Provinciale Staten van Limburg



Dovnload 497 Kb.
Pagina1/3
Datum15.09.2018
Grootte497 Kb.
  1   2   3



Provinciale Staten van Limburg,
maken ter voldoening aan het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht en het bepaalde in artikel 136 Provinciewet bekend dat Provinciale Staten in hun vergadering van 18 april 2008 hebben vastgesteld:
Het besluit tot aanwijzing van zeer kwetsbare gebieden als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet Ammoniak en Veehouderij luidende als volgt:


  1. als zeer kwetsbare gebieden als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet ammoniak en veehouderij aan te wijzen de gebieden die zijn aangeduid als zeer kwetsbare gebieden op de bij dit besluit behorende kaarten 1 t/m 12, Besluit zeer kwetsbare gebieden Wet ammoniak en veehouderij provincie Limburg, met vermelding “Provinciale Staten, 14 maart 2008”;




  1. in aanvulling hierop de Berken- en Elzenbroekbossen van het Kaldenbroek aan te wijzen als zeer kwetsbaar gebied Wet ammoniak en veehouderij conform het bij dit besluit behorende overzichtskaartje “Gebied 364: voorgestelde wijziging t.o.v. voorstel aan Provinciale Staten” d.d. 12-03-2008;




  1. te bepalen dat de bij dit besluit behorende kaarten 1 t/m 12 Besluit zeer kwetsbare gebieden Wet ammoniak en veehouderij provincie Limburg, met vermelding “Provinciale Staten, 14 maart 2008” worden aangepast aan dit besluit in die zin, dat de juiste datum van de vergadering van Provinciale Staten wordt vermeld alsmede dat de toevoeging van de Berken- en Elzenbroekbossen van het Kaldenbroek worden toegevoegd aan de kaarten 3 en 5;




  1. de bij dit besluit behorende toelichting vast te stellen;




  1. aan Gedeputeerde Staten opdracht te geven de Nota standpuntbepaling zienswijzen Besluit zeer kwetsbare gebieden Wet ammoniak en veehouderij in overeenstemming te brengen met dit besluit;




  1. dat dit besluit in werking treedt met ingang van de dag na datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst.

Aldus vastgesteld door de Provinciale Staten van Limburg in hun vergadering van 18 april 2008.


Provinciale Staten voornoemd,
W.P.G.M. Scheepens, wnd. voorzitter

mr. J.B.J.M. Stijnen, griffier


De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft dit besluit op 11 juli 2008 goedgekeurd.
De bij dit besluit behorende kaartbijlagen kunnen bij de Provinciale Griffie worden ingezien.
Toelichting bij besluit
1. Inleiding

Op 17 februari 2007 is de wijziging van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) gepubliceerd (Staatsblad 2007/nr. 103). Op 1 mei 2007 is deze wijziging in werking getreden. De wijziging is een uitwerking van de bestuurlijke een politieke afspraken dat het zoneringsbeleid uit de Wav alleen nog zou blijven gelden voor de zeer kwetsbare gebieden. De Wav bepaalt dat Provinciale Staten deze zeer kwetsbare gebieden aanwijzen. De aanwijzing vindt plaats op basis van de criteria die in de Wav zijn opgenomen.


De Wet ammoniak en veehouderij bevat regels met betrekking tot de ammoniakemissie uit dierverblijven. Het bevoegd gezag moet die regels toepassen bij beslissingen inzake de verlening van milieuvergunningen voor veehouderijen. De regels zijn bedoeld ter bescherming van de zeer kwetsbare gebieden tegen de effecten van ammoniakdepositie. De wet geeft regels voor veehouderijen gelegen in een zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom zo’n zeer kwetsbaar gebied. Hoofdlijn hierbij is dat vestiging in deze zones niet mogelijk is en dat uitbreiding slechts mogelijk is binnen een bedrijfsemissieplafond. Voor melkveehouderijen is uitbreiding tot 2446 kg ammoniak per jaar toegestaan. Dit komt overeen met 200 melkkoeien met bijbehorend jongvee.
Provinciale Staten wijzen de zeer kwetsbare gebieden aan. Alleen de voor verzuring gevoelige gebieden, of delen daar van, die zijn gelegen in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) kunnen als zeer kwetsbaar gebied worden aangewezen. In de wet is vastgelegd welke gebieden in ieder geval moeten worden aangewezen als zeer kwetsbaar gebied: de voor verzuring gevoelige Vogel- en Habitatrichtlijngebieden en beschermde natuurmonumenten. Daarnaast kunnen andere gebieden op grond van in het wetsvoorstel neergelegde criteria als zeer kwetsbaar worden aangewezen. Gebieden kleiner dan 50 ha kunnen alleen in uitzonderlijke gevallen aangewezen worden.

2. Voorbereiding

De afwegingsaspecten en voorwaarden uit de Wav zijn uitgewerkt in conceptkaarten. Deze zijn besproken met de Limburgse Land- en Tuinbouwbond, de Stichting Milieufederatie Limburg, de terreinbeherende instanties, en de gemeenten Helden en Venray. De opmerkingen van deze organisaties zijn betrokken bij de verdere uitwerking van de conceptkaarten. Consultatie van de betrokken gemeenten heeft vervolgens plaatsgevonden door de conceptkaarten in de zomer 2007 voor commentaar voor te leggen aan alle Limburgse gemeenten. De door de gemeenten gemaakte opmerkingen zijn vervolgens betrokken bij uitwerking van de ontwerpkaarten, zoals deze als onderdeel van het ontwerpbesluit ter inzage zijn gelegd van 16 oktober tot en met 26 november in het kader van de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.



3. Werkwijze aanwijzing zeer kwetsbare gebieden

Bij de aanwijzing van de zeer kwetsbare gebieden zijn de stappen in onderstaand schema gevolgd:


….

Hieronder wordt aan de hand van stappen in het schema beschreven hoe de aanwijzing heeft plaatsgevonden:


De stappen uit het schema worden hieronder toegelicht.


1. Is het gebied voor verzuring gevoelig?

Alleen voor verzuring gevoelige gebieden kunnen worden aangemerkt als zeer kwetsbare gebieden. In artikel 1, eerste lid van de Wav is als definitie van voor verzuring gevoelig gebied het volgende opgenomen:

gebied dat onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij als voor verzuring gevoelig was aangemerkt krachtens artikel 1, tweede lid, van die wet (…).”

De inhoud van het begrip “voor verzuring gevoelig gebied” was geregeld in de artikelen 1 tot en met 3 van de bij de Interimwet ammoniak en veehouderij behorende Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij (Uav). Op grond van die regeling werden als voor verzuring gevoelig gebied aangemerkt:



  1. bossen, natuurterreinen en landschapselementen die gelegen zijn op voor verzuring gevoelige grond en een oppervlakte hebben van ten minste 5 ha of door de gemeenteraad bij verordening krachtens de Gemeentewet op een bij die verordening behorende kaart als voor verzuring gevoelig gebied zijn aangewezen;

  2. de natuurterreinen “schraalland”, “duinterrein ” en “hoogveen” en het landschapselement “bloemdijk” die een oppervlakte hebben van ten minste 5 ha of door de gemeenteraad bij verordening krachtens de Gemeentewet op een bij die verordening behorende kaart als voor verzuring gevoelig gebied zijn aangewezen.

Daarnaast gold ingevolge de Uav voor zowel de onder a als b genoemde gebieden dat de aanleg of begrenzing ervan uiterlijk 1 mei 1988 moest hebben plaatsgevonden. Na 1 mei 1988 aangelegde of begrensde natuur kan dus nooit als voor verzuring gevoelig gebied worden aangemerkt.


Voor Noord- en Midden-Limburg is voor de ligging van de voor verzuring gevoelige gebieden uitgegaan van de gebieden die in de voormalige op grond van de Interimwet ammoniak en veehouderij door de Noord- en Midden-Limburgse gemeenten vastgestelde ammoniakreductieplannen, waren aangewezen als voor verzuring gevoelig gebied. Deze gebieden waren onderverdeeld in A-, B- en C-gebieden, waarbij de A-gebieden de meest waardevolle en meest voor verzuring gevoelige gebieden waren. B -gebieden waren doorgaans de wat minder waardevolle en voor verzuring gebieden. C-gebieden waren B-gebieden waarvoor de Interimwet ammoniak en veehouderij destijds de mogelijkheid bood door het sluiten van een convenant de status van voor verzuring gevoelig gebied kon worden opgeheven. De A-, B- en C-gebieden zijn destijds ook opgenomen in het streekplan en later in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL). Ook waren ze aangeduid op een van de bij het Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg behorende kaarten.

Voor Zuid-Limburg is voor de ligging van de voor verzuring gevoelige gebieden in beginsel uitgegaan van werkkaarten die in het verleden op basis van de criteria van de Interimwet ammoniak en veehouderij zijn opgesteld en doorgaans door gemeenten zijn gebruikt bij de uitvoering van de Interimwet ammoniak en veehouderij en de Wav. Aan de voor verzuringgevoelige gebieden zijn in Zuid-Limburg een aantal schraallanden toegevoegd die op de eerdere werkkaarten niet waren opgenomen. Dit zijn over het algemeen kleine gebieden (<5 hectare) die wel deel uitmaken van of aansluiten bij een groter natuurgebied.


2. Ligt het gebied binnen de provinciale ecologische hoofdstructuur?

Alleen voor verzuring gevoelige gebieden (of delen daarvan) gelegen in de ecologische hoofdstructuur (EHS) kunnen worden aangemerkt als zeer kwetsbare gebieden.

Tot het moment van inwerkingtreding van de wijziging van de Wav waren Gedeputeerde Staten belast met de aanwijzing van de EHS ten behoeve van de uitvoering van de Wav. De Wav beschermde alle kwetsbare gebieden. Als kwetsbare gebieden werden aangemerkt de voor verzuring gevoelige gebieden gelegen binnen de EHS. Gedeputeerde Staten hebben ter uitvoering van die verplichting het Besluit ecologische hoofdstructuur ten behoeve van de Wet ammoniak en veehouderij voor Noord- en Midden-Limburg van 14 september 2004 (Provinciaal Blad 2004/99) vastgesteld. Dit besluit hebben zij op

8 november 2005 herzien door vaststelling van het Besluit ecologische hoofdstructuur ten behoeve van de Wet ammoniak en veehouderij (Provinciaal Blad 2005/74).

De EHS zoals aangewezen in laatstgenoemd besluit is ook voor het onderhavige besluit gebruikt.
3. Is het gebied aangewezen als beschermd Natuurmonument, aangewezen of aangemeld als Vogel- of Habitatrichtlijngebied?

Voor verzuring gevoelige gebieden gelegen binnen beschermde Natuurmonumenten of Vogel- of Habitatrichtlijngebieden die zijn aangewezen door de minister van Landbouw, Visserij en Voedselkwaliteit, of nog niet zijn aangewezen maar al wel zijn aangemeld en door de Europese Commissie van communautair belang zijn verklaard, moeten door Provinciale Staten als zeer kwetsbaar gebied worden aangewezen.

Bij deze verplicht aan te wijzen zeer kwetsbare gebieden zijn wij uitgegaan van de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden die door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij de Europese Commissie zijn aangemeld. Indien de uiteindelijke begrenzing af gaat wijken van de aangemelde gebieden zal bezien worden of dit consequenties heeft voor de aanwijzing van de zeer kwetsbare gebieden.
4. Provinciale Staten moeten een afweging maken of een niet verplicht aan te wijzen gebied wel of niet wordt aangewezen als zeer kwetsbaar.

Als de aanwijzing betrekking heeft op de overige voor verzuring gevoelige gebieden (niet zijnde verplichte gebieden) binnen de EHS hebben Provinciale Staten een zekere beleidsvrijheid. De aanwijzing gebeurt in dat geval aan de hand van een aantal in de wet genoemde afwegingaspecten en voorwaarden.

Afgezien van de bij de afwegingsaspecten genoemde voorwaarden, zijn alle afwegingsaspecten in beginsel gelijkwaardig. Het gaat om een integrale afweging rekening houdende met alle aspecten, waarbij op basis van de verschillende aspecten zal worden beoordeeld of een voor verzuring gevoelig gebied als zeer kwetsbaar moet worden aangewezen. Er wordt in de wet een onderscheid gemaakt tussen gebieden groter en kleiner dan 50 hectare. Aanwijzing van een gebied kleiner dan 50 ha vindt slechts plaats als het gebied zeer grote natuurwaarden heeft. In de Wav is het criterium ‘zeer grote natuurwaarden’ nader uitgewerkt.
De in de wet genoemde afwegingsaspecten voor de aanwijzing van de niet verplichte zeer kwetsbare gebieden zijn:

a. de gevoeligheid van het voor verzuring gevoelige gebied voor de effecten van ammoniak;

b. de in het voor verzuring gevoelige gebied aanwezige natuurwaarden in het gebied;

c. de ecologische samenhang binnen het voor verzuring gevoelige gebied of van dat gebied met een of meer andere gebieden die als zeer kwetsbaar worden aangewezen;

d. de grootte van het voor verzuring gevoelige gebied;

e. de gevolgen van de aanwijzing voor bestaande veehouderijen, voor zover de ecologische samenhang tussen de zeer kwetsbare gebieden daardoor niet wordt aangetast en geen verlies van bijzondere natuurwaarden optreedt.

Ad a) Het gaat hierbij om de mate waarin de in het voor verzuring gevoelige gebied aanwezige natuur gevoelig is voor ammoniak (verzuring en vermesting).

Overeenkomstig hetgeen in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel is gesuggereerd hebben wij de gevoeligheid van de voor verzuring gevoelige gebieden bepaald door de betreffende natuur te beoordelen aan de hand van de indeling opgenomen in het Handboek Natuurdoeltypen (Wageningen 2001, Expertisecentrum Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, tweede, geheel herziene uitgave). In februari 2007 is een nieuw overzicht van deze indeling in het Handboek gepubliceerd waarin de actuele wetenschappelijke kennis over de kritische deposities voor stikstof per natuurdoeltype is verwerkt. Dit document is eveneens betrokken bij de bepaling van de gevoeligheid en is weergeven in bijlage 1.

In het Handboek en het nieuwe overzicht wordt onderscheid gemaakt tussen:


  • kwetsbare natuurdoeltypen met een kritische depositiewaarde tussen 1400 en 2400 mol N per ha per jaar en

  • zeer kwetsbare natuurdoeltypen met een kritische depositiewaarde kleiner dan 1400 mol N per ha per jaar.

Ad b) Bij de aanwezige natuurwaarden is gekeken naar mate van ontwikkeling van de vegetatie en de zeldzaamheid van de aanwezige flora en fanua en het belang van het behoud van deze natuur voor de realisatie van de EHS. Hierbij is ervoor gekozen om ook te kijken naar de mate waarin deze waarden in het gebied voorkomen.

Ad c) Onder ecologische samenhang wordt verstaan de samenhang tussen planten- en diersoorten in een gebied of regio. Aangezien alle gebieden deel uit maken van de ecologische hoofdstructuur en daardoor deel uit maken van een ecologische samenhang in de regio is dit niet verder als onderscheidend criterium meegenomen.
Ad d) De grootte van het voor verzuring gevoelig gebied is gebruikt als criterium om een indeling te maken in de gebieden kleiner en groter dan 50 hectare. Hierbij is ervoor gekozen om gebieden die binnen 100 meter van elkaar liggen te beschouwen als één gebied. In de memorie van toelichting bij de wijziging van de Wav is aangegeven dat bij de bepaling of het gaat om een aaneengesloten gebied van meer dan 50 ha of om meerdere gebieden die elk kleiner dan 50 ha zijn, de jurisprudentie die ten tijde van de Interimwet ammoniak en veehouderij is ontstaan over de vraag of een voor verzuring gevoelig gebied een oppervlakte van ten minste 5 ha had, een handvat kan vormen. Zoals in de memorie van toelichting reeds aangegeven is deze jurisprudentie tamelijk casuïstisch van aard. Voor wat betreft de afstand tussen twee gebieden blijkt uit deze jurisprudentie echter wel dat bij een afstand van 25 meter sprake is van één gebied, maar bij een afstand van 165 meter niet meer. De doorsnijding van een gebied door bijvoorbeeld een weg is gewoonlijk geen aanleiding om van twee gebieden te kunnen spreken. Het criterium van 100 meter is als een soort gemiddelde op basis van jurisprudentie genomen. In de praktijk blijkt dat bij het hanteren van 100 meter, gebieden als één gebied worden aangemerkt waartussen voldoende samenhang bestaat.
Ad e) De ligging van de veehouderijen is meegenomen in de begrenzing van de gebieden voorzover de ecologische samenhang niet wordt aangetast en geen verlies van bijzondere natuurwaarden optreedt. In Noord- en Midden-Limburg zijn hiervoor de gegevens gebruikt uit het vergunningenbestand (d.d. 1 januari 2006). Voor Zuid-Limburg zijn de gegevens gebruikt die de provincie van de Zuid-Limburgse gemeenten heeft ontvangen.
4a. Gebieden vanaf 50 hectare
De gebieden die op grond van de aanwijzing van de EHS in het Besluit ecologische hoofdstructuur ten behoeve van de wet ammoniak en veehouderij (Provinciaal Blad 2005/74) samenvielen met een voor verzuring gevoelig gebied zijn onderverdeeld in kwetsbare gebieden met een oppervlakte van ten minste 50 hectare (52 gebieden) en kwetsbare gebieden met een oppervlakte van minder dan 50 ha (172 gebieden).

Binnen de 52 gebieden met een oppervlakte van ten minste 50 hectare is een nadere selectie gemaakt op grond van de twee criteria ‘gevoeligheid voor de effecten van ammoniak’ en ‘aanwezige natuurwaarden’. In schema 1 is deze selectie schematisch weergegeven


Bij het criterium ‘gevoeligheid van de effecten van ammoniak’ is uitgegaan van de aanwezige vegetatietypen zoals deze zijn opgenomen in de vegetatiekartering van de provincie Limburg Het criterium ‘gevoeligheid voor effecten van ammoniak’ is toegepast door de natuurdoeltypen op basis van het Handboek Natuurdoeltypen en het geactualiseerde overzicht in te delen in kwetsbare natuurdoeltypen (met een kritische depositiewaarde tussen 1400 en 2400 mol N per ha per jaar) en zeer kwetsbare natuurdoeltypen (met een kritische depositiewaarde kleiner dan 1400 mol N per ha per jaar).

De volgende in Limburg voorkomende natuurdoeltypen zijn aangeduid als zeer kwetsbaar: Zwak gebufferd ven, Zuur ven, Droog schraalgrasland van de hogere gronden, Kalkgrasland, Natte heide, Levend hoogveen, Droge heide, Zandverstuiving, Bos van arme zandgrond en Nat schraal grasland. De afgeleide van het ‘bos van arme zandgronden’ worden overeenkomstig het Handboek Natuurdoeltypen als kwetsbaar en niet als zeer kwetsbaar beschouwd. Het betreft de naald- en loofbossen of mengvormen hiervan in de multifunctionele bossen. Indien in naaldbossen een groot aantal voor ammoniak zeer gevoelig plant- of diersoorten voorkomen dan worden deze naaldbossen als zeer kwetsbaar beschouwd.


Deze als zeer kwetsbaar aangemerkte natuurdoeltypen met een kritische depositie < 1400 mol N/ha/jaar zijn te herleiden naar vegetatietypen die gebruikt worden bij de vegetatiekartering van de provincie Limburg. Jaarlijks onderzoekt de provincie Limburg 1/10 deel van de provincie v.w.b. de flora en vegetatie. Dat betekent dat de oudste gegevens maximaal 10 jaar oud zijn en de meeste gegevens van recente datum zijn.


Bij het criterium ‘aanwezige natuurwaarden’ is gekeken naar de zeldzaamheid van de in het gebied aanwezige zeer kwetsbare natuurdoeltypen, de mate van ontwikkeling, de mate waarin zeer kwetsbare natuurdoeltypen in het gebied voorkomen en het belang van het behoud ervan voor de realisatie van de EHS en naar de mate waarin deze zeer kwetsbare natuurdoeltypen in het gebied voorkomen. Er is voor gekozen om de mate waarin de zeer kwetsbare natuurdoeltypen in het gebied voorkomen te bepalen door de gebieden te selecteren waarvan minimaal 5% van de oppervlakte zeer kwetsbare natuurdoeltypen betrof. Deze 5% zijn vooral bedoeld als werkmethode om de betere gebieden te kunnen afscheiden van de overige gebieden.

De gebieden waarvan de oppervlakte zeer kwetsbare natuurdoeltypen minder was dan 5% zijn vervolgens handmatig geanalyseerd (bijvoorbeeld omdat de zeer kwetsbare natuurdoeltypen in een deel van het gebied geclusterd zijn en dat daardoor het totale gebied niet tot 5% komt). Indien uit deze handmatige analyse bleek dat er voldoende ecologische onderbouwing aanwezig was zijn gebieden toegevoegd tot de zeer kwetsbare gebieden. Bij deze analyse is naast de vegetatiekartering met name gebruik gemaakt van de verspreidingskaarten van de aanwezige vaatplanten en de herpetofauna (amfibieën en reptielen). Van de vaatplanten en de herpetofauna zijn vlakdekkende gegevens voor de gehele provincie Limburg aanwezig. De voormalige A-gebieden gelegen binnen de EHS bevatten allemaal meer dan 5% zeer kwetsbare vegetaties en deze vegetaties zijn doorgaans goed tot zeer goed ontwikkeld.

Voor de B-gebieden groter dan 50 hectare en minder dan 5% zeer kwetsbaar natuurdoeltype bestond alleen voor het B-gebied gelegen binnen de EHS Waterbloem, een deel van het gebied 362, uiteindelijk voldoende ecologische onderbouwing om het aan te wijzen. Dit gebied is daarom aangemerkt als zeer kwetsbaar gebied.


Vervolgens zijn alle geselecteerde gebieden met meer dan 5% kwetsbaar natuurdoeltypen of de handmatige geselecteerde gebieden in prioriteiten ingedeeld. De voormalige A-gebieden gelegen binnen de EHS hebben prioriteit maximaal gekregen. De (delen van de) gebieden die bestonden uit voormalige B-gebieden gelegen binnen de EHS zijn op basis van de twee criteria ‘gevoeligheid voor de effecten van ammoniak’ en ‘aanwezige natuurwaarden’ in prioriteiten ingedeeld:

Prioriteit 1: zeer kwetsbaar en goed tot zeer goed ontwikkeld;

Prioriteit 2: zeer kwetsbaar en matig ontwikkeld;

Prioriteit 3: kwetsbaar en matig ontwikkeld;


In Bijlage II is per gebied de prioriteit aangegeven. B-gebieden binnen de EHS met prioriteit 1 en 2 zijn aangemerkt als zeer kwetsbaar. B-gebieden binnen de EHS met prioriteit 3 zijn afgevallen. In de tabel opgenomen B-gebieden met prioriteit 4 (geen of zeer weinig kwetsbare vegetatie) voldeden niet aan het criterium minimaal 5% van de oppervlakte zeer kwetsbare natuurdoeltypen en waren om die reden dus al afgevallen.
Maatwerk ten behoeve van veehouderijen

Tot slot is de ligging van de veehouderijen betrokken bij de begrenzing van de gebieden. In sommige gevallen is hier maatwerk verricht waarbij de begrenzing van het gebied zo heeft plaatsgevonden dat veehouderijen niet binnen een 250 meterzone rond dat gebied vallen.

Bij de voormalige A-gebieden binnen de EHS heeft nooit maatwerk plaatsgevonden. Deze gebieden zijn alle met de oorspronkelijke begrenzing op de kaart als zeer kwetsbaar aangeduid. Hiermee willen we de lijn voortzetten die we gedurende 1996 hebben gevolgd om deze gebieden extra bescherming te bieden. Bovendien zijn natuurgebieden in veel gevallen een combinatie van A- en B-gebied, waarbij de meest gevoelige en best ontwikkelde natuurwaarden in het gedeelte aanwezig zijn dat als A-gebied is aangeduid. Aanpassing van de begrenzing van het A-gebied zonder verlies van bijzondere natuurwaarden is daarbij in de praktijk niet mogelijk.
Bij de voormalige B-gebieden binnen de EHS (met prioriteit 1 of 2) heeft in sommige gevallen wel maatwerk plaatsgevonden mits daardoor geen verlies van bijzondere natuurwaarden optrad. Bij het criterium ‘geen verlies van bijzondere natuurwaarden’ is zowel gekeken naar de gevoeligheid voor de effecten van ammoniak als naar de aanwezige natuurwaarden (waaronder de aanwezigheid van Rode-lijst-soorten). Omdat de natuurwaarden in B-gebieden met prioriteit 1 beter ontwikkeld zijn dan in B-gebieden met prioriteit 2, heeft een herbegrenzing in gebieden met prioriteit 2 (7 keer herbegrenzing) vaker plaatsgevonden dan in gebieden met prioriteit 1 (3 keer herbegrenzing).
4b. Gebieden kleiner dan 50 hectare
Zoals beschreven onder 4a. zijn de gebieden die op grond van de aanwijzing van de EHS in het Besluit ecologische hoofdstructuur ten behoeve van de wet ammoniak en veehouderij (Provinciaal Blad 2005/74) samenvielen met een voor verzuring gevoelig gebied, onderverdeeld in kwetsbare gebieden met een oppervlakte van ten minste 50 hectare (52 gebieden) en kwetsbare gebieden met een oppervlakte van minder dan 50 ha (172 gebieden).
Ten aanzien van voor verzuring gevoelige gebieden die kleiner zijn dan 50 ha geldt het ‘nee, tenzij’ -beginsel. Zo’n gebied mag op grond van de Wav alleen aangewezen worden als het een gebied betreft met zeer grote natuurwaarden. Dat is slechts het geval indien:

a. in het gebied meer dan een soort aanwezig is die is opgenomen in bijlage II van richtlijn (EEG) nr. 92/43 (Habitatrichtlijn) of in de bijlage bij het Besluit Rode Lijsten flora en fauna en deze soorten of hun leefomgeving zeer gevoelig zijn voor de effecten van ammoniak;

b. het gebied is aangewezen als beschermde leefomgeving krachtens artikel 19 van de Flora- en faunawet en deze leefomgeving zeer gevoelig is voor de effecten van ammoniak, of

c. het gebied door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de lokale en regionale organisaties op het terrein van natuur en landbouw die naar het oordeel van gedeputeerde staten representatief zijn alsmede met de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten waartoe het betreffende gebied behoort, is voorgesteld om als zodanig te worden aangemerkt.


In Limburg zijn er geen gebieden aangewezen als beschermde leefomgeving krachtens artikel 19 van de Flora- en Faunawet, zoals bedoeld in onderdeel b. Gelet op de overeenstemming tussen partijen met vaak tegengestelde belangen, die de wet vereist om op grond van onderdeel c. gebieden aan te kunnen wijzen, heeft ook geen aanwijzing op grond van onderdeel c. plaatsgevonden.

Wel zijn gebieden onderzocht op grond van onderdeel a, de aanwezigheid van meer dan een Rode lijstsoort of Habitatrichtlijnsoort.


De aanwijzing van de gebieden heeft plaatsgevonden conform schema 2

Er is voor gekozen om de gebieden kleiner dan 50 ha eerst in te delen op basis van het criterium meer dan een Rode lijstsoort of Habitatrichtlijnsoort en de gebieden die na die selectie overbleven nog te toetsen aan de twee criteria ‘gevoeligheid voor de effecten van ammoniak’ en ‘aanwezige natuurwaarden’.
De verspreidingskaarten van de aanwezige vaatplanten, herpetofauna (amfibieën en reptielen), vlinders, libellen, paddestoelen, korstmossen en mossen zijn gebruikt. Van de vaatplanten en de herpetofauna zijn gegevens voor de gehele provincie Limburg aanwezig. Van de vlinders, libellen, korstmossen, mossen en paddestoelen betreft het delen van Limburg.. Deze soortgroepen zijn gekozen omdat deze groepen representatief zijn voor de ammoniakgevoeligheid van het milieu op de plek waar ze aangetroffen zijn (meer dan bijvoorbeeld vogels of zoogdieren die doorgaans een groter en meer divers leefgebied gebruiken). Omdat alle relevante Habitatrichtlijn-soorten tevens Rode Lijst-soort zijn, volstond het om enkel het voorkomen van de Rode Lijst-soorten te analyseren. Hierbij gaat het om de Rode Lijst zoals vastgesteld door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De verspreidingskaarten zijn verkregen via de website Ecolog van het Natuurhistorisch Genootschap Limburg (Herpetofauna, vlinders, libellen, paddestoelen, korstmossen, mossen en vaatplanten) en van de provincie zelf (vaatplanten) via de website HREF="http://www.limburg.nl/nl/html/algemeen/beleid/natuur/Natuurgegevens/natuurgegevens.asp"

Alleen waarnemingen vanaf 1997 tot 2007 zijn gebruikt om gebruik van verouderde, niet meer relevante inventarisatiegegevens te vermijden. De verschillende verspreidingskaarten zijn gecombineerd in GIS zodat alle gebieden met meer dan een Rode Lijst-soort naar voren komen. Van de 172 gebieden kleiner dan 50 ha zijn dit 41 gebieden.


De gevonden Rode Lijst-soorten zijn ingedeeld naar hun gevoeligheid voor ammoniak. Bij vaatplanten is dit afhankelijk van de gevoeligheid van het vegetatietype waartoe ze behoren (zie ook: Handboek Natuurdoeltypen), Voor de herpetofauna zijn de volgende Rode lijstsoorten ingedeeld als zeer gevoelig voor ammoniak: Kamsalamander, Vinpootsalamander, Knoflookpad, Boomkikker, Heikikker, Poelkikker, Adder, Gladde slang en de Zandhagedis. Tevens is hun status op de Rode Lijst (mate van bedreiging tot uitsterven) bepaald. In bijlage 4 is de gevoeligheid van de aangetroffen Rode lijstsoorten aangegeven. Aan de hand van deze twee factoren en de aanwezige voor ammoniak zeer gevoelige vegetaties is bepaald wat de ecologische waarde en de kwetsbaarheid voor ammoniak van het gebied is waar de soorten voorkomen en is er een prioritering aan gegeven (zie bijlage III). De gebieden die zeer kwetsbaar en waardevol tot zeer waardevol zijn worden tot prioriteit 1 gerekend en de gebieden die zeer kwetsbaar maar matig waardevol zijn tot prioriteit 2. De gebieden die kwetsbaar zijn en vaak matig waardevol tot prioriteit 3. Deze voldoen dus net niet aan de eisen voor zeer kwetsbaar. Gebieden die bij voorbaat al afvallen om aangewezen te worden als zeer kwetsbaar gebied omdat zij minder dan 2 Rode lijstsoorten hebben, hebben prioriteit 4 gekregen.
Bij een deel van de 172 gebieden was in feite niet echt sprake van een gebied kleiner dan 50 ha, maar van een gedeelte van een voor verzuring gevoelig gebied waarvan de rest als Vogel- of Habitatrichtlijn of beschermd Natuurmonument was aangewezen. De begrenzing van de voor verzuringgevoelige gebieden is namelijk niet altijd gelijk aan de begrenzing van de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden. Hierdoor ontstaan aan de randen van de verplichte gebieden dergelijke ‘snippers’ (dit was bij 47 van de 172 gebieden kleiner dan 50 hectare het geval). Het totale voor verzuring gevoelige gebied inclusief het verplicht aan te wijzen deel is dan over het algemeen groter dan 50 ha. De gebieden die grenzen aan de verplichte gebieden zijn aangewezen als zeer kwetsbaar gebied indien zij in het verleden als A-gebied waren aangemerkt of als er bijzondere natuurwaarden in voorkomen (2 of meer rode lijst soorten). Het betreft 20 van de 47 gebieden (zie de tabel in bijlage III).
De “losliggende” gebieden kleiner dan 50 ha met meer dan 1 Rode Lijst zijn tot slot nog getoetst aan de criteria ‘gevoeligheid voor de effecten van ammoniak’ en ‘aanwezige natuurwaarden’. Deze afweging heeft via dezelfde systematiek plaatsgevonden als bij de gebieden vanaf 50 hectare. Hierdoor zijn uiteindelijk 11 losliggende gebieden kleiner dan 50 hectare aangewezen als zeer kwetsbaar.
Maatwerk ten behoeve van veehouderijen

Ook bij de gebieden kleiner dan 50 hectare is in sommige gevallen maatwerk verricht ten gunste van de veehouderijen. Hierbij zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd als bij het maatwerk bij gebieden vanaf 50 ha. Uiteindelijk heeft bij 3 gebieden maatwerk plaatsgevonden (302, 289 en 272)




Deel met je vrienden:
  1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina