Naamprojectgroep: F233 B



Dovnload 363.02 Kb.
Pagina4/7
Datum07.11.2017
Grootte363.02 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Osteoporose (Jan)



Wat is osteoporose?

Osteoporose is een aandoening die wordt gekenmerkt door een verlaagde botmassa en microarchitecturele verandering (verstoring van de samenhang van het bot) in het bot, waardoor het risico op fracturen na een minimaal trauma is toegenomen. Osteoporose behoort tot de metabole botziekten. Metabole botziekten omvatten een groep van ziekten die gekarakteriseerd worden door een disbalans tussen botaanmaak en botafbraak (remodelling) of interfereren bij de groei van het skelet tot zijn volwassen omvang. Osteoporose is de meest voorkomende metabole botziekte.

Normaal vindt aan het bot een continue botaanmaak en botafbraak plaats. Deze processen zijn nauw met elkaar verbonden en zorgen ervoor dat er kwalitatief goed bot wordt behouden. Een afname van de botafbraak zal ook leiden tot een afname van de aanmaak. Dit is ook meteen de reden waarom er botverlies optreed dit kan door een sterke toename van de botafbraak en/of door een afname van de botaanmaak.

Het skelet van de mens bestaat uit twee verschillende soorten bot het corticaal (schacht) en spongieus/trabeculair (balkjes ) bot. Corticaal bot vind je vooral in de heuphals (collom femoris). Trabeculair bot bevindt zich vooral in het uiteinde van pijpbeenderen, in de polsen en in de wervels. De verhouding tussen oppervlak en volume van het trabeculair bot is veel groter dan die tussen corticaal bot. Hoewel de totale hoeveelheid corticaal bot (80%) veel groter is dan de hoeveelheid trabeculair bot (20%), zullen veranderingen in de botombouwactiviteit zoals osteoporose dus eerder effect hebben in spongieus bot zoals de wervelkolom, dan in het corticale bot van de heuphals.17


Je kan osteoporose opdelen in twee patiënten groepen primaire en secundaire osteoporose.

Primaire osteoporose houd in dat het botverlies samenhangt met het normale verouderingsproces, zonder verdere oorzaak. Dit dus door een abnormaliteit in het koppelingsmechanisme tussen botaanmaak en botafbraak. Primaire osteoporose kan je dan ook weer onderverdelen in postmenopauzala en ouderdomsosteoporose.

Postmenopauzala osteoporose komt voor bij vrouwen tussen 51 en 61 jaar, waar een verhoogd verlies van trabeculair botweefsel. Dit verlies van botweefsel kan tot wervelfracturen leiden. Ouderdomsosteoporose komt voor bij mannen en vrouwen ouder dan 65 jaar. Het word gekenmerkt door een verlies van trabeculair en corticaal botweefsel en dit kan leiden tot heupfracturen en wervelinzakkingen.

Dan heb je ook nog secundaire osteoporose dit is het geval als er een aanwijsbare oorzaak is.18


Specifieke gegevens uit verwijzing of directe toegankelijkheid?

  • Hevige pijn in rust zonder oorzaak.

  • Zwelling in de lies.


Anamnese aanvullend voor osteoporose:

Bij osteoporose staat pijn op de voorgrond, dus de anamnese richt zich in eerste instantie op stoornissen in functies en anatomische eigenschappen. Maar het is ook belangrijk om uit te vragen wat de beperkingen in activiteiten en participatie zijn en wat de invloeden van persoonlijke en omgevingsfactoren zijn.

Het inventariseren van het risico op fracturen is ook belangrijk en de functiestoornissen van spieren, gewrichten en stoornissen in gang en balans. Bij mensen met een verhoogd risico op osteoporose zal een risico screening op factoren voor osteoporose en vallen worden uitgevoerd.

Als mensen osteoporose hebben in hun wervelkolom, hebben de meeste patiënten meestal ook klachten ergens anders waardoor het valrisico toeneemt.


Onderzoeksdoelen

Het onderzoek bestaat uit:



  • Inspectie/obervatie en palpatie

    • Zijn er tekenen van een wervelimpressie.

    • Observatie van de houding.

    • Observatie van de balans tijdens staan en zitten.

    • Kloppijn.

    • Verhoogde gevoeligheid.

  • Onderzoek en vaardigheidsanalyse

    • Meten van de spierfunctie: kracht en uithoudingsvermogen van extensoren wervelkolom doormiddel van weerstandsonderzoek.

    • Meten van de mobiliteit van wervelkolom: anteflexie, dorsaalflexie, latroflexie en de rotatie dit doe je doormiddel van mobiliteitsonderzoek.

  • Bewegingspatroon: gang en balans.

    • Kijken hoe de patiënt zich beweegt of er compensaties optreden of dat ze snel uit balans is.

  • Transfers.

    • Als de patiënt in de anamnese heeft aangegeven dat ze moeite heeft met transfers moet je die laten uitvoeren en kijken hoe die gaan.

  • Anderen klachten die geïnventariseerd zijn onderzoeken.


Behandeling (algemeen)

De rol van de fysiotherapeut bij het behandelen van osteoporose is:



  • Het begeleiden van patiënt door onder meer informatie over osteoporose en de gevolgen hiervan te vertellen. Het adviseren in relatie tot een actieve leefstijl, en het instrueren ten aanzien van het gebruik van eventuele (loop)hulpmiddelen.

  • Als de patiënt door zijn/haar osteoporose moeite heeft met haar balans te houden/of ze valt vaak en daardoor kans op fracturen, dan moet je het risico van fracturen verminderen door middel van balans te trainen en het verlagen van valrisico, met als aangrijpingspunten stoornissen (zoals afgenomen spierkracht of balans) en beperkingen (zoals moeite hebben met lopen en transfers.

  • Als er andere klachten zijn samenhangend met klachten van osteoporose aan het houding- en bewegingsapparaat zoals pijn, een veranderde lichaamshouding (vergrote kyfose), verminderde spierkracht, verminderde balans, afgenomen mobiliteit van gewrichten of valangst ga je die ook trainen, dit door middel van oefentherapie.


Behandelplan

  • Beginnen met informeren en adviseren.

  • Voorkomen van meer valincidenten/fracturen:

  • Verbeten van de spierfunctie dit door middel van oefentherapie.

  • Het verbeteren van de houding door middel van het inbouwen van extensieoefeningen in het bewegingsprogramma en adl zodat de kyfose niet toeneemt.

  • Het verbeteren van balans/transfers: trainen met oefenvormen zoals starten, remmen, van richting veranderen en vanuit beweging op een been gaan staan.

  • Verbeteren van gewrichtsfunctie: het aanreiken van functies/activiteit ter vergroting van de mobiliteit van de gewrichten.


Meetinstrumenten

  • VAS

  • PSK

  • Goniometer

Testen voor gang en balans:



  • Performance oriented Mobility Assessment (POMA)

  • Functional Reach (FR)

  • Get-Up-And-Go test (GUGT)

  • Berg Balance Scale (BBS)



Morbus Scheuermann (Dorien)



Wat is M. Scheuermann?

Morbus Scheuermann, oftewel ‘osteochondrosis juvenilis dorsi’, is een vorm van osteochondrose van de ringapofyse van de wervels, die leidt tot een versterkte thoracale kyfose. De ringapofyse is verantwoordelijk voor de hoogte groei van de wervels. Het ontstaat tussen het 13e en 17e jaar, en verstoort de groei van de wervellichamen aan de ventrale zijde (meestal de 6e t/m de 12e borstwervel). Hierdoor krijgen de wervellichamen een wigvorm. De ziekte kan een aantal jaar duren, tot het einde van de groei.

De diagnose wordt gesteld aan de hand van een röntgen foto op de volgende criteria: wigvormige afplatting van ten minste 3 wervellichamen van meer dan 5 graden en onregelmatig begrensde ringapofyse van de wervels. Daarnaast kunnen de tussenwervelschijven versmald zijn en kan protrusie van discus materiaal in het corpus vertebrae (Schmorl-impressies) aanwezig zijn.

Onderscheid tussen een structurele en houdingsafhankelijke kyfose is van groot belang. Er is geen bewijs dat er een verhoogde kans is op latere pijnklachten of functiestoornissen. Pijn kan ontstaan na een groeispurt, in de vorm van een zeurende of stekende pijn tijdens buigen, tillen of sportieve activiteiten. Naarmate de kyfose toeneemt en stugger wordt, kan compensatoir een versterkte lumbale/cerviale lordose ontstaan. 19,20,21


Specifieke gegevens uit verwijzing of directe toegankelijkheid

  • Pijn voor het 20e levensjaar (vanaf puberteit)

  • Familiaire aanleg

  • Röntgenfoto’s gemaakt of specialist bezocht


Anamnese

  • Zijn er klachten of zorgen over de toenemende kyfose?

  • Aard van de klachten, beloop, ontstaan

  • Provocatie van de klachten

  • PSK: bij welke bewegingen of activiteiten heeft de patiënt last

  • Indicatie van dagelijkse belasting, bijv. schooltas of bijbaan

  • Longklachten


Onderzoeksdoelen

  • Vaststellen spierlengte van de mm. pectorali

  • Is er voldoende spierkracht om de thoracale wervelkolom te strekken?

  • Vaststellen of de patiënt de rug op een gunstige manier belast


Diagnostiek, specificiteit en sensitiviteit van de tests

De diagnose wordt gesteld aan de hand van een röntgen foto op de volgende criteria: wigvormige afplatting van ten minste 3 wervellichamen van meer dan 5 graden en onregelmatig begrensde ringapofyse van de wervels. Daarnaast kunnen de tussenwervelschijven versmald zijn en kan protrusie van discus materiaal in het corpus vertebrae (Schmorl-impressies) aanwezig zijn.


In het vroege stadium is de behandeling gericht op strekking van de thoracale wervelkolom. De versterkte kyfose zal hierdoor nauwelijks verbeteren, maar het kan een gunstig effect hebben op de pijn. Voor de ernstigere gevallen kan een bracebehandeling worden overwogen. De groei van de pijpbeenderen stopt voor het 18e levensjaar, maar de uitrijping van de wervelkolom gaat nog door tot het 25e levensjaar. Een bracebehandeling is daardoor moeilijk vol te houden. In uitzonderlijke gevallen kan de patiënt chirurgisch behandeld worden d.m.v. een spondylodese. Criteria: een bocht van meer dan 70 graden met progressieneiging, pijn en grote motivatie van de patiënt.
Behandeldoelen voor de fysiotherapeut

  • Adviseren over de aandoening

  • Behouden van de thoracale strekking

  • Normale spierlengte van de mm. pectorali

  • Leren omgaan met zware belasting

  • Spierkracht thoracale rugstrekkers verbeteren en behouden

  • Spierkracht scapula adductoren


Behandelplan

  • Mobiliteit in de thoracale wervelkolom

  • Spierversterking bovenste kwadrant voor optimale thoracale strekking

    • Vanuit buiklig de bovenrug met schouders als een geheel opheffen

    • Over een oefenbal of bosubal liggen en de bovenrug optillen

    • Vanuit thoracale strekking bal gooien

NB De kracht dient te worden geleverd door de bovenrugspieren. Indien er teveel spanning wordt gevoeld in de lumbale regio, kan worden gevraagd de bilspieren en buikspieren wat extra aan te spannen

  • Rekoefeningen van de mm. pectorali

    • 180 graden anteflexie in ruglig

    • Exorotatie in 90 graden abductie van de schouder

    • Armen schuin omhoog in de deuropening met de hand aan de deurpost

  • Spierversterking van de scapula adductoren

    • In buiklig de schouders in retractie en depressie bewegen, eventueel met gewichtje.

    • In zit de schouderbladen naar elkaar toe bewegen, zowel vanuit een exorotatie van de schouder, later zonder beweging in het schoudergewricht

    • Uitstoten en terugbewegen naar neutraal, de laatste beweging liefst met de dynaband.

  • Leren omgaan met zware belasting

    • Met een rechte romp naar voren buigen (vanuit de heupgewrichten)

    • Squatoefening om de kracht vanuit de benen te leren tillen

    • Statische en dynamische oefeningen met gewichten of dynaband waarbij de TWK gestrekt blijft en de schouderbladen zoveel mogelijk in neutrale positie. 22


Meetinstrumenten

  • Pijn: Visual Analogue Scale (VAS)

  • PSK


Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina