Okw-drees



Dovnload 48.96 Kb.
Datum13.02.2018
Grootte48.96 Kb.

politiek is werkelijk een kunst. Harm van Riels recept om van de VVD de grootste partij te maken

Peter van der Heiden
Johan van Merriënboer


Hans Wiegel (geboren in 1941) is één van de bekendste oppositieleiders uit de Nederlandse parlementaire geschiedenis. Politiek groot geworden in de polarisatiejaren zestig en zeventig, bestreed hij het kabinet-Den Uyl (1973-1977) te vuur en te zwaard. Zijn hang naar die gloriejaren resulteerde in 1999 in een laatste oprisping van oppositie: de Nacht van Wiegel, waarin het kabinet-Paars II door hem persoonlijk werd gevloerd. Tussen zijn vertrek uit de landelijke politiek in 1982 en zijn lidmaatschap van de Eerste Kamer (1994-2000) was Wiegel Commissaris van de Koningin in Leeuwarden, waar hij het beleid van zijn partij hinderlijk volgde en zich de bijnaam ‘het orakel van Friesland’ verwierf.

Het lag dus voor de hand aandacht aan Wiegel te schenken in dit themanummer over oppositie, zeker nu het archief-Wiegel (grotendeels) raadpleegbaar is.1 Met het oog op Wiegels kleurrijke stijl zou het toch niet moeilijk moeten zijn een pakkend egodocument te vinden over politiek leiderschap en oppositie? Toch wel. VVD-coryfee Wiegel was een doener, geen denker of schrijver, zo blijkt uit zijn archief. Illustratief zijn de dozen met correspondentie. Ongeveer 95 procent daarvan bestaat uit inkomende post. Als Wiegel terugschrijft, dan staat de lengte van zijn geschriften meestal in geen verhouding tot die van de ontvangen brief. Hans Wiegel lijkt meer geschikt als onderwerp voor oral of visual history.

Dat betekent niet dat het archief niets te bieden heeft. Hoogtepunt is wellicht de correspondentie met VVD-kopstuk Harm van Riel (1907-1980). Dozen vol heeft deze bejaarde vrijgezel aan Wiegel gestuurd, overigens grotendeels afschriften van brieven aan anderen. Vrijwel iedere brief die de partij betrof, ging in kopie naar Wiegel (en vaak ook naar Haya van Someren-Downer, de partijvoorzitter). Uit deze, vaak kostelijke, brieven komt Van Riel naar voren als souffleur van de jonge partijleider, het orakel van Drente. Van Riel zag in Wiegel het politieke natuurtalent dat bij uitstek geschikt zou zijn om de VVD tot een massapartij te laten uitgroeien.

Wiegels peetvader


Harm van Riel werd in 1956 lid van de Eerste Kamer voor de VVD. Van 1958 tot 1976 bekleedde hij het voorzitterschap van de liberale Senaatsfractie. Van Riel was een kleurrijk figuur. Hij zag eruit als het prototype van de ouderwetse liberaal: altijd in een driedelig pak gestoken, een dikke sigaar tussen de lippen wanneer mogelijk en een bolhoed op het hoofd. 2 Hij sprak met een duidelijk herkenbare Drentse tongval. Van Riel had grote intellectuele gaven, die hij niet omzette in politiek-theoretische uitweidingen, maar die hij ten dienste stelde van de politieke praktijk. Vele scherpe analyses zijn verstopt in twintig jaargangen Handelingen. Van Riel stond bekend als principieel conservatief en antisocialistisch. Hij belichaamde het behoudende deel van de partij (de vooroorlogse Liberale Staatspartij) dat vaak concurreerde met het vrijzinnige deel (de vooroorlogse Vrijzinnig-Democratische Bond).

Van Riel en Wiegel leken op elkaar, ondanks het leeftijdsverschil van ruim 34 jaar. Volgens Henk Vonhoff, die de strijd om het politieke leiderschap in 1971 verloor van Wiegel en bepaald geen fan was van Van Riel, zou dat geen toeval zijn: ‘Wiegel imiteerde Van Riel; met zijn grote sigaren, het onderuitzitten, de driedelige pakken met horlogeketting. Van Riel zelf vond dat Wiegel meer een jongere versie van zijn politieke tegenpool P.J. Oud was. Toch hadden Wiegel en Van Riel in hun opvattingen verschillende raakpunten; ze werden later ook huisvrienden’, aldus Vonhoff.3 Frits Korthals Altes vond juist de ‘volstrekt ongelijksoortige karakters’ van de twee in het oog springen: Van Riel, de intellectueel die nooit het hoogste bereikt had, en Wiegel, de pragmaticus, die dat wél voor elkaar kreeg. ‘Anders dan zijn voorgangers Toxopeus, Geertsema en Oud, slaagde (Wiegel) erin een goede verstandhouding met Van Riel op te bouwen’, constateerde Korthals Altes enigszins verbaasd.4 Die goede verstandhouding had wellicht vooral te maken met het feit dat de twee elkaar min of meer aanvulden. Daarnaast was Wiegel de eerste liberale leider die, net als Van Riel, veel meer de conservatieve dan de vrijzinnige stroming vertegenwoordigde. ‘Hij is altijd meer stabiliserend geweest dan doorbrekend, met een sterke neiging tot opportunisme’, schetste Vonhoff, een van de leiders uit het vrijzinnige kamp.5 Wat Van Riel en Wiegel gemeen hadden was hun verknochtheid aan de VVD, aan het politieke spel en aan de parlementaire geschiedenis.


VVD, de grootste


Van Riel herkende onmiddellijk het uitzonderlijk talent van Wiegel. In die woelige jaren zestig en zeventig, waarin de confessionele macht afbrokkelde en de ontzuiling toesloeg, zou Wiegel wel eens in staat kunnen zijn grotere groepen kiezers aan te spreken dan de liberalen ooit voor mogelijk hadden gehouden. De VVD zou kunnen uitgroeien tot een ware volkspartij.

In 1968 had Van Riel in een interview in de Haagse Post al eens laten vallen dat de liberale stroming ooit de grootste zou worden.6 Het electorale succes van D’66 had hem geïnspireerd tot deze voorspelling. In HP stelde Van Riel onder meer dat één van de grote factoren voor het succes van D’66 de persoon van de lijsttrekker was, ‘dat de heer Van Mierlo de wijze van optreden, het uiterlijk, maar ook de vorm van intelligentie, direct toepasbare intelligentie, heeft, die de jeugd sterk aanspreekt. Dat is een apart verschijnsel. U kunt geen tweede Van Mierlo vinden, het is een bijzondere man. En je kunt ook niet zeggen: je moet bij de VVD een Van Mierlo nemen, want die is er niet.’7 Maar een paar jaar later kreeg de partij alsnog een eigen verschijnsel. In 1971 werd Wiegel aanvoerder van de VVD.

Het kabinet-Den Uyl, bestaande uit PvdA, D’66, PPR, KVP en ARP, gaf Wiegel vanaf 1973 uitgelezen kansen om te opponeren. Het kabinet was mede het resultaat van een door de linkse partijen gevoerde polarisatiestrategie die erop gericht was de confessionele partijen te dwingen tot een duidelijke keuze tussen links en rechts. De VVD kon precies dezelfde tactiek toepassen, maar dan gericht tegen links. De partij moest proberen zoveel mogelijk zetels te winnen door de sociaal-democraten en de confessionelen tegen elkaar uit te spelen, zonder daarbij KVP en ARP zodanig voor het hoofd te stoten dat zij bij een volgende formatie weer de zijde van de PvdA zouden kiezen. Uit deze tijd vol enerverende politieke debatten dateren de volgende ongevraagde strategische adviezen van Van Riel over het image, de ideologie en het politiek leiderschap.

Van Riel over het partij-image

’s-Gravenhage, 19 juni 1973


Aan de leden van het Hoofdbestuur van de VVD

Vele definities van ‘image’ zijn natuurlijk mogelijk. Voor dit geval wilde ik uitgaan van de omschrijving: beeldvorming die de invloed van een politieke partij ten goede komt. Daar zitten reeds twee aspecten aan, de samenwerking met anderen en de indruk op het electoraat. Wat de samenwerking met anderen aangaat, deze is voor een afzienbare periode uitsluitend met de confessionelen mogelijk. Vermoedelijk zelfs een zaak van permanente structuur, zolang het parlementaire stelsel in Nederland nog bestaat. Het socialisme immers kan, evenals wij, binnen een parlementaire configuratie niet zonder tegenstander leven. De gang van zaken bij de confessionelen maakt duidelijk, dat de middengedachte electoraal gesproken zijn tijd heeft gehad (...). Ik althans vermag geen andere ontwikkeling dan een polariserende te zien, wanneer ik de gang van zaken gedurende de laatste jaren in beschouwing neem. Wat de confessionele partijen nu aangaat, die slikken als het ware alles. Hun dominant is eigen ondergang zo lang mogelijk uitstellen en de resten van invloed en macht ten dienste van hun voormannen bewaren. Zij coöpereren met wie in dat opzicht het meest perspectief biedt. Tussenconclusie uit het bovenstaande: in perioden van samenwerking tactisch en voorzichtig zijn, maar bij de verkiezingsstrijd en als oppositie vrij hard optreden. Stemmen winnen gaat vóór zachtaardigheid. De natuurlijke gang van zaken zal wezen dat bij een toekomstige coalitie met de confessionelen de VVD de grootste, sterkste en meest homogene partij is. Daarop moet iedere woordkeuze gericht zijn. Voor wie de kunst verstaat: main de fer, gant de velours, maar de ijzeren hand is het belangrijkst.

Nu het electorale. Daartoe eerst een stukje geschiedenis, helaas onvermijdelijk. Iemand als de heer drs. Korthals8 neigde circa 20 jaar geleden tot de gedachte aan een zogenaamde Gideonsbende. Een Tweede Kamerfractie van zes tot acht leden op de honderd afgevaardigden, principieel links-liberaal en beschikkend over knappe ministereabele mannen op een soort wip-positie, die zowel met socialisten als met confessionelen konden samenwerken. De vooroorlogse Vrijzinnig Democratische fractie stond de betrokken staatsman duidelijk voor ogen (...). De heer Oud en ik wilden die gedachtengang niet accepteren. Wij vonden namelijk de groei van de VVD het belangrijkst, ideologieën speelden bij ons hierbij geen rol. Wel werd besloten, in zoverre handelend overeenkomstig de denkbeelden van de heer Korthals, in de kringen der ‘betere’ arbeiders te penetreren. Dit via eigen vakbonden, kanariefokverenigingen, harmoniekorpsen. Alles naar voorbeeld van het Vlaamsch Liberaal Verbond.

Totale mislukking, hoewel de heer Twijnstra,9 industrieel en lid van het DB, zich véél moeite gaf. De opgespoorde figuren/arbeiders deugden eenvoudig niet en geen enkele nette arbeider wilde iets met een ‘gele’ vakbond te maken hebben. Tenslotte verdwenen nog de resten van de vooroorlogse bondjes, die min of meer aan de Vrijzinnig Democratische Bond als politieke partij waren geaffilieerd. Precies dezelfde ervaring deden wij vervolgens in het Zuiden op. De goede mensen waren niet te vinden en gerichte propaganda had niet bijzonder veel, wel enig, resultaat. Tussenconclusie: wij moeten alleen daar optreden, gezien feitelijke en maatschappelijke situaties, waar van handelen concreet resultaat is te verwachten. Als voorbeeld: de missie en de zending onder de heidenen leverden ontzagwekkende resultaten op, maar per bekeerde Jood of Mohammedaan zijn tonnen voor niets uitgegeven. Wie een vast geloof heeft, laat zich niet bekeren. Wij moesten wachten op de werking van twee verschijnselen: stijging van de welvaart en verval van het confessionalisme. Het effect van de welvaartsstijging was voorzien, maar werkte veel langzamer dan ik indertijd dacht. Ook een les: wij vergissen ons altijd weer in het tijdsverloop van liquidatie- en groeiprocessen binnen Nederland. De afbraak van het confessionalisme was niet voorzien, op zijn minst niet in de omvang en het tempo, die het aannam.

De ‘open’ groep zijn nu duidelijk de confessionele middengroepers. De verkiezingsresultaten wijzen dat uit. Maar in deze fase is de ‘weerbarstige’ groep het jonge, critische intellect. Nauwelijks voor ons geloof te winnen, monotheïsten op hun manier. Hun innerlijke motivaties en dito prioriteiten verschillen sterk van die van de doorsnee prestatie- en promotiemens, die ons steunt en vertrouwt. Reeds de efficiency leert waar wij ons geld moeten uitgeven en waar onze keuzen liggen. Dus ook welke groep voor de imagevorming nu, dat kan over acht jaren anders zijn, belangrijk is. Het slopen van de solidariteit tussen socialistische werknemers en critisch intellect is als politiek concentratiepunt een opgave als het ware voor een nieuwe politieke generatie. Wij moeten nu het ijzer smeden, dat wèl heet is.

Velen zijn geneigd als image te beschouwen wat met hun eigen wensen strookt. Ik kan mij best voorstellen, dat zelfs in onze partij figuren zijn te vinden, volgens analyses 10 tot 12% van de aanhang, die enigermate in de geest van D’66 denken. Maar zij vergeten dat het door woordkeuze aantrekken van die groep en masse, en daarom gaat het, een veelvoud aan stemmen naar rechts kost. Men moet nooit proberen het op een moment onverenigbare met elkaar te combineren, ook niet qua image. Nodeloze scherpte is niet nuttig, maar dat is een andere zaak, en over de inhoud van het begrip ‘nodeloos’ zal steeds verschil van inzicht blijven bestaan. In feite was onze hele laatste verkiezingscampagne sterk polariserend, en het succes was zéér groot.10

Iets als het ‘prestatiebeginsel’ en het ‘misbruik van sociale verzekeringen’ is qua kleur, qua tint gevoelsmatig zonder meer rechts al zijn vele arbeiders het ermee eens. Maar die groep van arbeiders reageert sterk op materiële prikkels, geheel anders dan de ideologisch of maatschappelijk-critisch gemotiveerde D’66-er of de PPR-mens. Ook hier liggen opnieuw antagonismen, een meervoud van keuzen voor propaganda en image, wanneer men naar verbreding van de basis streeft. En wie zich innerlijk niet bevredigd voelt door de ontwikkelingen nà 1958 zal goed moeten bedenken dat, wanneer de VVD niet was geworden tot wat ze werd, het vacuüm opgevuld zou zijn door iets als een machtige Koekoekpartij. Conclusie: D’66 etc. vergeten. Voor vandaag, qua imagevorming. Praten is best, mits door deskundige mensen die precies weten waar wij heen willen en steeds attent zijn op de kans een deel van het kiezerscorps te verliezen door tè linkserig te gaan praten. Wèl speculeren op intern verval binnen D’66; dat is een kwestie van manipulatie, niet van concessies.

Politiek is werkelijk een kunst, maar het is goed zijn verstand erbij te gebruiken en zich niet door persoonlijke beeldvoorkeuren te laten beïnvloeden. In dat verband wijs ik tenslotte op het levendig tierende jeugdcomplex. Wij weten precies welk deel van de kiezers door de jeugd wordt gevormd, zomede dat jongeren ouder worden, meer gaan verdienen en andere verantwoordelijkheden krijgen. Nog belangrijker is, geloof ik, dat in een aantal kazernes 20% van de dienstplichtigen op de VVD stemde, méér dan het gemiddelde. Onbewezen is dus de stelling dat de ‘jongeren’ naar links willen. Daar is, voor wat het voor ons in deze fase bereikbare deel van de jeugd betreft, geen sprake van. Men vervalt altijd weer in de fout, nu al twintig jaren, bepaalde onder politiek geïnteresseerde jongeren levende mentaliteiten te verwarren met wat onder de jeugd als kiezers, binnen onze denkkring, werkelijk leeft. Bij JOVD-ers en dergelijke speelt altijd het element ‘ôte toi, que je m’y mette’ (donder op, om plaats voor mij te maken). Door zoiets late men zich nimmer intimideren. Jongere liberalen zijn en blijven mensen, net als oudere.

De hoofdzaak lijkt mij dat onbekookte image-critiek dikwijls niet anders is dan de reproductie van de bij politiek minder ervarenen levende eigen dromen. Géén werkelijkheidsbasis; romantiek, afkeer van kerkelijken, Vrij Nederland, NRC, van alles speelt mede, behalve het partijbelang op gecalculeerde basis. Zeker is het prachtig wanneer degenen, die ons image bepalen, spreken in een charismatische sfeer. Maar zelfs dat hangt van het gehoor af; 8% van ons volk vond ir. Mussert blijkbaar charismatisch, een andere 8% later de heer Van Mierlo. Wat hiervan zij, in ieder geval: eerst denken, dan praten.
Mr. H. van Riel11

Over de ideologie

’s-Gravenhage, 27 october 1973

van Alkemadelaan 350

flat nr 3


PERSOONLIJK
Waarde Geertsema,
(...) Nu het principiële staatkundige. Naar mijn gevoelen is het, wil het parlementaire stelsel functionabel blijven tot op een bepaalde hoogte en nog voor een zekere tijd, noodzakelijk dat de politiek zich concentreert op figuren, die om allerlei, dikwijls nauwelijks analysabele redenen veel meer kiezers achter zich weten te krijgen dan ooit degenen, die in de grond in ’s mensen politieke opvattingen zijn geïnteresseerd. In directe samenhang daarmee: de tijd van de ideologisch gebaseerde partijen in de klassieke zin van het woord is definitief voorbij. (...)

Ik zie wel in dat wat men noemt een middenpartij electoraal aantrekkelijk zijn kan, want er zijn vele mensen die zichzelf gaarne zien als een middenpositie kiezende. Ik ben er echter niet van overtuigd, dat er meer dan enige honderdduizenden echte ideologisch georiënteerde liberalen in Nederland resten. Daarvan is zeker een deel bij het kader van de partij geconcentreerd. Wij hebben vroeger, in de dagen van Oud,12 5% van de stemmen gekregen bij de eerste enquete’s, later, in de tijd van Toxopeus en [Geertsema13], 6 à 7%. Dat zag ik altijd als de harde, echt liberale kern, naar ik meen terecht. Onze winst kwam altijd, en sedert 1954, uit de groepen ‘weet-het-niet’. Het verschijnsel dat het succes van de VVD afhankelijk is van factoren, die in het diepte-bewustzijn liggen in de collectieve psychologie is derhalve niet van vandaag of gisteren, maar is als een gegeven feit te beschouwen. (...)

Politieke partijen gaan in steeds sterkere mate de rol spelen van doelcorporaties, van naar macht strevende elementen, die gedragen worden door de sympathie, het vertrouwen van bijna anonieme massa’s, in beweging gebracht door dikwijls vrij ondoorgrondelijke emotionele aspecten; zwart-wit, haat-liefde. Het liberalisme als gedachtenwereld is voor die inspiratie nauwelijks meer geschikt. Te genuanceerd en vooral te sterk verbonden in de gevoelssfeer met bepaalde groepen min of meer ontwikkelde en inderdaad dikwijls min of meer on- of anti-kerkelijke mensen, die, in afwijking van zeer grote menigten, niet door slechts statistisch te peilen gevoelens worden beheerst, maar door wat zij als realia in deels geestelijke zin zien. Mijn bezwaar tegen uw verhaal in de NRC14 is (...) dat Gij sterk openliet de vraag welke richting het liberalisme in Nederland uit moest gaan. Dit nu is voor mij géén vrije kwestie. Uit strikt utilitaire overwegingen, niet gebaseerd op mijn levensovertuiging, die in wezen precies gelijk aan de Uwe is, maar gebaseerd op waarneming van feitelijke factoren enerzijds en de manier waarop feitelijke factoren zich als regel in historische processen verwerkelijken.

De machtsstrijd wordt ons als het ware opgedrongen door het kabinet Den Uyl, één element, en door het als een feit te aanvaarden ontbindingsproces in de confessionele wereld. Ook dit laatste is allerminst een keuze van mij, geen gebeuren dat ik initieel heb beïnvloed, maar nu de zaken liggen zoals zij doen, zijn wij zedelijk verplicht daarvan te profiteren en er het maximum vóór ons en tegen Den Uyl uit te halen. Stimuleren van die ontbinding nu betekent meer leden voor de VVD en meer stemmen voor de VVD. Wat rood in die groepen is stemt toch rood, net als bij D’66, en wat niet rood is behoort niet te verdwijnen, als een stukje van de floating-vote altijd probeert te doen, in de richting van splinterpartijen of door het uitstellen van zijn definitieve keuze. Wie wil moet nu maar naar ons toe komen en dus op dit punt worden aangemoedigd.

De confessionele partijen (...) zullen hun houding na de volgende verkiezingen alleen laten bepalen door waar voor hen de beste kansen liggen op nog enig uitstel van executie. Mijns inziens zullen zij zó worden gedecimeerd, als de zaken in de Tweede Kamerfractie goed aangepakt worden – ik speel daar geen enkele rol in – dat er zeer weinigen bij hen zullen overblijven. (...) Ik tracht voor mij, maar niet zonder mij van de instemming van de heer Wiegel en mevrouw Van Someren te hebben verzekerd, een beleid te voeren dat rekening houdt met wat ik zie als een aantal onderling afhankelijke variabelen in een historisch proces. (...)

Het is denkbaar dat iemand principieel-ideologisch geörienteerd wenst te blijven en bij voorkeur niet gebruik wil maken van specifiek incidenteel gunstige factoren, die meer met massa-psychologie dan met overtuiging te maken hebben. Maar dan zeg ik: Gij zijt mijn man in menselijk opzicht. Maar wat de VVD al een heel tijdje doet is geenszins onliberaal, maar rekent zeer sterk met externe elementen. Die tienduizenden zijn op grond van die werfkracht Wiegel en anti-Den Uyl tot ons gekomen. (...) Juist het quasi-monolithische karakter der partij heeft een geweldige appeal op de massa in haar roerselen op dit moment. (...) Links of rechts interesseren mij niets, verketteren doe ik niemand. Ik heb meer één oogmerk: de VVD tot een doorslaggevende machtsfactor binnen Nederland te maken, althans enige grondslag daarvoor te leggen. (...) Wat momenteel echter naar mijn inzicht bepaald niet mag is in de partij blijven en tegen Wiegel wroeten. Dat is zonder meer electoraal schadelijk op een thans overzienbare termijn, zolang Wiegel niet duidelijk faalt als image-brenger. (...)


Met beste groet,
Mr. H. van Riel15

De leider

’s-Gravenhage, 3 juni 1976

Van Alkemadelaan 350

flat 3
Beste Mia,16


(...) Ten aanzien van wat je over onze politieke leider schrijft het volgende: Het trekken van aanhang voor een politieke partij is in de persoonlijke sfeer een uitermate ingewikkelde kwestie. Iemand moet over tal van talenten beschikken en bovendien in zekeren zin charismatisch zijn. Vermoedelijk impliceert dit dat het publiek in de betrokken politicus iets van een verbeterde, maar vooral niet al te zeer verbeterde uitgave van zichzelve ziet. Denk eens aan Dr. Drees, de vader des vaderlands, die veel slimmer is dan hij zich voordeed. Opzettelijk: om geen afgunst op te wekken. Voorts gaat het volstrekt niet om simplificeren als zodanig, maar om simplificeren in een vorm die door het grote publiek aanvaard wordt en de tegenpartij niet te veel aanvalsvlakken biedt. Het is balanceren tussen begrijpelijk en meeslepend zijn enerzijds en zo weinig mogelijk risico’s nemen anderzijds en dit dan eventueel, via de woordkeuze, binnen enkele seconden.

Er bestaan tal van vormen van intelligentie. Daar zijn de geleerden het tegenwoordig wel over eens. Wiegel is niet iemand die zo makkelijk causale verbanden legt tussen verschillende abstracte problemen, maar iemand die uitzonderlijk intelligent is in het concreet oplossen van politiek gevoelsmatige vraagstukken. Bovendien uitnemend in staat om snel analyses te maken voorzover het om kwesties gaat die in de politieke realiteit speelden. Academische bijdragen worden niet van hem verwacht en wanneer hij die gaf zou zulks in zijn eigen fractie nog meer afgunst opwekken als zijn succes nu reeds doet. Kortom, ik vind hem inderdaad de ideale figuur voor ons. Bovendien is hij voor een politicus uitzonderlijk oprecht en eerlijk in zijn uitlatingen. Vergelijk hem voor de televisie maar eens rustig met de confessionele heren. Privé, karakterologisch, een vrijwel onberispelijke figuur en ook dat is tegenwoordig een exceptie. Een schaap met vijf poten is niet mogelijk, wel een schaap met vier uitzonderlijk stevige poten, en dat is veel meer dan waarop de andere partijen bogen kunnen.

Het belangrijkste vind ik echter dat, voldeed hij aan de eisen der critische beroepsintellectuelen, hij geen contact met de voor ons doorslaggevende massa der kleine burgers en hogere arbeiders hebben zou. Zuiver electoraal gesproken is het zogenaamde intellect door en door onbelangrijk. Reeds het feit dat iemand meent een eigen standpunt te moeten innemen maakt hem als waardevolle stem ongeschikt. Leiders leven bij de gratie hunner oncritische volgelingen, niet bij de gratie van min of meer wijsneuzige figuren. Men moet het realistisch bezien van het oogpunt uit van machtsverhoudingen binnen de samenleving. De goede politicus heeft als het ware uit zijn natuur oogkleppen op, precies overigens als bijna alle leiders van grote ondernemingen. Die zijn immers bezeten van hun werk en behoren als regel allerminst tot de doordenkers, behalve als het om de bedrijfsresultaten gaat. De oplossing voor hen, en ook voor iemand als Wiegel is zich theoretisch intellect te assumeren, om hen in bepaalde problemen van advies te dienen. Niet echter om hun tijd te verdoen aan theorie, waar zij bovendien constitutioneel als regel ongeschikt voor zijn. Zonder medewerkende omstandigheden heeft geen mens succes.

Waar de mensen op het ogenblik bang voor zijn weet ik niet. Die dingen variëren van maand tot maand. Trek je in de politiek nooit wat daarvan aan. Het is niet nodig voor iemand als Wiegel tegen het modieuze in te gaan maar hij moet er volstrekt niet in geloven. In de Eerste Kamer-fractie kwam mijn collega Prof. Polak17 steeds aan met soortgelijke verhalen als U mij doet. Wiegel wordt weinig gewaardeerd bij het jonge academische intellect etc. Negligeabele verhalen, eenvoudig omdat qua karakterstructuur dit soort jong intellect toch niet voor de partijpolitiek geschikt is. Men moet daar kunnen heersen, dat vraagt een ingewikkelde combinatie van persoonlijkheidscorrelaties, of willen dienen zonder meer. Bij de multinationals is men voor niets zo bang als voor het bekende te groot voor een servet en te klein voor een tafellaken. Bruikbare servetten van eerste kwaliteit zijn de drijfkurk van iedere onderneming en van iedere politieke partij. Tafellakens zijn er maar een paar nodig en wie zichzelf als zodanig ziet hoeft het nog niet altijd te zijn, is het zelfs meestal niet. (...)

Het zou prettig zijn U weer eens te zien. Misschien vraagt U mij eens te eten? Ik revancheer mij dan later.
Veel groeten,
Mr. H. van Riel18

Politieke lessen?


Is Van Riels recept toegepast? Hoe groot was eigenlijk zijn invloed op Wiegel? Senior bedacht het en junior voerde het uit? Dat is moeilijk te zeggen. Waarschijnlijk had Wiegel Van Riel niet echt nodig. Het ‘natuurtalent’ redde het wel op eigen kracht. Het kabinet-Den Uyl bood voldoende kansen om te scoren. ‘Stemmen winnen gaat voor zachtaardigheid’, adviseerde Van Riel in 1973. Wat dat betrof ging Wiegel misschien minder ver. Er was hem als fractieleider veel aan gelegen om de verhouding tussen de Tweede-Kamerfracties van de VVD en de drie confessionele partijen te verbeteren. Deze behoedzame opstelling zou hem bij de formatie in 1977 geen windeieren leggen.

Van Riels steun kwam Wiegel vooral van pas om zich in de eerste jaren te kunnen verweren tegen de vrijzinnig-liberale oppositie vanuit zijn eigen partij. Wiegel zelf verklaarde ooit in een interview dat Van Riel pas een maand of acht na de benoeming van Wiegel tot fractieleider inzag dat de partij met hem electoraal goud in handen had.19 De ervaren senator was ten tijde van het kabinet-Den Uyl misschien ook niet zijn belangrijkste steunpilaar. Toen VVD-coryfee en mede-oprichter D.U. Stikker begin 1974 kritiek leverde op de harde wijze van oppositie voeren en het daarmee samenhangende succes van Wiegel, klom Haya van Someren in de pen: ‘Ik geloof dat het Hans Wiegel op voortreffelijke wijze is gelukt het juiste midden te bewandelen. Enerzijds had hij min of meer de taak de christelijken niet van zich te vervreemden, anderzijds moest hij zetels winnen. Onze speelruimte was zo griezelig klein, dat ieder woord gewogen moest worden.’ Wiegel stak ze een hart onder de riem: ‘Jij bent een doetje bij Oud vergeleken. Wat kon die man een demagogie bedrijven. Als jij dat deed, stond de Nederlandse pers bol van woede.’20



Tussenconclusie: Wiegel gebruikte ijzeren hand noch demagogie tegenover de confessionele partijen. Van Riel zag deze partijen in de nabije toekomst ten onder gaan en vond dat de VVD daaraan een steentje kon bijdragen. De partij moest er zo veel mogelijk profijt van trekken. De kuur die Van Riel had voorgeschreven zou niet helemaal worden gevolgd. Wat Van Riel over het image, de ideologie en de leider had te melden, werd wel geslikt, maar niet zijn advies over de strategie. Wiegel had nauwelijks de hielen gelicht uit Den Haag of het CDA zou onder Lubbers uitgroeien tot de grootste partij, ten koste van de VVD. Van Riel was in 1980 overleden. Had hij een verkeerde inschatting gemaakt ‘van feitelijke factoren enerzijds en de manier waarop feitelijke factoren zich als regel in historische processen verwerkelijken’? Of deugde zijn recept wél, maar werd het verkeerd toegediend?



1 ARA, 2.21.303, Archief H. Wiegel 1948-1982.

2 J.G. Bruggeman, ‘Harm van Riel’ in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden (1982-1983) p. 116-139.

3 Jan Hoedeman, Hans Wiegel en het spel om de macht (Den Haag 1993) p. 35.

4 Ibidem, p. 46.

5 Ibidem, p. 40.

6 Haagse Post, 30 nov. 1968, p. 6-7.

7 Ibidem.

8 H.A. Korthals, Tweede Kamerlid van 1945 tot 1959, vice-premier en minister van Verkeer en Waterstaat van 1959 tot 1963.

9 T.J. Twijnstra, bestuurslid van de VVD van 1951 tot 1958 en voorzitter van het Verbond van Nederlandse Werkgevers van 1948 tot 1959.

10 Na een fel antisocialistische en polariserende campagne ging de VVD bij de Tweede-Kamerverkiezingen van november 1972 van 16 naar 22 zetels.

11 ARA, Archief Wiegel, inv.nr. 61, brief van H. van Riel aan de leden van het Hoofdbestuur van de VVD, 19 juni 1973.

12 P.J. Oud voerde de VVD-Tweede Kamerfractie aan van 1948 tot 1963.

13 De periode 1963-1971.

14 De brief was gericht aan oud-fractieleider W.J. Geertsema, die in NRC Handelsblad van 28 aug. 1973 beweerd had dat Wiegels harde oppositie toekomstige regeringssamenwerking onmogelijk kon maken (vgl. Hoedeman, Hans Wiegel, p. 202).

15 ARA, 2.21.303, archief H. Wiegel 1948-1982, inv.nr. 61, brief van H. van Riel aan W.J. Geertsema, d.d. 27 okt. 1973.

16 Mevrouw M. de Jong-De Monchy (1909-1999) was in 1932 de eerste vrouwelijke journalist bij de NRC; redacteur van deze krant en van NRC Handelsblad.

17 Carel Polak was minister van Justitie van 1967 tot 1971 en lid van de Eerste Kamer van 1971 tot 1981.

18 ARA, 2.21.303, archief H. Wiegel 1948-1982, inv.nr. 64, brief H. van Riel aan M. de Jong-De Monchy, 3 juni 1976.

19 Opgenomen in: W. Jungman, Harm van Riel. Een heer van stand in de Nederlandse politiek (Bussum 1981) p. 63.

20 ARA, 2.21.303, archief H. Wiegel 1948-1982, inv.nr. 18, brief van H. van Someren aan H. Wiegel, 11 maar. 1974 en brief van H. van Someren aan D.U. Stikker, 4 april 1974.




Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina