Psychologie Hoofdstuk 1 Contactpersoon



Dovnload 217.33 Kb.
Pagina1/4
Datum13.06.2018
Grootte217.33 Kb.
  1   2   3   4

Psychologie Hoofdstuk 1
Contactpersoon: gert.storms@ppw.kuleuven.be

Hoofdstuk 1: Psychologie als socio-wetenschappenlijke studie

Wat is psychologie?

Vaak foute informatie uit media, literatuur rond psychologie


= (meestal) geen wetenschappelijk verantwoorde kennis

Psychologie ontstaan uit filosofie



Psychologie volgens Proust:
De zielkundige ontleding, of het vermogen daartoe, de kennis v/h binnenste v/d mens
Psychologie der sekten:
Het geheel der psychische verschijnselen in een categorie, groep of tussen groep, en de leer daarvan

Psychologie (definitie):
Wetenschappelijke/empirische studie van - gedrag
- mentale processen

Erg veel verschillende disciplines (vermoeilijkt de afbakening v/h domein)



APA: American Psychological Associaton
= Wereldwijde beroepsvereniging van psychologen

Meerdere studies bestuderen, naast psychologie, het gedrag en de mentale processen


(Voorbeelden: antropologie, sociologie, rechten, economie, criminologie, ...)
= studie vanuit ander gezichtspunt
Verschil: onderwerp is hetzelfde, methoden anders

Mensen hechten geloof aan pseudowetenschappen


= poging om natuurlijke fenomenen te verklaren zonder empirische observatie of wetenschappelijk onderzoek aan de basis
(Voorbeelden: telepathie, helderziendheid, extra sensory perception - toekomst voorspellen)
! Freud en Jung hielden zich ook bezig met zulke soort psychologie
= weinig tot geen empirische studie en wetenschappelijk bewijs

Primary effect: eerste informatie weegt belangrijk door
Recency effect: wanneer men primary effect kent, hecht men meer belang aan laatste informatie

Freud en psychologie:

Freud was geneesheer


= leidde wetmatigheden uit klinische gevalstudies af (psyc)hoanalyse)
Veel tegenspraak anno 2012
Associatie psychoanalyse en psychologie is fout (Freudprobleem)

Betrouwbare psychologen:
- Skinner
- Hubel & Wiesel (nobelprijs)
- Simon (nobelprijs)
- Sperry (nobelprijs)
- Kahneman & Tversky (nobelprijs)

Psychologen voornamelijk actief binnen:


- arbeid en organisatiepsychologie
- schoolpsychologie
- klinische setting (therapie)
- wetenschappelijk onderzoek

Psychologie ≠ psychiatrie


Psychiatrie: specialisatie in geneeskunde
= onderzoek naar psychisch disfunctioneren vanuit somatisch gezichtspunt
--> niet opgeleid voor psychotherapie

Historie van de psychologie:

1878: eerste laboratorium voor experimentele psychologie
= Universiteit van Leipzig, onder leiding van Wilhelm Wundt

Vaak bezwaar vanuit religieus standpunt


= tot een eeuw geleden geen laboratorium aan Universiteit van Cambridge
"Op schaal uitdrukken van menselijke ziel" kon niet

Psychologie ontstaan uit:
Geesteswetenschappen
- filosofie
Positieve wetenschappen
- fysiologie: associatie met psychologe in studie geest/psyche
- neurologie

Psychologische kennis op basis van:


- geesteswetenschappelijke methoden (verklaring centraal)
- positief-wetenschappelijk onderzoek (predictie centraal)

Twee historische strekkingen
Descartiaanse strekking: geest niet objectief waarneembaar
- rationalisme: ratio als enig criterium voor geldige kennis
met dualisme: lichaam en geest gescheiden

Angelsaksische strekking: kennis enkel verkrijgbaar door onbevooroordeelde zintuigelijke kennis
- empirisme
met associationisme

! Voornamelijk Angelsaksische strekking heeft geleid tot wetenschappelijke psychologie
= gebaseerd op empirisch onderzoek
! Positieve wetenschappen toonde aan dat Descartiaanse bewustzijn niet klopte

Onderwerpen van psychologie
Voor 1900
- bewustzijn centraal (via introspectie: zelfreflectie)

Rond 1900
- meer interesse in onbewuste

Vanaf 1920
- behaviorisme (uit Amerika): verband zoeken tussen stimulus en reactie
= studie van mentale processen werd onwetenschappenlijk beschouwd
! voornamelijk studie op dieren (dierpsychologie)
- overte gedrag: gedrag dat men rechtstreeks kan observeren
- blackbox: men kan enkel "raden" naar de inhoud ervan, wat er gebeurd


Dierenpsychologie: dierengedrag bestuderen en er vanuit gaan dat menselijk gedrag hetzelfde is maar dan complexer (maar volgens zelfde principes)

Vanaf WOII
- psychologie werd gedragswetenschap die enkel objectief waarneembaar gedrag mocht bestuderen
= omvat studiemethoden van 1920

Vanaf 1960
- informatieverwerkingsmogelijkheden mogelijk door technologische ontwikkeling
- cognitieve psychologie: studie van de manier waarop we informatie verwerken

Recent
- biomedische wetenschappen geven nieuwe tendens
- nauwer verband tussen psychologie en neurowetenschappen

Verwerven van nieuwe kennis

Kwalitatieve Methoden

Kwantitatieve Methoden

constructie sociale realiteit, culturele betekenis

focus op interactieve processen, gebeurtenissen

authenticiteit

waardengebonden

theorie & gegevens vervlochten

essentieel situationeel

vaak beperkt aantal gevallen

thematische analyse

onderzoeker is betrokken


meten van objectieve feiten

focus op variabelen

betrouwbaarheid

waardenvrij

theorie & gegevens gescheiden

onafhankelijk van de context

veel gevallen/proefpersonen

statistische analyse

onderzoeker is onafhankelijk


Methodologische eisen voor wetenschappenlijk onderzoek

Drie kenmerken van de psychologische wetenschappen



Kennis verzamelen via systematisch empirisme
= Wetenschappelijke kennis laat zich voornamelijk leiden door systematisch waarnemen werkelijkheid
= sensorische ervaring
= observatie als onderzoeksgegeven
≠ van de psychologie
= hier zijn gezagsargumenten

! Systematisch empirisme noodzakelijk
Voorbeelden van fouten:
-indelen sterrenstelsel in zeven delen (7 dagen, 7 gaten in gezicht)
- aderlatingen tegen koorts
- psycho-analyse (volgens Freud)

Kennis moet publiek verifieerbaar zijn
= kennis moet repliceerbaar zijn, iedereen moet bij dezelfde studie, dezelfde resultaten bekomen
Systeem vaan peer review
verplicht overdragen van wetenschappelijke kennis aan andere onderzoeker, voor de publicatie van een bepaalde ondervinding
controle rond:
- zinvolheid v/d vraagstelling
- aangewende procedures
- verwerking v/d gegevens
- grondigheid v/d conclusies
- ethisch karakter v/h onderzoek

Kennis moet toetsbaar zijn
= problemen moeten oplosbaar zijn, wetenschappelijke theorieën moeten toetsbare theorieën zijn
ze moeten eveneens falsifieerbaar zijn
(het moet principieel mogelijk zijn om aan te tonen dat de uitspraak fout is)
Voorbeeld NIET falsifieerbare vraag:
- Is de mens goed of slecht?
Voorbeeld niet-toetsbare theorieën:
- Psycho-analyse volgens Freud
- Nixon zijn drang naar falen
- Veel valse verklaringen voor Gilles De La Tourette

Poc Hoc verklaringen: verklaringen bedacht na het bekijken van onderzoeksresultaten (schril contrast met predictie)

! Veel dingen bleken te kloppen tot er nieuwe technieken kwamen die het omgekeerde aanwezen

Theorie: relatie tussen set concepten die gebruikt worden om data/gegevens te verklaren en predicties te maken over resultaten van een empirische studie

Vijf stappen proces voor wetenschappelijke methoden

Ontwikkelen v/e hypothese:
- Hypothese: uitspraak die resultaat van wetenschappelijk onderzoek voorspelt
! wanneer data en hypothese elkaar tegenspreken -> nieuwe theorie vinden
Aanpassen theorie brengt ons dichter bij werkelijkheid
! Wetenschappelijke wet: relatie tussen variabelen is frequent confirmeerbaar
- Operationele definitie: begrippen betekenis geven door verwijzing naar observeerbare gegevens (dankzij operationalisering)
Voorbeeld:
Intelligentie: datgene wat gemeten wordt met een bepaalde intelligentietest
! Er is een verschil tussen een operationele definitie en essentialistische definitie
Operationele definitie: verklaren hoe men een begrip kan meten (zie voorbeeld)
Essentialistische definitie: effectief zeggen wat een bepaald begrip is

Gecontroleerde test:
- Onafhankelijke variabele: variabele die door onderzoeker wordt gemanipuleerd
- Randomisatie: aanbiedingsvolgorde van stimulus moet toevallig zijn

Objectieve data verzamelen:
- Gegevens (data): informatie verzameld voor het testen van de hypothese
- Afhankelijke variabele: gemeten resultaat v/h onderzoek, responsen

Analyseren v/d resultaten:
= aanhouden of verwerpen v/d hypothese

Publiceren, bekritiseren en repliceren v/d resultaten

Onderzoeksmethoden:

Mogelijke indeling volgens:


- positief wetenschappelijke onderzoeksmethoden
= onderzoek door het meten van variabelen
- geesteswetenschappelijke onderzoeksmethoden
= onderzoek door interpretatie

Voornamelijke indeling volgens:


- descriptieve methoden
- experimentele methoden

Naturalistische observatie
= observatiestudie buiten laboratorium (natuurlijke habitat)
Voorbeeld:
18.000 moorden op TV gezien voor volwassen worden
Nadeel naturalistische observatie:
gedrag kan aangepast worden nadat de geobserveerde weet dat hij effectief geobserveerd word
! niet sterk genoeg voor causale verbanden aan te tonen

Gevalstudie
=1 persoon of 1 voorbeeld van een fenomeen wordt zeer gedetailleerd onderzocht
Voorbeeld:
Psycho-analyse van Freud
Staaf door hoofd bij werkman
Nadeel gevalstudie:
Alternatieve verklaringen niet altijd uitsluitbaar door beperking van ethiek
! niet sterk genoeg voor causale verbanden aan te tonen

Interview
= directe bevraging van respondenten
Voorbeeld:
Agressie op TV zal leiden tot meer agressie in realiteit bij kijker?
Nadeel interview:
Interviewer moet zo neutraal mogelijk zijn, niet zo simpel
! niet sterk genoeg voor causale verbanden aan te tonen

Survey
= verzamelen v/e steekproef van opinies over één of meerdere onderwerpen (waaruit men conclusie trekt voor gehele populatie)
Voorbeeld:
Stemgedrag kiezers (ref. telefoon)
Bestuderen van kijkcijfers
Nadeel survey:
Onderzoek naar delicate dingen zal vaak leiden tot valse antwoorden
Respondenten moeten representatief zijn voor de populatie

Psychologische tests
= wetenschappelijk verantwoorde test die variabelen meet
Enkele vereisten:
- standaardisatie: test afnemen op zelfde manier (externe factoren, instructies, ...)
- betrouwbaarheid: nauwkeurige test waarbij meetresultaat doorheen tijd niet varieert
(correlatie met zichzelf)
- validiteit: de test moet effectief meten wat men wil weten
(correlatie met criterium)
Voorbeelden:
Cognitieve tests: schoolvorderingen, intelligentietests
Persoonlijkheids- en attitudetests: vragenlijken, projectieve technieken

Correlationeel onderzoek
= bestuderen van steekproef, karakteristieken van elk bestudeerd object noteren en verband nagaan
Vaak gebruik maken van correlatiecoëfficiënt
= geeft rechtlijnig verband tussen twee variabelen
Altijd waarde tussen -1 en 1
Waarde = 1: perfect lineair verband, perfecte voorspelling mogelijk
Voorbeeld: graden Celsius uitdrukken in Fahrenheit
Waarde = -1: perfect omgekeerd verband, perfecte voorspelling mogelijk
MAAR: als ene stijgt, daalt andere
Waarde = 0 geen rechtlijnig verband, geen voorspelling mogelijk

! Correlationeel verband duidt NOOIT meteen ook op een causaal verband

Het kan ook zijn dat twee variabelen correleren, maar dat er geen enkel verband is, omdat er een derde variabele in het spel is


Voorbeeld:
Meer tienerzwangerschappen bij mensen zonder broodrooster
= broodrooster beschermd tegen zwangerschappen is fout, meer geld (derde variabele) wil wel hogere sociale klasse zeggen en minder kans tot

Soms ook aselecte steekproef:


Voorbeeld:
Genezingskansen voor mensen met verslaving correleren negatief met therapie
= komt omdat mensen die in therapie gaan heel erg verslaafd zijn

Correlationeel onderzoek: relaties observeren tussen variabelen zoals ze op een natuurlijke manier
voorkomen
Experimentele studie: onderzoek creëert situatie en voert gecontroleerde observatie uit

Werking experimentele studie:


- representatieve steekproef op toevallig manier uitvoeren en steekproef populatie in meerdere groepen verdelen
- elke groep een verschillende behandeling geven
= verschillende op vlak van systematische manipulatie (van één of meerdere variabelen)
! Alle andere aspecten moeten identiek blijven voor beide groepen
- wanneer resultaten verschillen, kan men deze toeschrijven aan de gemanipuleerde variabele

Onafhankelijke variabele: gemanipuleerde variabele
Afhankelijke variabele: variabele waar de gemanipuleerde variabele effect op heeft

! Metingen zijn echter nooit perfect betrouwbaar (probabilistische aard van psychologisch ond.)
= gebruik maken van gemiddelde waarden
Voorbeeld:
Snelheidsmeter X meet beter dan snelheidsmeter Y, maar daardoor is snelheidsmeter X nog niet in ALLE gevallen beter dan snelheidsmeter Y.

We moeten steeds nagaan of gevonden verschillen statistisch significant/betekenisvol zijn

Goed experiment heeft hoge interne en externe validiteit

Interne validiteit: experiment is foutloos opgezet en uitgevoerd
- goede operationalisering door onderzoeker
- steekproefgroep is nauwkeurig gerandomiseerd
! De proefpersonen kennen best het doel v/h onderzoek niet

Externe/ecologische validiteit: veralgemening tot buiten laboratorium (dagelijks leven) moet mogelijk zijn
Voorbeeld:
Stel door onderzoek voelen leerlingen zich extra geëvalueerd en gaan ze beter proberen te scoren dan in het echte leven

Veel kritiek op experimentele studies



Manipulatie tussen proefpersonen: proefpersonen van verschillende aarde
Manipulatie binnen proefpersonen: proefpersonen passen zichzelf aan
= voorbeeld: handtest, randomisatie kiest wel hand van de proefpersoon

Ethische kwesties in onderzoek met mensen en dieren

Steeds voorleggen proef aan ethische commissies, alvorens uitvoering


Informed consent: proefpersonen moeten vrijwillig meedoen
Nochtans is het vooraf meedelen v/d proef vaak niet mogelijk

Proefdieren kunnen geen toestemming verlenen, waarom dan zij gebruiken


- studie van erfelijke factoren versus omgevingsfactoren
- studie van ontwikkelingsprocessen (sneller opgroeiende dieren)
- de gelijkaardigheid van processen (perceptie, leren, geheugen, ...) vergelijken met mensen
- zuiver wetenschappelijk onderzoek met geen ander doel dan het weten op zich

Comfortmoet gegarandeerd worden en tevens pijn zo laag mogelijk gehouden worden

Psychologie Hoofdstuk 2
Contactpersoon: gert.storms@ppw.kuleuven.be

Hoofdstuk 2: Sensatie en perceptie

Sensatie
= gewaarwording
Vroeg stadium van perceptie waarin neuronen (de hersenen) in een receptor (ontvanger) een intern patroon van zenuwimplusen creëren dat de omstandigheden representeert die de stimulatie veroorzaakt (binnen of buiten lichaam)
(opnemen)

Perceptie
= waarneming
= actief proces (het gegeven dat je ziet)
Proces waarbij sensorische patronen betekenisvol en ingevuld worden
(verwerking)

Schematisch:


IMPULS -> VERWERKING in NEURONEN door ontvangst in RECEPTOR -> INTERN PATROON door ZENUWIMPULSEN -> REACTIE (omstandigheden: intern of extern)

Voorbeeld:
Er is een geluid
Gewaarwording: geluid opnemen, opmerken
Perceptie: geluid interpreteren (oorsprong zoeken, aangenaam/onaangenaam, ...)

Neurale impulsen
= hersenen ervaren wereld onrechtstreeks
REDEN: zintuigen zetten stimulatie om in "taal enuwstelsel"

Transductie
= transformatie v/d ene energievorm in een andere
-> stimulusinformatie in zenuwimpulsen

Receptoren
= gespecialiseerde neuronen die geactiveerd worden bij stimulatie
-> leiden tot zenuwimpuls

Sensorische banen
= bundels van neuronen die informatie doorgeven v/d zintuigen aan hersenen

Zintuigen en hun systeem

OGEN (kijken)

Visueel systeem

OREN (horen)

Auditief systeem

NEUS (ruiken)

Olfactief systeem

TONG (smaken)

Gustatief systeem

HUID/BINNENOOR (voelen)

Tactiel systeem

Tactiel systeem neemt volgende zaken waar


- temperatuur
- druk
- pijn
- lichaamsoriëntatie (binnenoor)
- lichaamspositie (binnenoor)


Deel met je vrienden:
  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina