Ortho samenvatting De heup A. Inspectie



Dovnload 0.69 Mb.
Pagina6/6
Datum07.11.2017
Grootte0.69 Mb.
1   2   3   4   5   6

Beeldvorming van specifieke bot en gewrichtspathologiën
1.1 Tumoren

  1. Primaire bottumoren (oorsprong in het bot)

    • Goedaardige

      1. Osteoid osteoma
        - klein
        - 10 tot 30 jaar
        - pijn bij rust vooral ’s nachts
        - radiologisch teken: nidus (= lesie van < of = 1cm) met periostale reactie  best te zien op CT

      2. Infectie
        Bvb: bot abces

      3. Osteochondroma
        - Goedaardige tumor die kraakbeen en bot vormt  exostosen
        - Indien multipele dan is er een kans op kwaadaardige ontaarding

      4. Chondroma
        - Meest voorkomende bottumor op de vinger
        - zuiver kraakbeen (vaak gevonden na trauma)

      5. Fibreuze dysplasie
        - Locatie in metafyse-diafyse
        - Goed afgelijnde sclerotische randen
        - Multipele haarden
        - Als in de schedel: persoon heeft uitzicht van een leeuw = leontiasis ossea

      6. Non ossifying fibroma
        - Metafyse

      7. Giant cell tumor
        - benigne maar lokaal agressief

      8. Aneurysmale botcyste (ABC)




    • Kwaadaardige

      1. Osteosarcoma
        - De hooggradige (erg kwaadaardige) groeien snel volledig door de cortex in de weke delen
        - Botafbraak + nieuwe botvorming

      2. Ewing sarcoma
        - Opzetten van het periost (ui schil reactie of onion skin reaction) = kwaadaardig
        - Kleine spiculaire uitlopers in weke delen = kwaadaardig

  2. Secundaire: metastasen
    = uitzaaien van andere kwaadaardige tumoren (borst, nier, long...)

1.2 Arthritis

Arthritis = een synoviale pathologie: het synoviaal weefsel ontsteekt (synoviale hyperplasie  vernauwing gewircht) = totale volledige aantasting van het gewricht

Arthrose = Osteoarthritis = Mechanische pathologie, de delen die overbelast zijn in het gewricht worden meer aangetast= focale pathologie
 dus aantasting van de grote gewrichten door overgewicht of gebrek aan spieren

Verschillende letsels bij arthose/ arthritis:


- Kraakbeen stuk, gewricht nauwer
- Peri-articulaire osteopenie (ontkalking van het bot in de regio van het gewricht)
- Reactie van het bot onder het kraakbeen
· Erosies, cysten, geoden (botbalkjes weg)

· Osteofyten (= botuitsteeksels): botvorming aan de randen




1.3 Metabole botafwijkingen

Metabole aantasting gewricht = pathologische neerslagen naast het gewricht, meestal blijft het gewricht behouden
Bvb: osteoporose, osteomalacie, hyperPTH,...

  1. Beeldvorming modaliteiten
    - X-rays
    - Arthrografie
    - CT scan
    - Arthro-CT
    - Echografie
    - MR scan

KINDERRADIOLOGIE

Het kind is geen kleine volwassene. Men moet rekening houden met stralingsbescherming  Keuze van onderzoeken:

- minst bestralend

- minst invasief


- minst aantal
De straling wordt immers opgestapeld vanaf de geboorte. Een kind is 5x gevoeliger voor bestraling dan een volwassene.


1. Pediatrische neurobeeldvorming:

1. Echografie

- initieel keuze onderzoek:

* prenataal

* postnataal zolang de anterieurefontanel niet gesloten is ( = ongeveer 6 maand)
(bloeding op echo = wit)

2. Na sluiting van de fontanel

* in urgentie:

- CT-scan voor hersenen

- MR in geval van

a. medullaire en extramedullaire intraspinale letsels

b. acuut infarct

* in niet urgente gevallen:

- MR

MR beeldvorming:



- gezien de beperkte toegankelijkheid , hoge kost en noodzakelijke premedicatie < 7 jaar zijn bij-

dragende klinische informatie en een toepasselijke aanvraag de eerste verreiste voor:

a. het uitvoeren van het geschikte MR onderzoek

b. een adequate keuze van de sequenties en ruimtevlakken

Standaard schedel opname: beperkte indicaties

-trauma < 2 jaar

-verdenking op kindermishandeling

-craniostenose

-botletsels
Trauma: - schedelfractuur: RX of CT (bij vermoeden intracraniële bloeding)

- subduraal hematoom: in urgentie CT, follow-up MR

Craniosynostose = vroegtijdige sluiting van 1 of meerdere suturen met vervorming van de schedel tot gevolg

Vermoeden van kindermishandeling: Beeldvorming:

- CT-scan hersenen: acute bloedingen

- MR: datering van bloedingen (subacuut, chronisch)

axonale letsels

- Standaard RX totaal skelet (voor oude en nieuwe fracturen)

- eventueel abdominale CT-scan

2. Thoraxpathologie bij het kind

Beeldvorming:

- standaard RX thorax (ALTIJD bij vermoeden thoraxpathologie)

- echografie: pleurale vochtcollecties

- CT-scan:

* mediastinaleletsels

* ingewikkeld standaard RX beeld

* CT geleide punctie of drainage

-MR: indien paravetebrale massa vermoed wordt: intraspinale uitbreiding?

Inhalatie van een vreemd voorwerp:

- Rx thorax in in-en expiratie (voor DD atelectase en airtrapping):

* volledige bronchiale obstructie = atelectase

* partiële bronchiale obstructie = airtrapping

3. Abdominale beeldvorming

Beeldvorming:


- Standaard RX abdomen + thorax  IN FUNCTIE VAN KLINIEK EN STANDAARD RX:

- Echografie en/of contrastonderzoek

- CT-scan of MR
Pathologiën:
- Invaginatie: = prolaps van een proximaal darmsegment in een meer distaal segment

* vooral in eerste twee levensjaren

* ileo-colisch in > 90%

* oorzaak meestal onbekend

* bij echografische diagnose of vermoeden

* steeds poging tot devaginatie dmv coloninloop (barium) (tenzij klachten sinds > 72 uur!)


- Hypertrofische pylorusstenose = Hypertrofie van de gladde pylorusspier

* gezonde baby tussen de 3 tot 6 weken

* niet-gekende etiologie

* typisch projectiel braken

* echografische diagnose!

4. Nefro-urologischebeeldvorming

Beeldvorming:


1. Blanco abdomen

2. Echografie

 in functie van de bevindingen bij 1. en 2.:

3. Cystografie en/of

4. IVP (IV pyelografie)

5. CT-scan of MR


Pathologie:

Vesico-ureterale reflux = Retrograde flow van urine van de blaas naar de nier

* op punt gesteld dmv een cystografie

* oppuntstelling in het kader van hydronefrose op de prenatale echo

* oppuntstelling na acute pyelonefritis of hydronefrose

* wordt onderverdeeld in 5 graden

5. Osteo-articulairebeeldvorming

Beeldvorming:

1. Standaard RX en/of

2. Echografie

 in functie van de kliniek en de bevindingen van 1. en 2.  3. OF 4.

3. aanvullend MR: medullair bot of weke weefsel

4. aanvullende CT-scan: corticaal bot

Bepaling botleeftijd:

- De botmaturatie verloopt volgens een onveranderlijke sequentie

- De botmaturatie (botleeftijd) kan bepaald worden met een standaard RX linker hand en pols

- De biologische maturatie (botmaturatie) wordt vergeleken met de chronologische leeftijd

- Vergeleken met standaard referentiegegevens (RX- schema’s) voor sequentiële botmaturatie

Osteo-articulairebeeldvorming: Indicaties:

- niet overeenstemmende chronologische leeftijd en staturoponderale ontwikkeling

- toezicht endocrinologische - metabole ziekten

- scoliose

- voorspellen van volwassen gestalte

Pathologiën:


- Congenitale heupdysplasie = Abnormale positie van de femurkop tov het acetabulum met abnormale groei van beide heupcomponenten tot gevolg

* 1/100 tot 1.5/1000 neonati

* Beeldvorming:

- tot 3 à 4 maanden: echografie

- vanaf 4 maanden: standaard RX
Echografie bij CHD: - statisch-dynamisch onderzoek

- classificatie:

* niet stabiel:

1. subluxeerbaar–reduceerbaar

2. luxeerbaar –reduceerbaar

* subluxatie

* dislocatie

1. niet reduceerbaar

* met of zonder acetabulaire dysplasie

Kind dat mankt, weigert te zitten of te stappen: Differentiële diagnose

* Heuppathologie

1. Transiënte synovitis (meest voorkomend)

2. Septische arthritis

3. LCP = Legg Calve Perthes

* Verborgen trauma onderste ledematen

* Spondylodiscitis

* Myositis

- Salter-Harris fractuur = fractuur met betrekking tot de groeischijf

* diagnose dmv standaard RX

* mogelijke complicaties:

-vroegtijdige sluiting van de groeischijf

-verkorting van het lidmaat of angulatie

-complicaties meer frekwent thv knie-en enkelgewricht

MAMMOGRAFIE

De mammografie is de meest gebruikte manier om borstkanker op te sporen. Het is een heel gespecialiseerd onderzoek en moeilijk te interpreteren. Er zijn 2 soorten mammografiën: screenings- en diagnostische mammografie.




    1. Screening:

      • Gratis bevolkingsonderzoek

      • Dubbele lezing door twee onafhankelijke radiologen, zo geen overeenkomst derde lezing

      • Georganiseerd door de overheid

      • Alleen mammografie

      • Alleen voor vrouwen tussen 50 en 69: elke twee jaar



    2. Diagnostisch

      • Verwijzing en aanvraag van een huisarts, gynecoloog,..

      • Bij vermoeden van een probleem

      • Directe evaluatie door 1 radioloog

      • Voor elke leeftijd

      • Soms alleen mammografie, soms met echo, soms alleen echo, soms MR,...  sommige letsels zijn alleen te zien met 1 van de 3 technieken

NEURORADIOLOGIE




  1. Bloeding



    1. Oorzaken
      Traumatisch:
      - schedelbreuk
      - extracerebrale hemorragie (EDH, SDH, Subarachnoidale hemorragie)
      - intra-axiale letsels
      - cerebrale herniaties
      - traumatische ischemie en infarct
      - diffuus cerebraal oedeem
      - hypoxie

      Niet traumatisch:


      - Heel veel voorkomend: - hypertensie
      - aneurysma
      - vasculaire malformatie
      - prematuriteit
      - Veel voorkomend: - embolische CVA met reperfusie
      - amyloide angiopathie
      - coagulatiestoornissen
      - drugs
      - tumor
      - Zeldzaam: -veneus infarct
      - eclampsia
      - endocarditis met septische embolen
      - vasculitis (fungi)
      - encefalitis
      - Heel zeldzaam: - abces
      - vasculitis


    2. SDH = Subduraal hematoom

      - Letsel van de corticale venen
      - Tussen de dura en het arachnoid
      - Bilaterale SDH is veel voorkomend bij kindermishandeling

      - CT tekens:


      - Acute SDH: hyperdens, halvemaanvormig
      - Subacute SDH: isodens ( moeilijk te zien), onderliggende vaten vergroten
      - Chronische SDH: hypodens  als hierop een nieuwe bloeding: hyperdens



    3. EDH = Epiduraal hematoom

      - Tussen schedel en dura
      - Oorzaal vaak schedelbreuk

      - CT tekens:


      - Biconvex (bol)
      - 2/3 hyperdens en 1/3 gemengd hypo- en hyperdens



    4. Subarachnoidale bloeding
      -
      Oorzaken: - ruptuur aneurysma (circulus van Willis)
      - dissectie
      - veneus
      - traumatisch
      - vasculaire malformatie, neoplasie
      - typisch ‘pentagoon’ beeld (allemaal vijfhoeken)



    5. Intracerebrale hemorragie
      - = intraparenchymateuze bloeding
      - Oorzaken: traumatisch of non-traumatisch (art. hypertensie, arteriële aneurysma, arterio-veneuze misvorming, coagulatiestoornissen, hermorragisch infarct, cerebrale arteritis)
      - hyperdens letsel  acuut hyperdense regio errond = oedeem




  1. Hersenen en ruggenmerg tumoren
    - Hersenen en ruggenmerg tumoren zijn tumoren van het CZS
    - Symptomen van hersentumoren: hoofdpijn, beroertes, nausea, braken, visus en gehoorsstoornissen, gedrags- en cognitieve stoornissen, motorische problemen, evenwichtsstoornissen
    - Ruggenmergtumor symptomen: pijn, sensorische wijzigingen, motorische stoornissen

    - Classification: WHO grading


    Histological grading is a means of predicting the biological behaviour of a neoplasm. In the clinical setting, tumour grade is a key factor in influencing the choice of therapies, particularly determining the use of adjuvant radiation and specific chemotherapy protocols. The WHO classification of tumours of the nervous system includes a grading scheme that is a ‘malignancy scale’ ranging across a wide variety of neoplasmsrather than a strict histological grading system.

 Grading across tumour entities:

- GradeI: applies to lesions with low proliferative potential and the possibility of cure following surgical resection alone.

- Neoplasms designated gradeII are generally infiltrative in nature and, despite low-level proliferative activity, often recur. Some type II tumours tend to progress to higher grades of malignancy, for example, low-grade diffuse astrocytomas that transform to anaplastic astrocytoma and glioblastoma. Similar transformation occurs in oligodendroglioma and oligoastrocytomas.

- The designationWHO gradeIII is generally reserved for lesions with histological evidence of malignancy, including nuclear atypia and brisk mitotic activity. In most settings, patients with gradeIII tumours receive adjuvant radiation and/or chemotherapy.

- The designation WHO gradeIV is assigned to cytologically malignant, mitotically active, necrosis-prone neoplasms typically associated with rapid pre-and postoperative disease evolution and a fatal outcome.


-Meningioma = tumor van de meningen


- Imaging information about the dural attachment site, location and severity of edema, and displacement of critical neurovascular structures is useful for planning the operative approach
- Meer frequent in vrouwen
- 30 tot 60 jaar
- geassocieerd met het NF2 gen op chromosoom 22
- Astrocytoma = tumor van de astrocyten
- Meer frequent in mannen
- CT tekens: - Low-grade astrocytomas (I en II): goed afgelijnd, isodens
- Grade III astrocytomas: meer heterogeen, meer hyperdens, beetje oedeem errond
- Grade IV astrocytomas: nog meer heterogeen, heel hyperdens, veel oedeem errond

- Multiforme glioblastomen = tumor van de gliale cellen


Glioblastoma multiforme (GBM) is by far the most common and most malignant of the glial tumors. The treatment of glioblastomasis palliative and includes surgery, radiotherapy, chemotherapy.
Met optimale verzorging overleven de patiënten gemiddeld 12 maand.

- Metastasen

= de meest voorkomende intercraniale tumor bij volwassenen
In volgorde van afnemende frequentie metastaseren long, borst, melanoom, renale en colon kankers het meest naar de hersenen. Vroege diagnose en aggressieve behandeling van de metastasen kan zorgen voor een volledige remissie.

- Arachnoid cyste = benigne vervorming van het arachnoid waardoor het lokaal verdubbelt komt vooral in de middelste craniale fossa voor


 Op CT: cystisch, extra-axiale massa’s met dezelfde densiteit als CSF

- CPA lesies (CPA= cerebellopontine angle): meningioma’s, schwannomen, epidermoide tumoren. Symptomen: gehoor verlies, tinnitus, vertigo, hoofdpijn, faciale hyperesthesie, diplopie  afhankelijk van de grootte en de locatie

- Abces
De infectie bereikt de hersenen vanuit een andere infectiehaard: otitis media, mastoiditis, infectie van de paranasale sinus, of tandinfectie. De meeste abcessen worden veroorzaakt door pyogene bacteriën.
4 stadia in de ontwikkeling: vroege cerebritis, late cerebritis, vroege capsule vorming, en late capsule vorming.
Cerebrale abcessen ontstaan meestal aan de corticomedullaire (gray-white matter) junctie in de frontale en pariëtale kwabben. Meeste cerebrale abcessen zijn solitair. Multipele abcessen komen wel voor in immunogedeprimeerde patiënten.
De locatie van het abces kan afhankelijk zijn van de locatie van de primaire infectie.
 MRI geeft de beste beeldvorming



  1. Stroke

    = 1e oorzaak van handicap en 3e oorzaak van overlijden
    Meestal ischemisch, soms hemorragisch


- Doel van ‘acute stroke imaging’:
- Parenchym : hemorrhagie uitsluiten, vroege tekens van acute stroke vaststellen

- Pipes : extracraniale circulatie vaststellen

- Perfusie : cerebral blood volume (CBV) vaststellen, cerebrale blood flow (CBF) en mean transit time

- Penumbra : vaststellen van weeefsels die het risico lopen af te sterven als de ischemie zich verderzet

- Blanco CT-hersenen: Vroegtijdige tekens van CVA :

- hyperdens vessel sign (MCA, a.basilaris)

- Corticale zwelling met vervagen sulci

- Vervagen grijs-witte stof differentiatie

- Focale parenchymale hypodensiteit (insularribbon, n.lentiformis)

- Perfusie-CThersenen

Doel :

1. CVA bevestigen (vermijden onnodige trombolytische behandeling, ander letsel

uitsluiten, stroke mimics: E, hypoglycemie, migraine,tumor, MS, TIA...)

2. is er een penumbra? (=een ischemische hersenschaduw, minder goed doorbloed weefsel ten gevolge van een herseninfarct of CVA)

- Angio-CT van hals-en hersenvaten

Doel : - kan er een trombus gelocaliseerdworden ? waar ?


a. proximaal van M2 segment van de a.carotis interna

b. distaal M2

c. posterieure circulatie

d. collaterale circulatie ?

- significante carotisstenose?

- ander vasculair letsel ( dissectie? aortaboog ? aneurysma?)





  1. Discus



Disc is composed of soft nucleus pulposus surrounded by strong annulus fibrosus, inforced by sheets of collagen, called lamellae. The outer lamellae are anchored into the solid bony periphery (ring apophysis) of each vertebral body. This region is the region that osteophytes typically like to form in.
Oorzaken: - discus degeneratie
- discus protrusie –extrusie
* protrusie: de afstand tussen de randen van de hernia is kleiner dan de afstand tussen de randen van de basis (A)
* extrusie: de afstand tussen de randen van de hernia is groter dan de afstand tussen de randen van de basis (B en C)




Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina