Naamprojectgroep: F233 B



Dovnload 363.02 Kb.
Pagina6/7
Datum07.11.2017
Grootte363.02 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Zwangerschapsgerelateerde bekkenpijn (ZGBP) (Marianne)



Algemene informatie over de aandoening

Bekkenpijn tijdens of na de zwangerschap is een vorm van aspecifieke lage rugklachten. Het is een veel voorkomende aandoening, tussen de 34e en de 40e week van de zwangerschap zoekt 20 procent van alle zwangere vrouwen met ZGBP (para)medische hulp. Slechts in een beperkt aantal landen, waaronder Nederland en de Scandinavische landen, wordt ZGBP beschreven en gediagnosticeerd als een aandoening apart van lage rugpijn.

Zwangerschapsgerelateerde bekken- en lage rugpijn (ZGBP) onderscheiden van rug- en bekkenklachten die buiten de zwangerschap voor kunnen komen en soms chronisch zijn. Een combinatie van ZGBP en deze (chronische) lage rugpijn is mogelijk.

Het is heel moeilijk om tijdens de zwangerschap of kort na de bevalling een duidelijk onderscheid te maken tussen symptomen die wel en symptomen die niet gerelateerd zijn aan de zwangerschap. Verschillen tussen ZGBP en gewone lage rugpijn zouden zich kunnen voordoen met betrekking tot pijnlokalisatie, intensiteit, soort pijn, spierfunctieverlies (verlies van kracht in het been), positieve pijnprovocatie en mate van beperking. De wetenschappelijke onderbouwing hiervoor is zeer beperkt en tegenstrijdig.


Bij ZGBP tijdens de zwangerschap is pijn het belangrijkste symptoom. De pijn kan aanwezig zijn ter hoogte van het sacrum, laag in de rug, de bilstreek, al dan niet met uitstraling naar de bovenbenen en/of rondom het schaambeen met mogelijke uitstraling naar de lies en voorzijde van het bovenbeen.

De pijn wordt vaak beschreven als stekend en schietend. Vaak is de pijn mild, maar 25 procent van de vrouwen met ZGBP geeft ernstige pijn aan. Verandert de pijn niet met het veranderen van houding, dan is deze pijn een rode vlag en moet verwezen worden naar huisarts, verloskundige of gynaecoloog. De pijn kan samengaan met beperkingen in dagelijkse activiteiten. Veel vrouwen praten over een plotseling gevoel van verlies van controle over één been, een enkele keer samengaand met daadwerkelijk door het been zakken.

Activiteiten als staan, zitten, voorwaarts buigen, tillen en traplopen kunnen de pijn verergeren. Er kunnen participatieproblemen ontstaan. De ervaren beperkingen en participatieproblemen kunnen zowel vroeg als laat in de zwangerschap optreden.31
Specifieke gegevens uit verwijzing/DTF

Rode vlaggen tijdens en na de zwangerschap



  • Persisterende onbegrepen pijn in het gebied van bekken en lage rug.

  • Probleem elders in het lichaam; buik, organen kleine bekken.

  • Uitstralende pijn in een of beide benen die verder reikt dan de knie.

  • Toenemende of ernstige motorische uitval.

  • Toenemende of ernstige sensibele uitval.

  • Algemene malaise.

  • Historie van maligniteit of trauma.

Belangrijkste symptomen

  • De pijn is niet provoceerbaar of reduceerbaar bij het uitoefenen van functies of het uitvoeren van activiteiten.

  • De pijn in de benen overheerst die in bekken en lage rug.

  • Toenemend krachtverlies in een of beide benen die te objectiveren is.

  • Veranderde sensibiliteit in de benen of rijbroekanesthesie.

  • Zwaar gevoel in onderbuik en bekkenbodem; problemen met ophouden van urine en ontlasting.

  • Gynaecologische klachten.

  • Onverklaard gewichtsverlies.

  • Gevoel van ziek-zijn, eventueel met koorts.


Informatie uit anamnese

De anamnese bij een patiënt met zwangerschapsgerelateerde bekkenpijn is in grote lijnen hetzelfde als die van lage rugpijn, het verschil is dat bij deze aandoening meer nadruk op de verwachtingen van de patiënt wordt gelegd.


Onderzoeksdoelen

Observatie tijdens de zwangerschap en na de bevalling

  • Asymmetrie in houding en beweging.

  • Voorzichtig en aarzelend bewegen.

  • Waggel- of schuifelgang.

  • ‘Catching the leg’ (ofwel met één been slepen tijdens het nemen van een stap; een klacht die na de bevalling wel vaker subjectief wordt aangegeven, maar zelden objectief is vast te stellen).


Bewegingsonderzoek

  • In kaart brengen van de actieve mobiliteit van de lumbale wervelkolom, heupen en onderste extremiteiten.

  • Beoordelen van het algemene bewegingsverloop tijdens adl (gaan zitten, aankleden enzovoort) en van de onderste extremiteiten op mobiliteit, bewegingsverloop en provocatie van klachten met eventueel aanvullend afname van de ‘Active Straight Leg Raise test’ (ASLR) aangevuld met de bekkenbandtest (consensus werkgroep).

  • Het vaststellen van de mogelijkheid tot aanspannen van de dwarse buikmusculatuur.

  • Het vaststellen van de mogelijkheid tot aanspannen van de m. gluteus maximus en de adductoren van de heup.

  • De verder te onderzoeken functies en activiteiten komen voort uit de anamnese en in het bijzonder uit de hulpvraag van de patiënte en haar problemen ten aanzien van de adl en bevindingen van de PHODA.

  • Het onderzoek naar de beperkingen in activiteiten is voornamelijk gericht op activiteiten, zoals: tillen, opstaan, gaan zitten, lopen enzovoort. Het pijngedrag wordt geobserveerd en vastgelegd met de Nederlandstalige Pain Behavior Scale, de Pijn Gedrag Schaal, PGS.


Behandeldoelen

Het algemene einddoel van de fysiotherapeutische behandeling is gericht op begeleiding van de patiënte naar een ‘zo volledig mogelijk functieherstel’.


Behandelplan

Tijdens de zwangerschap

  • Adviseren en informeren. Het is goed om te blijven bewegen tijdens de zwangerschap op geleide van pijn. Advies over het omgaan met de klachten.

  • Houdings- en bewegingsadviezen

  • Lichte oefeningen ter versterking van de rug-, bil- en buikspieren32



Na de zwangerschap

  • Adviseren en informeren. Doorgaans zijn rust (geniet van de kraambedperiode!), oefeningen, het opvolgen van instructies en het leren respecteren van pijngrenzen goed voor een goede verloop van het herstel.

  • Vergroten van de belastbaarheid door o.a. het versterken van de spieren die de stabiliteit van het bekken en de lage rug handhaven en het verbeteren van de conditie.

  • Oefentherapeutische verrichtingen ter verbetering van de algemene conditie, balansverbetering met extra aandacht voor het trainen van de coördinatie van de stabiliserende musculatuur.

  • Opbouw van activiteiten en participatie.


Meetinstrumenten

Door de Patiënt in te vullen:

a. VAS: intensiteit van pijn gedurende deze dag en week;

b. Roland Disability Questionnaire (RDQ)

c. Impact on Participation and Autonomy (IPA): de subschalen ‘Zelfverzorging’ en ‘Bezigheden thuis en gezinsrol’

Door de fysiotherapeut in te vullen:

d. Photograph series Of Daily Activities (PHODA)

e. Pijn Gedrag Schaal (PGS).


Onderbouwing:

  • KNGF richtlijn Zwangerschapsgerelateerde Bekkenpijn.


Pijnklachten SIG (Thomas)



Algemene informatie over de aandoening

De SI gewrichten zijn starre gewrichten die vrijwel onbeweeglijk zijn. Ze zijn met elkaar verbonden door ligementaire verbindingen. Er zijn ook verbindingen aan voor- en achterzijde van het bekken en het onderste deel van de wervelkolom. Het is niet helemaal zeker of het SI-gewricht zelf de pijn veroorzaakt of dat de omliggende structuren hiervoor verantwoordelijk zijn. Daarbij kunnen pijnklachten t.h.v. de SI-gewrichten ook wel voortkomen uit de lage rug of uit het kleine bekken. Er is dan sprake van de z.g.n. 'referred pain' .


Informatie uit anamnese

Beloop van de klacht. Co-morbiditeiten

Gebied van de pijn. Uitstraling behoefte aan informatie

Bewegingen die de klacht verminderen woonsituatie

PSK tintelingen

24 uurs beeld Heeft er een trauma voor gedaan


Onderzoeksdoelen

In kaart brengen mobiliteit SI gewricht

Provocatietesten ;


  • Cluster van Van der Wurff;

    • Distraction test

    • Compression test

    • Thigh Thrust test

    • Gaenslen’s test

    • Patrick’s sign

  • Mobiliteitstesten; niet valide

    • Vorlauftest in stand

    • Vorlauftest in gestandariseerde houding

    • Vorlauftest met stand op een been (links)

    • Vorlauftest met stand op een been (rechts)

    • Vorlauftest in zit


Behandeldoelen

Mobiliseren van het SI gewricht.


Behandelplan33

Mobilisering van de nutatiebeweging Verouderde gedachte. Het is aspecifieke rugpijn na 6 maanden chronisch pijn ook de behandeling is gelijk aan die van chronsch pijn.

Het is in de meeste gevallen niet mogelijk te bepalen of het SI-gewricht in een nutatiestand, ofwel een contranutatiestand geblokkeerd is. Het is het handigst om met de manuele nutatie-mobilisering te beginnen. Hoewel men er in de ‘manuele therapie’ ervan uitgaat dat het SI-gewricht meestal in de nutatie richting is geblokkeerd, kan deze bewering niet worden bevestigd. Er is bij de meeste blokkeringen juist met deze techniek de beste resultaten verkregen. Als er bij deze techniek pijn of toename van pijn ontstaat, moet men deze meteen stoppen met de behandeling. De pijn is waarschijnlijk het gevolg van het feit dat het gewricht in de nutatiestand is geblokkeerd. Men zal dan meteen de contranutatie-mobilisering uitvoeren.


Uitgangshouding patiënt :

De patiënt ligt op zijn zij op de behandelbank met het te behandelen been boven. DE LWK wordt eerst geflecteerd, dan gelateroflecteerd in de richting van de te behandelen zijde door de klep van de bank ong. 30 graden omhoog te brengen. Daarna wordt in heterolaterale richting geroteerd. De ondergelegen arm ligt nu achter de patiënt. De bovenliggende arm wordt zo geflecteerd, dat de elleboog ter hoogte van het hoofd ligt.


Uitgangshouding therapeut:

De therapeut staat tegenover de patiënt en fixeert met de knie die het dichtst bij de benen van de patiënt bevindt het onderliggende been van de patiënt in extensie van de heup. De LWK moet in flexie blijven. Met beide handen wordt nu de bovenliggende bekkenhelft van de patiënt omvat terwijl het bovenligende been in heup en knie wordt geflecteerd . Het bovenbeen wordt gefixeert tussen bovenarm en romp van de therapeut. De caudale hand (t.o.v. de patiënt) pakt de crista iliaca , de onderarm heeft contact met het tuber ischiadicum. De craniale hand (t.o.v. de patiënt) omvat de Sias. De therapeut kan de vingers in elkaar haken.



Mobilisatie van de contranutatiebeweging

Uitgangshouding patiënt;

De patiënt ligt in zijlig op de behandelbank, met de behandelde zijde boven. De patiënt ligt zo dicht mogelijk bij de rand aan de andere zijde dan de therapeut. Om de mobilisatie zo goed in het SI-gewricht te doen plaatsvinden, wordt de LWK geextendeerd in combinatie met rotatie en lateraalflexie naar de te behandelde zijde toe. De heup die niet wordt behandeld wordt maximaal gefelcteerd.


Uitgangshouding therapeut:

De therapeut staat tegenover de ventrale zijde van de patiënt en omvat het bovenliggende been van de patiënt zo, dat dit op de onderarm van de caudale arm(t.o.v. de patiënt) van de therapeut rust. Met beide handen wordt nu de bovenliggende bekkenhelft omvat; de caudale hand wordt op het tuber ischiadicum geplaatst en de craniale hand op de sips en de crista illiaca. Ter stabilisering wordt het onderliggende been van de patiënt zo om de romp van de therapeut geplaatst, dat het bovenbeen van de patiënt op de crista iliaca rust van de therapeut.


Uitvoering:

De bovenliggende bekkenhelft wordt naar ventraal bewogen. Ter verbetering van de mobilisering kan de therapeut met zijn romp de geflecteerde heup van de patiënt nog verder in flexie brengen, terwijl de bovenarm van de therapeut het in de heup geextendeerde been van de patiënt tegelijkertijd nog verder extendeert. Evenals de nutatiemobilisering kan ook deze techniek manipulatief uitgevoerd worden. 34, 35




Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina