Probleemstelling



Dovnload 0.89 Mb.
Pagina3/8
Datum20.05.2018
Grootte0.89 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8

AOW pensioenregeling via de overheid

Vanaf het moment dat mensen 65 jaar zijn en in Nederland hebben gewerkt of gewoond, hebben ze recht op een algemene ouderdomswet uitkering, wat afgekort wordt met AOW. Deze regeling is in 1967 ingevoerd. Voor elk jaar dat iemand in de leeftijd van 15 tot 65 jaar niet in Nederland heeft gewoond, wordt de AOW verminderd met twee procent. De hoogte van de AOW is onafhankelijk van het inkomen of vermogen. Wel wordt gekeken naar de leefsituatie, er wordt daarbij onderscheid gemaakt in getrouwd of samenwonend en alleenstaand.

Getrouwde of samenwonende mensen hebben recht op een AOW-uitkering van 50 procent van het netto minimumloon. Dit komt neer op een bedrag van 653,73 euro per maand exclusief vakantiegeld en een tegemoetkoming aan AOW-gerechtigden van 13,82 euro bruto per maand. Wanneer iemand 65 jaar wordt en een jongere partner heeft, kan hij een toeslag krijgen van maximaal 50 procent van het minimumloon, afhankelijk van het inkomen van de jongere partner. De eerste 195,12 euro worden niet van het maandsalaris afgetrokken. Alles wat daarboven komt wordt voor tweederde van de toeslag afgetrokken. Wanneer de jongere partner meer dan 1175,72 euro verdient, wordt er geen toeslag meer gegeven. Ook inkomsten die verband houden met arbeid, zoals arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en vervroegde pensioenen worden volledig van de zorgtoeslag afgetrokken. Als de partner bruto meer dan 653,73 euro ontvangt, wordt er geen zorgtoeslag meer gegeven. Inkomsten uit vermogen worden niet van de zorgtoeslag afgetrokken. De toeslag voor een jongere partner bedraagt maximaal 653,73 euro bruto per maand exclusief de tegemoetkoming aan AOW-gerechtigden van bruto 13,82 euro per maand.

Wie in 2015 of later 65 jaar wordt, heeft geen recht meer op toeslag voor een jongere partner.


Een alleenstaande heeft recht op een AOW-uitkering van 70 procent van het netto minimumloon. Dit komt neer op 956,18 euro bruto per maand exclusief vakantiegeld en een tegemoetkoming van 13,82 euro bruto aan AOW-gerechtigden. Wanneer een alleenstaande 65-plusser een kind onder de 18 jaar heeft en verzorgt, heeft die persoon recht op een AOW-uitkering van 90 procent van het netto minimumloon. Dit komt neer op 1186,43 euro bruto per maand exclusief vakantiegeld en de tegemoetkoming aan AOW-gerechtigden van bruto 13,82 euro per maand.
Aanvullende pensioenen

In Nederland is sprake van twee typen aanvullend pensioen, bij het ene type staat de bijdrage vast en bij de andere staat de uitbetaling vast.


Als de uitbetaling vaststaat, is er meestal sprake van een koppeling aan het percentage van het gemiddelde of laatst verdiende loon. Soms vindt er nog een correctie plaats voor inflatie. Dit pensioen is erg risicovol voor bedrijven, bij slechte economische situaties kunnen ze veel geld verliezen. Vooral pensioenen die gebaseerd zijn op het laatst verdiende loon zijn erg risicovol voor bedrijven, omdat mensen in hun laatste jaren vaak meer verdienen. Een voordeel van een vaste uitkering voor de werkgever is dat dit moeilijker over te zetten is naar een andere werkgever, hierdoor ontstaan minder verschuivingen op de arbeidsmark. Een ander voordeel is dat werknemers gestimuleerd worden om met pensioen te gaan: de uitkering staat vast en zal dus niet hoger worden bij langer doorwerken.
Bij een pensioen op basis van een vaste bijdrage wordt het beleggingsrisico verplaatst van de werkgever naar de werknemer. De werknemer zal voor dat risico gecompenseerd willen worden door salaris in te leveren voor een vaste uitbetaling. Het bedrijf is dan alsnog meer geld kwijt.
In Nederland zijn de pensioenen vaak gebaseerd op vaste uitbetaling op basis van het laatst verdiende salaris. Het risico voor de werkgever is dat de werknemer langer doorwerkt om zijn pensioen te verhogen. Daarnaast is er een inflatierisico (als de pensioenuitkering geïndexeerd is). Gezien deze grote risico’s wordt steeds meer overgegaan op vaste uitbetalingen op basis van het gemiddeld verdiende salaris.
Nederland heeft één van de grootste pensioenreserves ter wereld. Dat komt voornamelijk door de wetgeving die de werkgever verplicht om voor het pensioen van de werknemer te sparen. In andere landen, zoals de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk wordt meer het doel dat mensen individueel willen bereiken als uitgangspunt genomen. Op basis daarvan wordt de pensioenregeling ingericht. In Frankrijk en België heeft men te maken met een verplichte kapitaalgarantie.
2.5 De kwaliteit van oudere werknemers
Uit onderzoek blijkt dat de lichamelijke gezondheid achteruit gaat naarmate de leeftijd vordert. Langdurige aandoeningen komen meer voor bij oudere dan bij jongere mensen. Dit geeft nauwelijks aanleiding om te stoppen met werken. Bij lichamelijk zwaar belastende beroepen kan gewrichtsslijtage wel een reden zijn om te stoppen met werken. 4
Ouderen blijken zich minder vaak ziek te melden dan jongeren. De gemiddelde verzuimduur is bij oudere mensen langer dan bij jongere mensen. 5
Spierkracht, uithoudingsvermogen en snelheid nemen (licht) af na het 30e levensjaar. Praktische wijsheid, ook wel invoelingsvermogen genoemd, en het vermogen om meerdere kanten van een situatie te zien nemen toe naarmate men ouder wordt. 6
Door gebrek aan investeringen in de productiviteit van werknemers door organisaties en individuen kunnen de prestaties en het presteren van oudere werknemers achteruit gaan.
Het rendement van een opleiding zou bij oudere werknemers lager zijn dan bij jongere werknemers. Onderzoek heeft aangetoond dat oudere werknemers veel minder snel van baan veranderen dan jongere werknemers. Dit maakt dat het rendement van een opleiding van oudere werknemers juist hoger kan zijn dan bij jongere werknemers. 7
Onderzoek heeft aangetoond dat zich wat cognitief leervermogen en leercapaciteit betreft geen significante achteruitgang met leeftijd voordoet. Verder is gebleken dat het verbale begrip pas na het 70e levensjaar afneemt, het vermogen om te blijven leren blijft tot het 60e jaar stabiel en de uitkomsten van intelligentietesten blijven tot het 65e jaar gelijk.8
2.6 Samenstelling leeftijdsgroepen in de loop der jaren


Bron: CBS
In de bovenstaande grafiek is de samenstelling van de leeftijdsgroepen van de Nederlandse bevolking weergegeven in de loop der jaren, waarbij het jaar 1900 als basisjaar is genomen. Duidelijk is te zien dat de samenstelling de laatste decennia sterk veranderd is. De ouderen vormen de snelst groeiende leeftijdsgroep. De groep mensen in de leeftijdscategorie van nul tot 20 jaar groeit steeds minder snel.


Bron: CBS
In de bovenstaande 2 grafieken zijn de verwachte leeftijdssamenstellingen in de jaren 2008 en 2037 weergegeven. Te zien is dat het percentage 65-plussers toe zal nemen van ongeveer 15 procent in 2008 tot 25 procent in 2037. Het percentage jongere mensen in de categorie van nul tot 20 jaar zal afnemen van 24 procent in 2008 tot 22 procent in 2037.
De demografische druk geeft de verhouding weer tussen de niet-productieve leeftijdsgroepen (nul tot 20 jaar en 65 jaar en ouder) en de productieve leeftijdsgroep (20 tot 65 jaar). Uit de grafiek is af te lezen dat de demografische druk toeneemt van (39:61)*100% is 64 procent in 2008 tot (47:53)*100% is 89 procent in 2037.
De verhouding tussen de jongste leeftijdsgroep (nul tot 20 jaar) ten opzichte van de productieve leeftijdsgroep (20 tot 65 jaar) wordt de groene druk genoemd. In 2008 zal deze (24:61)*100% is 39 procent zijn, in 2037 zal deze (22:53)*100% is 42 procent zijn. De groene druk neemt dus heel langzaam toe.
De grijze druk geeft de verhouding weer tussen mensen uit de leeftijdsgroep van 65-plussers ten opzichte van de productieve groep (20 tot 65 jaar). In 2008 zal deze (15:61)*100% is 25 procent zijn en in 2037 (25:53)*100% is 47 procent. De grijze druk neemt dus enorm toe, hij verdubbelt bijna.
2.7 Mening politieke partijen over verhogen pensioengerechtigde leeftijd9


  • CDA: Deze partij wil de pensioengerechtigde leeftijd niet wijzigen. Zij vinden het belangrijker dat mensen tot hun 65e aan het werk worden gehouden.

  • ChristenUnie: De ChristenUnie wil de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar aanhouden en bevorderen dat mensen tot hun 65e jaar blijven werken. Als mensen langer door willen en kunnen werken moet dat gestimuleerd worden. De uitkering van de AOW willen ze geleidelijk aan meer betalen uit de algemene middelen. De AOW-uitkering moet met de lonen meestijgen. Ook moet sparen voor de oude dag fiscaal aftrekbaar blijven.

  • D66: Deze partij wil de AOW-leeftijd geleidelijk verhogen tot 67 jaar na 2030. Later zeggen ze dat dit vrijwillig moet zijn en dat geprobeerd moet worden mensen zoveel mogelijk tot hun 65e te stimuleren om te werken.

  • Groenlinks: Zij willen dat iedereen naar draagkracht mee betaalt aan de AOW. Ook willen zij de pensioenleeftijd afhankelijk maken van het aantal jaren dat iemand gewerkt heeft. Mensen die meer dan veertig jaar gewerkt hebben moeten worden beloond met een hogere AOW.

  • PvdA: Deze partij wil de AOW mee laten stijgen met de lonen. Zij willen ervoor zorgen dat meer mensen gaan werken en kunnen blijven werken. Naar draagkracht zal een extra bijdrage van 0,6 procent van het inkomen worden gevraagd aan mensen die vanaf 2011 65 jaar worden. Huidige 65-plussers en toekomstige 65-plussers die geen aanvullend pensioen of een aanvullend pensioen onder de 15000 euro hebben worden hiervan vrijgesteld. Voor een alleenstaande bedraagt het vrijgestelde inkomen 27000 euro en voor iemand met een partner 23000 euro. Bij deze partij geldt dus dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. De extra bijdrage groeit elk jaar met 0,6 procent van het inkomen. Mensen die in of voor 1945 geboren zijn hoeven niets te betalen.

  • SGP: Zij willen de pensioengerechtigde leeftijd op 65 jaar houden. Wel willen ze mensen zoveel mogelijk ook echt tot hun 65e jaar door laten werken. Mensen mogen wel eerder of later dan hun 65e stoppen met werken. Als iemand meer dan 36 uur per week werkt, moet dit fiscaal voordelig gemaakt worden, zodat mensen goedkoop kunnen sparen. De arbeidsduur moet geleidelijk worden verhoogd van 36 naar 40 uur per week. Op den duur moet een deel van de AOW uit de algemene middelen komen.

  • SP: De AOW moet welvaartsvast worden. De pensioengerechtigde leeftijd moet 65 jaar blijven en de mogelijkheid tot vervroegd uittreden moet blijven. Na het bereiken van de 65-jarige leeftijd mag doorgewerkt worden, maar tegen dezelfde rechten en plichten als anderen. Ouderen mogen na 65 jarige leeftijd niet automatisch worden ontslagen. Ook moeten zij dan recht hebben op sociale zekerheid, zoals de WW en loonbetaling bij ziekte.

  • VVD: De VVD pleit voor een welvaartsvaste AOW. De pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar moet niet veranderd worden. Mensen moeten wel de mogelijkheid krijgen om langer door te werken. De VVD is er tegen om ouderen AOW-premie te laten betalen over hun AOW-uitkering. Mensen moeten gestimuleerd worden om echt tot hun 65e jaar door te werken. Dit moet gebeuren door het afschaffen van de VUT en het prepensioen. Ook moet in de zorg bespaard worden door eigen risico en eigen bijdragen.


2.8 Bereidheid werkgevers om werknemers langer door te laten werken
Een trend in de lonen van werknemers is dat deze stijgen naarmate mensen ouder worden. Uit een onderzoek10 is gebleken dat oude en ervaren medewerkers vaak wel in de top van de salarissen staan, maar niet in de top qua productiviteit. Op jonge leeftijd is het lage loon te verklaren door het opdoen van ervaring en kennis. Op oudere leeftijd is die trend minder logisch, de productiviteit van de werknemer bereikt namelijk op ongeveer 50-jarige leeftijd het maximum. De werkgever betaalt de werknemer boven die 50-jarige leeftijd vaak meer dan de productiviteit van de werknemer waard is. Een reden hiervoor kan zijn dat het bedrijf geen slechte reputatie wil krijgen. Dat zou kunnen leiden tot het minder gemakkelijk kunnen werven van nieuwe werknemers. Een andere reden is dat jonge werknemers op jongere leeftijd vaak trainingen voor bedrijf hebben waar ze zelf aan mee moeten betalen. Als de werknemers ouder worden moet daar dan wel een hoger loon tegenover staan. Het hogere loon op latere leeftijd stimuleert jonge werknemers ook om hard te werken, anders kunnen ze ontslagen worden en lopen ze het hoge loon op oudere leeftijd mis.
Voor de werkgever zijn werknemers boven de 50 jaar vaak niet zo aantrekkelijk. Het langer doorwerken zou tot een daling van de gemiddelde winst over de gewerkte jaren leiden of zelfs tot een verlies. De werkgevers zullen dan ook proberen te stimuleren dat werknemers na hun 50e zo snel mogelijk met pensioen gaan. Dit kan gedaan worden door middel van slimme pensioenstructuren. Uit een onderzoek11 is gebleken dat de contante waarde van grote pensioenplannen in de Verenigde Staten lager is als werknemers langer doorwerken.

Uit onderzoek is gebleken dat slechts 12 procent van de werknemers die ondervraagd zijn worden gestimuleerd om tot hun 65e jaar te blijven werken.12


2.9 Arbeidsparticipatie in de loop der jaren
De netto arbeidsparticipatie is het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de totale bevolking van mensen van 15 tot 64 jaar. Onder de werkzame beroepsbevolking worden de mensen verstaan die een baan van meer dan 12 uur per week hebben.


Bron: CBS
In de grafiek is te zien dat de netto participatiegraad van jongeren in de leeftijdsgroep van 15 tot 24 jaar wat lager ligt. Dit heeft voornamelijk te maken met het volgen van onderwijs. Boven de 50 jaar neemt de netto arbeidsparticipatie sterk af. Dat komt voornamelijk door vervroegde uittreding en afkeuringen. De netto participatiegraad bij vrouwen daalt vanaf een jaar of 30, dan stopt een deel van hen in verband met het krijgen van kinderen. De netto arbeidsparticipatie van mannen is de laatste jaren gestegen, vooral bij de leeftijdsgroepen 50 tot 64 jaar. Bij vrouwen is er ook sprake van een stijging van de arbeidsparticipatie, deze stijging is een stuk groter dan bij mannen en is bij de leeftijdsgroepen 25 tot 64 jaar te zien.

Hoofdstuk 3 Eigen marktonderzoek
3.1 Opzet onderzoek
Voor het onderzoek wordt een opsplitsing gemaakt tussen twee groepen mensen. Aan de ene groep zal van tevoren verteld worden dat over 30 jaar ongeveer 25 procent van de bevolking 65 jaar of ouder is. Bij de andere groep wordt dat niet verteld, zij moeten zelf een inschatting maken. Zo wordt duidelijk of mensen een goed beeld hebben van de situatie.
De groep waaraan van tevoren het percentage mensen dat over 30 jaar 65 jaar of ouder is wordt verteld zal zich meteen bewust zijn van het vergrijzingsprobleem, bij de andere groep is dat de vraag. Vervolgens wordt gekeken in hoeverre de mensen bereid zijn om zelf een bijdrage te leveren aan een oplossing voor het probleem. Is daarbij sprake van een verschil tussen de beide groepen? Zijn de mensen die een (veel) te lage inschatting gemaakt hebben minder bereidwillig om hun gedrag aan passen voor de problemen die de vergrijzing met zich meebrengt?
Bij de enquête worden eerst wat algemene vragen gesteld. Er wordt gevraagd of de respondent een man of vrouw is om te kijken of die groepen van mening verschillen.

Ook wordt gevraagd naar het aantal uur dat iemand gemiddeld per week werkt. Mensen die parttime werken zullen wellicht eerder bereid zijn meer uren per week te maken dan iemand met een fulltime baan.


Verder wordt gevraagd of mensen een lichamelijk zwaar beroep uitoefenen. Naarmate mensen een lichamelijk zwaarder beroep uitoefenen kan verwacht worden dat ze ook eerder willen stoppen met werken. Of zijn ze door de vergrijzingproblematiek bereid langer door te werken?
Verder wordt naar de leeftijd gevraagd. Op die manier wordt het mogelijk om te kijken of jongere mensen anders denken over de problemen en mogelijke oplossingen voor de vergrijzing. Verschillen de meningen tussen jongere en oudere mensen over wie er voor de kosten op moeten draaien? Hebben mensen net voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een andere mening over het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd dan jongeren of mensen die al met pensioen zijn?
Er wordt gevraagd of mensen hun beroep na hun 65e jaar nog uit kunnen oefenen. Vervolgens wordt ook gekeken of mensen bereid zijn na hun 65 jaar nog te werken en in welke mate.
Ook wordt gevraagd of mensen een eigen huis bezitten, dat geeft een indicatie van het vermogen van mensen. Een andere mogelijkheid zou zijn om rechtstreeks naar het inkomen te vragen, maar mensen zullen minder snel bereid zijn dat te geven. Deze vraag is bedoeld om te kijken of het vermogen van invloed is op de bereidheid om langer door te werken.
Verder wordt gevraagd wie er voor de kosten van de vergrijzing op moeten draaien. Aan de hand hiervan kan ook worden gekeken of mensen misschien niet langer door willen werken, omdat zij vinden dat de vergrijzing niet hun probleem is.
Ten slotte wordt nog gevraagd welke activiteiten mensen na hun 65e nog uit willen oefenen. Op deze manier kan gekeken worden op welke manieren ouderen zich nog in willen zetten voor de maatschappij. Als ze niet meer willen werken, kunnen ze zich ook op andere manieren verdienstelijk maken, bijvoorbeeld door op (klein)kinderen te passen of vrijwilligerswerk te doen. Ook hierbij kan een vergelijking gemaakt worden tussen de verschillende leeftijdsgroepen. Is er een significant verschil tussen de activiteiten van mensen die hun 65e al bereikt hebben en de andere groepen? Zijn er mensen die na hun 65e niet meer werken, maar dat eigenlijk wel willen?
Met behulp van het programma SPSS zal worden geprobeerd de enquêtevragen te analyseren aan de hand van bovenstaande vragen. Hiervoor zal voornamelijk gebruik worden gemaakt van kruistabellen.
3.2 Analyse van de enquête-uitkomsten
Totale groep

Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina