Oorlog en Terpentijn Stefan Hertmans



Dovnload 152.34 Kb.
Pagina2/3
Datum26.10.2018
Grootte152.34 Kb.
1   2   3

Biografie

Stefan Hertmans (Gent31 maart 1951) is auteur van een omvangrijk literair en essayistisch oeuvre, waarvoor hij zowel in binnen- als buitenland werd onderscheiden. Hij publiceerde poëzie, romans, essays, theaterteksten, kortverhalen en een handboek over kunstagogiek. Veel van zijn werk werd al vertaald naar het Frans, Engels, Duits, Spaans, Italiaans, Roemeens, Kroatisch en Bulgaars.

Hij doceerde in de master opleiding van de Koninklijke Academie voor Schone kunsten (KASK, Hogeschool Gent) en leidde er het Studium Generale tot oktober 2010.

Hertmans publiceerde romans, verhalenbundels, essayboeken, theaterteksten en een twaalftal bundels poëzie. Verschillende van zijn boeken, zowel romans, verhalenbundels als poëzie werden al genomineerd voor belangrijke prijzen.

Zijn eerste publicatie in boekvorm was de roman Ruimte 1981.


De roman Naar Merelbeke (1994) werd genomineerd voor de Librisprijs en voor de Schrijvers-van-Nu-prijs van ECI. De dichtbundel Muziek voor de overtocht werd genomineerd voor de VSB-poëzieprijs. Naar aanleiding van deze bundel werd Hertmans in 1995 de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Poëzie (vroegere Staatsprijs) toegekend, alsook de Paul Snoek-prijs 1996.
In het voorjaar 2001 verscheen een nieuw prozaboek, Als op de eerste dag (Meulenhoff). Dit boek werd genomineerd voor de AKO-Literatuur prijs en kreeg de Bordewijk-prijs 2002.
Hertmans bundelt zijn werk niet enkel in boeken, maar hij schrijft ook voor tijdschriften. Werk van Hertmans verscheen onder meer in The literary Review (Madison, USA) The Review of contemporary fiction (Illinois, USA) en Grand Street (New York).

Hertmans verleende zijn medewerking aan een groot aantal Nederlandstalige tijdschriften zoals De Gids, Raster, De Revisor, Het Moment, NWT, Yang, Dietsche Warande & Belfort, Poëziekrant, Parmentier, e.a. Hij was van 1993 tot 1996 redacteur van het Nederlandse tijdschrift De Gids. Hij recenseerde geruime tijd voor het Vlaamse dagblad De Morgen en schreef gedurende enkele jaren vaste bijdragen voor de boekenbijlage van de De Standaard. In Nederland publiceerde hij enkele grotere essays in Trouw.

In december 2004 stapte Stefan Hertmans over naar uitgeverij De Bezige Bij. Daar publiceerde hij in 2005 de dichtbundel Kaneelvingers. In 2006 verscheen bij deze uitgeverij Muziek voor de overtocht, Gedichten 1975-2005, een volledig herziene uitgave van alle tot dan toe gepubliceerde dichtbundels, aangevuld met een grote selectie uit de verspreide gedichten, en een selectie uit een eerste, nooit tevoren gepubliceerde bundel, De Kleine Woordwoestijnen (uit 1975-1979).
In 2007 verscheen de essaybundel ‘Het zwijgen van de tragedie’ (De Bezige Bij, Amsterdam), waarin Hertmans essays samenbrengt die ontstonden rond zijn theatertrilogie (Kopnaad, Mind the Gap, De dood van Empedokles). Voor dit boek ontving hij de Vijfjaarlijkse Prijs voor het essay van de Koninklijke Academie voor Taal en Letterkunde 2008.

Najaar 2008 verscheen de roman ‘Het verborgen weefsel’, waarin Hertmans de innerlijke strijd van een hedendaagse schrijfster in detail oproept.

In 2010 verscheen de dichtbundel ‘De val van vrije dagen’.

In 2011 verscheen de essaybundel ‘De mobilisatie van Arcadia’.



Voor het seizoen 2013 van de Vlaamse Opera schrijft Stefan Hertmans het libretto voor een opera in samenwerking met Jan Fabre, ‘The Tragedy of a friendship’. Ook in 2013 kwam zijn grootste succes tot nu toe: Oorlog en Terpentijn, dat ondertussen al bekroond werd met de AKO Literatuurprijs 2014.
Bibliografie

  • Ruimte. Proza. Ertvelde, Van Hyfte, 1981.

  • Ademzuil. Poëzie. Gent, Grijm, 1984

  • Melksteen. Poëzie. Gent, Poëziecentrum, 1986.

  • Gestolde wolken. Proza. Amsterdam/Leuven, Meulenhoff/Kritak, 1987.

  • Zoutsneeuw. Elegieën. Poëzie. Amsterdam/Leuven, Meulenhoff/Kritak, 1987.

  • Bezoekingen. Poëzie. Amsterdam/Leuven, Meulenhoff/Kritak, 1988.

  • Oorverdovende steen. Essays over literatuur. Essays. Antwerpen/Amsterdam, Manteau, 1988.

  • De grenzen van woestijnen. Proza. Amsterdam/Leuven, Meulenhoff/Kritak, 1989.

  • Sneeuwdoosjes. Essays. Amsterdam/Leuven, Meulenhoff, Kritak, 1989.

  • Het Narrenschip. Poëzie. Gent, Poëziecentrum, 1990.

  • Verwensingen. Poëzie. Amsterdam/Leuven, Meulenhoff/Kritak, 1991.

  • Kopnaad. Poëzie; drama. Amsterdam/Leuven, Meulenhoff/ Kritak, 1992.

  • Muziek voor de Overtocht. Poëzie. Amsterdam/Leuven, Meulenhoff/Kritak, 1994.

  • Naar Merelbeke. Roman. Amsterdam/Leuven, Meulenhoff/ Kritak, 1994.

  • Fuga’s en pimpelmezen. Over actualiteit, kunst en kritiek. Essays. Amsterdam/Leuven, Meulenhoff/Kritak, 1995.

  • Francesco’s paradox. Gedichten. Amsterdam/Leuven, Meulenhoff/Kritak, 1995.

  • Annunciaties. Gedichten. Amsterdam, Meulenhoff, 1997.

  • Steden. Verhalen onderweg. Proza. Amsterdam/Leuven, Meulenhoff/Kritak, 1998.

  • Het bedenkelijke. Over het obscene in de cultuur. Essays. Amsterdam, Boom, 1999.

  • Waarover men niet spreken kan : elementen voor een agogiek van de kunst. Brussel, VUB Press, 1999.

  • Goya als hond. Poëzie. Amsterdam, Meulenhoff, 1999.

  • Mind the gap. Drama. Amsterdam, Meulenhoff, 2000.

  • Café Aurora. Essays; bij het werk van kunstenaar Jan Vanriet. Breda, De Geus, 2000.

  • Als op de eerste dag. Roman in verhalen. Roman. Amsterdam, Meulenhoff, 2001.

  • Het putje van Milete. Essays. Amsterdam, Meulenhoff, 2002.

  • Engel van de metamorfose. Over het werk van Jan Fabre. Amsterdam, Meulenhoff, 2002.

  • Vuurwerk zei ze. Gedichten. Poëzie. Amsterdam, Meulenhoff, 2003.

  • Harder dan sneeuw. Roman. Amsterdam, Meulenhoff, 2004.

  • Kaneelvingers. Poëzie. Amsterdam, De Bezige Bij, 2005.

  • Jullie die weten. Acht scènes naar Le Nozze di Figaro van W.A. Mozart. Gent, Poëziecentrum, 2005.

  • Muziek voor de Overtocht. Gedichten 1975-2005. Poëzie. Amsterdam, De Bezige Bij, 2006.

  • Het zwijgen van de tragedie. Essays. Amsterdam, De Bezige Bij, 2007.

  • Het verborgen weefsel. Roman, Amsterdam, De Bezige Bij, 2008.

  • De val van vrije dagen. Gedichten, Amsterdam, De Bezige Bij 2010.

  • De mobilisatie van Arcadia. Essays. Amsterdam, De Bezige Bij 2011.

  • Oorlog en terpentijn. Roman. Amsterdam, De Bezige Bij 2013.



Oorlog en Terpentijn - Samenvatting 

Deel I

De ik-verteller Stefan Hertmans heeft in 1981 na de dood van zijn grootvader Urbain Martien twee cahiers gekregen met dagboekaantekeningen. Hij heeft er altijd een roman over willen schrijven, vooral over wat zijn grootvader heeft meegemaakt in de Eerste Wereldoorlog. Het is er echter heel lang niet van gekomen. Nu is het dan zover. Hij heeft de aantekeningen van zijn grootvader geraadpleegd en in moderner Nederlands weergegeven. Zelfs daarover heeft hij een schuldgevoel. In 1963 was Urbain aan die aantekeningen begonnen.

Urbains moeder Celine was van een rijkere komaf, maar werd verliefd op de kerkschilder Franciscus. Ze was bij toeval de kerk binnengelopen waar hij schilderingen maakte. Ze dwong haar familie tot toestemming met hem te trouwen, maar dat werd geen rijk leven.

Franciscus is een meester in het maken van fresco’s en hij krijgt een uitnodiging om in Liverpool de wanden van een kerk te beschilderen. Hij kan daarmee veel geld verdienen en hij doet het. Het gezin blijft in Vlaanderen (Gent) achter. De band met zijn moeder Céline en Urbain wordt daardoor heel stevig. Urbain die graag schilder wil worden, gaat op tekenles. Na de terugkomst van zijn vader uit Liverpool gaat het met diens gezondheid snel bergafwaarts. Een tijd na zijn dood hertrouwd zijn moeder met Henri, een beslissing waarmee Urbain niet gelukkig is.

Hij gaat naar de militaire  school om soldaat te worden. Het is een vierjarige opleiding. Vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ziet hij voor het eerste een naakt meisje (hij is 23) uit het water komen. Dit is een mijlpaal in het leven van Urbain.

Deel II: 1914 -1918
Als de oorlog uitbreekt, wordt hij opgeroepen om te vechten. Er heerst in de eerste dagen een grote chaos. Het Belgische leger trekt vrij doelloos door het land. Bovendien zijn de Duitsers veel beter bewapend. In het strijdgewoel komt zijn moeder hem opzoeken. Er sterven in die eerste dagen al veel Vlaamse soldaten. De soldaten worden arrogant behandeld door hun Waalse officieren (zo wordt Urbain steeds met de verkeerde naam aangesproken). Er ontstaat een zinloze loopgravenoorlog met over en weer  beschietingen. De Slag bij de rivier de IJzer in oktober 2014 eist veel slechtoffers, Urbain gedraagt zich heldhaftig en wordt tijdens de oorlog nog in graad verhoogd (van korporaal tot sergeant-majoor). Toch raakt hij ook gewond, aan zijn lies en hij mag in Liverpool herstellen. Hij wordt verpleegd door Maud op wie hij stiekem verliefd raakt, maar hij doet er niets mee. In Liverpool gaat hij als hij wat hersteld is op zoek naar de fresco’s die zijn vader daar heeft geschilderd. Na lang zoeken vindt hij de kapel waar zijn vader werkte en hij ontdekt dat zijn vader een afbeelding gemaakt heeft van de Heilige Franciscus met zijn eigen  gezicht erin verwerkt. Urbain vindt ook zijn eigen portret in de fresco. Wanneer hij terug moet naar Vlaanderen en het slagveld slaat de verveling flink toe. Veel soldaten worden met drank en drugs de strijd ingestuurd. Sommigen plegen opzettelijk zelfmoord. Urbain raakt nogmaals gewond en moet met een boot naar Engeland: iedereen wordt doodziek. Hij bezoekt in Swansea een zoon van Henri. Maar hij moet weer terug naar het front. Intussen heeft hij wegens heldenmoed wel enkele onderscheidingen gekregen. Uiteindelijk overleeft hij ondanks de risico’s die hij heeft genomen de oorlog. Direct daarna valt zijn oog op een mooi meisje.

Deel III
Dit deel begint met een nieuw motto:

Nooit, zo zei hij, had hij geloofd hoe lang de dagen, de tijd en het leven konden gaan duren voor iemand die op een  zijspoor is gezet. (W.G. Sebal)

De ik-verteller wordt weer Stefan, die uit de dagboekaantekeningen put. Urbain wordt verliefd op het frêle, maar frivole meisje Maria Emelia Ghys. Ze worden verliefd en gaan zich verloven, maar in 1919 slaat de Spaanse Griep toe en Maria sterft. Urbain heeft geen zin meer in het leven, maar trouwt op vraag van haar familie met de oudere zus van Maria, Gabrielle, trouwt. Dat gebeurt in 1920 maar er is geen sprake van veel liefde en seksualiteit. Als Gabrielle toch zwanger wordt, bedingt Urbain dat hun dochtertje (Stefans moeder) Maria Emelia heet. Ondanks het feit dat er nauwelijks sprake is van een lichamelijke liefde zorgt Urbain meer dan veertig jaar heel goed voor Gabrielle. Hij leeft in een vierhoek van vrouwen ( blz. 278 In deze vierhoek gevormd door  vier vrouwen – zijn  moeder, zijn dode geliefde, haar oudere zus, zijn dochter met de fatale  naam  – heeft mijn grootvader zijn leven doorgebracht.). Hij heeft zich met zijn lot verzoend.


Urbain wijdt een groot gedeelte van zijn leven aan de schilderkunst. Maar hij heeft een groot gebrek (kleurenblindheid), wat zijn stijl doet veranderen. Hij maakt vooral kopieën van beroemde werken, bijvoorbeeld van de man met de Gouden Helm van Rembrandt (een schilderij dat later niet van Rembrandt blijkt te zijn, gelukkig maakt Urbain die ontdekking niet meer mee). Stefan bekijkt als laatste nog de portretten van Gabrielle (heel fraai uitgevoerd door Urbain). Ze was enkele jaren ervoor overleden aan de gevolgen van een hersenbloeding, Ook komt hij terug op het naaktportret van Maria Emelia als naakte Venus. Het moet een verschrikking voor Gabrielle zijn geweest. Maria was de grote liefde van Urbain. Stefan bekijkt nog een tweetal zelfportretten van zijn opa, die hij minder geslaagd vindt, omdat zijn opa blijkbaar niet in staat geweest is zijn eigen karaktertrekken goed in een portret vast te leggen. Het leven van Urbain Martien is een leven tussen “oorlog en terpentijn” geweest. In de laatste passage komt Urbain bij de hemelpoort aan bij Petrus, die hem ook al bij de verkeerde naam noemt.

Personages
Urbain Martien
Het gaat in dit boek eigenlijk alleen om Urbain. Stefan Hertmans heeft bewondering voor zijn opa die een hoge leeftijd heeft bereikt. Hij heeft een armoedige en zware jeugd gehad en een vader die jong stierf. Zijn moeder is eigenlijk tegen haar wil hertrouwd met haar buurman Henri met wie Urbain niet zo goed kan opschieten. Hij gaat naar de militaire school en moet zich door de oorlog heenslaan. Hij is daarin slim en dapper en hij wordt onderscheiden vanwege zijn heldenmoed. Hij weet te overleven en na de oorlog wordt hij verliefd op een jong meisje Maria Emelia. Maar opnieuw slaat het noodlot toe. Ze sterft aan de gevolgen van de Spaanse groep. Schuldbewust trouwt hij met haar oudere zus (een variant van het zwager huwelijk) Ze is niet aantrekkelijk en seksueel stelt het niets voor. Toch blijft hij haar trouw. Hij werpt zich helemaal op de schilderkunst en vindt dat je alles zo natuurgetrouw moet nabootsen. Hij houdt niet van moderne schilderkunst. Het boek is eigenlijk een eerbewijs van een kleinzoon aan zijn opa. Hij kent de voorgeschiedenis uit cahiers die zijn opa na de dood van zijn vrouw heeft opgetekend.
Thematiek
Oorlog: algemeen

Vooral in deel II van de roman worden de verschrikkingen van de loopgravenoorlog in België verteld. De slag om de IJzer, Schiplaken en Ieper geven aan hoe zinloos de oorlog was. Er sterven aan beide kanten veel onschuldige jongens die vaak met drank en drugs de loopgraven worden uitgestuurd. Urbain is een held (hij krijgt ordes voor heldenmoed) in een zinloze oorlog, die hij weet te overleven, maar waarvan hij later toch trauma’s heeft overgehouden.


Motieven
Moeizame liefdesrelaties

Op 23-jarige leeftijd ziet Urbain voor het eerst een naakte vrouw uit een poel komen lopen. In de oorlog heeft hij voor het eerst een keer zelfbevrediging. Na de oorlog wordt hij meteen verliefd op Maria, maar zij sterft voordat ze kunnen trouwen. Dan trouwt hij met haar oudere zus Gabrielle. Het is wel een harmonieus huwelijk maar van een lichamelijke liefde en plezierige seks is geen sprake. Urbain berust daar de rest van zijn leven in. Hij schildert zijn grote liefde Maria Emelia als een naakte Venus.


Vader-zoonrelatie

Urbain is dol op zijn vader. Hij wil het schilderen van hem overnemen. Als hij in de oorlog in Liverpool moet herstellen, ziet hij dat zijn vader daar in een kerk een schildering heeft gemaakt waarin hij zijn zoon en zichzelf heeft opgenomen. Dat maakt veel indruk op Urbain. Hij kan het later slecht vinden met zijn stiefvader Henri.


Moeder-zoonrelatie

Urbain heeft een bijzondere band met zijn moeder. Als zijn vader in Liverpool is, zorgt hij goed voor haar: hij is dan de man in huis (parentificatie). Als de Grote Oorlog uitbreekt, komt ze hem opzoeken en eten brengen. Na de dood van zijn vader hertrouwt Celine, maar Urbain vindt dat niet fijn.


Kunstwereld

Urbain vindt zijn grote hobby in het namaken van beroemde schilderijen. Hij is een kopiist. 


Daarmee heeft hij de trauma’s van zijn leven kunnen overwinnen.
Motto 

Het is alsof de  dagen, als engelen in goud en blauw, onvatbaar boven de cirkelgang van de vernietiging staan. (E.M. Remarque)

Het motto verwijst naar de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog waaraan de grootvader van de schrijver heeft meegedaan. De beschrijving van de verschrikkingen komt vooral in deel II van deze roman naar voren.



Flaptekst 

Het verhaal van een kleine held in de Grote Oorlog die ervan droomde kunstenaar te worden. 
Vlak voor zijn dood in de jaren tachtig van de vorige eeuw gaf de grootvader van Stefan Hertmans zijn kleinzoon een paar volgeschreven oude cahiers. Jarenlang durfde Hertmans de schriften niet te openen – tot hij het wél deed en onvermoede geheimen vond. Het leven van zijn grootvader bleek getekend door zijn armoedige kinderjaren in het Gent van voor 1900, door gruwelijke ervaringen als frontsoldaat in de Eerste Wereldoorlog en door een jonggestorven grote liefde. In zijn verdere leven zette hij zijn verdriet om in stille schilderkunst. Stefan Hertmans’ jarenlange fascinatie voor zijn grootvaders leven bracht hem uiteindelijk tot het schrijven van deze aangrijpende roman.


Eerste zin 
De verste herinnering die ik aan mijn grootvader heb, is die aan het strand van Oostende – een man van zesenzestig, keurig in het nachtblauwe pak, heeft met de blauwe strandschep van zijn kleinzoon een ondiepe put gegraven waarvan hij de opgeworpen rand heeft afgeplat, zodat hij en zijn vrouw daar enigszins gerieflijk kunnen gaan zitten.
Opdracht 

Voor mijn vader



Titelverklaring 

De titel komt letterlijk in de tekst voor. Aan het einde van de roman staat op blz. 332: “Zo  was deze paradox de  constante van zijn leven:  heen en weer te worden geslingerd tussen de militair die hij noodgedwongen was geweest en de  kunstenaar die hij  had willen zijn.  Oorlog en  terpentijn. De vrede van zijn laatste jaren heeft hem langzaam  afscheid laten nemen van zijn trauma’s. 

Het betreft  het leven van Urbain Martien, de grootvader van Stefan, die de Grote Oorlog heeft meegemaakt, omdat hij onder de wapenen werd geroepen, maar liever schilder zou zijn geweest. 

Structuur & perspectief 

Er zijn drie niet-getitelde delen in de roman. In het eerste deel vertelt de ik-verteller, Stefan Hertmans, aan de hand van de door hem verkregen cahiers van zijn opa met dagboekaantekeningen hoe het leven van zijn grootvader verlopen is in zijn prilste jaren. Dit deel is doorspekt met passages waarin Hertmans vertelt over zijn eigen opspeuringen of de loop van de geschiedenis.

In deel II wordt een ik-verslag gepresenteerd  van grootvader Urbain die in het Belgische leger heeft meegevochten in de loopgravenoorlog tegen Duitsland. Deze periode beschrijft van 1914-1918.

In deel III neemt Stefan Hertmans het als ik-verteller weer over: hij vertelt wat er met de grote liefde van zijn grootvader is gebeurd en hoe hij de rest van zijn leven tot aan zijn dood heeft doorgebracht met schilderen.

Het perspectief is dus in alle drie delen een ik-verteller die in de o.v.t. vertelt. Het verhaalheden is 2012, wanneer Hertmans besluit een biografie/roman over zijn grootvader besluit te schrijven. Daardoor lopen de gebeurtenissen in chronologische vorm nogal door elkaar heen.

N.B. een bijzonder punt is ook wel dat de schrijver foto’s uit het familiearchief aan het boek heeft toegevoegd.



Decor 

Het boek beschrijft het leven van de grootvader van Stefan Hertmans. In het eerste deel is dat voornamelijk diens  jongste jaren die hij als zoon van een kerkschilder (zijn vader maakte fresco’s) in Vlaanderen doorbrengt. Het deel eindigt als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt. In het tweede deel wordt vrij chronologisch verteld wat er tijdens de Eerste Wereldoorlog met de opgeroepen dienstplichtige Urbain Martien  tijdens de oorlog gebeurd is. Hij is heldhaftig, raakt drie keer gewond en revalideert in Engeland. Met het einde van de oorlog eindigt dit deel 2. In het derde deel wordt verteld vanaf 1918 (de grote liefde van Urbain en zijn huwelijk met haar zuster). Zijn leven met de schilderkunst is dan voornamelijk het thema van dit deel tot aan de dood van Urbain in 1981.

In deel I en II is de stad Gent, de woonplaats van Urbain Mertien, het decor. Het belangrijkste decor is echter dat van deel II: de loopgravenoorlog rond de rivier de IJzer, Ieper en Schiplaken, waar de verschrikkingen van de Grote Oorlog het gruwelijkst beschreven zijn. In deel II gaat Urbain ook nog naar Liverpool om op te knappen: zijn vader is daar in deel I kerkschilder geweest. Hij gaat op zoek naar plafondafbeeldingen van zijn vader in een kerk, die hij ook vindt.

 

Stijl 

Hertmans schrijft als hij zelf de verteller is in lange, zwierige volzinnen. Het eerste deel leest daardoor niet zo vlot. In deel 2, wanneer grootvader Urbain als ik-verteller de Eerste Wereldoorlog beschrijft, zijn de zinnen veel korter. Het is dan ook qua inhoud en stijl het meest aantrekkelijke deel van de roman. Zowel in deel I als deel III is de stijl van het vertellen meer die van een boek met non-fictie. De inhoud heeft in die delen ook meer van een biografie dan van een roman.

Drie  voorbeelden  van een erg lange zin uit het eerste  en derde deel :

Blz. 20: Maar de jaren gleden voorbij, en de dagen naderden waarin er,  omwille van de onvermijdelijke honderdjarige herdenking van het  rampjaar 1914, een stortvloed aan boeken zou gaan verschijnen die aan  de schier onoverzichtelijke berg reeds bestaand historisch materiaal nog een dam van boeken zou toevoegen, boeken even talloos als de zandzakken in de IJzervlakte,  ijverig gedocumenteerde, historische, verzonnen romans en verhalen, terwijl ik, die over het privilege van zijn memoires beschikte, deze schriften angstvallig gesloten hield, zelfs de eerste bladzijde niet durfde op te slaan, wetend dat dit mijn afrekening zou worden met een stuk van mijn eigen kinderjaren, een verhaal dat, als ik er geen spoed achter zette, zou verschijnen op het ogenblik dat de lezer zich geeuwend zou afkeren van weer een boek over die vervloekte Groote  Oorlog. (133 woorden)

Blz. 28: Geleidelijk ontvouwde de tijd voor mij het geheim van mijn  grootvader – dat  lange leven waarvan het grootste deel een naspel was geweest,  een epiloog bij nog haast middeleeuwse kinderjaren, een van gruwelen vervuld jong mannenleven, een na de oorlog gevonden en verloren grote passie, het verhaal van zijn taaie berusting, zijn pijnlijke onthouding, zijn kinderlijke moed, de innerlijke gevechten tussen  vroomheid en verlangen, eindeloos geprevelde gebeden, geknield, de hoed naast  hem op  een kerkstoel, het wit omkranste hoofd gebogen voor de talloze heiligenbeelden en flakkerende kaarsen in schemerige godshuizen – het  gepassioneerde levensgevoel van een wereld waarvan aan de buitenkant niets opwindends was te zien. (105 woorden)

Blz. 274/275: Zo trouwde in 1920  eerste  sergeant-majoor Urbain Joseph Emile Martien, vuurkruiser en drievuldig drager van het ereteken van de  Leopoldsorde, waarvan eenmaal het Kruis met drie palmen en eenmaal de Kroonorde met één palm, verder het Ridderkruis voor uitzonderlijke verdienste, de militaire decoratie met streep, het Oorlogskruis met drie palmen en twee leeuwen, de IJzermedaille in de kleur van  de Leopoldsorde, benevens nog  andere onderscheidingen en eretekens – zo trouwde hij, nog net geen dertig jaar oud, met de timide en drie jaar oudere  Gabrielle  Ghys, die bijna veertig jaar zijn vrouw zou blijven en  die hij een oprechte  genegenheid zou toedragen, om in  zijn stijl te blijven. (107 woorden)



Citaten
"Urbain Martien, van zijn voornaam zo genoemd omdat de grootvader van zijn moeder ook zo heette, was een knaapje dat iedereen voor zich innam. Hij was forsgebouwd, had lange krullen, stevige knuisten en argeloze blauwe ogen. Achter zijn statige moeder aan drentelde hij als een eend, haar vermakend met zijn dwaze invallen, zijn onstuitbare drang tot knuffelen en gek doen, "
"Plots ziet hij enkele kledingstukken op een hoopje liggen, wit en blauw. De kleuren van Onze-Lieve-Vrouw, denkt hij. Hij doet nieuwsgierig enkele passen in die richting, klimt op de lage wal en merkt dat er een zanderige poel ligt. Meteen krijgt hij ‘de grootste schok van zijn jongelingsleeftijd’. Een meisje van een jaar of achttien richt zich geschrokken uit de poel op. Het water reikt amper tot haar knieën. Hij staat perplex – het is de eerste keer dat hij een jonge vrouw naakt ziet."
"Toen ik gelouterd opstond, zag ik achter het altaar een wandschildering waarop blijkbaar de Heilige Franciscus was afgebeeld; een krans van kleine vogels vloog rond zijn half kale hoofd. Ik liep de twee treden op voorbij het altaar en voelde een soort elektrische schok door mijn lijf trekken: de heilige had onmiskenbaar het gezicht van mijn vader. Ik geloofde mijn ogen niet, maar daar stond hij – hij had zichzelf hier afgebeeld, […]"
"Weer gaan er maanden voorbij waarin we ons beurtelings vervelen, halve dagen verslapen, en dan plotseling in twee uur van loutere gruwel belanden, een onverhoedse uitval, geschreeuw van bevelen, paniek, verwarring, het krijsen van gewonden, waarna de doden worden afgevoerd, verminkte brokken menselijk lijf, waar tevoren nog een jongmens zat te roken en gemoedelijk te praten in de loopgraaf. Mijn verhaal wordt eentonig, zoals de oorlog eentonig werd, zoals de dood eentonig werd, onze haat tegen de Duitsers eentonig werd, zoals het leven zelf eentonig werd en ons uiteindelijk ging tegenstaan."


Slotzin 

Zo, zelf een flard geworden in een woud van herinnering, stijgt hij op, minder dan een rookpluim op de wind. Aan de poort van zijn langverwachte hemel gekomen, popelend om daar zijn geliefden te ontmoeten, staat hij stram in de houding en wacht op toelating, als stond hij weer voor de legerarts in de kazerne. Sergent-major Marsjèn? vraagt de Heilige Petrus ten slotte, bladerend in de ellenlange namenlijst van de vuurkruisers. Non, mon commandant. Je m’appelle Martien, pas Marsjèn, à vos ordres. Hij salueert.



Recensies

Uit: De wereld morgen



BOEKRECENSIE


Deel met je vrienden:
1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina