiek van conventionalisten (Kuhn, Lakatos, Feyerabend, Hanson, Hesse) en realisten (Harré, Bhaskar, Madden, Fisk) (1). In de sociale wetenschappen heeft het positivisme ook amper stand weten te houden tegen de fundamentele bezwaren die neo-dialectici, hermeneutici, feno-menologen, wittgensteinianen en ethnomethodologen tegen de vooronderstellingen van de "mainstream sociology" hebben weten in te brengen (2). Maar, als de natuurwetenschappen, en a fortiori de sociale wetenschappen, niet langer onder het vlaggeschip van de positivistische wetenschapsleer kunnen varen, wat is dan het alternatief? Op deze vraag hebben Romano Harré en zijn leerling Roy Bhaskar, respectievelijk in The principles of scientific thinking (1972) en A realist theory of science (1978), het volgende antwoord gegeven: de realistische wetenschapsfilosofie is het alternatief, zowel voor de natuur- als voor de sociale wetenschappen (3). Een paradigmawisseling is noodwendig. Ze heeft reeds plaats gevonden.

In wat volgt zal ik eerst de grondslagen van het nieuwe paradigma uiteenzetten, vervolgens zal ik het transformatie /structuratie-model van Roy Bhaskar en Anthony Giddens beschrijven en tenslotte zal ik eindigen met een constructieve kritiek van het dualiteitsidee dat aan de basis ligt van dit model. Mijn argument is dat het dualisme van actie en structuur niet kan overwonnen worden.
1. Realisme.
Het "transcendentaal realisme" biedt zichzelf als een weten-schappelijk alternatief aan voor het empiricistische positivisme. De recente proliferatie van realistische publicaties in het domein van de natuurwetenschappen (Harré, 1970; Fisk, 1973; Harré & Madden, 1975; Bhaskar, 1978) en de sociale wetenschappen (Bhaskar, 1989a, 1986, 1989b; Harré & Secord, 1972, Harré, 1979; Keat & Urry, 1975; Benton, 1977; Mepham & Rubin, 1979; Outhwaite,1983, 1987; Collier, 1989; Layder, 1990; Sayer, 1992 (4)) moet dan ook begrepen worden als een antwoord op de traditionele positivistische visie op de natuur- en de sociale wetenschappen. In tegenstelling tot de humanistische kritiek, die het naturalisme als dusdanig verwerpt, verzet het realisme zich alleen tegen het naturalisme in zijn positivistische versie. Deze laatste gaat ervan uit dat het doel van de wetenschap erin bestaat om door middel van empirische generalisaties tot een deductief-nomologisch systeem van algemene wetten te komen die dan door observatie van feiten geverifieerd of gefalsifieerd kunnen worden (het zogenaamde Popper-Hempel model). De positivistische wetenschapsleer staat of valt met het bestaan van:

1) Algemene wetten: Zonder wetten geen causale verklaring noch voorspelling, dus ook geen wetenschap. Geldige verklaringen nemen de vorm aan van deductieve argumenten waarin het te verklaren feit (het "explanandum") uit de premissen ("covering law" plus antecedente condities) wordt afgeleid.

2) Observatie van feiten: Uitspraken zijn slechts wetenschappelijk als ze empirisch getest kunnen worden. Hypotheses kunnen slechts getest worden voor zover ze betrekking hebben op observeerbare entiteiten. Theoretische termen die verwijzen naar theoretische entiteiten zijn slechts toegelaten voor zover ze door toepassing van correspondentieregels kunnen vertaald worden in observatietermen die naar waarneembare entiteiten verwijzen ("operationalisatie").

In de realistische versie van de natuurwetenschappen worden het deductief-nomologische verklaringsmodel en de Humiaanse notie van causaliteit die haar onderspant, verworpen. De Humiaanse notie van causaliteit - causaliteit als regelmatige conjunctie van observeerbare gebeurtenissen (als A, dan B) - is volgens de realisten niet adequaat. Ze biedt misschien een beschrijving en/of een voorspelling van observeerbare feno-menen, maar geen werkelijke verklaring. Voor een werkelijke verklaring is de loutere vaststelling van een constante correlatie tussen A en B noch noodzakelijk, noch voldoende. Causale of generatieve mechanismen ("generative mechanisms") die aan de basis liggen van de empirische regelmatigheden en die deze laatste produceren moeten gepostuleerd worden. Als en slechts als dat gebeurd is, dus als de relatie tussen A en B onderkend is als een natuurlijke noodwendigheid en niet als een louter logische, is een werkelijke causale verklaring gegeven volgens de realisten. In sommige gevallen kan het bestaan van dergelijke causale mechanismen en van hun causale kracht ("causal power") slechts door retroductie afgeleid worden uit de gevolgen (de regelmatige conjunctie van observeerbare gebeurtenissen) die ze genereren en dus verklaren. Dat deze generatieve mechanismen zelf aan de observeerbaarheid ontsnappen, is dus mogelijk, maar dat betekent daarom nog niet dat ze louter denkbeeldig zijn. Bhaskar maakt in dat verband een onderscheid tussen het domein van het reële (generatieve mechanismen), het actuele (gebeurtenissen) en het empirische (waarnemingen). Hij verwijt het postivisme dat het stelselmatig de drie domeinen tot het domein van het waarneem-bare herleidt. Als gevolg daarvan ziet het positivisme over het hoofd dat causale mechanismen al dan niet causaal actief kunnen zijn, dat ze elkaar kunnen neutraliseren zodat uiteindelijk geen gebeurtenis plaatsvindt en dat gebeurtenissen kunnen plaats-vinden zonder waargenomen te worden:


"In place of the ontology of experience and atomistic events constantly conjoined, transcendental realism establishes an ontology of complex and active structures and things. ... In place of the analysis of laws as constant conjunctions of events, transcendental realism analyses laws in terms of the tendencies of things. ... Tendencies may be possessed unexercised, exercised unrealized, and realized unperceived or undetected by men." (Bhaskar, 1978: 221, 222 en 184).
De realistische stelling dat theoretische entiteiten weliswaar onobserveerbaar kunnen zijn, maar dat ze daarom niet minder reëel zijn dan de observeerbare entiteiten, is noch idealistisch, noch onwetenschappelijk. Het betekent gewoon dat de positivis-tische overwaardering van de observatie vervalt en dat de theorie als dusdanig opgewaardeerd wordt. De nadruk wordt aldus verlegd van de "context of justification" naar de "context of discovery". Ionen, genen, virussen, electro-magnetische velden, enz. zijn niet waarneembaar, maar wie zal beweren dat ze niet bestaan? En wie zal beweren dat de fysica, de biologie, enz. niet wetenschappelijk zijn? Natuurlijk, onderzoek kan achteraf uit-wijzen dat de gepostuleerde entiteiten (bijvoorbeeld "phlogiston") fictief waren, maar zolang hun existentiële status niet weerlegd is, moeten ze volgens de realistische wetenschapsleer als trans-factuele, doch reële entiteiten beschouwd worden. In dat verband moet trouwens opgemerkt worden dat de realistische weten-schapsfilosofie zich niet uitspreekt over het bestaan van specifieke structuren, mechanismen of entiteiten. Dat laat ze wijselijk over aan de betreffende specifieke wetenschappen. Ze stelt gewoon dat, gegeven dat we over wetenschappelijke theorieën beschikken die de wereld verklaren, de wereld moet bestaan uit transfactuele structuren, mechanismen en entiteiten. Alhoewel deze onafhankelijk van elke descriptie en observatie ageren en bestaan, kunnen ze toch alleen gekend worden voor zover ze gevat worden onder bepaalde specifieke descripties. De wereld kan alleen begrepen worden in termen van beschikbare conceptuele kaders, maar deze laatste determineren de structuren van de wereld niet (5). Observatie is evenmin theorie-neutraal (de dwaling van het empiricisme) als theorie observatie-neutraal is (de dwaling van het rationalisme) (Sayer, 1992: 45-84). Om beide dwalingen te vermijden, onderscheidt Bhaskar twee dimensies, namelijk de "intransitieve dimensie", i.e. de natuur-ontologische dimensie van de theorie-objecten, en de "transitieve dimensie", i.e. de sociaal-epistemologische dimensie van de object-theorieën. Het positivisme ontkent zowel de natuur-ontologische dimensie van de werkelijkheid als de sociaal-epistemologische dimensie van de wetenschap. Daaruit volgt, volgens Bhaskar,een dubbele ideo-logische inversie:
"Thus ... the human-dependence of knowledge (its social nature) and the human-independence of the world (its transcendentally real character), appear in empirical realism as the human-dependence of the world (its empirical nature) and the activity-independence of knowledge (its asocial character). In this way, a naturalized science is purchased at the price of a humanized nature; and the concept of the empirical world finds its counterpart and condition in a reified account of science." (Bhaskar, 1989b: 22-23; zie ook Bhaskar 1989b: 49-65 en 1986: 224-308).
Als we nu overstappen van de natuur- naar de sociale wetenschappen kunnen we de transcendentale vraag stellen: gegeven dat een positivistische sociologie bestaat, hoe moeten de maatschappij en de mens er dan uitzien opdat een dergelijke sociologie zou mogelijk zijn? Om op die vraag te antwoorden, stel ik voor om even de vooronderstellingen van de positivistische sociologie nader te beschouwen. Eenmaal deze vooronderstellingen geëxpliciteerd zijn, zal blijken dat de impliciete "Tractatus-ontologie" waar ze mee werkt niet houdbaar is.

De positivistische sociologie vooronderstelt: 1) een mecha-nistisch of newtoniaans mensbeeld, 2) een Humiaanse conceptie van causaliteit die de nadruk legt op externe stimuli en 3) de daarbij horende methodologie die onmiddellijk ontleend is aan het logisch-positivisme.

1) Het mechanistisch mensbeeld, dat zijn oorsprong vindt in het "biljartbal"-model, veronderstelt dat mensen passieve objecten zijn die gedetermineerd worden door omgevingsfactoren. Volgens het mechanistisch model moet gedrag verklaard worden in termen van externe stimuli (stimulus-respons model) en moet de bijdrage van factoren die intern zijn aan het organisme zoniet buiten beschouwing gelaten dan toch geminimaliseerd worden.

2) De Humiaanse conceptie van causaliteit stelt dat wetten niets anders zijn dan de uitdrukking van constante correlaties tussen oorzaak (stimulus) en gevolg (respons) en ontkent dat de interne connectie tussen oorzaak en gevolg (onobserveerbare generatieve mechanismen) tot het domein van de wetenschap behoort. Bhaskar heeft echter op overtuigende wijze aangetoond dat de constante conjunctie van gebeurtenissen alleen voorkomt in gesloten systemen (Bhaskar, 1978: 63-142). Sociale systemen zijn per definitie open systemen, waaruit ipso facto volgt: i) dat het humiaans regulariteitsdeterminisme niet geldig kan zijn in de sociale wetenschappen en ii) dat de veronderstelde symmetrie tussen causale verklaring en predictie van sociale feiten niet kan gehandhaafd worden. Anders gezegd, in de sociale wetenschappen kan er geen sprake zijn van voorspellingen, alleen van retro-spectieve verklaringen. Dat betekent niet dat er in de sociale wetenschappen geen algemene wetten kunnen zijn, maar wel dat, eenmaal gekend, de antecedente condities van deze wetten door een actieve ingreep kunnen veranderd worden, waardoor ze aldus komen te vervallen (Habermas, 1968: 158-159; Friedrichs, 1970: 177-195). Het wetenschappelijk ideaal van universele sociale wetten is dus een hersenspinsel. Trouwens, het is niet eens een ideaal, het is de ideologische legitimatie van een technocratische nachtmerrie, want in het slechtste geval betekent statistische uniformiteit niets anders dan dat de mensen gedwee in de pas lopen, dat ze de geschiedenis niet meer maken, maar gedwee ondergaan. (Habermas, 1969,1973) (6).

3) De logisch-positivistische methodologie legt de nadruk op de operationalisatie van theoretische begrippen en beperkt de functie van de theorie tot de logische en coherente organisatie van uitspraken over feiten.

Uit de combinatie van 1) en 2) volgt een radicaal behaviouristisch determinisme dat de actieve inbreng van individuen en de invloed van hun causale krachten niet wil en ook niet kan in beschouwing nemen. Alleen daarom al is het behaviouristisch determinisme m.i. een totale mislukking. Het gaat niet eens op voor dierlijk gedrag, laat staan voor menselijk gedrag. Door toevoeging van 3) komt men tot een methodologie die zich eenvoudigweg beperkt tot de manipulatie van onafhankelijke variabelen.

Zolang de menswetenschappen blindweg de natuurweten-schappen blijven naäpen, en dit onder het mom van de objectiviteit, zijn ze m.i. gedoemd om de specificiteit van hun "object" - specificiteit die er precies in gelegen is dat het "object" subject is - uit het oog te verliezen en tot pseudo-wetenschap te verworden. Om dat te vermijden, is het noodzakelijk om voor eens en altijd afstand te doen van het mechanistisch mensbeeld. Ik stel dan ook voor om dat laatste te vervangen door wat Harré en Secord ironischerwijze het "antropomorfisch mensbeeld" noemen. Het eerste principe van het anthropomorfisch model -"For scientific purposes, treat people as if they were human beings" (Harré & Secord, 1972: 84)- is weliswaar evident, maar voor zover het totaal breekt met het mechanistische mensbeeld is het niettemin revolutionair in zijn implicaties. Het antropomorfisch model is humanistisch, casu quo kantiaans (7). De mens verschijnt als subject en als dusdanig is hij in staat tot zelfreflectie en autonomie. Hij is niet langer de speelbal van uitwendige krachten, maar erkend voor wat hij is, nl. een persoon, een verantwoor-delijke actor die weet wat hij doet en die in staat is om vrij te handelen. Hij wordt niet causaal gedetermineerd door uitwendige oorzaken, maar is zelf, om zo te zeggen, de efficiënte oorzaak van zijn eigen handelen. De actor handelt steeds in een gegeven sociale context en volgens betekenisvolle regels, culturele regels die min of meer expliciet zijn, die hij interpreteert en die hij al dan niet beslist te volgen. In elk geval, de actor is erkend als een causale transformatieve kracht. In Giddens' termen:
"... action logically involves power in the sense of transformative capacity ... To be able to 'act otherwise' means being able to intervene in the world, or to refrain from such intervention, with the effect of influencing a specific state of affairs." (Giddens, 1984: 14-15).
Verder zal ik uitgebreid terugkomen op Giddens' structura-tietheorie. Hier wil ik gewoon uiteenzetten hoe Roy Bhaskar, onafhankelijk van Giddens, tot een positie komt die gelijkaardig is aan die van Giddens. In The possibility of naturalism verdedigt Bhaskar de stelling dat een "gekwalificeerd anti-positivistisch naturalisme" (Bhaskar, 1989a: 3 en 1989b: 67 (8)) met succes in de sociale wetenschappen kan toegepast worden. Via een exploratie van de ontologische limieten van een naturalistische sociale wetenschap toont hij op overtuigende wijze aan: 1) dat het "intransiviteitsprincipe", dat stelt dat entiteiten bestaan, los van de beschrijvingen die ervan gegeven worden, niet zomaar van de natuur- naar de sociale wetenschappen kan overgeplant worden; en 2) dat de realistische conceptie van "generatieve mechanismen" daarentegen wel met succes kan overgeheveld worden van de natuur- naar de sociale wetenschappen.

1) De "Verstehende traditie" (inz. Winch) heeft op onweer-legbare wijze aangetoond dat menselijke handelingen en sociale structuren afhankelijk zijn van de concepties en de interpretaties die sociale actoren ervan hebben. In tegenstelling tot atmos-ferische depressies, bergruggen en zwarte gaten zijn sociale systemen, revoluties en vechtpartijen concept- en interpretatie-gebonden. "Verstehen" is niet alleen een methodologische nood-zakelijkheid in de sociale wetenschappen. Sedert Heidegger en Gadamer weten we dat het een ontologisch a priori is van het menselijk samenleven. En dat sociale fenomenen niet zouden bestaan zonder menselijke handelingen, dat ze deze laatste altijd al veronderstellen, dat wist de mensheid al eeuwen vóór Vico en Marx. Alleen in de laatste decennia werd het eventjes vergeten. Tenslotte, als sociale structuren sociale producten zijn, dan volgt daar ook uit dat ze veranderbaar zijn, dus dat ze tijd- en plaats-gebonden zijn. Conceptie-, actie- en tijd-plaatsgebondenheid van sociale structuren, dat zijn de ontologische limieten van een mogelijk naturalisme in de sociale wetenschappen die door Bhaskar vermeld worden:


" (1) Social structures, unlike natural structures, do not exist independently of the activities they govern;

(2) Social structures, unlike natural structures, do not exist independently of the agents' conceptions of what they are doing in their activity;

(3) Social structures, unlike natural structures, may be only relatively enduring (so that the tendencies they ground may not be universal in the sense of time-space invariant). (Bhaskar, 1989a: 45-46).
Later (paragraaf 3) zal ik betogen dat de kwalificaties (1) en (2) van een mogelijk naturalisme zelf moeten gekwalificeerd worden om rekening te kunnen houden met de (relatieve) autonomie van sociale structuren. Voor zover Bhaskar met een relationeel structuurbegrip werkt dat afwijkt van dat van Giddens en dat compatibel met de neo-objectivistische benadering die ik wens te verdedigen, zal mijn kritiek eerder gericht zijn tegen Giddens dan tegen Bhaskar.

2) Bhaskar erkent naast personen ook sociale structuren als generatieve mechanismen. In tegenstelling tot zijn leermeester Rom Harré (Harré, 1979 en vooral 1980) stelt hij dus de realiteit van macrosociale structuren niet in vraag. Hij gaat uit van een transformationeel model van sociale handelingen waarin de wederzijdse causaliteit tussen handeling en structuur centraal staat - wat ons meteen van het realisme naar het structurisme brengt.



2.Structurisme.
Sedert haar ontstaan, in feite sedert haar dubbele opeenvolgende fundering door Comte en Durkheim enerzijds en Dilthey en Weber anderzijds, is de sociologie op fundamentele wijze verdeeld tussen een objectivistische en een subjectivistische pool. Deze fundamentele tegenstelling drukt zich uit in een reeks andere opposities die zich op de eerste zijn komen enten: tegenstelling tussen actor en systeem, genese en structuur, verstaan en verklaren, vrijheid en determinisme, individualisme en holisme, micro- en macro-sociologie, enz. Het feit dat het theoretisch conflict tussen het subjectivisme en het objectivisme steeds weer herrijst in verschillende gedaantes bewijst a contrario dat beide kennisvormen onontbeerlijk zijn. De sociologie kan noch herleid worden tot een sociale fenomenologie noch tot een sociale fysica. Het min of meer recente micro-macro debat getuigt daarvan (9).

De structuristische benadering probeert de eenzijdigheid van Durkheim en Weber, en dus ook het dualisme tussen actor en structuur dat er mee samenhangt, op te heffen door een dialec-tische synthese waarin de praxis fungeert als mediator tussen de actor en de sociale structuur. Als dusdanig is het structurisme niets nieuws. In de kiem is het reeds aanwezig bij de jonge Marx en bij Simmel (1988: inz. 53 e.v.), maar de moderne versie ervan gaat in feite terug tot The social construction of reality van Peter Berger en Thomas Luckmann. Naast Peter Berger c.s. (1965, 1966, 1967) zijn Anthony Giddens (1976, 1977: 121-134, 1979, 1981: 1-68, 1984), Roy Bhaskar (1989a: 25-65, 1986: 116-136, 1989b: 66-88) en Pierre Bourdieu (1972, 1980, 1992) de belangrijkste hedendaagse vertegenwoordigers van het structurisme.

Naast een algemene wending van de epistemologie naar de ontologie, wordt hun werk gekenmerkt door:

(1) een verwerping van zowel structureel-deterministische als voluntaristische benaderingen van het sociale leven,

(2) een poging om beide eenzijdige benaderingen te vervangen door een dialectische synthese waarin sociale structuren terzelf-dertijd verschijnen als conditie en als resultaat van menselijke handelingen,

(3) een reeks begrippen die bemiddelen tussen actie en structuur, bijvoorbeeld "habitus" (Bourdieu), "situated practices" (Giddens) of "position practices" (Bhaskar),

(4) een duidelijke nadruk op het practische bewustzijn en de infra-discursieve kennis die handelingsbekwame actors in het sociale spel brengen.
De durkheimiaanse sociologie vertegenwoordigt het ideaal-typische prototype van de objectivistische benadering. Vanuit haar buitenperspectief (perspectief van de derde persoon) ver-schijnt de samenleving als een quasi-natuurlijk universum van sociale feiten en wetmatigheden die de actors van buiten uit, achter hun rug om, zou Marx zeggen, determineert. In de subjectivistische benadering daarentegen, waarvoor de weber-iaanse sociologie model staat, verschijnt de samenleving als resultaat van een veelheid van intentionele en betekenisvolle handelingen die slechts geïnterpreteerd kunnen worden vanuit een binnenperspectief (perspectief van de eerste en de tweede persoon).

Peter Berger en zijn medewerkers hebben geprobeerd om, in navolging van Hegel en Marx, de deterministische en de volun-taristische benaderingen te synthetiseren door de relatie tussen individu en maatschappij voor te stellen als een dialectische interrelatie. In die optiek verschijnt de maatschappij enerzijds als een menselijk product (weberiaans moment) en de mens ander-zijds als een maatschappelijk product (durkheimiaans moment). Berger benadrukt dat de sociale structuur niets anders is dan een objectivatie van het menselijke handelen. Ze is een sociaal-menselijk product en geen natuurlijke gegevenheid, maar, één-maal geschapen, verzelfstandigt het product zich en de facto treedt een situatie in van vervreemding en verdingelijking:


"Social structure is encountered by the individual as an external facticity. It is there, impervious to his wishes, sovereignly other than himself, an alien thing opaque to his understanding. Social structure is encountered as a coercive instrumentality. ... The end result of various reifications is that the dialectical process in its totality is lost, and is replaced by an experience and conception of mechanical causality." (Berger & Pullberg, 1965: 202 en 207).
Bhaskar (1989a: 42 e.v.) levert scherpe kritiek op Bergers dialectisch model. Hij stelt dat Berger c.s. er niet in geslaagd zijn om de dwalingen van het weberiaans model ("the error of volontarism") en van het durkheimiaans model ("the error of reification") te vermijden; erger nog, volgens Bhaskar hebben ze beide dwalingen verenigd in één enkel model (10). Dat sociale structuren niet los kunnen bestaan van de handelingen waardoor ze geproduceerd zijn, betekent nog niet, zoals Berger stelt, dat mensen ze creëren. Sociale structuren zijn altijd al voorgegeven als nalatenschap van de voorgaande generaties. Daaruit volgt, volgens Bhaskar, dat de mensen de sociale structuren niet als dusdanig produceren, maar dat ze ze reproduceren en/of trans-formeren. Wat Bhaskar dus voorstelt is een "Transformationeel Model van Sociale Activiteit" (T.M.S.A.) waarin de praxis, in navol-ging van Aristoteles, geconceptualiseerd wordt als een omvorming van voorgegeven materiële (natuurlijke en sociale) oorzaken door een efficiënte (intentionele) handeling. Materiële oorzaken ver-schijnen hier dus als conditie van de handeling, maar voor zover sociale oorzaken (in tegenstelling tot natuurlijke oorzaken) alleen bestaan en blijven voortbestaan krachtens de efficiënte hande-lingen die ze reproduce­ren en/of transformeren, verschijnen ze ook als gevolg van die handeling:
"Society is both ever-present condition and continually repro-duced outcome of human agency: this is the duality of structure (Giddens). And human agency is both work (generical­ly conceived), that is, (normally conscious) production, and (normally unconscious) reproduction of the conditions of production, including society: this is the duality of praxis. Thus agents reproduce, non-teleologically and recursively, in their substantive motivated productions, the unmotivated conditions necessary for -as means of- those productions; and society is both the medium and result of this activity." (Bhaskar, 1989b: 92-93).
Mensen huwen niet om het kerngezin te reproduceren en werken niet om de kapitalistische economie in stand te houden, maar dat is niettemin het onbedoelde gevolg van en de nood-zakelijke, maar niet onderkende voorwaarde van hun activiteit. Sociale structuren beperken dus niet alleen handelingen, laat staan dat ze ze alleen determineren, maar ze maken ze ook mogelijk. Als dusdanig zijn ze functioneel analoog aan gramma-ticale regels. Belangrijk is verder dat Bhaskar handeling en structuur met elkaar verbindt door middel van een systeem van posities en praktijken. Het "position-practice system" is een mediërend systeem van posities of functies die actors innemen en van praktijken die ze op zich nemen en dat als het ware de "sponning" vormt van de sociale structuur waarin de actors zich moeten nestelen om haar te reproduceren en/of te transformeren (11). In lijn met de realistische conceptie van de generatieve mechanismen definieert Bhaskar, in navolging van Althussers structuralistische interpretatie van het marxisme, de sociale structuur in relationele termen: de sociale structuur is een "veld" (Bourdieu), een "configura­tie" (Elias) of een "generatief systeem" (Bhaskar) van menselijke relaties tussen sociale posities. Alhoewel die structuur transfactueel is en alleen kan waargenomen worden via haar effecten, is ze weldegelijk reëel volgens Bhaskar. Men zou in dat verband Hegel als volgt kunnen parafraseren: "Het reële is relationeel, het relationele is reëel" (12).

Als we nu overstappen van Bhaskars transformatietheorie naar Giddens' structuratietheorie (13), dan zien we weliswaar dezelfde conceptie van de dualiteit van handeling en structuur (structuratie/transformatiemodel), maar toch een heel andere structuurconceptie. Inderdaad, in tegenstelling tot Bhaskar definieert Giddens de sociale structuur niet als een netwerk van sociale relaties (in Giddens' terminologie wordt dat "sociaal systeem"), maar - en hier verontschuldig ik me alvast voor de overname van Giddens' en Mouzelis' sociologisch jargon- als een paradigmatisch systeem van generatieve (semantische en normatieve) regels en (allocatieve en authoritatieve) middelen dat, zoals de "langue" van Saussure, buiten de tijd en de ruimte bestaat (14). Anders gezegd, maar daarom niet minder abstrakt, de structuur is een "virtueel systeem" van generatieve procedures en machtsvehikels die recursief of autopoiëtisch geïmpliceerd zijn in de syntagmatische actualisatie van sociale praktijken in sociale systemen (15). Als "virtueel systeem" kan de structuur niet in spatio-temporele termen geduid worden. Volgens Giddens is ze enkel aanwezig in haar actualisatie en/of als geheugenspoor, of, om het in verstaanbare taal te zeggen, ergens in het achterhoofd van de actors. Niettemin, een sociaal systeem dat in de tijd en in de ruimte bestaat, is het niet bedoelde, maar onvermijdelijke gevolg van de routinematige aanwending van regels en middelen door handelingsbekwame actors in hun dagelijkse leven. Giddens definieert het sociaal systeem als het geheel van relaties tussen actors of collectiviteiten die continu geproduceerd en/of gerepro-duceerd worden door de gesitueerde praktijken van het dagdagelijkse leven van de actors. Niettegenstaande de vaagheid van Giddens' formuleringen is het duidelijk dat de structuur fungeert als het organiserende of structurerende principe van het sociaal systeem. Samenvattend: "Structuratie", i.e. de bewuste, maar onbedoelde productie en reproduktie van sociale structuren en systemen door gesitueerde praktijken van bekwame en kundige actors, is dus niets anders dan het conceptueel devies dat de structuur (het virtuele systeem) met het sociaal systeem (het actuele systeem) verbindt:


"To study the structuration of a social system is to study the ways in which that system, via the application of genera­tive rules and resources, and in the context of unintended outcomes, is produced and reproduced in interaction (Giddens, 1979: 66) ... Cruci­al to the idea of structuration is the theorem of the duality of structure ... the structural properties of social systems are both medium and outcome of the practices they recursively organize." (Giddens, 1984: 25).
Giddens stelt dat zijn dat zijn stuctuurbegrip "verenigbaar (is) met een realistische epistemologie" (Giddens, 1984: 63). In overeenstemming met Bhaskars realisme, maar in tegenstelling tot Lévy-Strauss' rationalisme, concipieert hij de structuur niet als een wetenschappelijke gedachtenconstructie, maar als een transfactuele (virtuele) realiteit. Op het eerste zicht is er dus overeenstemming tussen Giddens en Bhaskar. Giddens erkent immers het bestaan van onobserveerbare sociale mechanismen die sociale relaties genereren en reproduceren, namelijk regels, nor­men, symbolische stelsels en ideologieën. In die zin is Giddens inder­daad een realist, maar, in tegenstelling tot Bhaskars trans-formatietheorie, heeft zijn structuratietheorie in laatste instantie betrekking op culturele en niet op sociale structuratie (Porpora, 1989: 209). De idealistische inslag van de structuratietheorie is een eerste verschil tussen Bhaskar en Giddens. Een ander verschil vloeit voort uit het feit dat de functie die het structuurbegrip vervult in Bhaskars transformatietheorie bij Giddens over-genomen wordt door het systeembegrip. En wat dat laatste betreft, moet opgemerkt worden dat Giddens eerder tot een nominalistische dan tot een realistische conceptie neigt (16). In die zin leunt zijn conceptie dan ook nauwer aan bij de "aggregatie-hypothese" van Randall Collins (1981a, 1981b, 1988: 385-397) dan bij Bhaskars "emergentie-hypothese". Immers, net als Collins ontkent Giddens dat sociale relaties als dusdanig enige onafhankelijke causale kracht kunnen uitoefenen:
" The only moving objects in human social relations are indi­vi­dual agents, who employ resources to make things happen, inten­tionally or otherwise. The structural properties of social systems do not act ..." (Giddens, 1984: 181).
3. Dualisme.
In wat volgt, wil ik, tegen Giddens in, de stelling verdedigen dat het subject-object dualisme in de sociale wetenschappen niet kan overwonnen worden, noch in zijn syntagmatische, noch in zijn paradigmatische dimensie. Let wel, met deze stelling wens ik geenszins te pleiten voor een herinvoering van het rigide objectivisme van weleer, maar eerder voor een neo-objectivistisch structurisme dat rekening houdt met de verworvenheden van het neo-subjectivistisch structurisme van Giddens en dat terzelfder-tijd toch in staat is om de (relatieve) autonomie van sociale structuren te erkennen. Het is inderdaad een truïsme dat sociale systemen in principe (de iure) van natuurlijke systemen verschillen omdat ze concept-, actie-, tijds- en plaats­gebonden zijn. Maar, ook als dit ontologisch theorema niet in vraag kan gesteld worden, ook dan is het nog niet uitgesloten dat sociale systemen de facto een feitelijke gelijkenis kunnen vertonen met natuurlijke systemen en dat ze de "inerte facticiteit" (Sartre) van deze laatste in dergelijke mate kunnen benaderen dat ze nog nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn (Het hegeliaans-marxistische thema van de "Naturwüchsigkeit", van de maat-schappij als "tweede natuur"). Immers, sociale handelingen produceren voortdurend onverwachte en ongewenste effecten die zich op de lange duur kunnen uitkristalliseren tot een metastabiel systeem van "perverse effecten" (Boudon) dat aan de controle van de actors ontsnapt en dat op significatieve wijze hun actieradius kan beperken. De figuratiesociologie van Norbert Elias (1971: 79-113, 1982: inz. 611 e.v., 1991: 37-108) heeft m.i. op overtuigende wijze aangetoond dat de interdependentie van individuen en de vervlechting van hun handelingen noodzakelijkerwijze resulteert in de formatie van een specifieke en zeer complexe figuratie die geen van de individuen gewenst of voorzien heeft en die zich, niettegenstaande ze niets anders is dan de resultante van de vervlechting van hun handelingen, blind en (relatief) autonoom ontwikkelt. Nu, niettegenstaande Giddens in Leicester onder Elias gestudeerd heeft, is het duidelijk dat zijn structuratietheorie door haar nadruk op de dualiteit onverenigbaar is met Elias' figuratie-theorie en haar nadruk op het syntagmatische dualisme. Ira Cohen, Giddens' "officiële" interpreet, heeft in dat verband terecht opgemerkt dat er in Gid­dens' structuratietheorie gewoon geen plaats is voor emergente structuren (Cohen, 1989: 88) (17). Volgens Giddens' dualiteitsconceptie kunnen sociale structuren en systemen immers per definitie evenmin ontkoppeld worden van de praktijken die ze produceren en reproduceren als de "sociale integratie" (systematische micro-reciprociteit tussen fysisch aan-wezige interactanten, i.e. in situaties van "co­presentie") kan ont-koppeld worden van de "systeemintegratie" (systematische macro-reciprociteit tussen fysisch afwezige individuen of collectiviteiten, i.e. in situaties van "tijd-ruimtelijke distantië-ring"). Het onvermijdelijke gevolg van een dergelijk "samen-plakken" van handeling en structuur is dat het syntagmatische dualisme tussen actor en structuur, of, anders gezegd, de relatieve autonomie van deze laatste, niet openlijk kan erkend worden en dus, om zo te zeggen via de achterdeur, moet binnengesmokkeld worden - wat dan ook uitein­delijk gebeurt in zijn socio-historische analyses, bijvoorbeeld in The consequences of modernity waar Giddens de laat-moderne instituties voorstelt als een Juggernaut (18):
"...the juggernaut (is) a runaway engine of enormous power which, collectively as human beings, we can drive to some extent but which also threatens to rush out of control and which could rend itself asunder. The juggernaut crushes those who resist it, and while it sometimes seems to have a steady path, there are times when it veers away erratically in direc­tions we cannot foresee." (Giddens, 1990: 139).
Het theorema van de dubbele dualiteit van actie en struc-tuur heeft weliswaar als positief gevolg dat de "methodologische verdingelijking" vermeden wordt, maar de prijs daarvoor is m.i. exorbitant: de "sociale reïficatie" kan niet langer gedacht worden (19). Dat dit het geval is, blijkt uit het feit dat het reïficatiebegrip bij Giddens niet meer verwijst naar de vervreemdende verzelf-standiging van sociale systemen die de facto aan de controle van de actors ontsnappen en die de imma­nente neiging vertonen om de leefwe­reld te koloniseren (Habermas, 1981-II: 489-547), maar enkel nog naar de vervreemde perceptie en conceptualisatie van sociale systemen door sociale actoren (Giddens, 1984: 180). Giddens herleidt aldus de sociale reïficatie tot een modaliteit van het bewustzijn. De ontkenning van de pseudo-natuurlijke ver­zelfstandiging van sociale syste­men die een dergelijke reductie impliceert, is m.i. een ernstige tekortkoming voor een sociale theorie met kritische pretenties. Een kritische theorie moet immers niet alleen wijzen op de mogelijkheden die de sociale actors hebben om het sociaal systeem te transformeren, ze moet ook in staat zijn om (meta-)theoretisch (en openlijk) rekenschap te geven van de relatieve autonomie van sociale structuren die de actieradius van de sociale actors beperken. Anders gezegd, in tegenstelling tot Giddens, meen ik dat de dualiteitsconceptie moet aangevuld worden met een dualis­tische conceptie. Ik interpreteer dan ook de "standaard-kritiek" (Kießling, 1988: 232 e.v. ) op Giddens' structuratietheorie, nl. dat deze terugvalt in het subjec-tivisme, als een indicatie dat de maatschappij niet samenvalt met de leefwereld en dat sociale reproductie niet kan herleid worden tot praxis. De structuratietheorie biedt weliswaar een adequate analyse van de symbolische reproductie van de interactionele structuren van de leefwereld, doch niet van de materiële reproductie van de contextuele structuren van het sociaal systeem (Habermas, 1982: 286; Layder, 1981: 91 e.v. en 1991:105 e.v.). Voor zover sociale systemen relatief onafhankelijk zijn van de gesitueerde praktijken van de sociale actoren en de autonomie van deze laatste min of meer beperken, moet een kritische sociologie die zich tot doel stelt om de autonomie van de actoren te vergroten, opereren met een "zweistufig maatschappijbegrip" (Habermas, 1981-I: 8, 1981-II: 171-293). Erkenning van patholo-gische sociale toestanden, i.c. van de relatieve autonomie van sociale systemen die aan de controle van de actors ontsnappen en die hun handelingsvrijheid ernstig kunnen beperken, bete­kent, het positi­visme ten spijt, geenszins goed­keuring, noch onderwer-ping. De vrijheid is niet gediend met de negatie van de dode mechanis­men die als een last wegen op de geschiedenis, maar wel met de kennis ervan.

Niettegenstaande het daadwerkelijke engagement van Tony Giddens, meen ik dat dit laatste moeilijk kan geconceptualiseerd worden in termen van zijn structuratietheorie. Mouzelis (1989) heeft er in dat verband op gewezen dat de structuratietheorie geknipt is voor de "natuurlijk-performatieve relatie" tussen actor en structuur die kenmerkend is voor het dagelijk­se leven, i.e. wanneer actors routinematig en zonder al te veel nadenken re­gels toepassen en machtsmiddelen gebruiken, maar niet voor de "theoretisch-strategi­sche relatie" tussen actor en structuur, i.e. wanneer actors zich bewust distantiëren van de regels en de middelen om deze expliciet in vraag te stellen of om er over te theoretiseren of, belangrijker nog, om strategieën te ontwerpen voor hun handhaving en/of transformatie (20). Het relatieve gebrek aan aandacht voor collectieve actors en sociale bewegingen (in de zin van Touraine) in de structuratietheorie hangt daarmee samen. Dat Giddens enkele paragrafen wijdt aan de "refle­xieve zelf­regulering" (van de tweede orde) van de maatschappij door organisaties en sociale bewegingen is een feit (Giddens, 1984: 200 e.v.), maar door dit te doen wordt het dualisme, eens te meer, doch nu in zijn paradig-mati­sche dimensie, in de structuratie-theorie binnengesmokkeld via een achterpoortje.



De morfogenetische benadering van Margaret Archer (1982, 1988, 1990), die verder bouwt op de systeemtheorie van Walter Buckley (1967), biedt m.i. een valabel alternatief voor de structuratietheorie. De morfogeneti­sche benadering is een structu-ristische benadering. Met de structuratietheorie gaat ze er van uit dat handeling en structuur elkaar logisch veronderstellen, maar in tegenstel­ling tot de structuratietheorie erkent ze en benadrukt ze het belang van emergente structuren, wat niet alleen de ver­werping van het dualiteitstheorema met zich mee brengt, maar ook de officiële reïntroductie van het dualisme in het struc­turisme. De basiskritiek van Archer op de structuratietheorie is dat Gid­dens, niettegenstaande al zijn nadruk op het belang van de tijdsdimensie voor de sociale wetenschap­pen, er niet in geslaagd is om de rol van de tijd, preciezer van het tijdsver­loop, te incorpo-reren in zijn structuratietheorie:
"The concept of duality can never acknowledge that structure and agency work at different time intervals, however small the gap between them. It can, therefore, never incorporate theoretically the two most most important dualistic assumpti­ons: 1) that structural features logically pre-date the acti­ons that transform them; and 2) that structural elaboration logically post-dates those actions." (Archer, 1990: 83).
In het morfogenetische perspectief wordt het dualisme dus in ere hersteld door middel van een simpel analytisch onderscheid tussen de sequenties van het structuratieproces. "Structurele elaboratie of kristallisatie" ver­schijnt dan als het voorlopig eind-produkt van een sequentieel, doch in theorie eindeloos proces van "structurele conditionering" (T1), "sociale interactie" (T2) en "structurele elaboratie" (T3). Alhoewel het me niet dui­de­lijk is welk een epis­temolo­gie Archer aanhangt (rea­lisme of empiricis-me?), durf ik toch te stellen dat haar sys­teemtheoretisch model heel wat dichter staat bij het transformatiemodel van Bhaskar dan bij het structuratiemodel van Giddens (21). In elk geval, Archer kent aan objectieve structuren een relatieve inde­pen­dentie toe; ze val­len niet langer onmiddel­lijk samen met de handelingen die de sociale structuur reproduceren. Het grote voor­deel van de dualistisch-sequentië­le benadering van Archer is dat ze niet gewoon probeert om het schisma tussen handeling en structuur, tussen voluntarisme en determinisme op te heffen, maar dat ze boven­dien ook in staat is om te bepalen wanneer het determi­nisme de overhand heeft op het voluntarisme, en vice versa. Het morfogenetische structurisme is dus niet alleen metatheoretisch bij machte om de de facto reïfi­catie van sociale struc­turen te erkennen, maar bovendien is ze ook, mits verdere uitwerking en in een eventuele samen­werking met de kritische communicatie-theorie van Jürgen Habermas (1981), in staat om te bepalen wanneer de sociale verzelfstandiging de communi­catieve actie­radius beperkt (en vice versa) en in welke mate die verzelf­standiging pathologi­sche trekjes aanneemt. Hier verder op ingaan zou ons te ver voeren. Hier wou ik enkel programmatisch het perspec­tief openen op een kritisch structurisme.


Voetnoten
(1) Voor een overzicht van de conventionalistische kritiek, cfr. Keat & Urry, 1985: 46-65 en Alexander, 1982: 1-35. Voor een overzicht van de realistische kritiek, cfr. Keat & Urry, 1985: 27-45 en Bhaskar, 1986: 1-102.

(2) Voor een overzicht van de positivistische traditie in de sociale wetenschappen en van de kritiek waar ze aan blootgesteld werd, cfr. Bernstein, 1976, Giddens, 1977: 29-89, Halfpenny, 1982, en Bryant, 1985.

(3) Romano Harré en Roy Bhaskar zijn beide als wetenschaps-filosofen werkzaam in het Linnacre College te Oxford. Bhaskar wordt doorgaans beschouwd als de vleugelman van de realistische beweging in de sociale wetenschappen (het zogenaamde "New social realism"). Zijn belangrijkste werken zijn A realist theory of science en The possibility of naturalism. In het eerste boek zet Bhaskar de grondslagen van het transcendentaal realistische wetenschapsfilosofie uiteen, in het tweede boek onderzoekt hij in hoeverre het realistische paradigma ook toepasbaar is in de menswetenschappen. Harré is vooral geïnteresseerd in de grondslagen van de sociale psychologie; Bhaskar daarentegen is als socialistisch militant vooral begaan met de grondslagen van de sociologie in het algemeen en het marxisme in het bijzonder.

(4) In Radical philosophy en Journal for the theory of social behaviour verschijnen regelmatig publicaties van realistische strekking.

(5) Deze stelling wordt door Layder (1990: 27-41 en passim) betwist.

(6) Reeds vóór Habermas had Hannah Arendt gewezen op de ideologische implicaties van het positivisme:"Statistical uniformity is by no means a harmless scientific ideal; it is the no longer secret political ideal of a society which, entirely submerged in the routine of everyday living, is at peace with the scientific outlook inherent in its very existence." (Arendt, 1959: 40).

(7) De verwijzing naar Kants tweede kritiek betekent niet dat een niet-positivistische menswetenschap noodzakelijk kantiaans is, maar wel dat ze noodgedwongen breekt met het newtoniaans handelingsbegrip dat het mechanistisch mensbeeld vooronder-stelt. Anders gezegd, de premisse van het "methodologische dualisme" (Gouldner, 1970: 495), dat een antropomorfisch mens-beeld hanteert voor het wetenschappelijke subject en een mechanistisch mensbeeld voor het wetenschappelijke "object", komt noodzakelijkerwijze te vervallen.

(8) "Anti-positivistisch", want als het positivisme, zoals we gezien hebben, niet eens opgaat voor de natuurwetenschappen, dan is het hoogst onwaarschijnlijk dat het wel zou opgaan voor de menswetenschappen.

(9) Voor een overzicht van het micro-macro debat, van oppositie (O'Neill, 1973) naar integratie (Knorr-Cetina & Cicourel, 1981 en Alexander, e.a., 1987), zie Alexander, 1988: 257-298).

(10) Bhaskars kritiek is niet ongerechtvaardigd. Het volstaat om Invitation to sociology (1963), het mooie boekje van Berger waar ik als beginnend socioloog zo onder de indruk van was, te herlezen om vast te stellen dat Berger beide benaderingen inert naast elkaar plaatst zonder ze te synthetiseren.

(11) Door een combinatie van existentiële fenomenologie en jong marxisme was Marcuse (Marcuse, 1978: 556-593) reeds in de jaren 30 tot een positie gekomen die om zo te zeggen identiek is aan die van Bhaskar, niet alleen wat het reproductie /transformatiemodel betreft, maar ook wat het positie/praktijk systeem betreft.

(12) Zonder hier te willen ingaan op het complexe thema van de interne of noodzakelijke relaties (een relatie Rab is intern als het tot het wezen van a behoort dat a logischerwijze b veronderstelt, en omgekeerd, zoals in het voorbeeld van de meester en de slaaf of dat van het kapitaal en de arbeid - voor een interpretatie van het marxisme als filosofie van interne relaties, cfr. Ollmann, 1971), moet toch gezegd worden dat een structuur door abstractie kan geïdentificeerd worden als een transfactuele structuur van intern verbonden objecten, posities en praktijken. Cfr. Sayer, 1992: 85-152.

(13) Giddens, de stichter en eigenaar van Polity Press, doceert sociologie aan de universiteit van Cambridge. Hij is ongetwijfeld de bekendste Engelse socioloog. Naast de 27 boeken die Giddens tot nog toe geschreven heeft, zijn er nu ook al minstens 8 boeken verschenen over Giddens. Cfr. Kießling, 1988, Cohen,1989, Craib, 1992, Held & Thompson, 1989, Clark e.a., 1990, Bryant & Jary, 1991, Munters e.a., 1991 en Audet & Bouchiki, 1993.

(14) Het begrippenpaar "paradigmatisch- syntagmatisch" werd ingevoerd door de Saussure en later overgenomen door Chomsky. In de structuralistische linguïstiek heeft het paradigmatische betrekking op het generatieve systeem van binaire opposities die tesamen de dieptestructuur van de taal ("langue") vormen. Het paradigmatische systeem der differenties is het structurerende principe van de syntagmatische opeenvolging van linguïstische eenheden (morfemen) zoals die aan de oppervlakte verschijnen in de gesproken of geschreven taal ("parole"). Mouzelis (1989: 613-635) past het begrippenpaar toe op Giddens' structuratietheorie. Het paradigmatische verwijst dan naar de "virtuele" structuur, het syntagmatische daarentegen naar het "actuele" sociale systeem. Voor Giddens' aanknoping bij en kritiek op het Franse structuralisme, cfr. Giddens, 1979: 9-48 en 1987: 73-108.

(15) De nadruk op de recursiviteit van structuren in handelingen wijst erop dat Giddens zijn dualiteitsconceptie ontleend heeft aan de autopoiëtische theorieën in de moderne biologie (Maturana, Varella). Cfr. Giddens, 1983: 79.

(16) Voor een metatheoretische localisatie van Giddens en Bhaskar in de sociologische ruimte die enerzijds gevormd wordt door de ontologische axis van het materialisme (Bhaskar) en het idealisme (Giddens) en anderzijds door de epistemologische axis van het realisme (Bhaskar) en het nominalisme (Giddens), cfr. Johnson e.a., 1984: 13-28 en 205-227.

(17) Voor een analyse en verdediging van het emergentisme, zie Archer, 1979: 5-42.

(18) Het is ironisch dat Giddens naar het beeld van de Juggernaut teruggrijpt. Marx (1978: 501) gebruikte het immers in Het Kapitaal om de vervreemding van het proletariaat, die voor Marx het prototype vertegenwoordigt van het actie-structuur dualisme, scherp te stellen.

(19) Voor het onderscheid tussen "methodologische verdinge-lijking" en "sociale reïficatie", cfr. Vandenberghe, 1992.

(20) Door middel van het onderscheid tussen zelf-reflectie van de eerste en van de tweede orde is onze landgenoot Baert (1992: 96 e.v., 1993) tot dezelfde conclusie gekomen als Mouzelis.

(21) Zie in dat verband de summiere kritische vergelijking van Bhaskar en Giddens door Bhaskar himself (1983: 85) in het nummer van Journal for the theory of social behaviour dat aan het structuratie/transformatiemodel gewijd is.


Bibliografie
Alexander, J.C. (1982) Theoretical logic in sociology. Volume 1. Positivism, presuppositions and current controversies. Berkeley: University of California Press.

Alexander, J.C. e.a. (eds.) (1987) The micro-macro link. Berkeley: University of California Press.

Alexander, J.C. (1988) Action and its environments. Towards a new synthesis. New York: Columbia University Press.

Archer, M. (1979) Social origins of educational systems. London: Sage.

Archer, M. (1982) "Morphogenesis versus structuration: On combining structure and action", British journal of sociology, 33 (4): 455-483.

Archer, M. (1988) Culture and agency. The place of culture in social theory. Cambridge: Cambridge University Press.

Archer, M. (1990) "Human agency and social structure: A critique of Giddens, pp. 73-85, 86-88 in Clark, J. e.a. (1990).



Arendt, H. (1959) The human condition. New York: Doubleday. Audet, M., Bouchiki, A. (eds.) (1993) Structuration du social et modernité avancée. Autour des travaux d'A. Giddens. Sainte-Foy: Presses universitaires de Laval.

Baert, P. (1992) Time, self and social being. Hants: Avebury.

Baert, P. (1993) "Le temps et la société", in Audet, M. et Bouchiki (1993).

Benton, T. (1977) Philosophical foundations of the three sociologies. London: Routledge.

Berger, P. (1963) Invitation to sociology. A humanist perspective. Harmondsworth: Penguin.

Berger, P. (1967)The sacred canopy. New York: Doubleday.



Berger, P. & Pullberg, S. (1965) "Reification and the sociological critique of consciousness", History and theory, 4 (2): 196-211.

Berger, P. & Luckmann, T. (1966) The social construction of reality. New York: Doubleday.

Bernstein, R. (1976) The restructuring of social and political theory. University of Pennsylvenia Press.



Bhaskar, R. (1975(1978)) A realist theory of science. Hemel Hempstead: Harvester.

Bhaskar, R. (1979(1989a)) The possibility of naturalism. Hemel Hempstead: Harvester.

Bhaskar, R. (1983) "Beef, structure and place: Notes from a critical naturalist perspective", Journal for the theory of social behaviour, 13 (1): 81-95.

Bhaskar, R. (1986) Scientific realism and human emancipation London: Verso.

Bhaskar, R. (1989b) Reclaiming reality. London: Verso.

Bourdieu, P.(1972) Esquisse d'une théorie de la pratique. Genève: Droz.

Bourdieu, P. (1980) Le sens pratique. Paris: Minuit.

Bourdieu, P. (1992) Réponses. Pour une anthropologie réflexive. Paris: Seuil.

Bryant, C. (1985) Positivism in social theory and research. London: Routledge.

Bryant, C., Jary, D. (eds.) (1991) Giddens' theory of structuration. A critical appreciation. London: Routledge.

Buckley, W. (1967) Sociology and modern systems theory. Englewood Cliffs: Prentice Hall.

Collier, A. (1989) Scientific realism and socialist thought. Hemel Hempstead: Harvester.

Clark, J. e.a. (eds.) (1990) Anthony Giddens. Consensus and controversy. Hants: Falmer Press.

Cohen, I. (1989) Structuration theory. Anthony Giddens and the constitution of social life. London: Macmillan.

Collins, R. (1981a) "On the micro-foundations of macro-sociology", American Journal of Sociology, 86: 984-1014.

Collins, R. (1981 b) "Micro-translation as a theory-building strategy", in Knorr-Cetina, K. & Cicourel, A. (1981).

Collins, R. (1988) Theoretical sociology. Orlando: Harcourt Brace Jovanovich.

Elias, N. (1937(1982)) Het civilisatieproces. Utrecht: Spectrum.

Elias, N. (1971) Wat is sociologie? Utrecht: Spectrum.

Elias, N. (1991) La société des individus. Paris: Fayard.

Fisk, M. (1973) Nature and necessity: An essay in physical ontology. Indiana: Indiana University Press.

Friedrichs, R. (1970) A sociology of sociology. Toronto: Collier.

Giddens, A. (1976) New rules of sociological method. London: Hutchinson.

Giddens, A. (1977)Studies in social and political theory. London: Hutchinson.

Giddens, A. (1979) Central problems in social theory. London: Macmillan.

Giddens, A. (1981) A contemporary critique of historical materi-alism. Vol. 1, Power, property and the state. London: Macmillan.

Giddens, A. (1983) "Comments on the theory of structuration", Journal for the theory of social behaviour, 13 (1): 76-80.

Giddens, A. (1984) The constitution of society. Cambridge: Polity.

Giddens, A. (1987) Social theory and modern sociology. Cambridge: Polity.



Gouldner, A. (1970) The coming crisis of western sociology. New York: Basic Books.

Habermas, J. (1968) Technik und Wissenschaft als 'Ideologie'. Frankfurt/Main: Suhrkamp.

Habermas, J. (1973) Erkenntnis und Interesse. Frankfurt/Main: Suhrkamp.

Habermas, J. (1982) "A reply to my critics", pp. 219-283 in Thompson, J. & Held, D. (eds.) Habermas. Critical debates. London: Macmillan.

Habermas, J. (1981) Theorie des kommunikativen Handelns. Band I: Handlungsrationalität und gesellschaftliche Rationalisierung. Band Ii: Zur Kritik der funktionalistischer Vernunft. Frankfurt/Main: Suhrkamp.

Halfpenny, P. (1982) Positivism and sociology. London: Allen & Unwin.



Harré, R. (1970) The principles of scientific thinking. London: Macmillan.

Harré, R. (1979) Social being. Oxford: Blackwell.

Harré, R. (1981) "Philosophical aspects of the micro-macro problem", pp. 139-160 in Knorr-Cetina, K. & Cicourel, A. (1981).

Harré, R. & Secord, P. (1972) The explanation of social behaviour. Oxford: Blackwell.

Harré, R. & Madden, E. (1975) Causal powers. Oxford: Blackwell.

Held, D. & Thompson, J. (eds.) (1989) Social theory of modern societies. Anthony Giddens and his critics. Cambridge: Cambridge University Press.

Johnson, T. e.a. (1984) The structure of social theory. London: Macmillan.

Keat, R. & Urry, J.(1975(1982)) Social theory as science. London: Routledge.

Kießling, B. (1988) Kritik der Giddensschen Sozialtheorie. Frank-furt/Main: Peter Lang Verlag.

Knorr-Cetina, K. & Cicourel, A. (eds.) (1981). Advances in

social theory and methodology. Towards an integration of micro- and macro-sociology. London: Routledge.

Layder, D. (1981) Structure, interaction and social theory. London: Routledge.

Layder, D. (1990) The realist image in social science. New York: St. Martin's Press.



Marcuse, H. (1933(1978)) "Uber die philosophischen Grundlagen des wirtswissenschaftlichen Arbeitsbegriffs", pp. 556-593 in Herbert Marcuse. Schriften. Band 1. Frankfurt/Main: Suhrkamp.

Marx, K. (1868(1978)) Het Kapitaal. Deel 1: Het productieproces van het kapitaal. Bussum: De Haan.



Mepham, J. & Rubin, D.H. (eds.)(1979)Issues in marxist philosophy, 3 vols. Hassocks: Harvester.

Mouzelis, N. (1989) "Restructuring structuration theory", Sociological review, 37 (4): 613-635.

Munters, Q e.a. (1991) Anthony Giddens. Een kennismaking met de structuratietheorie. Wageningen: Landbouwuniversiteit.

Ollman, B. (1971) Alienation. Marx's conception of man in capitalist society. Cambridge: Cambridge University Press.

O'Neill, J. (ed.) (1973) Modes of individualism and collectivism. London: Heinemann.

Outhwaite, W.

(1983) Concept formation in social science. London: Routledge.

(1987) New philosophies of social science. London: Macmillan.

Porpora, D. (1989) "Four concepts of social structure", Journal for the theory of social behaviour, 19 (2): 195-211.



Sayer, D. (1984(1992) Method in social science. A realist approach. London: Routledge.

Simmel, G. (1908(1988) Soziologie. Untersuchungen über die Formen der Vergesellschaftung. Frankfurt/Main: Suhrkamp.



Vandenberghe, F. (1992) "La notion de réification. Réification sociale et chosification méthodologique", L'homme et la société, 1992, 1 (103): 81-93.

Samenvatting
Vertrekkende van de vaststelling dat de positivistische weten-schapsleer zowel in de natuur- als in de sociale wetenschappen flink aan geloofwaardigheid ingeboet heeft, zet de auteur de grondslagen van een alternatief paradigma, namelijk dat van het "transcendentaal realisme", uiteen. Vervolgens beschrijft hij het "transformatie-structuratiemodel" van Roy Bhaskar en Anthony Giddens. Hij levert daarbij kritiek op het theorema van de dualiteit van handeling en structuur dat aan het grondslag ligt van dit model en eindigt tenslotte met een pleidooi voor de meta-theoretische erkenning van het dualisme.

Abstract
Starting from the evidential loss of credibility of the positivistic theory of science, both in the natural and in the social sciences, the author presents the fundamentals of an alternative paradigm, namely that of "transcendental realism". Next he describes the "transformation-structuration model" of Roy Bhaskar and Anthony Giddens. Thereby he criticizes the theorem of the duality of action and structure that subtends this model and finally he ends with a pleading for the meta-theoretical recognition of dualism.

Résumé
Partant du constat d'une perte considérable en crédibilité de la théorie positiviste des sciences, aussi bien dans les sciences naturelles que dans les sciences sociales, l'auteur expose les fondements d'un nouveau paradigme, à savoir celui du "réalisme transcendental". Il décrit ensuite le "modèle de transformation et de structuration" élaboré par Anthony Giddens et Roy Bhaskar. Il critique le théorème de la dualité de l'action et de la structure qui soustend ce modèle et conclut avec un plaidoyer pour la reconnaissance méta-théorique du dualisme.

Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina