Naamprojectgroep: F233 B



Dovnload 363.02 Kb.
Pagina7/7
Datum07.11.2017
Grootte363.02 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Cervicobrachialgie (Jan en Thomas)



Wat is cervicobrachialgie?

Het patroon van cervicobrachialgie is als volgt:

Cervicobrachialgie is een verzamelnaam voor (diverse) neurogene problematiek van de

nek- schouderregio (Rulkens e.a, juni 2005). Dit kunnen de volgende aandoeningen zijn:



  • dead arm syndrome subluxatie humerus ten gevolge van geforceerde exorotatie

  • prolaps van een cervicale tussenwervelschijf / cervicale HNP

  • thoracic outlet syndroom

  • scalenus syndroom

  • Pancoast tumor

  • n. suprascapularis compressie

  • scapulocostale syndroom pijn vanaf de mediale zijde van het schouderblad naar de nek en arm met drukpijnlijke spieraanhechtingen ter plaatse van de scapula

  • intermedullaire pathologie zoals syringomyelie

De term cervicobrachialgie is een beschrijving van een symptomencomplex van pijnklachten in de nek met uitstraling in een of beide schouders en/of armen.

De aandoening komt het meeste voor bij mensen onder de 45 jaar en meer bij vrouwen

dan bij mannen. Cervicobrachialgie is een a-specifieke aandoening, omdat er in veel gevallen geen

aanwijsbare (specifieke) oorzaak wordt gevonden. Cervicobrachialgie heeft als typische verschijnselen dat de pijn verergerd bij het bewegen van de nek, bijvoorbeeld met buigen, strekken en draaien. Bij het draaien van de nek kan de pijn uitstralen naar de homolaterale zijde of naar de heterolaterale zijde (Pijnpolikliniek, juli 2006). De wortel C7 is het meest frequent aangedaan. De pijn straalt uit vanuit de nek of vanuit de schouder, langs de strekzijde van de arm, vaak tot in de 2e en 3e vinger (wortel C7) of de duim (wortel C6). De pijn kan verergeren bij achteroverbuigen van het hoofd en bij draaien van het hoofd van de pijn af.


Specifieke gegevens uit verwijzing of directe toegankelijkheid

Specifieke rode vlaggen bij zenuwen;

Onbegrepen tekenen of symptomen

Neurologische uitval


Anamnese

Bij de anamnese is het vooral belangrijk om aan te tonen om welke aandoening het gaat of juist om welke niet. Je kan onderandere een beter beeld krijgen van welke aandoening het is om de vragen die hier onder staan uit te vragen.



  • toename in de loop van de nacht carpale tunnel syndroom, bovenste thoraxapertuur syndroom.

  • nek bewegingen hernia nucleus pulposi, cervicale spondylose.

  • hand bewegingen carpale tunnel syndroom.

  • dragen van tassen ed. bovenste thoraxapertuur syndroom.

  • hoesten, persen hernia nucleus pulposi

  • druk in verloop van n. medianus veroorzaakt pijn carpale tunnel syndroom

  • krachig buigen of strekken van pols carpale tunnel syndroom

  • actief bewegen pijnlijk, passief niet periartheritis humeroscapularis.


Onderzoeksdoelen

Het doel van het onderzoek is het in kaart brengen van de randvoorwaarden met

betrekking tot de behandeling en het inschatten van het niveau van bewegend

functioneren van de patiënt.

De onderzoeken die je doet bij cervicobrachialgie zijn:


  • Algemene inspectie
    Aandachtspunten inspectie

    • Gebruik kunst- hulpmiddelen

    • Standverandering wervelkolom en eventuele compensatiemechanismen te beoordelen en tevens na te gaan of dit binnen of buiten de wervelkolom gebeurt.

    • Halsdriehoek  scalenuspoort

    • Aspect van de supraclaviculiare ruimte (halsrib), dit is van belang bij TOS klachten in verband met de costaclaviculaire poort

    • Stand hoofd en arm; antalgisch

    • Adempatroon (hoog torocaal)  TOC

    • Vasovegetatieve verschijnselen, als cyanose van de handen, verhoogde zweetsecretie in de handpalm en langdurige roodverkleuring in het gebied van de orthosympaticus ter hoogte van Th3 tot Th11.

    • Stand en houdingen van de extremiteiten (klauwhand, predikershand, droppinghand)

  • Ganganalyse

    • Spasticiteiten tijdens het lopen

    • Verstoord looppatroon

  • Onderzoek CWK tot Th4 dit onderzoek richt zich voornamelijk op de arthrogene en myogenen structuren in deze regio. Dit doe je door middel van:

    • Weerstandsonderzoek, mobiliteit, stabiliteit

    • Veringstesten cervicaal

    • Palpatie cervicaal myogene structuren.

  • De spieren die belangrijk zijn om te testen zijn: scaleni, subclavius, pectoralis minor, pectoralis major, levator scapula, trapezius descendens, intrinsieke strekkers cervicale en thoracale wervelkolom, scapula adductoren, scapula stabilisatoren.

    • ULTT testen (aantonen in welke zenuw het probleem zit).

    • Test van Tinel en Phalen (aantonen van CTS)

    • Test van Roos (algemeen), Test van Adson (scalenus poort), test van Eden (costo-claviculaire poort), Test van Wright (pectorales-poort) beklemming zenuw.


Diagnostiek, specificiteit en sensitiviteit van de tests

De testen die hierboven zijn genoemd, hebben allemaal een lage sensitiviteit en specificiteit. We gebruiken deze testen omdat dit de enige en beste beschikbare testen zijn.


Behandeling (algemeen)

  • Informeren/adviseren

De fysiotherapeut leert de patiënt controle te hebben op het ‘herstel’, het voorkomen van

nieuwe klachten en hoe te handelen bij recidieven en exacerbaties.

Om dit te bereiken geeft de fysiotherapeut de patiënt informatie over de aard en het

beloop van de nekklachten, de relatie tussen belasting en belastbaarheid en het belang

van een actieve bewegingsstijl. De fysiotherapeut leert de patiënt de juiste betekenis toe

te kennen aan zijn klachten. Adviezen betreffen bijvoorbeeld de juiste houding bij het

uitvoeren van de activiteiten in het dagelijks leven(KNGF, 2001).


  • Oefenen van functies en activiteiten

Deze verrichting bestaat vooral uit het oefenen van het volhouden van relevante

activiteiten. In het oefenprogramma wordt de tijdsduur stapsgewijs opgebouwd en zoekt

men een balans tussen belasting en belastbaarheid. Het trainen van functies heeft een

duidelijke relatie met de te verbeteren activiteiten of participatie (KNGF, 2005).




  • Doormiddel van TENS kan je de pijn bij de patiënt verlichten36, 37, 38


Meetinstrumenten

NDI, VAS, MPQ-DLV, TAMPA-schaal.




CANS (Floris)



Algemene informatie over de aandoening

CANS is een verzamel naam voor verschillende aandoeningen aan de arm, nek en schouder. Volgens de opgestelde definitie van CANS, zijn dit klachten van het bewegingsapparaat in arm, nek en/of schouder die niet veroorzaakt zijn door een acuut trauma of een systematische aandoening. De klachten kunnen ook in combinatie met elkaar voor komen en kunnen meerdere oorzaken hebben, maar steeds ligt aan de klachten een verstoring van de balans tussen belasting en belastbaarheid ten grondslag. Langdurige klachten kunnen onderverdeeld worden in specifieke klachten en A- specifieke klachten. Bij specifieke klachten is er een anatomische structuur aangedaan wat kan worden ondergebracht in een bekend patroon. Bij Aspecifieke klachten is dit niet het geval. Patiënten zullen bij CANS aangeven dat ze last hebben bij herhaaldelijke activiteiten en bij houding gerelateerde bewegingen. Ze zullen hier dingen noemen als langdurige houding en/of bewegingen maken op het werk, studie of sport.

Klachten aan de arm, nek en schouder komen steeds vaker voor. Uit onderzoek blijkt dat 20% van de werknemers in Nederland in een jaar regelmatig of langdurig CANS- klachten heeft. Volgens NIA-TNO hebben in Nederland 300.000 tot 400.000 mensen klachten die wijzen op CANS. 39
Specifieke gegevens uit verwijzing/DTF.

De fysiotherapeut inventariseert naar:



  • Stoornissen in functies en anatomische eigenschappen. Alleen de toestand van de functies is belangrijk. Bij aspecifieke klachten is de stoornis of de oorzaak van de klacht niet te vinden.

  • Beperkingen in activiteiten.

  • Problemen met de participatie.

  • Herstel belemmerende en herstel bevorderende factoren.

Tevens brengt de fysiotherapeut de opvattingen van de patiënt in kaart over de klachten, de manier waarop de patiënt met de klachten omgaat, de verwachtingen van de patiënt ten aanzien van de therapie en het functieherstel.

Daarnaast screent de fysiotherapeut zowel op voor deze patiëntengroep specifieke als op algemene rode vlaggen. De rode vlaggen dienen uitgevraagd te worden omdat ze kunnen duiden op onderliggende pathologie.

Na de verwijzing en screening analyseert de fysiotherapeut de geïnventariseerde eigenschappen waaruit hij de conclusie trekt of er een indicatie is voor fysiotherapie (pluis/niet pluis) en kijkt hij naar verbanden tussen stoornissen in functies en anatomische eigenschappen en beperkingen in activiteiten en participatie. Wanneer hij rode vlaggen is tegengekomen die duiden op een onderliggende pathologie dan verwijst hij die door naar een specialist. 40
Anamnese


  • Vaststellen van de hulpvraag.

  • Beloop van de klachten en de tijdsduur.

  • persoonlijke factoren die mogelijk hebben bijgedragen aan het ontstaan van de klachten.

  • Hoe is de klacht ontstaan.

  • Status na een lange statische houding.

  • PSK

  • Activiteiten.

  • Hoe staat de patiënt zelf tegenover de klacht, actief of inactief?

  • status praesens.

  • Prognostische factoren.


Onderzoeksdoelen

Gewrichtsfunctie onderzoeken

provocatietesten om de pijn de reduceren. ????

Spier/kracht functie onderzoeken.in kaart brengen

Beoordelen fijne motoriek en coördinatie.
Diagnostiek, specificiteit en sensitiviteit van de tests

De diagnostiek van CANS gebeurt door de anamnese en het onderzoek, en wordt gekenmerkt door pijn en/of andere symptomen in de arm, nek en/of schouder. Uitgangspunten hierbij zijn participatieproblemen en functionele beperkingen die in de anamnese naar voren komen. Wanneer er een bekend patroon herkend wordt is er sprake van een specifieke klacht. Het doel van het onderzoek (inspectie en lichamelijk onderzoek) is het in kaart brengen van de (negatieve) randvoorwaarden met betrekking tot de behandeling én het inschatten van het niveau van bewegend functioneren van de patiënt. Het doel hiervan is om door de fysiotherapeut een goed beeld de krijgen van de onderliggende oorzaak van de klacht en de beperkingen van de patiënt.


Indien de fysiotherapeut op basis van de afgenomen anamnese neurologisch letsel verwacht dienen er een aantal provocatie testen uitgevoerd te worden om dit beeld te verhelderen. De laatste jaren wordt er steeds meer aandacht besteed aan onderzoeksmethoden voor de provocatie van referred pain in de schouderregio door middel van zenuwrektechnieken. De meest bekende provocatietest voor de bovenste extremiteit is de Upper Limb Tension Test (ULTT), hierbij wordt via perifere zenuwen tractie uitgeoefend op de cervicale zenuwwortels. Naast de ULTT testen zijn er ook een aantal testen beschreven voor het Thoracic outlet compressie syndrome en het carpaal tunnel syndrome. Het bevestigen van de diagnose T.O.C. gebeurt doorgaans echter alleen door andere oorzaken uit te sluiten.

Wanneer er sprake blijkt te zijn van neurologisch letsel kan men door middel van sensibiliteits testen en het testen van de des betreffende kenn spieren bepalen waar het letsel precies zit. Wanneer de testen positief zijn dient contact opgenomen te worden met een neuroloog.41, 42


Behandeldoelen

Het profiel en het verloop profiel van de patiënt vormt het uitgangspunt voor de keuze van behandeldoelen en behandelplan.

Patiënten profielen:

1. De patiënt heeft alleen een stoornis in functie.

2. De patiënt heeft een stoornis in functie en is beperkt in activiteiten en participatie.

3. Er is een samenhang tussen stoornissen in functies, beperkingen in activiteiten en participatieproblemen.43



Fases tijdens het verloop:

Fase 1: Pijn tijdens het werk, lokale vermoeidheid, kramp, tintelingen en een doof gevoel. De klachten verdwijnen, als men stopt met werken, na enige rust.

Fase 2: Ook pijn na het werk, irritatie aan pezen en spieren, prikkelingen, slapeloosheid, krachtsverlies. De klachten verdwijnen na een avond of een weekend rust.

Fase 3: Zwelling, drukpijn, chronische pijn, functieverlies, veranderingen van huidskleur en temperatuur, doof en tintelend gevoel, aanhoudende en niet meer


Behandeldoelen:

De volgende behandeldoelen gelden voor patiënten binnen alle drie de profielen:



  • de patiënt heeft meer kennis over en inzicht in de klachten.

  • de patiënt heeft de klachten onder controle.

  • de patiënt heeft kennis over en inzicht in eigen functioneren.

  • de patiënt heeft kennis over en inzicht in de factoren die van invloed zijn op het herstel van het gezondheidsprobleem.

  • de patiënt verwerft controle over het dynamische evenwicht tussen enerzijds belasting (externe factoren) en anderzijds belastbaarheid.

  • Het stimuleren van gezond beweeggedrag.


Behandelstrategie

De fysiotherapeut bespreekt met de patiënt de aard van het gezondheidsprobleem, de factoren die mogelijk een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van het gezondheidsprobleem, de factoren die van invloed zijn op het herstel en de wijze waarop de patiënt deze factoren kan beïnvloeden, eventueel met hulp van de fysiotherapeut. De behandeling is gericht op het stimuleren van activiteiten en participatie, en het beïnvloeden van de belemmerende factoren die verband houden met beperkingen en participatieproblemen, waarbij de fysiotherapeut speciaal aandacht besteedt aan de participatie in het werk. De fysiotherapeut stimuleert de patiënt zijn activiteiten te hervatten zodra de klachten voldoende zijn afgenomen en instrueert de patiënt op welke wijze de belasting geleidelijk kan worden opgevoerd tot het gewenste niveau van participatie, met aandacht voor de belastbaarheid van de patiënt. De fysiotherapeut evalueert geregeld of de patiënt de informatie begrijpt en de adviezen opvolgt.


De oefeningen en/of manuele verrichtingen zijn gericht op het opheffen van stoornissen in functies die zijn gevonden tijdens het diagnostisch proces, waarbij de fysiotherapeut tevens aandacht besteedt aan een juiste uitvoering van de bewegingen. Het oefenen is gericht op activiteiten en de daarvoor relevante functies. Er worden activiteiten geoefend die de patiënt in het dagelijks leven met moeite kan uitvoeren vanwege pijn of ongemak. Dit kunnen ook specifieke arbeidshandelingen of -taken zijn. Het oefenen is gericht op een geleidelijke toename van activiteiten en participatie. Op grond van een door de patiënt gekozen oefendoel wordt, in samenspraak met de patiënt, een behandelschema opgesteld. 44
Behandelplan

Fase 1


  • Het werk terugdraaien qua intensiteit.

  • Inlassen van korte pauzes op gezette tijden.

  • Zo veel mogelijk repeterend werk voorkomen.

  • Overmatige arm en handbelasting voorkomen.

  • Gedoseerde rust.

  • Aanpassen van de werkplek.

  • Start gedragsveranderingen.

  • Sporten op geleide van pijn.

Fase 2


  • Werk tijdelijk stoppen.

  • Daarna gelijkmatige opbouw van de belasting.

  • Aanpassen van de werkplek.

  • Meer pauzes inlassen tijdens het werk.

  • Spierversterkende oefeningen voor kracht en uithoudingsvermogen.

Fase 3


  • Gedragsveranderingen. Fase drie wordt op de zelfde manier behandeld als fase twee, alleen zal de patiënt voor langere tijd niet kunnen werken. 45


Meetinstrumenten

PSK, VAS, DASH

Onderbouwing

KNGF richtlijn KANS.

Skills reader FLP3

arbokennisnet Saltsa rapport CANS



Whiplash (Dorien)



Algemene informatie aandoening

Een whiplash is een heftige slingerbeweging van het hoofd ten opzichte van de romp door een ongeval. Over het algemeen is het een onverwachte zeer snelle beweging zonder dat het hoofd ergens tegenaan botst. In een fractie van een seconde wordt de halswervelkolom daardoor overmatig uitgerekt en extreem achterover en/of voorover gebogen. Whiplash is de naam voor dit ongevalsmechanisme.


Als gevolg van een whiplashongeval kunnen beschadigingen optreden in de halswervelkolom, overige halsstructuren, in het aangezicht en in de halsruggenmerg en hersenen met hersenstam. De meest voorkomende klachten zijn pijn in de nek, het hoofd, de schouders en de rug. Concentratiestoornissen, vermoeidheid, duizeligheid en vergeetachtigheid komen ook veel voor.46
Specifieke gegevens verwijzing/DTF

Andere verwijsgegevens zijn: WAD-gradering, voorgeschiedenis (in het bijzonder preëxistente klachten, reeds bekende afwijkingen), nevenaandoeningen, de medicatie en relevant geachte psychosociale factoren.


Anamnese

Inventarisatie huidige klachten/hulpvraag

Ongevalsgerelateerde gegevens


  • Situatie vóór de whiplash: preëxtensie (soortgelijke) klachten, activiteiten, participatie

  • Toedracht van het ongeval

Inventarisatie beloop in de tijd

  • Eerdere diagnostiek, behandeling en resultaat hiervan

  • Eerder verkregen informatie

Omgang met klachten

  • Welke betekenis kent de patiënt toe aan zijn klachten

  • Heeft de patiënt controle over zijn klachten

Inventarisatie status praesens

  • Belasting in verhouding tot belastbaarheid?

  • Medicijngebruik/andere behandeling

  • Informatie behoefte van de patiënt47


Onderzoeksdoelen

  • Inspectie/palpatie

      • Het verkrijgen van een indruk over de houding, gelet op standsafwijkingen die mogelijk in verband staan met de klachten

      • Aanwezigheid van een antalgische houding, verhoogde tonus van de nekmusculatuur

  • Functioneel bewegingsonderzoek

  • Bewegingsonderzoek

      • Stoornissen in de beweging van de wervelkolom registreren

      • Stoornissen in de mobiliteit van de wervelkolom registreren

      • Het verkrijgen van een indruk over mogelijke provocatie van klachten

  • Spierkracht

      • Aanwezigheid van voldoende musculaire stabiliteit van de cervicale wervelkolom

      • Aanwezigheid van voldoende kracht in de spieren van het bovenste kwadrant oftewel thoracale rugstrekkers.

  • Evenwicht

      • Stoornissen in het evenwicht uitsluiten d.m.v. koorddansersgang en staan op één been.

Indien de fysiotherapeut neurologische beschadiging vermoedt, voert hij een neurologisch onderzoek uit. Dit onderzoek betreft de sensibiliteit, spierkracht en peesreflexen van de bovenste extremiteiten. De aanwezigheid van neurologische uitvalsverschijnselen is reden voor overleg c.q. terugverwijzing naar de verwijzend arts.48, 49
Diagnostiek

Coördinatie- en extensietest volgens Lanser

Test van Jull met de Stabilizer Biofeedback

CROM
Behandeldoelen

Fase 1: Informeren/begeleiden

Verminderen van pijn

Vergroten kennis/inzicht klachten

Fase 2: Verbeteren functies (zoals verminderde mobiliteit of een verminderde musculaire stabiliteit)

Fase 3-4: Verhogen activiteiten niveau en mate van participatie en de daarvoor benodigde functionele bewegingen (zoals tillen, dragen en het volhouden van de zithouding)

Bevorderen adequate wijze van omgaan met de klachten

KNGF Richtlijn Whiplash
Behandelplan


  • Verbeteren van de mobiliteit

    • Mobiliserende oefeningen in alle richtingen

  • Verbeteren van de musculaire stabiliteit

    • Biofeedback oefening

    • Chin tuck

    • Chin tuck of cervicale strekking volhouden tegen externe weerstand

    • In buiklig de juiste cervicale positie handhaven

  • Verbeteren uitvoering van functionele bewegingen

    • Neutrale positie van de schouder handhaven tijdens spierkrachtoefeningen voor de arm

Het effect van andere verrichtingen (massage, tractie, mobilisaties en applicaties als ultrageluid, kortegolftherapie, laser, elektrotherapie) is bij deze patiëntengroep niet onderzocht of niet aangetoond. 50
Meetinstrumenten

VAS


Neck Disability Index (NDI)

Dagschema (om activiteiten in kaart te brengen)


Hoofdpijn (Diederik)



Algemene informatie over de aandoeningen

1. Spanningshoofdpijn

Spanningshoofdpijn is de meest voorkomende primaire hoofdpijn. Spanningshoofdpijn kan episodisch of chronisch van aard zijn. Tevens worden de patiënten ingedeeld in groepen met en zonder stoornis van de pericraniale musculatuur. De duur van de hoofdpijn is 30 minuten tot 7 dagen (episodisch) of continu (chronisch). De hoofdpijn is bilateraal gelokaliseerd, mild tot matig van intensiteit en wordt als klemmend/drukkend ervaren. Ook kan deze aanvoelen als een strakke band om het hoofd. De pijn verergert niet bij normale dagelijkse activiteiten. Er is geen misselijkheid en/of overgeven en overgevoeligheid voor licht en/of geluid aanwezig51



2. Migraine

Migraine wordt gekenmerkt door herhaalde aanvallen van matig tot heftige, unilateraal gelokaliseerde, bonzende en kloppende hoofdpijn. Hier komen ook bijverschijnselen zoals misselijkheid en/of braken, overgevoeligheid voor licht en/of geluid bij voor. Ook wordt de aanval erger bij lichamelijke activiteit. De duur van de aanvallen is 4 tot 72 uur (onbehandeld) en deze verhinderen dagelijkse activiteiten. Tussen de aanvallen door is de patiënt klachtenvrij. Migraine kan vooraf worden gegaan door een aura51



3. Clusterhoofdpijn

Patiënten ervaren tijdens een clusterperiode ondraaglijke pijn, aan één zijde van het hoofd, die zich rondom het oog of temporaal bevindt. Door deze pijn hebben patiënten veel bewegingsdrang. Het typerende van clusterhoofdpijn is het voorkomen van aanvallen in vaste clusterperioden in het jaar, deze verschillen per patiënt. De duur van de aanvallen varieert van 15-180 minuten (onbehandeld). Er zijn twee vormen van clusterhoofdpijn, de episodische en de chronische vorm. Het verschil hiertussen is dat bij de episodische clusterhoofdpijn de aanvallen worden afgewisseld met periodes waarin de patiënt klachtenvrij is, bij de chronische clusterhoofdpijn zijn hoofdpijnvrije periodes zeldzaam of kunnen geheel ontbreken. 51



4. Cervicogene hoofdpijn

Patiënten met cervicogene hoofdpijn (CGH), hebben last van hoofdpijn die ontstaat vanuit de nek. De pijn komt vaak unilateraal voor, zonder wisseling van kant (heel soms bilateraal). De pijn zit diep, is matig tot hevig en zit in de occipitale, frontale, temporale of orbitale regio. De pijn kan voorkomen in aanvallen en kan uren tot dagen duren (onbehandeld), of de pijn is constant aanwezig met bijkomende pijnaanvallen. Vaak gaat CGH gepaard met een stijve nek. Sommige mensen ervaren overgevoeligheid voor licht en/of geluid, of misselijkheid als bijverschijnselen. 51


Specifieke gegevens uit verwijzing/DTF

Rode vlaggen bij hoofdpijn52



  • Acuut ontstane hoofdpijn van matig tot ernstige intensiteit (thunderclap hoofdpijn)

  • Nieuwe beginnende hoofdpijn of verandering in hoofdpijn bij patiënten die boven de 50 zijn

  • Een verergering van bestaande hoofdpijn zonder dat daar duidelijke oorzaken voor aan te wijzen zijn

  • Hoofdpijn samen met koorts, nekstijfheid, uitslag, en met een geschiedenis van kanker, HIV of andere systeemziekten

  • Hoofdpijn samen met visuele neurologische afwijkingen anders dan de typische aura

  • Matige of ernstige hoofdpijn die uitgelokt wordt door hoesten, lachen of inspanning

  • Nieuw ontstane hoofdpijn tijdens of na een zwangerschap

  • Historie met gebrek aan coördinatie, gevoelloosheid en/of tintelingen

  • Wakker worden door de hoofdpijn

  • Een (recent) doorgemaakt schedel/hoofdtrauma

  • Heftige hoofdpijn met een zeer hoge bloeddruk

  • Ochtendbraken: niet gerelateerd aan hoofdpijn 51


Anamnese

  • Aard, ernst, tijdstip van de dag, lokalisatie, patroon en duur van de hoofdpijn.

  • Is de patiënt al bekend met deze vorm van hoofdpijn?

  • Heeft de patiënt symptomen die bij de hoofdpijn tegelijk voorkomen? Denkend aan: misselijkheid, braken, aura, prodromale verschijnselen.

  • Zijn er provocerende factoren (vb. hormonen, alcohol, spanning)?

  • Gebruikt de patiënt (zelf)medicatie? (Vraag hierbij ook naar vrij verkrijgbare pijnstillers)

  • Wat is het gedrag tijdens de hoofdpijn (vb. rust zoeken of juist bewegen)?

  • Is er overmatig coffeïnegebruik (cola, koffie, thee, ice-tea, chocolade)?

  • Familieanamnese met betrekking tot hoofdpijn?

  • In welke mate wordt de patiënt belemmerd in het dagelijks functioneren? 51


Onderzoeksdoelen hoofdpijn

1. Inspectie

Let op veranderde houding en contouren.

2. Bewegingsonderzoek van de nek

Flexie, extensie, lateroflexie bdz, rotatie bdz.

Let op ROM, bewegingsverloop en reproductie van pijn.

3. Palpatie

Botstructuren zoals processus spinosi en facetgewrichten.

Spieren i.v.m. mogelijk aanwezige triggerpoints. 51
Meetinstrumenten


  • Hoofdpijndagboek

  • Hoofdpijn vragenlijst

  • Hoofdpijn checklist

  • HIT-6

  • VAS

  • PSK

  • Bloeddrukmeter51


Behandelmethode

Migraine

Sterk bewijs : Ontspanningstherapie

Biofeedback

Cognitief gedragsmatige therapie

Massage

Matig bewijs : Manuele therapie

Beperkt bewijs: Lichaamsbeweging

TENS


Accupunctuur
Spanningshoofdpijn

Sterk bewijs : Biofeedback

Massage

Matig bewijs : Gedragstherapie

Manuele therapie

Oefentherapie

Beperkt bewijs : Acupunctuur

Geen bewijs : Autogene training



Cervicogene hoofdpijn

Sterk bewijs Manipulatie van de CWK

Matig bewijs Stabiliserende oefeningen diepe nekflexoren Gecombineerde behandeling manipulatie en oefeningen

Beperkt bewijs Stabiliserende oefeningen m.b.v. stabilizer

Houdingscorrectie

Psychotherapie

Geen bewijs Ontspanningstherapie 51
BEHANDELING HOOFDPIJN

Gedrags therapie

In de studie van Kenneth e.a. 2001 van A2 kwaliteit wordt stressmanagement therapie (SMT) vergeleken met antidepressiva medicatie(AM). Uit het onderzoek blijkt dat behandeling door middel van SMT een reductie van 50% in hoofdpijnklachten geeft bij patiënten met chronische spanningshoofdpijn. Een combinatie van AM met SMT geeft klinisch significante(50%) vermindering van de hoofdpijn activiteit bij tweederde van de deelnemers in de hoofdpijnindexscore. Hieruit kan geconcludeerd worden dat stressmanagement therapie helpt bij het reduceren van de hoofdpijnklachten (Kenneth e.a. 2001). In de review van Verhagen e.a. 2009 worden behandelingen gedragstherapie bij patiënten met spanningshoofdpijn vergeleken met elkaar. In acht studies zijn patiënten die behandeld zijn met ontspanningstherapie vergeleken met patiënten die geen therapie ontvingen. De resultaten van de verschillende onderzoeken zijn niet weergegeven in het artikel wel wordt vermeld dat de toegepaste therapieën helpen (Verhagen e.a. 2009). 51
Progressieve relaxatie

Een manier om patiënten te laten ontspannen is progressieve relaxatie53

Progessieve relaxatie is op een kalme manier het hele lichaam doorlopen waarbij steeds aandacht wordt geschonken aan 1 spier. Deze wordt aangespannen en daarna helemaal los gelaten. Zo ga je van je tenen naar je kruin en dit zorgt ervoor dat de patiënt goed ontspant.
Stabiliserende oefeningen nek flexoren


  • Kin intrekken: belangrijk is dat de patiënt de globalmovers zoals de sterno. niet aanspant.

  • Vervolg op deze oefening kan zijn het werken met een stabiliser. En daarna in lig het hoofd iets van de bank op te tillen. Daarna naar zit om het functioneler te maken, belangrijk is dat je de nek stabiliseerd.54

Massage


Doormiddel van het toepassen van verschillende massage technieken (Triggerpoint, ontspanning, bindweefsel massage) op de hypertone nekspieren/schouderspieren neemt de frequentie, duur en intensiteit van de hoofdpijn af (pilot studie Moraska 2006). Het resultaat bleef gedurende 3 weken bestaan waarna het allemaal weer omhoog ging.51

Spondylolisthesis (Floris)



Algemene informatie

Spondylolisthesis is het verschuiven van een wervel. Een wervel in de onderrug schuift hierbij over een lager gelegen wervel.

Een verschoven wervel hoeft niet altijd klachten te veroorzaken, er zijn mensen die er jaren probleemloos mee rondlopen. Maar veelvoorkomende klachten zijn lage rugpijn, een doof gevoel, tinteling, pijn, spierverzwakking in het been en moeilijk kunnen lopen. Deze symptomen verergeren meestal bij het staan, lopen of andere activiteiten. Rust brengt meestal tijdelijk verlichting. Er zijn twee soorten spondylolisthesis: degeneratief (door veroudering en slijtage, bijvoorbeeld door artrose) en traumatisch. Bij degeneratieve spondylolisthesis verzwakken de gewrichten door veroudering en slijtage waardoor de wervel naar voren kan schuiven. Bij traumatische spondylolisthesis breekt het bot boven het gewricht (bijvoorbeeld door een opgelopen blessure bij sporten) waardoor de wervel naar voren kan glijden.
Screening/DTF


  • Is er sprake van een trauma?

  • Heeft u last van tintelingen in uw benen?

  • bent u al bij een specialist geweest?


Anamnese

  • Heeft u het idee dat u extreem met een holle rug loopt?

  • Wat is Invloed van rust, bewegen en houding op de klachten?

  • Lokalisatie en ernst van de pijn in de rug.


Onderzoeksdoelen

Houdinggerelateerde inspectie.

Is er sprake van een verminderde corestability om de rug in de juiste houding te houden.

Spierkracht van de buikspieren en rugextensoren.


Diagnose

Als fysiotherapeut kan soms in een inspectie gezien worden dat de processus spinosus niet meer zichtbaar is. In dit geval en aan de hand van de gegevens uit de anamnese (symptomen) kan er een MRI of een CT gemaakt worden waar de wervelverschuiving duidelijk te zien is.


Behandeldoelen

  • Adviseren over de aandoening.

  • De patiënt weet goed de balans tussen belasting en belastbaarheid in het dagelijks leven.

  • uithoudingsvermogen in de gecorrigeerde houding.

  • spierkracht verbeteren.

  • Leren omgaan met zware belasting.


Behandelstrategie

Wanneer de diagnose is gesteld is het belangrijk dat de patiënt inziet dat ze rustiger aan moet doen met haar rug. Activiteiten zoals tillen en buigen zal ze minder moeten doen. Met behulp van fysiotherapie kunnen de buikspieren en de rugextensoren getraind worden waardoor de stabiliteit rondom de lumbale wervelkolom verstevigd wordt.

Het informeren van de patiënt is in dit geval heel belangrijk. De patiënt moet goed inzien wat ze wel en niet mag doen, en hoe ze moet omgaan met de klacht.
Behandelplan


  • Spierkracht van de rugextensoren.

    • Kom vanuit buiklig omhoog op de ellebogen, en maak van het gehele lichaam een rechte plank. Om dit zwaarder te maken is het mogelijk om de ellebogen op een bosubal te laten rusten.

    • Breng vanuit buiklig de armen en benen 20cm van de grond en hou dit vast.

  • Spierkracht van de schuine buikspieren.

    • Breng vanuit ruglig tegelijkertijd de rechterknie en de linkerelleboog naar elkaartoe. Herhaal dit voor de andere kant.

    • Met een cable machine in de hand een lateroflexie maken terwijl de aandacht op de schuine buikspieren gericht is.

  • Instabiliteit verbeteren.

    • Met twee benen op een bosubal staan en overgooien met een bal. Om dit te vermoeilijken kan je als variant op één been gaan staan.

  • Leren omgaan met zware belasting.

    • Met een rechte romp naar voren buigen.

    • Squat oefeningen om de kracht vanuit de benen te halen tijdens het tillen.

    • Statische en dynamische oefeningen met gewichten of dynaband waarbij de TWK gestrekt blijft en de schouderbladen zoveel mogelijk in neutrale positie55, 56, 57


Bijlage 1(Diederik)


BIOPSYCHOSOCIALE PIJNMODEL

Pijn is in de eerste plaats een signaal dat er ergens in uw lichaam een beschadiging is opgetreden dat kan maar hoeft niet die tot een reactie kan leiden om u te beschermen. Bijvoorbeeld als u zich met uw hand brandt aan een kachel dan krijgt u pijn in de hand en trekt u direct uw hand terug als een beschermingsreactie.

Toch zal de ene persoon die zijn hand brandt anders reageren dan de andere persoon. De ene persoon zal het uitschreeuwen van de pijn en de andere persoon geeft geen kik, bijt de tanden hard op elkaar en zegt dat het wel meevalt. Allebei zullen ze wél hun hand als beschermingsreactie terugtrekken. Aan dit voorbeeld kunnen we zien dat het van de persoon tot persoon wisselt hoeveel pijn wordt aangegeven, terwijl het om dezelfde oorzaak van de pijn gaat.

Pijn is dus niet alleen een teken van een beschadiging, maar hoeveel pijn u aangeeft wordt ook bepaald door hoe u gewend bent om met pijn om te gaan. Ook andere bijkomende persoonlijke factoren zoals bijvoorbeeld het bestaan van een depressie of angst kunnen uw pijn erger maken.

Een andere belangrijk aspect van pijn is welke gevolgen deze heeft voor uw dagelijks leven zoals werk, huishouden of hobby of beter gezegd voor uw persoonlijke kwaliteit van leven. U zal meer last van de pijn hebben als deze voor u tot veel beperkingen leidt.

Naast lichamelijke en persoonlijke factoren zijn er ook sociale factoren die de mate van pijn kunnen bepalen. Bijvoorbeeld hangt het van de cultuur of land af waarin u woont hoe er met pijn wordt omgegaan wat weer bepaalt hoe u pijn beleeft.

Kortom, pijn wordt door meerdere en verschillende factoren bepaald en is niet hetzelfde als koorts bij een griep, waarbij alleen de factor infectie de hoeveelheid koorts bepaalt. Pijn kun je niet meten zoals bij koorts. Bij pijn zijn er meerdere factoren aanwezig die de mate van pijn kunnen bepalen en dat is dan ook de reden dat je pijn niet simpel kan meten.

Deze benadering van pijn zoals we die hierboven hebben beschreven, geldt voor alle soorten pijn ongeacht of er wel of niet een oorzaak van de pijn bekend is. Het geldt bijvoorbeeld voor pijn na een operatie, pijn door reuma of bij kanker. Wij noemen deze benadering van pijn, waarbij we met allerlei factoren rekening houden, het biopsychosociale model van pijn. Model wil zeggen hoe behandelaars van uw pijn tegen pijn aankijken.

Omdat er vele factoren (lichamelijke, psychische en sociale) zijn die de mate van pijn kunnen bepalen, wordt bij u op onze polikliniek naar al deze factoren een onderzoek gedaan. Allereerst wordt gekeken wat de lichamelijke oorzaak is. Hierbij wordt u algemeen lichamelijk, neurologisch en orthopedisch en manueelgeneeskundig onderzocht eventueel aangevuld door röntgenfoto's, scans en andere onderzoeken.

Daarnaast wordt gekeken welke psychische en sociale factoren invloed hebben op uw pijn. Dit wordt gedaan door middel van de pijnvragenlijsten die u hebt ingevuld voordat u voor de eerste keer op onze polkliniek door een pijnspecialist gezien wordt.58




Bijlage 2(Diederik)


Evidentie behandeling fysiotherapie LRS

Conclusie Niveau 1 Er zijn geen aanwijzingen dat fysiotherapie leidt tot een grotere pijnreductie of beter functioneel herstel bij LRS vergeleken met geen behandeling of huisartsenzorg.

A2 Hofstee 1995, Luijsterburg 2008

B Coxhead 1981


Conclusie niveau 2 De effecten van fysiotherapie (vergeleken met geen behandeling of huisartsenzorg) op ervaren herstel bij de patiënt met LRS lopen uiteen.

A2 Luijsterburg 2008

B Lidstrom 1970, Coxhead 1981
Evidentie behandeling manueel therapie LRS

Conclusie Niveau 3 Er zijn aanwijzingen dat in een geselecteerde populatie (met MRI aangetoonde discusprotrusie) manipulatie effectief is (ten opzichte van placebo) voor vermindering van pijnklachten bij het acute LRS, op korte en op lange termijn.

B Santilli 2006

Overige overwegingen

Het onderzoek van Santilli is in een geselecteerde populatie uitgevoerd, waardoor de generaliseerbaarheid van de bevindingen beperkt is. De studie is namelijk verricht bij patiënten bij wie binnen 10 dagen na ontstaan van de klachten een discusprotrusie door middel van MRI was aangetoond en een discusextrusie was uitgesloten. De werkgroep is van mening dat op basis van deze studie gezien het gunstige natuurlijke beloop in de vroege fase van een LRS, een verandering van de diagnostische praktijk (het in een vroeg stadium verrichten van een MRI) niet is aangewezen.

Niet ernstige bijwerkingen van manipulatie van de wervelkolom komen relatief vaak voor. Deze zijn mild, herstellen spontaan en zijn slechts kort van duur (Senstad 1997, Ernst 2007). Ernstige complicaties na manipulatie van de lumbale wervelkolom zijn uitermate zeldzaam en zijn alleen als case reports gepubliceerd.

Aanbeveling(en) Manipulatie wordt niet standaard aanbevolen bij LRS.

Er wordt aanbevolen verder onderzoek te verrichten naar de effectiviteit van manipulatie aangezien er bij een populatie van acute patiënten met LRS met een aangetoonde discusprotrusie positieve effecten zijn gevonden. 59




1 Studiehandleiding Methodisch Werken Casuïstiek, Hogeschool van Amsterdam, studiejaar 2011-2012

2 http://nhg.artsennet.nl/kenniscentrum/k_richtlijnen/k_nhgstandaarden/Samenvattingskaartje-NHGStandaard/M55_svk.htm - richtlijn nederlands huisartsen genootschap

3 http://www.cbo.nl/Downloads/364/concept_lrs_08.pdf - CBO richtlijn lumbosacraal radiculair syndroom, 2008

4 http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/j.1533-2500.2009.00319.x/

http://onlinelibrary.wiley.com/doi/10.1111/j.1533-2500.2010.00370.x/full

5 http://pijn.com/nl/patienten/oorzaak-pijn/biopsychosociale-pijnmodel/ - Het Universitair Pijn Centrum Maastricht (UPCM)

6 Hogeschool van Amsterdam Skills FLP-5 onderzoek Cervicale wervelkolom

7 http://www.aafp.org/afp/2010/0101/p33.html

8 http://www.nvvn.org/patienteninfo/rug-stenose.php, Laminectomie/ Lumbale kanaalstenose Rugcentrum waterlandsziekenhuis PDF

9 http://www.nvvn.org/patienteninfo/rug-stenose.php


10 Orthopedie, Verhaar/van der Linden, 1e druk 2003, bladzijde 364 en 424

11 Richtlijn M. Bechterew VvOCM, juni 2004

12 Orthopedie, Verhaar/van der Linden, 1e druk 2003

13 Oefentherapie bij Morbus Bechterew, Maike Reijers, Eindexamenopdracht afdeling Fysiotherapie Hogeschool Utrecht, december 2005, http://hbo-kennisbank.uvt.nl/cgi/hu/show.cgi?fid=6383

14 VvOCM richtlijn Bechterew

15http://www.sportzorg.nl/upload/Files/Chronisch/Bechterew_herdruk.pdf

16 Oefentherapie bij Morbus Bechterew, Maike Reijers, Eindexamenopdracht afdeling Fysiotherapie Hogeschool Utrecht, december 2005, http://hbo-kennisbank.uvt.nl/cgi/hu/show.cgi?fid=6383

17 Orthopedie, Tweede herziende druk, prof.dr. J.A.N. Verhaar en dr. J.B.A. van Mourik

18 KNGF richtlijn osteoporose.

19 Orthopedie , Verhaar, van der Linden, 3e druk 2003, bladzijde 232, 413

20Ziektebeelden, Vincent Hompes, Joost van de Kreeke, 2008

21 http://scriptiesonline.bib.hva.nl/document/117761

22 Orthopedische geneeskunde en manuele therapie, deel 2 Wervelkolom Eerste druk, 1997 bladzijde 175

23 http://www.vvocm.nl/images/upload/files/richtlijn%20scoliose%20Cesar.pdf

24 KNGF richtlijnen lage rugpijn en handleiding skills 201, fysiotherapeutische diagnose LWK

25 Waddell. G. The back pain revolution. Philadelphia: Churchill Livingstone, 1998

26 Nachemson AL. Newest knowledge of low back pain. A critical look. Clin Orthop Rel Research 1992;279:8-20.):

27 Scripties online, Rugklachten, wat te doen en wat te laten, geschreven door: Ilse van Oosten, Marie-José Koetsier, Marjolein Knaap, Steven Hartman, 2002

28 KNGF richtlijnen, lage rugklachten

29 Scripties online, Hogeschool van Amsterdam, ‘De relatie tussen lage rugklachten en buikspieren’, geschreven door Sander ter Weel en Vincent Deinum, 2004

30 Scripties online, Miranda Arts, Simons Lakeman en Elleke Moerke, 2009

31 KNGF richtlijn Zwangerschapsgerelateerde bekkenpijn

32 http://www.pmc-roosendaal.nl/content_40.asp en KNGFrichtlijn ZGBP

33 Orthopedische geneeskunde en manuele therapie Deel 2 Wervelkolom, Dos Winkels en Geert Aufdemkampe

34 http://www.fysiotherapiemcga.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=29&Itemid=29

35http://books.google.nl/books?id=ubUfpIAGQsgC&printsec=frontcover&dq=orthopedische+geneeskunde+en+manuele+therapie&hl=nl&ei=cfmNTpelIMftOdGc7aMB&sa=X&oi=book_result&ct=result&resnum=1&ved=0CDcQ6AEwAA#v=onepage&q&f=false


36 http://www.pijnpolikliniek.info/index.php?page=4§ion=2

37 http://scriptiesonline.bib.hva.nl/document/49874

38 http://www.codexmedicus.nl/sectie/16/Chap16disp1800/Brachialgie_(cervicobrachialgie).html

39 arbokennisnet Saltsa rapport CANS

40 KNGF richtlijn: klachten aan de arm nek en/of schouder

41 KNGF richtlijn: klachten aan de arm nek en/of schouder

42 SKILLS reader FLP-3

43 Bron: KNGF richtlijn: klachten aan de arm nek en/of schouder


44 arbokennisnet Saltsa rapport CANS

45 scriptieonline.hva.nl/ziektebeelden

46www.whiplashstichting.nl

47 Richtlijn KNGF Whiplash

48 KNGF richtlijn Whiplash

49 Dos Winkel en Geert Aufdemkampe, Orthopedische geneeskunde en manuele therapie, deel 2 Wervelkolom, Eerste druk 1997 bladzijde 248-249

50 KNGF Richtlijn Whiplash/www.whiplashstichting.nl


51 http://scriptiesonline.bib.hva.nl/document/203252

52 Knuistingh e.a. 2004, Graves 2006, Hall e.a. 2008, SIGN 2008

53 https://www.kngfrichtlijnen.nl/index.php?NODE=2004&richtlijn=8&versie=22&hoofdstuk=108 – Hartrevalidatie

54 Reader therapie CWK van de Hoge school van Amsterdam

55 http://www.mavicevap.com/medi/nl/782.html

56http://www.chirurgenarnhem.nl/media/File/orthopedie/Aandoening%20pagina%20orthopedie/Lendewervelafglijding.pdf

57 http://hbo-kennisbank.uvt.nl/cgi/hu/show.cgi?fid=5407

58 http://pijn.com/nl/patienten/oorzaak-pijn/biopsychosociale-pijnmodel/

59 http://www.cbo.nl/Downloads/364/concept_lrs_08.pdf


Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina