Proefwerk Scheikunde vwo hoofdstuk 7 Zuren en basen 25-3-2008



Dovnload 31.33 Kb.
Datum26.10.2018
Grootte31.33 Kb.

Proefwerk Scheikunde VWO Hoofdstuk 7 Zuren en basen 25-3-2008
Veel succes!
1 Geef de vergelijkingen van de reacties die plaatsvinden als men onderstaande stoffen in water brengt.

Geef ook aan of de pH van de verkregen oplossing kleiner groter of gelijk aan 7 is.

a waterstofchloride

b natriumcarbonaat

c bariumoxide

d ammoniumchloride


2 Men voert drie proefjes uit met een oplossing van natriumwaterstofcarbonaat.

I Men meet de pH van de oplossing. Deze is ongeveer 9.

II Men voegt wat zoutzuur toe aan de oplossing. Er vindt een reactie plaats.

III Men voegt wat natronloog toe aan de oplossing. Er vindt een reactie plaats.

a Welke twee indicatoren zou men kunnen gebruiken om vast te stellen dat de pH van de oplossing ongeveer 9 is? Licht je antwoord toe.
In een natriumwaterstofcarbonaatoplossing zijn HCO3--ionen aanwezig.

Een HCO3--ion kan een H+-ion opnemen maar ook een H+-ion afstaan.

b Geef de vergelijking van de reactie uit proef II.

c Hoe verandert de pH van de oplossing als men een overmaat zoutzuur aan de natriumwaterstofcarbonaatoplossing toevoegt? Goed uitleggen.

d Geef de vergelijking van de reactie uit proef III.

3 We hebben twee oplossingen:

(1) 0,099 mol NaOH opgelost tot 510-2 liter;

(2) 0,100 mol HCl opgelost tot 510-2 liter.

a Schrijf de reactievergelijking op van de reactie die optreedt als we beide oplossingen samenvoegen.

b Bereken de concentratie van de H3O+-ionen in de oplossing die is samengevoegd.

c Bereken de pH van deze oplossing.

4 Geef in een of twee reactievergelijking(en) weer wat er gebeurt bij elk van de hieronder beschreven processen.

Geef bij elke reactie aan wat voor type reactie het is.

a In een oplossing van magnesiumchloride leidt men ammoniakgas. Er ontstaat een wit neerslag van magnesiumhydroxide.

b Bij een oplossing van ammoniumnitraat voegt men wat natronloog. Er ontwijkt ammoniakgas.

c Bij een oplossing van natriumacetaat voegt men een oplossing van lood(II)nitraat. Er ontstaat een wit neerslag van lood(II)hydroxide.


Uitwerkingen + normering
1 a HCl + H2O  H3O+ + Cl pH< 7

b CO32 + H2O ⇆ HCO3 + OH pH > 7

c BaO + H2O  Ba2+ + 2OH pH > 7

d NH­4+ + H2O ⇆ NH3 + OH pH < 7


2 a Fenolrood wordt rood bij pH > 8,0. Thymolftaleïen is kleurloos bij pH < 9,3. Als beide indicatoren deze kleuren aannemen, ligt de pH van de oplossing tussen 8,0 en 9,3. (ongeveer 9)
b H3O+(aq) + HCO3-(aq) → CO2(g) + 2 H2O(l)

c De pH daalt tot onder de waarde 7 doordat na afloop de oplossing zuur is ten gevolge van de overmaat zoutzuur.

d OH-(aq) + HCO3-(aq) → H2O(l) + CO32-(aq)

3 a H3O+(aq) + OH-(aq) → 2 H2O(l)

b [H3O+] = = 0,01 mol L-1

c pH = -log 0,01 = 2,0.


4 a NH3(g) NH3(aq)

NH3(aq) + H2O(l) ⇆ NH4+(aq) + OH-(aq)

Mg2+(aq) + 2 OH-(aq) → Mg(OH)2(s)

b NH4+(aq) + OH-(aq) ⇆ NH3(g) + H2O(l)



c CH3COO-(aq) + H2O(l) ⇆ CH3COOH(aq) + OH-(aq)

Pb2+(aq) + 2 OH-(aq) → Pb(OH)2(s)

Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina