Paul Dijstelberge – Gemengde berichten, nieuws als literatuur in de 17e eeuw



Dovnload 110.66 Kb.
Pagina1/8
Datum24.09.2018
Grootte110.66 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8

Samenvatting

Geschiedenis van het nieuws

en de journalistiek


College 1



Paul Dijstelberge – Gemengde berichten, nieuws als literatuur in de 17e eeuw

Het pamflet is in de 17e eeuw (Erik Walten) ontstaan uit straatliederen en evolueerde in de 18e eeuw tot tijdschriften (Jacob Campo Weyerman). Pamfletten gaven meer vrijheid dan de bestaande literatuur (als een soort column). Ze werden bewaard in bundels en heetten blauwboekjes (blauwe omslag). Ze gingen vaak over controverses: eerst serieus, later in de 17e eeuw als een literair spel. Meestal in de vorm van een dialoog of ooggetuigeverslag. Ze werden steeds fictioneler en ontwikkelden in de 18e eeuw tot fictieboeken en briefromans. Pamfletten ontleenden, om hun boodschap zo effectief mogelijk te brengen, elementen aan alle literaire genres. Ze werden mee naar huis genomen of door iemand gezongen. De inhoud betrof meestal een ramp, moord of seks. Waarschijnlijk zijn lang niet al deze liederen echt gezongen, maar ze werden wel in dichtvorm geschreven. Zoals in alle tijden, waren nieuws, roddel, sensatie zeer geliefde dingen.



Barbara J. Shapiro – “News”, “marvels”, “wonders” and the periodical press


Nieuws is een “discourse voor feiten” dat zich in de vroegmoderne tijd ontwikkelde via een nadruk op betrouwbare getuigen in een verhaal gebaseerd op waarheid, onpartijdigheid, het non-fictionele. Vooral opvallende feiten waren nieuwswaardig, zoals wonderen en mirakels. Vlak na de introductie van de boekdrukkunst verscheen in 1513 het eerste pamflet in Engeland, en in 1594 de Mercurius Gallobelgicus. Door de Licensing Act bleef Engeland aanvankelijk achter.

Men wilde spectaculair nieuws (“Newes”) en aan het eind van de 16e eeuw kwam de nadruk te liggen op het “feit”. Iets werd, door betrouwbare getuigen te noemen, als waar gepresenteerd en vanaf eind 17e eeuw kwam het in de mode om naar een koffiehuis te verwijzen waar de lezer achtergrondmateriaal kon verkrijgen. De nadruk in dit artikel ligt op de periodiek verschijnende pamfletten. Tijdens het Interregnum (1649-1660) was er een explosie aan pamfletmateriaal in twee soorten: feitelijk nieuws en commentaar. Er is een verband tussen de burgeroorlog/ Interregnum en de doelen en waarden van de pers.

Vertrouwen in de verslaggever was zeer belangrijk: het was geen fictie! Een soortgelijke boodschap bracht de Engelse kroon in 1680: alles wat gepubliceerd werd moest waar zijn en geen leugen of gerucht. Via mededelingen als “Ons werd vanuit Madrid geschreven…” probeerden uitgevers het bericht als waarheid te presenteren. Het verschijnsel militaire spion uit midden 17e eeuw Engeland werd overgenomen in titels als Faithfull Scout. Eerlijkheid, feit, nauwkeurigheid, onpartijdigheid en trouw werden vaak in onderschriften van pamfletten benadrukt. “Intelligence” was ook een term die betrouwbaarheid moest aanduiden. De stijl was recht toe recht aan, feit en (religieus) commentaar werden gescheiden. Concurrerende pamfletten maakten de betrouwbaarheid, nauwkeurigheid (etc) van andere bladen belachelijk.

De burgeroorlog en het Interregnum zorgden voor veel meer vrijheid van pers, die snel weer werd ingeperkt na 1660, maar toen was de productie van pamfletten al op gang gekomen. Vanaf eind 17e eeuw werd de inhoud van pamfletten uitgebreid met apolitiek nieuws, en financieel nieuws. Net zoals zijn voorgangers was de Restauratiepers allerminst onpartijdig, maar deed wel alsof dit zo was.

De media gebruikten veel soorten “feiten”: juridische feiten, historische feiten, die vaak gecombineerd werden met (sensationeel) nieuws. Een historicus moest wijsheid overbrengen, de journalist moest feiten rapporteren. Gekke natuurverschijnselen en verschijningen waren feiten als er aan de voorwaarden was voldaan: verklaringen uit de eerste hand, betrouwbare getuigen, verwerping van geruchten; een sterk juridische vorm van “feiten”. Nieuws was bijvoorbeeld een monsterlijk geboren kindje, het opensplijten van de aarde waarna een eng wezen verscheen Er was een wetenschappelijke interesse in het bovennatuurlijke. Bacon formuleerde een methode om getuigen te registeren (persons of quality), bij een bepaald aantal kon je iets een feit noemen. Het bleef de vraag wat te geloven: geloof je het normale en houd je rekening met het ongewone? Pamfletten, nieuwsmedia, speelden een grote rol in de ontwikkeling van het feit en de situatie van burgeroorlog en Interregnum hebben daar een grote stimulans aan gegeven.

Marika Keblusek – Makelaar in nieuws en boeken


In de 17e-eeuwse Republiek verkochten politici illegaal informatie. Een handelaar werd als landverrader gezien. Diplomaat Lieuwe van Aitzema was zo’n nieuwshandelaar, die een netwerk had aan informanten, boekverkopers, ambtenaren, klerken en kooplieden. Door zijn status als geschiedschrijver kon hij makkelijk aan informatie komen. Hij verhandelde nieuws in het buitenland, zo’n beetje overal in Europa. Klerken werden voor het kopiëren van stukken beloond met hoge bedragen. Van Aitzema verdiende zo’n 13.000 gulden per jaar.
P.J. Bruijnsters – Spectatoriale geschriften (hoofdstukken 1 en 2)

Spectatoriale geschriften (een 18e-eeuws literair verschijnsel) hebben tegenwoordig als nakomelingen de columns en de freelance journalistiek. Ze vinden hun oorsprong bij de Engelsmannen Addison en Steele, met The Tatler (1709-1711), The Spectator (1711-1712) en The Guardian (1713), en Justus van Effen met Le Misantrope (1711-1712). The Tatler verscheen driemaal per week op een los blad, dubbelzijdig in twee kolommen bedrukt. De inhoud bestond uit luchtig en serieus proza, soms in versvorm, en nieuwsberichten. In The Spectator kwam het “single essay”, een verhaal dat de hele aflevering vulde, tot ontwikkeling. “Spectator” verwijst naar het geschrift en ook naar een fictieve, neutrale toeschouwer.

Het revolutionaire van deze bladen was de toon. Ze ontstonden uit drie typen tijdschriften:


  • Populaire nieuwsblaadjes met sensationeel nieuws, anekdotes en hofnieuws.

  • Geleerdentijdschriften, voor de intellectuele bovenlaag.

  • Satirische weekbladen, die het moralistisch element van de spectators misten.

Tegen deze achtergrond ontwikkelden zich de spectatoriale geschriften. Het verschijnsel was internationaal (vooral bloeiend in Engeland, Duitsland en Nederland) en men kopieerde veel van (voor Engelse) vakbroeders. Deze verwantschapsgevoelens zijn te zien in namen: naar de schrijver (The Spectator, De Denker) of naar een (buitenlandse) voorganger. In de Republiek domineren in 1710-1720 de Franstalige spectators en in 1730-1740 de Nederlandstalige, zoals Van Effens De Hollandse Spectator. Na 1780-1800 verdwijnt het genre op de achtergrond om alleen eind 19e eeuw nog een nabloei te hebben.

Eind 18e eeuw waren de spectators talrijk, maar vooral eendagsvliegen. De bladen van Addison en Steele waren grote successen (20.000 lezers), die in Nederland geen weerga kenden. Het publiek vond de prijs te hoog, der verkoopcijfers vielen tegen. Dat is deels te wijten aan de anonimiteit van de schrijvers: ze konden niet teren op een reputatie. De tijdschriften van Van Effen werden gebundeld, waarmee het tijdschrifteffect weg was. Eind 18e eeuw kwam er meer kritiek op de spectators en kwamen er in de karakterromans van Feith, Wolff en Deken betere alternatieven.

Pas in de jaren 1870 kwamen er studies naar de spectatoriale geschriften (J. Hartog). In de jaren dertig kwam er voor het eerst aandacht voor de literaire aspecten. Door het goede boek van Hartog had men tot de jaren zestig het gevoel dat er weinig meer te zeggen was over de spectators.

Van Effen was ambitieus en schreef het gebrek aan afzet van zijn weekbladen toe aan onbegrip. De spectator kon niet, zoals een wetenschappelijk tijdschrift, uitvoerig op zaken ingaan. Hij was zich bewust dat hij innovator was, pleitte voor waardering voor de kunst om kort en luchtig een zaak uit de doeken te doen. De combinatie moralisatie en geestige scherts, de balans tussen ernst en humor, werden door Van Effen en Wolff goed gevonden. Amsterdam en Gent waren de beste plekken om spectators te produceren – provinciaal waren er dus weinig. De schrijvers waren anoniem en over hen was weinig bekend. Ze kwamen niet uit de kring der literatoren: proza was weinig gewaardeerd door hen. Hoewel er spectators waren die beweerden vrouw te zijn, is dit zeer onwaarschijnlijk. Betje Wolff is de meest bekende vrouwelijke schrijfster. Onder de spectators waren wel veel predikanten, vooral dissenters en weinig hervormden, die de spectators gebruikten als verlengstuk of vervanging van hun pastorale arbeid. Spectatoriale geschriften kostten gemiddeld 1½ stuiver, maar sommige waren gratis en de spectators die ven de pen moesten leven waren erop gebrand goed te verdienen. Motieven van de spectators om te schrijven: zedelijk, intellectueel, of gewoon mensen die niks te doen hadden. Toch bleef het lastig om een of tweemaal per week een spectatoriaal vertoog te leveren.





Deel met je vrienden:
  1   2   3   4   5   6   7   8


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina