Interpretatie



Dovnload 0.82 Mb.
Datum28.04.2018
Grootte0.82 Mb.

Interpretatie

Denken
Wat is denken eigenlijk? Welke ideeën bestaan hierover? Wat gebeurt er als je denkt? Waar ben je als je denkt? Wat is het effect van denken? Wat is van invloed op het denken? Welke vormen van denken zijn er? Hoe verhoudt denken zich met gevoel, passie, instinct, emotie, rationaliteit, rede, verstand, logica, hersenen, ziel, waarneming, taal, cultuur, geschiedenis, …?

Deze cursus behandelt de belangrijkste ideeën en laatste inzichten met betrekking tot wat het denken is. Eventuele teksten worden tijdens de cursus uitgereikt of aangereikt.

Iedereen, ongeacht voorkennis, zou moeten kunnen deelnemen, mits men de moed heeft het eigen denkvermogen in te zetten.

  1. Inleiding


Deze cursus is een filosofische verkenning van het denken zelf. Omdat het ultiem filosofisch is om na te denken over het denken maar ook omdat het denken ons zo na ligt en er eigenlijk zo weinig over het denken zelf nagedacht wordt. Omwille van het denken moet het denken zelf dus gedacht worden.

Vreemd genoeg zijn er geen belangwekkende werken geschreven over het denken zelf. De Kritieken van Immanuel Kant1 komen aardig in de buurt en deze zullen ook af en toe gaan opduiken in deze cursus. Ik wil voor deze cursus echter niet één boek als uitgangspunt nemen, de cursus gaat dan gemakkelijk vooral over dat boek en zo missen we wellicht andere zaken. Daarnaast vind ik het ook interessant om vooral te gaan denken en niet lezen, vooral met het onderhavige onderwerp.


We gaan het als volgt aanpakken:

Om te beginnen gaan we ons algemeen bezinnen op het denken aan de hand van een aantal definities. Vervolgens gaan we het denken fenomenologisch ontleden: welke verschillende elementen treffen we aan als we onbevooroordeeld al denkend bij het denken verwijlen? We doen dit door bij elke les een aantal vragen en stellingen als uitgangspunt te nemen. Ik geef steeds de vragen van de week mee voor de volgende les, met een eerste verkenning van mijn kant op schrift. De cursisten gaan daarop vooral thuis zelf nadenken en in de les bespreken we onze resultaten. We zullen merken dat we steeds in cirkels gaan lopen: steeds komen dezelfde elementen terug, maar als het goed is in een steeds hoger begrip!

De volgende aspecten zullen ons geestesoog passeren (en wellicht meer):

Transcendentie en immanentie

Denkhoudingen

Waarneming

Symbolische ruimte, taal

Dialoog


Verbeelding

Logisch redeneren

Oordelen

Dialectiek

Interpreteren

Denken en het onbewuste

Externalisme versus internalisme

  1. Definities van denken




    1. Wikipedia: denken als gedachtefabriek

Op Wikipedia kan de volgende definitie van denken gevonden worden:


Denken kan omschreven worden als een innerlijk of mentaal proces waarbij een beeld of voorstelling(van iets of iemand), herinnering (van iets of iemand), of idee (inzicht, begrip, plan) wordt gevormd. 
Drie zaken staan centraal in deze definitie:

1. denken is een proces, een activiteit;

2. denken vormt voorstellingen of herinneringen van zaken buiten het denken en

3. het denken kan ook ideeën vormen, die wezenlijk onderscheiden kunnen worden van voorstellingen of herinneringen.


Wat betekent dit?

denken is niet een simpelweg ontvangen van indrukken van buitenaf: denken is geen eenvoudig uitgevoerde vaststelling van hoe zaken in elkaar steken. Denken is arbeid en de gedachten moeizaam verkregen producten van deze arbeid. Dit houdt meteen in dat gedachten of herinneringen niet per definitie waar hoeven te zijn: het zijn immers ten minste deels “constructies” of in het geval van herinneringen: reconstructies. In constructies kunnen constructiefouten zitten.

voorstellingen en herinneringen zijn:

uitdrukking van een ervaring van iets buiten de ervaring. Dit klinkt simpel en is dit ook omdat het zo algemeen is, maar deze algemeenheid vermindert de wonderbaarlijkheid niet: in het ding “mens” komen de dingen buiten dat ding (en dat ding zelf) tot een weerklank in het denken. In de beleving van het ding mens bestaan de dingen buiten het ding. Sommige filosofen zeggen het zo: de mens is het ding dat een ervaring van andere dingen “als andere dingen” heeft.

(re-)constructies van zintuiglijke ervaringen tot er volledige voorstellingen van dingen in ruimte en tijd van zijn gemaakt.

naast voorstellingen en herinneringen (van dingen in de wereld) kan het denken ook nog iets anders produceren: ideeën. Dit zijn dus geen dingen (of objecten) in ruimte en tijd, maar kunnen grotere of andere verbanden uitdrukken. Ideeën zijn daarmee uitdrukking van het vermogen om, los van indrukken van buiten af, samenhang voor te stellen en te hanteren. Begrippen met betrekking tot emoties en beweegredenen zijn in deze zin ideeën omdat ze geen voorstelling van dingen zijn waar direct zintuiglijke indrukken de grondstof voor zijn geweest, maar die wel de samenhang tussen voorstellingen voorstellen: die bijvoorbeeld verklaren waarom het ene ding het andere ding de hersens inslaat.


Deze definitie van denken gaat uit van rationeel hanteerbare producten van het denken die gericht zijn op een “denkmatige” weergave van de werkelijkheid.

Is deze definitie treffend en volledig? Zijn er nog andere producten of vaardigheden die naast de hier genoemde moeten worden uitgewerkt?



    1. Immanuel Kant: denken als functie van het bewustzijn


De beroemde Kritik van de zuivere Rede van Kant (1724-1804) heeft als eerste doel om een kentheorie te ontwikkelen: om te bepalen hoe ons denken van invloed is op de waarneming en aldus daarin “wat van buiten komt” en wat wij er van maken van elkaar te scheiden en te kunnen beoordelen.

Kant ontdekt dat ons denken (als het gaat om waarneming en begripsbepaling van de wereld om ons heen noemt Kant dit “Rede”) niet zozeer een rem is op onze vrije blik op de werkelijkheid maar dat het eerder het levende wezen dat wij zijn in staat stelt om een bewust begrip te krijgen van die wereld. Sterker nog: bewustzijn en denken zijn niet van elkaar te scheiden en wat wij zelfbewustzijn noemen is een virtuele plek (Kant: “transcendentaal subject”) waar zintuiglijke indrukken worden gebracht door denkactiviteiten, worden omgevormd (Kant noemt dit subsumeren) tot bewuste inhouden.

In de chaos aan prikkels die we ontvangen uit onze zintuigen voeren we ordeningen uit die er op gericht zijn om de prikkels om te zetten in voorstellingen in ruimte en tijd. Deze ordeningen zijn in feite denkactiviteiten: we hanteren logische vormen om een helder begrip te krijgen van wat we zien en horen. De vormen kunnen we zelf niet direct zien of vinden maar we kunnen ze afleiden als de vooraf gegeven mogelijkheden om prikkels te kunnen vatten. Zoals de poffertjespan gaatjes heeft om poffertjes te bakken met het vormeloze beslag, zo heeft het denken logische vormen om dingen te maken uit zintuiglijke prikkels.

Deze vormen noemt Kant Categorieën: het zijn de mogelijkheidsvoorwaarden waaronder iets tot bewustzijn kan worden gebracht. Oorzakelijkheid is bijvoorbeeld zo’n categorie.


“Hogere” gedachten, zoals de ideeën ziel, god of wereld hebben geen zintuiglijke inhoud, maar dienen om het leven van het bewustzijn tot een hoger plan te brengen: om een gemeenschap van bewuste wezens mogelijk te maken. Ook hier dient de rede het bewustzijn: door god, wereld en de ziel te denken word het bewustzijn in staat een sociaal, moreel en communicerend wezen te worden: het bewustzijn wordt dan pas een ik tussen andere ikken.

    1. Martin Heidegger: denken als aandacht


Martin Heidegger (1889-1976) ervoer de in de westerse traditie gegeven definities van het denken als de uitdrukking van een gewelddadige en subtiele denkideologie die hij “Techniek” noemde. In de Techniek wordt het denken uitgelegd als een hulpmiddel ten einde de wereld om ons heen te onderwerpen en om te vormen. De relatie tussen het denken en het gedachte was daarbij bij voorbaat bepaald als die tussen een meester en een slaaf of als die tussen een fabriek en grondstof. Ideaal denken is in deze ideologie denken waarin een onderwerp volledig in oorzaakgevolg relaties wordt uitgelegd en liever nog: verklaard in mechanische voorstellingen. Denkarbeid wordt in onze tijd volgens Heidegger steeds meer alleen nog gewaardeerd als het bijdraagt aan de immer zich ophopende instrumentele kennis.

Hier tegenover wilde Heidegger het denken “denkender” maken: het denken begint namelijk als verwondering. Als het onzekere en vragende ontvangen van wat zich aandient, zonder eisen en verwachtingen. Denken zou geen voorop gestelde doelen of succescriteria moeten hebben maar moet zich alleen maar afvragen of in de gedachten voldoende recht wordt gedaan aan wat er wordt gedacht. Alleen zo kan zin en betekenis worden afgewogen van menselijke projecten, zoals industrialisering, schaalvergroting en globalisering. In het andere geval wordt het denken “dienend” aan deze constellaties en kunnen deze niet meer zelf vanuit hun oorsprong en betekenis worden gedacht en uiteindelijk niet meer worden bekritiseerd, omgevormd of gekeerd.

Ook een denken als dat van Kant is ten prooi gevallen aan de Techniek volgens Heidegger: het denken, waarin de aanwezigheid van de werkelijkheid begin en einde zou moeten zijn, wordt door Kant namelijk uitgelegd in termen van het produceren van hanteerbare voorstellingen van de dingen om ons heen. Hierin lost dan de aanwezigheid (het Zijn) op in het “hoe” van de dingen in hun onderlinge, rationele, verhoudingen.

  1. Transcendentie en immanentie


Of: waar denken we aan, in hoeverre treft het denken iets buiten ons denken en hoe ziet ons denken er zelf uit?
    1. Is denken tot niet-denken te herleiden?


We denken praktisch de hele dag, dat wil zeggen: we hebben vrijwel continue innerlijke belevingen, overwegingen, voorstellingen en herinneringen die voor anderen niet direct toegankelijk zijn. Vaak kan aan ons gedrag worden afgelezen waar we aan denken, maar de gedachten die we dan hebben zijn zelf nooit direct toegankelijk voor anderen. Uit hersenactiviteit of gedrag kunnen bepaalde typen gedachten worden afgeleid, maar hersenactiviteiten of gedrag vallen niet samen met gedachten: het zijn omstandigheden van het denken en niet de gedachten zelf: als ik op een scan zie dat een bepaalde gedeelte van het brein actief is en een andere niet, kan met een zekere waarschijnlijkheid worden afgeleid dat de persoon in kwestie bijvoorbeeld kwaad is of aan seks denkt. Wát hij denkt (de gedachte) is op een scan niet te zien. Over denken kunnen we alleen spreken als we het hebben over dat wat zich in het denken zelf afspeelt: dat wat we denken en hoe we het denken.

De filosofie die meent dat denken volledig is te begrijpen in termen van fysieke processen (bijvoorbeeld als hersenactiviteit) is een vorm van “naturalisme”. Naturalisme beschrijft alles in termen van zichtbare materiële processen. Kritiek hierop is dat met zo’n verklaringsmodel geweld wordt gedaan aan het oorspronkelijke fenomeen: hebben we het nog wel over verliefdheid als we verliefdheid verklaren als biologische functie of als we het hebben over welke hersendelen actief worden bij verliefdheid?


Leestip: (kritiek op het naturalisme: “Filosofie als strenge wetenschap” van Edmund Husserl).


    1. Verwondering


Is er een oergedachte? En wat is daarvan dan de inhoud?

Als ik naar mijn kinderen kijk en zou moeten aangeven waar hun denken is begonnen dan zou ik gokken op dat eerste moment waarin er zich in hun gelaat een zichtbaar genieten toonde van een ding. Bij mijn oudste zoon was dat toen hij een paar maand oud was. Het ging om een houten, handgemaakte miniatuur draaimolen met kleine gekleurde figuurtjes en een heel mooi klinkend bellenspel. Het ontzag, het plezier en de gebaren om het ding te willen pakken, toch bang zijn het te verstoren en de glimoogjes blijven me altijd bij. Een oergedachte? Een eerste moment waarin een ding binnendrong in de beleving en zichzelf als waarneming opwekte in de geest? Ik vermoed van wel. De oergedachte moet zo iets zijn: het eerste besef dat er iets buiten mij is en dat ik dat nu ervaar.

Er is van deze eerste denkbewegingen natuurlijk zo veel niet met zekerheid te zeggen. Maar het lijkt mij dat er een aantal voorwaarden aanwezig moeten zijn: ten eerste een ontvankelijke geest met redelijk ontwikkelde zintuigen en eerste ervaringen. Ten tweede een situatie waarin er tijd en ruimte is voor een dergelijke ervaring en ten derde een zaak die in staat is om het prille denken op te wekken. Om een sensatie te bewerkstelligen die een complex proces in één slag bewerkstelligt:

waarin een ding wordt waargenomen als iets transcendents (“daar is iets”)

waarin wordt vastgesteld dat het een speciaal ding is, anders dan de andere die tot nu zich in serie aandienden (“wat een mooi ding”)

waarin een relatie wordt aangegaan met het ding: waar verlangen naar het ding, maar ook ontzag, uit voort komt (“oh, ik kan er niet van afblijven, maar ik durf niet”)

waarin (dit gebeurt waarschijnlijk in 3) ik weet krijg van mezelf bij dit ding (ik wil het hebben maar volg de impuls niet direct omdat ik de ervaring niet wil verstoren). Er ontstaat een wereld van dingen en een ik dat ik zelf ben.
Deze gebeurtenis wordt vaak verwondering genoemd: het niet zo maar ervaren van iets als onderdeel van een op zich niet perse bewuste keten van gedragingen zoals eten, poepen, plassen, pijn, roepen, maar het ervaren van iets, los van enig direct belang, zonder dat het ding opgaat in de achtergrond, een doel of lust. In de verwondering sta je stil bij dat wat de verwondering wekt. Waarin het andere ding tot weerklank komt en je eigen ervaren laat weerklinken.

    1. Transcendentie


Met transcendentie wordt dat bedoeld dat aan de andere zijde van de grens van onze ervaring ligt: het ding zelf. Ik zie een kopje voor mij staan. In de ervaring van het kopje is een belangrijk element het besef dat het kopje daar echt staat, ik heb echter geen directe toegang tot het kopje zelf: ik heb alleen maar mijn eigen waarneming. Ik neem het bestaan, de transcendentie niet waar.

In de verwondering worden we geraakt door het ding buiten ons. Dit gaat zo ver dat we uiteindelijk het ding zelf denken: we hebben de ervaring van het ding en behouden het door het te denken, te benoemen of weer voor te stellen. In de verwondering denken we de transcendentie in rudimentaire vorm: als iets dat er is en we zijn in volle aandacht, geven het ding het woord. Onze eerste gedachte is wat ons in de verwondering wordt gezegd. Is wat ons in de verwondering wordt gezegd niet veel meer dan “aanwezigheid”: een bekend maken van een ding buiten ons, bij ons? Deze kleuren en geluiden die ik ervaar, zijn “iets” hier bij me.



    1. Transcendentiegedachte


Volgens sommige filosofen (Wolfgang Cramer bijvoorbeeld) is het denken van de transcendentie een ongehoorde prestatie uit biologisch neurologisch oogpunt. Het idee dat we slechts een deel van onze hersens gebruiken is waarschijnlijk een misvatting en komt voort uit het idee dat we al onze hersens zouden kunnen (en moeten) inzetten om connecties en verhoudingen in kaart te brengen. Volgens Cramer is het grootste deel van onze hersens nodig om de basisgedachte blijvend in stand te houden: dat er een werkelijkheid buiten ons is. Deze gedachte is de opwekking van het levend wezen uit de dierlijke staat van reageren op prikkels en inschatten van verhoudingen tot het niveau waarin het in de eerste plaats een wereld ervaart waar het een onderdeel van is. In computertermen is de transcendentiegedachte het besturingsprogramma waarop het programma “mens” draait. Zoals een besturingsprogramma ook niet op de voorgrond draait en veel lawaai maakt, zo is dit achtergrondprogramma een ondergrond waar wel veel geheugen, werkgeheugen en processorcapaciteit voor nodig is.

    1. Transcendentie en propositie


Hierin hebben we nog geen zogenaamde propositie: een gedachte die uitdrukt hoe iets is, waarin definitie is gegeven aan onze ervaring. Waarin het ding als ding in de ruimte in onze gedachten wordt gerepresenteerd en benoemd: met eigenschappen, vorm, afmetingen, kleur, e.d.

Als een propositie of gedachte in deze zin wordt gevormd, wordt de transcendentie als het toegang hebben tot het ding buiten mij, problematisch. Is wat ik over het kopje zeg of denk wel waar? Ik kan het niet 100% zeker weten. Mijn propositie gaat alleen maar over wat ik denk dat het kopje is.



    1. Transcendentie en immanentie


Volgens Edmund Husserl (1859-1938) zitten er 3 belangrijke elementen in ons denken die we nauwkeurig moeten onderscheiden en die gemakkelijk tot hardnekkige en akelige misverstanden kunnen leiden:

1. transcendentie: het ding buiten mij zoals het daar is

2. immanentie: wat zich in mijn denken afspeelt, mijn denkproces, de denkstappen en hoe ik denk en ervaar. Dit kan ik zelf volgen door reflectie.

3. de voorstelling van het transcendente in het immanente: mijn idee van wat het ding buiten mij is. Dit is wat we kunnen mededelen aan anderen


Het heeft volgens Husserl geen enkele zin het te hebben over transcendentie (1). We doen er volgens hem zelfs goed aan het te vergeten (Husserl: tussen haakjes zetten) omdat het ons verduistert wat we precies denken en hoe we dat doen. Husserl wil het alleen nog maar over de sfeer van het immanente hebben: hoe ons bewustzijn tot bewustzijnsinhouden komt. Hoe ideeën over transcendentie worden gevormd, niet wat die transcendenties zijn.
Tips voor verder lezen: Bertrand Russell, Problemen der Filosofie, H1.

  1. Vorm van het denken: intentionaliteit

We hebben de oergedachte behandeld: het is een grootse prestatie van ons denken een werkelijkheid buiten het denken te kunnen denken.

De volgende stap in ons onderzoek betreft de vorm van het denken.

    1. Gedachten en cognities


Er zijn verschillende vormen van denken: als ik in een bezigheid op ga, bijvoorbeeld het uitvoeren van een klus als schilderen, ben ik ook aan het denken. Delen van de klus kunnen we bijna gedachteloos uitvoeren, soms moeten we even piekeren als de handeling niet als vanzelf volgt uit wat er op dat moment voor handen is. We schatten dan opnieuw de situatie in en besluiten uiteindelijk tot een volgende handeling. In de schijnbaar gedachteloze handeling is het denken toch ook nog aanwezig: als de op dat moment wellicht tot een minimum beperkte achtergrond waarin gedachten worden gevormd (bijvoorbeeld over op dat moment minder relevant zaken als het weer of de afspraak van die avond) én als het plan waar vanuit de handeling wordt uitgevoerd. Bovendien moet tijdens de klus de huidige stand van zaken continue worden beoordeeld op zijn plek binnen het plan en als er een afwijking op dat plan is (bijvoorbeeld als het hout ergens te rot blijkt te zijn om te kunnen worden overgeschilderd) dan treedt het denken weer op de voorgrond en het plan wordt opnieuw bezien. Er is dus blijkbaar altijd een “achtergrondproces” aan het werk. Denken kan dus in verschillende intensiteiten en gradaties aanwezig zijn.

1. ik kan bewust een gedachte ontwikkelen, bijvoorbeeld een plan. Mijn meeste aandacht gaat dan naar de gedachte.

2. deze gedachte kan op de achtergrond werkzaam zijn, zonder dat we de gedachte zelf bewust denken. Dit wordt dan ook wel een “cognitie” genoemd. Maar officieel is cognitie hetzelfde als gedachte. In emoties zijn bijvoorbeeld cognities werkzaam.

    1. Hebben we wel eens geen gedachten?


Zelfs op onze meest “gedachteloze” momenten zijn er in ons gedrag nog sporen aan te wijzen van opvattingen, visies en voorstellingen die niet met alleen maar instinct of blind gevoel kunnen worden afgedaan.

Als ik kwaad word op iemand die voor mij niet hard genoeg optrekt voor een groen verkeerslicht, dan beoordeel ik de bestuurder voor mij vanuit de cognitie dat hij harder zou kunnen en moeten optrekken, dat ik recht heb op een vrije baan en misschien zelfs dat deze persoon mij met opzet hindert. Deze cognities zitten ergens “diep” in mijn geest en worden actief in bepaalde situaties.

Interessante vraag: hoe kan het dat gedachten zo “wegzakken” in de achtergrond maar toch nog zo actief kunnen zijn zonder dat we ze direct, bewust denken?

    1. Intentionaliteit: het oproepen van voorstellingen


Als we iets denken of ons iets herinneren zeggen we gemakkelijk dat we een beeld hebben. Er zijn zelfs mensen die claimen dat ze in beelden denken of dat ze een fotografisch geheugen hebben. Kan dit wel zo zijn? Als ik nu naar mijn beeldscherm kijk, heb ik een beeld van het beeldscherm. Als ik wegloop en op de wc zittende me het beeldscherm weer probeer voor te stellen, kom ik tot allerlei vaststellingen, over kleur, formaat et cetera. Deze kunnen heel accuraat zijn. Het verdient zelfs aanbeveling om in dat geval een zo direct mogelijke voorstelling te maken en het object te “visualiseren”. Maar produceer ik dan een beeld zoals ik dat heb als ik direct kijk naar het beeldscherm?

En als dat zou kunnen: hoe kan ik zonder hulp van mijn ogen toch een beeld oproepen?

Er zijn, (heel) grofweg, 4 mogelijke antwoorden in de filosofiegeschiedenis gegeven op deze vragen:

      1. Plato: voorstellingen zijn zuiver mentaal


Het antwoord van Plato luidt: de zintuigen activeren een mentaal beeld (een idee) in mijn geest. Dus: het is niet zo dat de zintuigen zelf het beeld produceren. Dit kan ook helemaal niet volgens Plato, omdat het complete, driedimensionale beeld van een ding, helemaal niet door de chaos aan prikkels die de zintuigen ontvangen, kan worden gecreëerd. De zintuigen roepen de beelden op, deze beelden waren eigenlijk al aanwezig in de geest. Dit verklaart ook waarom we deze beelden zelf ook (met wat moeite) kunnen bereiken, zelfs zonder zintuigen.

Waarneming is volgens deze filosofie in feite herinneren.



      1. Empirisme: zintuiglijkheid bevat objectieve inhoud


Het antwoord van de empiristen (Locke, Hume, Berkeley, Russell) luidt dat de laatstgenoemde gedachte van Plato onnodig is: het idee van beelden in de geest die al aanwezig zijn vóór enige zintuiglijke ervaring, biedt alleen maar een excuus om het denken de vrije teugels te geven en tot onzinnige speculaties over te gaan (over geestelijke werkelijkheden waar geen zinnig woord over te zeggen valt bij voorbeeld). Elk mogelijk idee, ook pure fantasie, kan dan de status van hogere werkelijkheid krijgen.
In de prikkels die we uit de zintuigen zitten volgens empiristen wel degelijk inhoud waar je naar kunt verwijzen, die voor anderen net zo ervaarbaar is en die een voldoende basis kan zijn om een rationele constructie van de werkelijkheid te maken. Deze objectieve inhoud zijn dan bijvoorbeeld de “sense-data” van Russell: in onze zintuiglijke ervaring zijn zuivere, onherleidbare pakketjes te onderscheiden die onloochenbaar zijn: het gaat dan bijvoorbeeld om elementaire vormen en kleuren. Hier hebben we het als filosofen mee te doen.

      1. Kant: voorstellingskracht


Voor Kant was het antwoord van de empiristen verre van bevredigend. Hoewel Kant het met de empiristen eens was dat de zintuigen een scherprechter zijn voor het bepalen van waarheid, kan het empirisme volgens hem niet verklaren hoe het bewustzijn tot zulke complexe en coherente producten als voorstellingen komt op basis van zintuiglijkheid alleen.

Volgens Kant heeft de mens een apart vermogen die in staat is om voorstellingen voort te brengen, dit noemt hij de “voorstellingskracht”. Ons verstand, die al actief bezig is om zintuiglijke inhoud tot eenheid te brengen in voorstellingen in ruimte en tijd, kan zonder directe activiteit vanuit de zintuigen teruggrijpen op elementaire zintuiglijke herinneringen en vervolgens weer voorstellingen creëren. Dan wel zonder directe zintuiglijke inhoud. Dit is dus wat ik doe als ik met gesloten ogen me het beeldscherm probeer voor te stellen.

Het verschil tussen een beeld van wat ik nu zie en de voorstelling die ik met gesloten ogen “maak”, is de stroom zintuiglijke prikkels die nu deze voorstelling vullen en die bij de tweede afwezig is en die ik dan zelf moet opdiepen. In beide is dezelfde gerichtheid om voorstellingen in ruimte en tijd te maken actief. In de situatie met gesloten ogen beschik ik over een zuivere aanschouwing van ruimte en tijd waarin ik zelf ruimtelijke voorstellingen opblaas tot mogelijke dingen. Deze voorstellingen zijn daarom minder levendig en abstracter.

      1. Husserl: intentionaliteit


Aan het begin van de 20e eeuw pakt Edmund Husserl dezelfde discussie weer op. In de door hem gestichte stroming, fenomenologie, staat het bewustzijn centraal. Volgens Husserl moeten we voorstellingen, zintuiglijkheid, ideeën e.d. in eerste instantie analyseren als bewustzijnsactiviteiten en niet op hun waarheidswaarde. De waarheid kan pas worden bepaald als we weten hoe voorstellingen en zintuiglijke inhoud worden behandeld in het bewustzijn.

Centraal begrip in Husserls filosofie is “intentionaliteit”: gerichtheid. Het bewustzijn is geen instantie, een ding, een spiegel of een oog, maar een activiteit die er op gericht is om zinnige bewustzijnsinhoud te creëren. Wat we het “ik” of de spiegel noemen waar uiteindelijk alles zich in toont, is volgens Husserl een moment in een proces wat continue bezig is om betekenis en helderheid aan te brengen in wat het beleeft. Als het gaat om zintuiglijke prikkels gaat het dan om het vormen van intentionele objecten: waarin alle zintuiglijke prikkels in een zinnige samenhang worden samengebald.

In het voorstellen, als het gaat om het hebben van een beeld van wat ik nu zie of om een beeld te maken van wat ik gisteren heb gezien, is het de intentionaliteit die in de betreffende situatie een samenhangende bewustzijnsinhoud opbouwt uit wat hem beschikbaar is.

Bewustzijn is dus nooit passief en daarmee niet te scheiden van wat we denken noemen: het is een activiteit die geen beelden ontvangt maar er op uit is deze te creëren. Probeer eens helemaal passief te zijn, met open ogen. Los van het feit dat je dit waarschijnlijk niet lukt, zul je merken dat de zaken die je wel ziet (zoals alle zaken die in je gezichtsveld zijn) niet tot bewustzijnsinhoud leiden. Ze zijn er gewoon, als achtergrond, terwijl alleen dat waar je aan denkt zich in je bewustzijn afspeelt. Tijdens meditaties zoals deze zijn dit vaak de motieven die spelen in je leven, zoals zorgen of emoties, deze wekken bewustzijnsinhouden op en alleen als je je actief tot een ding in je gezichtsveld wendt, zal deze ook onderwerp zijn van je bewustzijn.


De vraag in hoeverre en of ik een beeld kan maken in mijn bewustzijn, met of zonder zintuiglijke ondersteuning, wordt door de fenomenologie beantwoordt door te wijzen op het feit dat er geen strikt onderscheid is tussen het bewustzijn enerzijds en beelden anderzijds: wat we bewustzijn noemen is geen oog dat beelden ziet, maar is een activiteit die altijd bezig is om bewustzijnsinhouden te vormen. Als er geen zintuigen actief zijn zal dit bewustzijn, voorzover het niet inactief wordt, dezelfde activiteit vertonen en op basis van vorige bewustzijnsinhouden, nieuwe bewustzijnsinhouden maken. Dit verklaart wellicht deels waarom we dromen als we slapen en waarom, als we een vreemde taal horen, we tot merkwaardige ervaringen in staat zijn: wie heeft niet in zijn jeugd altijd gemeend in een liedje iets te horen wat later iets heel anders bleek te zijn? Zo heeft mijn zoontje het tijden over “sapappels” gehad in plaats van sinasappels. De klank “sinasappels” bood te weinig aanknopingspunten en hij maakte er het voor hem zinvolle “sapappels” van.
Het concept van intentionaliteit is inmiddels breed binnen de filosofie en de relevante wetenschappen aanvaardt als een basisschema om bewustzijn en denken mee te begrijpen.


  1. Waar zijn we als we denken?




    1. Een aanwijzing voor de natuur van de mens: het symbool

(Vertaald uit: “An Essay on Man” door Ernst Cassirer, 1944)



De bioloog Johannes van Uexküll heeft een boek geschreven waarin hij een kritische revisie uitvoert van de principes van de biologie. Biologie, volgens Uexküll, is een natuurwetenschap die moet worden ontwikkeld volgens de gebruikelijke empirische methoden– de methoden van observatie en experimenteren. Biologisch denken echter, hoort niet bij hetzelfde type denken als fysisch of chemisch denken. Uexküll is een voorstander van het zogenaamde vitalisme: hij verdedigt de gedachte van de autonomie van het leven. Leven is een ultieme en slechts van zichzelf afhankelijke realiteit. Het kan daarom niet uitsluitend worden beschreven in termen van fysica of chemie. Vanuit dit idee ontwikkeld Uexküll een nieuw schema van biologisch onderzoek. Als filosoof is hij een idealist of fenomenalist te noemen. Maar zijn fenomenalisme is niet gebaseerd op metafysische of kentheoretische overwegingen: het is gebaseerd op empirische uitgangspunten. Zoals hij uitlegt, zou het erg dogmatisch of naïef zijn om te stellen dat er een absolute werkelijkheid van dingen zou bestaan, die gelijk zou zijn voor alle levende wezens. Werkelijkheid is geen uniek of homogeen iets: het is immens divers, waarbij er net zoveel verschillende schema’s en patronen zijn als er verschillende organismen zijn. Elk organisme is, zogezegd, een monadisch wezen. Het heeft een eigen wereld omdat het een eigen ervaring heeft. De fenomenen die we aantreffen in het leven van een specifieke biologische soort zijn niet overdraagbaar naar welke andere soort dan ook. De ervaringen- en daarom de werkelijkheden – van twee verschillende soorten zijn niet onderling uitwisselbaar. In de wereld van een vlieg, vinden we alleen “vliegdingen”, in de wereld van een zee-egel vinden we alleen “zee-egeldingen”.
Vanuit deze algemene aanname ontwikkelt Uexküll een zeer ingenieus en origineel schema van de biologische wereld. Teneinde psychologische interpretaties te vermijden, volgt hij een volledig objectieve of behavioristische methode. De enige aanwijzing tot dierlijk leven volgt uit feiten uit de vergelijkende anatomie. Als we de anatomische structuur van een soort kennen, dan hebben we alle gegevens om de specifieke wijze van ervaren te reconstrueren. Een nauwkeurige studie van de structuur van het dierlijk lichaam, van het aantal, de functie en de plaats van de verschillende zintuigen en de omstandigheden van het zenuwstelsel, geeft een goed beeld van de binnen- en buitenwereld van het betreffende organisme. Uexküll begon zijn onderzoeken met een studie van de laagste organismen en hij breidde deze langzaam uit met de andere levensvormen. In zekere zin weigert hij te spreken van lagere en hogere vormen. Leven is overal en altijd perfect: wat dat betreft is het hetzelfde in de grootste als de kleinste kring. Elk organisme, zelfs de laagste, is niet alleen in een vage zin aangepast, maar past volledig in zijn omgeving. Overeenkomstig zijn anatomie, bezit het een “opmerkingsnet” en een “werkingsnet”- een affectsysteem en een effectsysteem. Zonder de samenwerking en het evenwicht tussen deze systemen zou het organisme niet kunnen overleven. Het affectsysteem waarmee een organisme van buiten komende prikkels ontvangt en het effectsysteem waarmee het daarop reageert, zijn in alle gevallen nauw op elkaar betrokken en afgestemd. Het zijn segmenten uit één en dezelfde keten, door Uexküll beschreven als de functionele kring van het dier2.
Ik kan hier niet verder ingaan op de biologische uitgangspunten van Uexküll. Ik heb een aantal concepten en termen hier genoemd om een algemene vraag te kunnen stellen: is het mogelijk om van het schema van Uexküll gebruik te maken om de menselijke wereld te beschrijven en te karakteriseren?

Het is duidelijk dat deze wereld geen uitzondering vormt op de biologische regels die het leven bestieren van alle organismen. Maar toch vinden we in de menselijke wereld een nieuwe eigenschap die het onderscheidende kenmerk lijkt te zijn van menselijk leven. De functionele kring van de mens is niet alleen maar kwalitatief vergroot (vergeleken met die van dieren); het heeft ook een kwalitatieve verandering ondergaan. De mens heeft een nieuwe manier ontdekt om zich aan te passen aan zijn omgeving. Tussen het affect- en het effectsysteem treffen we bij mensen een derde segment aan. Deze kunnen we beschrijven als het symboolsysteem. Dit verandert het geheel van het menselijk leven. Vergeleken met dieren leven mensen niet alleen in een grotere werkelijkheid; mensen leven in een nieuwe dimensie van werkelijkheid. Er is een niet mis te verstaan verschil tussen organische reacties en menselijk reageren. In het eerste geval wordt er een directe en onmiddellijke reactie gegeven op een prikkel vanuit de omgeving; in het tweede geval wordt de reactie uitgesteld. De reactie bij mensen wordt onderbroken en vertraagd door een langzaam en complex denkproces. Op het eerste gezicht kan de toegevoegde waarde van zijn uitstel worden betwijfeld. Veel filosofen hebben daarom gewaarschuwd om dit altijd maar als vooruitgang of verbetering te interpreteren. “De mens die reflecteert”, zegt Rousseau, “is een gecorrumpeerd dier”: het is niet een verbetering maar een verslechtering van de menselijke natuur om de grenzen en patronen van het organische op deze manier te verlaten.


Maar er is geen remedie tegen deze verdraaiing van de natuurlijke orde. De mens kan niet ontsnappen aan zijn eigen verworvenheid. Hij kan niet anders dan aanpassen aan de omstandigheden van zijn eigen leven. De mens leeft niet meer uitsluitend in een fysiek universum, hij leeft in een symbolisch universum. Taal, mythe, kunst en godsdienst zijn onderdelen van dit universum. Dit zijn de verschillende draden die het symbolische net weven, het gesponnen web van menselijk ervaren. Elke menselijke vooruitgang in denken en ervaring maakt gebruik van dit net en versterkt het. De mens kan de werkelijkheid niet meer direct tegemoet treden; het kan het niet meer face-to-face zien. De fysieke werkelijkheid treedt steeds meer terug, omgekeerd evenredig met het voorschrijden en uitbouwen van de menselijke symbolische activiteit. In plaats van om te gaan met de dingen zelf, is de mens steeds meer in gesprek met zichzelf. Op deze manier heeft de mens zichzelf ontwikkeld in taalvormen, in artistieke beelden, in mythische symbolen of religieuze riten, waardoor hij niets meer kan zien of kennen dan dor middel van deze kunstmatige media. Deze situatie geldt in zowel de praktische als de theoretische sfeer. In deze sferen leven mensen niet in een wereld van harde feiten of volgens onmiddellijke behoeften en verlangens. Mensen leven veeleer in verbeelde emoties, in hoop en angst, in illusies en desillusies, in fantasieën en dromen. “Wat mensen verontrust en alarmeert”, zegt Epictetus, “zijn niet de dingen, maar zijn eigen opvattingen en illusies omtrent de dingen.”
Vanuit het gezichtspunt dat we nu hebben ingenomen, kunnen we nu de klassieke definitie van de mens verbeteren en verbreden. Ondanks alle pogingen van irrationalistische aard, heeft het idee van de mens als animal rationale nog steeds niet aan kracht ingeboet. Rationaliteit is namelijk een inherent bestanddeel van alle menselijke activiteiten. Mythologie bijvoorbeeld, is niet simpelweg een grove massa bijgeloof of fantasmen. Het is ook niet alleen maar chaotisch, want het bezit wel degelijk een systematische en conceptuele vorm. Aan de andere kant, het is onmogelijk om de structuur van mythologisch denken als alleen maar rationeel te begrijpen.

Taal is vaak gelijk gesteld met rede, of met de bron van rede en rationaliteit. Maar deze definitie slaagt er niet in het gehele veld van taal af te dekken. Het is een pars pro toto; het biedt een deel en suggereert dat dit het geheel is. Want: naast conceptuele taal is er een emotionele taal; naast logische of wetenschappelijke taal bestaat er een taal van poëtische verbeelding. Taal drukt in eerste instantie geen gedachten en ideeën uit maar gevoelens en affecties. Zelfs een godsdienst “binnen de grenzen van de rede”, zoals Kant die heeft uitgewerkt, is niet meer dan een abstractie. Het vat alleen een ideale vorm, slechts de schaduw, van wat een oprecht en concreet religieus leven is.

De grote denkers die de mens als animal rationale hebben opgevat waren geen empiristen, ook hadden zij niet het doel om ooit een volledig empirische beschrijving en begrip van de mens te geven. Door deze definitie wilden zij vooral een fundamentele morele regel uitdrukken.

De rede of rationaliteit is een inadequate term om alle vormen van menselijk cultureel leven te kunnen vergelijken in hun rijkdom en variatie. Al deze vormen zijn namelijk symbolische vormen. Daarom, in plaats van de te spreken van animal rationale, zouden we de mens moeten definiëren als animal symbolicum. Door dit te doen, kunnen we datgene plaatsen en onderscheiden wat de mens bij uitstek kenmerkt, en kunnen we begrijpen welke weg de mens is op gegaan: die van de cultuur en beschaving. [einde vertaling]



    1. Het denken van dieren


Van dieren kan gezegd worden dat zij ook opvattingen hebben en dat ze daarmee, in zekere zin, denken. Een leeuw die op jacht gaat met zijn familie en een buffel besluipt maakt een inschatting van wanneer hij het best de sprong kan maken of hij moet weten wie binnen de groep de sprong gaat maken en wat hij daarop zal moeten doen. Veel van dit soort gedrag lijkt toch erg moeilijk te verklaren met alleen maar instinctieve patronen.

Het verschil tussen mogelijke cognities van dieren en mensen is een geheel eigen vakgebied. Voor ons doel kunnen we dit vak hier samenvatten door de vaststelling dat de cognities van dieren altijd gemotiveerd zijn door basale driften én dat de inhoud van hun denken altijd wordt bepaald door dat wat op dit moment fysiek aanwezig is: een dier kan zich in de winter onmogelijk een voorstelling maken van hoe lekker het is om aan het eind van een warme lome zomerdag in slaap te sukkelen onder een boom, of waar zijn vroeg overleden broertje nu zou zijn. Er is niets wat er op wijst dat dit soort voorstellingen spelen in de geesten van dieren. Dieren hebben geen verbeeldingskracht: ze kunnen niet los van drift, behoefte, emotie of waarneming, voorstellingen produceren.



    1. De symbolische orde


Wat zien we als we een verkeersbord zien? Een rond metalen bord, met rode rand en wit vlak binnen de rode rand. Dit is fysiek gesproken wat we zien.

Als ik er langs rij, denk ik niet in de eerste plaats: “hé, een bord met rode rand om een wit vlak, wat zou het betekenen?” Ik weet meteen dat ik hier niet mag in rijden.

We leven in een symbolische orde waarin symbolen in de eerste plaats hun betekenis zijn en niet hun fysieke verschijning. Dit laat zien dat de symbolische orde de orde is die in mij huist en die mijn handelen, denken en voelen direct bepaalt. Waar is deze orde? Waar bevinden zich de betekenissen die worden opgeroepen door tekens zoals een verkeersbord? In mijn hoofd? Tussen mensen? Zijn het illusies of een hogere realiteit?

    1. In de wereld zijn


Met de transcendentiegedachte en de intentionaliteit verschaft het dier mens zich een bewustzijn van de wereld om hem heen. Tekens (of symbolen) kunnen iets anders dan zichzelf oproepen: door een woord wordt iets anders, wat ik ooit heb beleefd, weer tegenwoordig. Wordt opgeroepen. Het “is” er voor mij, terwijl het er in het hier en nu niet hoeft te zijn. Representatie opent daarmee een denkbeeldige ruimte die er zonder die representatie niet zou zijn voor mij. Deze ruimte is de wereld: het is het geheel van dingen door de tijd heen. Deze wereld bestaat alleen voor mensen. Andere wezens leven er natuurlijk ook in, maar de wereld zoals de mens die ervaart, wordt alleen door hem ervaren.

De wereld is het geheel van verleden, heden en toekomst; hemel, aarde en lucht; dingen, mensen, dieren en goden. Deze wereld is zelf niet te zien, het is de ondergrond, achtergrond en de ruimte op basis waarvan wij mensen ervaren. Het is de ruimte “in” ons waar wij zelf weer “in” zijn. Misschien moeten we niet zeggen dat wij in de wereld zijn, maar dat wij een “in de wereld zijn” zijn.



    1. Vrijheid


Een andere manier om de symbolische orde te verduidelijken is aan de hand van het begrip “vrijheid” zoals Immanuel Kant daarover heeft geschreven.

Stel je de werkelijkheid van de fysieke dingen (en dieren) voor. Hierin heersen de wetten van de causaliteit. Een blad wordt losgerukt van de boom en dwarrelt naar beneden om te eindigen op de bosvloer en daar langzaam te vergaan. Geen vrijheid te bekennen. Elke gebeurtenis, elk feit staat in relaties tot andere en deze zijn volkomen inzichtelijk te maken en te voorspellen. De natuurwetenschap houdt zich hier mee bezig. Dit is de natuurlijke wereld van dingen die hier en nu bestaan.

Menselijk gedrag wordt echter ook bepaald door overwegingen en inzicht. We hadden een handeling ook anders kunnen doen: ik had die frikadel ook niet kunnen opeten, ondanks mijn enorme trek. Mijn geweten vertelt mij dat ik eigenlijk vrij was op het moment van beslissen en dat ik dus verantwoordelijk ben en schuld draag.

Hierin toont zich een niet-oorzakelijke dimensie, waar redelijke mensen toegang toe hebben, volgens Kant. Mensen behoren toe aan deze twee dimensies. Omdat elke dimensie een andere logica heeft is het wezen die beide in zich draagt vrij en verantwoordelijk. Mensen kunnen handelen vanuit symbolisch gerepresenteerde voorstellingen én vanuit directe causale prikkels, zoals honger en dorst.



  1. De wereld van het denken




    1. Intentionaliteit en de verbeeldingswereld: retentie


Intentionaliteit is de “manier” waarop het bewustzijn werkt: bewustzijn bestaat uit activiteiten die gericht zijn (een intentie hebben) op zaken buiten het bewustzijn. Het bewustzijn kan alleen iets tot zich nemen (zich bewust maken) voor zover het een “intentioneel object” kan constitueren in zintuiglijk materiaal of herinneringen. Hiertoe maakt het gebruik van andere intentionele objecten die het al heeft gemaakt. Het nieuwe intentionele object wordt geplaatst in de samenhang van objecten die er al zijn in de verbeelde wereld. Zo zijn intentionele objecten altijd “zinvol”, d.w.z.: ze bestaan altijd in een verwijzingssamenhang met andere intentionele objecten. Waarneming is volgens Husserl daarom altijd voor een groot deel herinnering: in elke intentionele activiteit grijpen we terug op oude intentionele objecten. Denk aan hoe de ervaring van een ruimte of bijvoorbeeld een onbekend stuk muziek zich ontwikkelt: hoe je de ruimte ervaart is de eerste keer geheel anders dan wanneer je de ruimte goed kent. In het laatste geval is alle kennis die je hebt van de ruimte bepalend voor hoe je de ruimte ervaart en zie je meteen allerlei verbanden, waar je moet zijn als je zin hebt in koffie bijvoorbeeld. Het lijkt dan wel een andere ruimte. Dit zelfde mechanisme is te observeren bij het leren kennen en genieten van muziek. Opdracht: koop een cd met een opname van een symfonie van Gustav Mahler die je nog niet kent en beluister deze elke dag. Observeer je beleving van de muziek door de tijd heen.

Waarnemen, beleven en bewustzijn is herinneren. Krijgt Plato dan toch gelijk?



    1. Zijn gedachten altijd volledig rationeel?


We kunnen ook niet zeggen dat we ons denken volledig onder controle hebben: ik kan beslissen om ergens aan te denken en me iets voorstellen en daarmee een stroom van gedachten starten die inderdaad over het bedoelde onderwerp gaat. De gedachtegang en ook eventuele afleidingen zijn, ten minste deels, óók te wijten aan prikkels van buiten of prikkels vanuit mijn eigen lijf of zelfs andere gedachten. Als ik in een bepaalde stemming ben, door honger, dorst of een slechte nacht, kan ik niet ontkennen dat mijn gedachten hierdoor worden beïnvloed. We zijn gestemd. We zitten altijd in “een” stemming en worden vaak ook nog gedreven door een behoefte of angst. De gedachte dat gedachten ons worden ingefluisterd is daarom niet eens zo gek.

    1. Motivatie


Naast de noodzaak om intentionele objecten te plaatsen in een samenhang met andere intentionele objecten, komt de intentie ook altijd “ergens” vandaan. De zinvolheid zit in de noodzaak om een intentie af te sluiten, zinvol af te ronden. Dit vindt plaats aan het einde van de intentie, in het intentionele object in zijn web van retenties. Aan het begin (de bron van de intentie) zit echter motivatie. Motivatie betekent letterlijk: bewogen worden. Motivaties (ik grijp hier weer terug op Edmund Husserl) kunnen uit verschillende hoeken en gaten komen. De belangrijkste zijn:

basale lichamelijke behoeften: honger, dorst, pijn

instincten (voortplantingsdrift, overlevingsinstinct, jachtinstinct,…)

stemming


associatie: verbinding van objecten met behoeften of angsten

“memetische” motivatie: waarbij een zaak buiten het bewustzijn het bewustzijn dicteert, het belang van het externe ding wordt door het bewustzijn bediend: hardlopen omwille van het hardlopen, elke 5 minuten op je mobieltje kijken.

sociale motivatie (sociale behoeften en instincten)

motivatie van anderen (invoeling)



zelfmotivatie: ideeën, gedachten, behoefte te begrijpen, moraliteit


    1. Motivatieverknoping


Motivaties zijn vaak met elkaar verknoopt: als ik plots zin krijg in een zak patat, spelen ongetwijfeld andere motivaties ook op (bijvoorbeeld de sociale motivatie dat ik niet dik wil lijken, de memetische motivatie dat ik niet te zwaar moet zijn voor de volgende week te lopen halve marathon, de zelfmotivatie die ik haal uit de woorden van de dokter dat mijn cholesterol te hoog). Ook kan een bepaalde motivatie via associatie met andere motivaties worden samen gevoegd. Trek in een zak patat, wat vaak een memetische motivatie is (verslaving is vaak te zien als een extreme memetische motivatie), wordt makkelijk verward met honger of een reële lichamelijke behoefte. Wij geestelijke wezens kunnen ons zelf voor de gek houden op deze manier. Ik heb bijvoorbeeld ooit de illusie gehad dat je door filosofie te studeren populair wordt bij de meisjes. Vraag: welke motivaties zijn hier (onterecht) geassocieerd?

    1. Motivatiegeschiedenis en het nu


Motivaties kunnen zich als sediment in onze herinnering neer leggen: ik kan als zelfmotivatie een bepaald beeld van mezelf creëren, bijvoorbeeld dat ik altijd slachtoffer ben, dat ik niet deug of juist dat ik geniaal ben en voorbestemd tot het redden van de wereld. In concrete intentionele akten kan dit als retentie doorwerken in mijn ervaring en zinvolle plaatsing van nieuwe ervaringen: ik handel dan vanuit mijn arrogantie of juist gebrek aan zelfvertrouwen.

De psychologie is het vakgebied waar de werking van dit soort mechanismen in detail wordt bestudeerd, met name bij individuen, groepen, waar dit kan mis gaan en hoe hier in te grijpen.



    1. Hoe motivatie werkt


Op elk moment zijn er motivaties in ons werkzaam, met meer of minder kracht, afhankelijk van objecten die een motivatie versterken, afhankelijk van stemming en onderlinge verknoping. Deze “drijven” ons bewustzijn de wereld in, op zoek naar bevestiging van de intentionaliteit in intentionele objecten die worden geconstitueerd op basis van de motivatie, de gevonden dingen in de wereld en op grond van retentie: ons herinnerd veld van bestaande intentionele objecten en hun onderlinge samenhang.

Ik loop bang in de donkere nacht. Ik hoor een takje breken in het struikgewas. Ik zie een gedaante. Mijn angst motiveert mijn intentionaliteit om een bloeddorstige beer te veronderstellen. Even vat dit post in mijn bewustzijn. Gelukkig roept mijn retentie middels zelfmotivatie dit object tot de orde: in dit werelddeel is de laatste beer 550 jaar geleden dood geschoten. Ik herinner mij dat daar een grote boomstam staat. Ik heb in de stam een gedaante geprojecteerd. Dat moet het wezen. Hoewel de onderstroom van angst blijft, loop ik door.




    1. Denkmodi


Denken kan verschillende modi hebben: het kan expliciet, helder zijn, maar het kan ook op de achtergrond in een soort slaaptoestand verkeren en dan door iets opgewekt worden en weer tot de voorgrond treden. Daarnaast kan denken over verschillende type zaken gaan: denken over de ruimtelijke eigenschappen van een koffiekan is van een andere orde dan een moeilijk gesprek met je partner over gevoelens.

    1. Voor en achtergrond, ondergrond en overspanning


Elk bewustzijnsmoment is een intentionele akt. Maar daarmee ook een keuze uit het geheel van de wereld. Iets wordt uitgelicht uit het geheel van dingen om ons heen. Het takje brengt zichzelf, middels mijn angst, naar de voorgrond. De rest van de omgeving verdwijnt naar de achtergrond, maar is niet geheel verdwenen uit mijn bewustzijn. Als ik mij later een concrete situatie herinner (het kraken van het takje) kan ik vaak nog dingen terughalen die niet expliciet in de eerste herinneringsbeelden zitten. De achtergrond is als achtergrond deel van het geïntendeerde.

Zo is er ook een ondergrond, ideeën en gevoelens waar wij “op staan”, op basis waarvan wij de voorgrond kiezen en andere zaken naar de achtergrond laten verdwijnen. En dan is er ook nog een hemel: de ideeën, de hoop en het perspectief op onszelf en anderen waarmee we onszelf kunnen begrijpen en beoordelen.

Martin Heidegger spreekt over aarde, hemel, goden en mensen. De dingen in hun volledig beleefde gelding (het takje wat de beer oproept) zijn een uitdrukking van krachten en machten (goden), onze eigen angsten en basisopvattingen (aarde) en de mogelijkheid om deze te plaatsen in een geheel door tijd (verleden, heden en toekomst) en ruimte heen (de hemel als perspectief van waaruit dit mogelijk is). Uiteindelijk is de wereld een menselijk beleefde ruimte (het takje is alleen maar een stuk koolstof wat van een plant is afgevallen, maar bestaat in een door ons “bezielde” ruimte).

  1. Denkhoudingen




    1. Denkniveaus

Op welke niveaus kunnen we over onszelf en de werkelijkheid nadenken?

Ik probeer hier onder een indeling te geven van laag (direct, ding) naar hoog (hoogst mogelijke verbanden):
het denken waarbij direct een ding wordt ingeschat: het denken wat op het niveau van de waarneming blijft (wat zie ik daar?)

denken over verhoudingen tussen dingen om mij heen (hoe ver is de overkant van de sloot en kan ik het halen als ik de sprong waag met behulp van deze stok? Voordat het regent zie ik steeds donkere wolken: komt de regen uit de wolken?)

denken over mogelijke verhoudingen (hoe groot is de wereld als geheel? Wat gebeurt er met het water als ik hier een dam bouw?)

denken over anderen (wat denkt hij? waarom handelt zij zoals ze doet? hoe zien zij mij? vindt hij mij aardig?)

denken over mezelf (hoe zie ik er uit? waar kom ik vandaan? kloppen al mijn gevoelens en gedachten met de wereld om mij heen?)

denken over het denken (als ik kwaad ben zie ik sommige dingen anders dan wanneer ik heel erg moe ben; tijdens een rustige avond met gelijkgestemden kom ik tot diepere gedachten dan tijdens een bruiloft)

denken over de geschiedenis (wanneer zijn mensen begonnen met denken? dachten mensen vroeger net zo als nu?)

denken over de principes van het denken (wat is een symbool? In hoeverre beïnvloedt taal de manier waarop ik de werkelijkheid kan denken?)

………….

Is bovenstaande indeling volledig, staat ze in de juiste volgorde en hoe zijn de niveaus van elkaar afhankelijk?



    1. De denkhouding van een kind


Als u vandaag nog met uw kind of kleinkind heeft gespeeld dan gaat u mee in de wereld van het kind. In deze wereld is de intentionaliteit wel werkzaam maar zeker geen thema. Kleine plastic speelgoedbeestjes zijn in deze wereld dat zeker wél: ze zijn zelfs bezield en lijken een eigen leven te leiden. Een snoepje op het aanrecht is een zaak van de grootste betekenis en die moet goochem binnen gehaald worden. Voor het kind ZIJN deze dingen zo. U kunt zich dit voorstellen en speelt dit mee. Nu u dit stuk aan het lezen bent verandert het basisschema van uw wereld. Het gaat nu over hoe, afhankelijk van de context, de wereldbeleving verandert en daarmee het belang van de dingen in die wereld. Nu is het plastic speelgoed weer plastic speelgoed en het snoepje op het aanrecht iets wat uw opruimwoede is ontsnapt. U heeft gewisseld van denkhouding.

    1. Taalspelen


Volgens de Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951) zijn taalhandelingen altijd ingebed in een context en gaat het niet alleen maar simpelweg om waar woorden naar verwijzen (een appel is altijd een appel). Deze context bepaalt welke taalhandelingen relevant zijn en hoe deze uit te voeren. Boodschappen doen is zo’n context. Hierbinnen is het vanzelfsprekend om de groenteboer om “2 kilo appels, een krop sla en 3 kilo aardappels” te vragen. De groenteboer zal ze geven, een prijs noemen en u overhandigt hem het bedrag. Beide deelnemers aan dit spel weten wat te doen na welke zet door de andere partij en hoe dit te zeggen of te doen. Aan het eind heeft u uw groenten en fruit en de groenteboer zijn geld.

Andere uitspraken of vragen, zoals “taalhandelingen zijn altijd ingebed in een context, volgens Wittgenstein” zijn in deze situatie volkomen ongepast en kunnen zelfs als een belediging worden opgevat. De groenteboer zal waarschijnlijk niet dankbaar zijn voor deze aangereikte kennis.

In spelen in het algemeen wordt de werkelijkheid op een vanuit dat spel bepaalde manier beleefd. Feiten en dingen, waar vanuit elk spel naar kan worden verwezen, zoals de bal, het gras en het publiek, kunnen in het ene spel iets anders betekenen als in het andere spel. Als ik voetbal speel, is de voor mij relevante werkelijkheid datgene wat zich tussen de krijtlijnen afspeelt. Het zal in mij, als veldspeler, niet opkomen om de bal met de handen te pakken, behalve als ik het spel zo beheers dat ik precies weet wanneer ik dit kan doen en er mee weg kom. Ik word in mijn belevingswereld bepaald door het spel. Als ik er toe over ga deel te nemen aan het spel wordt mijn belevingswereld gedicteerd door het spel en deel ik deze met mijn medespelers. Zo is het dus met taal ook volgens Wittgenstein. In specifieke handelingssituaties, zoals boodschappen doen, heb ik een specifieke belevingswereld met eigen betekenissen, schema’s van meer of minder relevante dingen in de objectieve wereld en gedragsmogelijkheden en uitingsvormen, regels en codes. Deze handelingssituaties zijn volgens Wittgenstein de taalspelen waar ons leven uit bestaat. De natuurlijke talen (zoals Nederlands of Engels) zijn daarin weer noodzakelijke onderdelen. Taal is dan niet alleen maar een communicatiemiddel (waarbij het alleen maar gaat om informatieoverdracht van de een naar de andere deelnemer) maar wordt breder opgevat als een medium om ingewikkelde sociale handelingen in te verrichten: om doelen mee te bereiken en om op een gevarieerde manier in samen te leven.

    1. Denkhoudingen


Edmund Husserl heeft veel onderzoek gedaan naar de achtergronden van de verschillende wijzen waarop de werkelijkheid kan worden ervaren. In elke situatie is volgens hem sprake van een bepaalde instelling, een samenhangend schema die de intentionele activiteit van het bewustzijn vooraf richt en bepaalt. De instelling kan de situatie zijn. Bijvoorbeeld: ik val binnen in een begrafenisceremonie. Deze situatie bepaalt meteen wat relevant is of niet, de lacherige stemming die ik had, slik ik in en zal ook worden getemperd. De instelling kan ook een keuze zijn: ik besluit om het gras te gaan maaien. Hierdoor worden al mijn bewustzijnsactiviteiten een bepaalde kant op gericht, waardoor sommige zaken naar de voorgrond komen (hoe lang is het gras, is het nat?) en andere verdwijnen naar de achtergrond (het huiswerk wat ik nog moet doen, de prop papier die op de grond ligt en die opgeruimd zou moeten worden).

Volgens Husserls zijn er grofweg 3 typen van ervaren van de werkelijkheid, door hem denkinstellingen genoemd:

natuurlijke of naïeve denkhouding: hierin wordt de werkelijkheid zoals hij direct wordt ervaren, volledig als bestaand aangenomen.

theoretische denkhouding: hierin gaat het er om precies vast te stellen wat iets is.

fenomenologische denkhouding: hierin wordt de ervaren werkelijkheid als ervaren werkelijkheid (en niet als bestaand) beschouwd.

    1. Natuurlijke denkhouding


De natuurlijke of naïeve denkhouding komt het meest voor. In praktische alledaagse situaties is deze meestal leidend. Ook spelsituaties vallen hier onder. In de alledaagse denkhouding wordt de beleefde werkelijkheid volledig geaccepteerd, in al zijn vaagheid. In het spelen van voetbal is de bal even het centrum van het universum, in het praatje met mijn buurman hebben we het over het weer maar doet de exacte waarheid van onze uitspraken er niet echt toe. Het gaat ons er dan niet om exact vast te stellen wat het weer is of zal zijn maar het weer is een excuus om even een samenzijn te hebben waar niet te veel op het spel staat.

    1. Theoretische denkhouding


Als we willen weten “hoe iets zit”, zitten we in een theoretische denkhouding.

In de theoretische denkhouding wordt de direct ervaren werkelijkheid bekeken vanuit een vraag in hoeverre iets voldoet aan een bepaalde definitie: hoe iets werkt, wat iemand precies denkt of wat zijn motieven zijn. Ik kan bijvoorbeeld met een biologische “blik” naar mijn medemensen kijken en dan verschijnen ze voorzover ze voldoen aan mijn criterium voor dierlijkheid (Midas Dekkers is hier erg goed in). Ik zie ze dan als levende organismen die willen overleven, zich willen manifesteren in een groep en die bezig zijn met zich voort te planten. Zo kan ik ook psychologisch, wiskundig, enzovoort, kijken. De werkelijkheid verschijnt dan voorzover het past in de vooraf opgezette bril.


De theoretische denkhouding onderscheidt zich van de natuurlijke doordat de instelling waarmee wordt gekeken en gedacht een abstractie bevat, een expliciete eis waar voorwerpen aan moeten voldoen. In deze houding gaat het om het verkrijgen van een begrip van de werkelijkheid, volgens de definitie die in de denkhouding zit. In de naïeve denkhouding is de instelling praktisch of contextbepaald. Bovendien wordt daar de ervaren werkelijkheid in de regel voetstoots aangenomen.
We kunnen vanuit de alledaagse denkhouding een theoretische denkhouding ingaan. Wetenschappelijke arbeid bestaat uit vele specifieke theoretische denkhoudingen. Elke wetenschap is in feite een ontwikkelde discipline vanuit zo’n specifieke denkhouding.

    1. Fenomenologische denkhouding


Als we geïnteresseerd zijn in de denkhouding als denkhouding, dus als we het praatje met de buurman of een column van Midas Dekkers beschouwen als de wereld van een bewustzijn en hoe daarin bepaalde zaken een groter belang dan andere kunnen krijgen zonder dat we geïnteresseerd zijn in of de inhoud van het praatje of dat de column klopt. In de fenomenologische denkhouding wordt de werkelijkheid van uitspraken (waar uitspraken naar verwijzen) uitgeschakeld. We willen weten hoe de wereld van het bewustzijn zelf in elkaar zit. Filosofie is voor een groot deel fenomenologische denkhouding, of althans dit zou zij moeten zijn volgens Edmund Husserl. De toegevoegde waarde van filosofie is dat zij de voorwaarden voor andere denkactiviteiten onderzoekt. Specifieke wetenschappen onderzoeken systematisch hoe de werkelijkheid onder een specifiek aspect in elkaar zit (aspect van het leven: biologie; aspect van wiskundig gefilterde waarneming: natuurkunde). Filosofie daarentegen gaat over wat daar aan vooraf gaat: hoe kan het dat we iets onder een specifiek aspect kunnen beschouwen, welke aspecten zijn er zoal nog meer, wat is de verhouding tussen verschillende aspecten (wat kan of mag neurologie of biologie zeggen over psychologie?) en wat is hun waarde? Is er een aspect dat de werkelijkheid meer “treft” dan andere? Is er een absoluut aspect mogelijk, waardoor bijvoorbeeld een “theorie van het al” mogelijk zou zijn?

Vraag: in hoeverre is de fenomenologische denkhouding ook slechts een aspect of staat zij boven andere aspecten en is daarmee absoluut? (Zoals Husserl dacht).




  1. Denkgrenzen

    1. Eindigheid


Wij zijn eindig. U bent eindig. Ik ben eindig. We zijn eindig in vele betekenissen: als fysieke objecten (ik ben bijvoorbeeld slechts 1,92 m lang en weeg amper meer dan 0,1 ton), in onze vermogens (ik kan in een uur lopend hoogstens 11,5 kilometer afleggen) en als eenheden in tijd (mijn levensverwachting zal zo rond de 83 jaar liggen). Deze feiten zijn al millennia bekend. Maar tot ongeveer 150 jaar geleden waren een aantal ideeën omtrent onze oneindigheid nog vrij hardnekkig: dat wij als soort altijd zouden hebben bestaan bijvoorbeeld, dat wat wij ons bewustzijn noemen baas in eigen hoofd is, dat de menselijke samenleving, haar normen en waarden, door god gegeven, eeuwig en universeel geldig zijn.

We worden voor een heel groot deel bepaald door factoren die we zelf niet in de hand hebben, die we zelf niet kiezen en waar we vaak zelf geen weet van hebben. Dit besef is één van de leidmotieven van de westerse cultuur geworden. Toch vraag ik me af of er ergens toch geen resten oneindigheidsdenken onterecht zijn blijven hangen. Ik ken zeer intelligente en zich atheïst noemende mensen met van religieus fanatisme overslaande stem spreken over het heil van de wetenschap. Droomt zich hier een eindige aap eeuwig meester van het universum?



    1. Denken als spel


In de speltheorie en ook in het externalisme (en een stroming als de hermeneutiek) wordt gewezen op het “verstrooide” karakter van het bewustzijn: bewustzijn is nooit volledig te lokaliseren in één punt: je kunt nooit zeggen: hier zit het bewustzijn (bijvoorbeeld: “in het hoofd”). Er is niet één punt van waaruit een omgeving wordt ingezien en van waaruit wordt gehandeld. In elke mogelijke bewustzijnshandeling (denken) wordt vertrouwd op zaken buiten dat bewustzijn: ik maak in het formuleren van een diepe gedachte gebruik van taal zonder op dat moment me volledig bewust te zijn van de taal als taal. Als ik voetbal, bestaan de regels van het spel en de lijnen van het veld als absolute kaders zonder dat ik elk moment moet bedenken wat die regels zijn en of ze wel juist zijn. Als ik dans (indien ik dit niet al te slecht doe) kun je wellicht beter zeggen dat de dans “mij danst” dan dat “ik de dans dans”.

Ik handel, denk en ben me bewust, op basis van omgevingsfactoren: deze bepalen hoe ik op dat moment “bewust” ben. Ik “ben” en “denk” door niet alleen maar louter mijzelf en in mezelf te zijn, maar door mij over te geven aan situaties, structuren, bewegingen die, ten minste deels, buiten mij om gaan.



    1. Systeem van systemen


In de Informatie Technologie duikt de laatste jaren de term “Systeem van systemen” op. Men bedoelt hiermee dat geautomatiseerde systemen niet meer als op zichzelf staande eenheden zijn te beschouwen. Als systemen aan elkaar worden geknoopt is dat wat dan ontstaat niet te begrijpen als alleen maar een samenvoegen van deze systemen. Er ontstaan nieuwe gehelen en sterker nog: wat mensen doen met geautomatiseerde systemen zijn complexe samenhangen waarvan de intelligentie niet is te lokaliseren in één of zelfs enkele van de computersystemen. Deze intelligentie is het geheel van de samenwerkende systemen, mensen en de omgeving. Belasting betalen is zo’n systeem van systemen, waarbij heel veel typen belastingplichtigen heel veel verschillende soorten informatie invoeren, vaak weer met behulp van andere systemen, waardoor uiteindelijk over heel veel systemen heen, vaak over lands- en organisatiegrenzen heen, uiteindelijk belasting wordt vastgesteld, betaald en informatie wordt vastgelegd en uitgewisseld.

Er “is” geen belastingsysteem maar een belastingproces.



    1. Weten wat je denkt


Als ik iets wil zeggen, heb ik vooraf een vermoeden van hoe ik iets moet zeggen. Iedereen kent de ervaring wel (denk ik) dat je voorneemt iets uit te leggen en dat je meent dat je weet wat je moet zeggen. Maar als het zo ver is, en het woord is aan jou, dan komt het verhaal er toch niet uit zoals je gehoopt had en blijk je het onderwerp toch niet zo in de vingers te hebben gehad als van te voren gemeend. Hoe kan dit?

Natuurlijk kunnen zenuwen een rol spelen, maar ik vermoed dat de reden hiervoor ook is dat we simpelweg nooit een helder en bewust inzicht in onszelf hebben. Het is gemakkelijk een (beperkte) vorm van begrip te verwarren met het diepe begrip wat nodig is om iets uit te leggen, voorbeelden te geven en op vragen antwoorden te geven. Als ik een boek lees en ik kan de tekst volgen, wil dat nog niet zeggen dat ik de tekst volledig begrijp en aan iemand anders kan uitleggen of alle mogelijke consequenties doorzie. We hebben alleen volkomen helder en bewust inzicht van simpele voorwerpen die zich in ons blikveld bevinden (daarom heten ze ook “voorwerpen”). Deze twee zaken: de duisternis omtrent ons zelf en de mogelijke helderheid omtrent voorwerpen maakt dat er zo’n welhaast religieuze hoop omtrent de neurologie de kop heeft opgestoken. Eindelijk helderheid waar we altijd duisternis hebben gekend! Eindelijk “zien” we ons innerlijk! Echter, ik vrees hier een misvatting en erger nog: een nog groter onbegrip en nog grotere duisternis, omdat we het begrip van ons denken en ons bewustzijn in het korset van de voorwerpelijke hersens dreigen te persen.

Er is echter hoop: intelligente neurologen, zoals er velen zijn, kennen de relativiteit van hun eigen vakgebied heel goed, maar heel veel mensen die de wetenschapskatern van nu.nl lezen niet. Het gevolg kan zijn dat mensen zichzelf in de “hersenmetafoor” gaan herkennen en zichzelf als een centraal gereguleerd, materieel proces gaan zien en minder, binnen deze metafoor, in staat zijn regulatieve begrippen als vrijheid, verantwoordelijkheid, betekenis, liefde, vriendschap, gevoel, emotie, binnenperspectief, buitenperspectief, etc, kunnen hanteren. Kortom: men oefent zich niet meer in de fenomenologische denkhouding. Men is minder in staat tot zelfreflectie en, hoe duister dit ook blijft, inzicht in de eigen en belevingswereld van de ander.

Hoe men ook oordeelt over oude godsdiensten, deze boden individuen wél een taal om regulatieve begrippen te hanteren in een dagelijkse wereld. De kunst wordt het voor ons moderne mensen om neurologische kennis te integreren met intentionele zin: wat we zien in het brein te plaatsen in het systeem van systemen waar het een onderdeel van is. Om naast het buitenperspectief van een wetenschap het binnenperspectief van de deelnemer aan het spel van het leven mogelijk te houden.



    1. Spreektekort en spreekoverschot


Over de grens tussen wat ik denk en wat ik uitdruk.

Een gedachte is een (talige) formulering van wat in een intentioneel proces is geïntendeerd: qua achtergrond, voorgrond maar ook qua motivatie en gehele wereld. Als ik denk aan mijn kinderen, die nu op school zijn, dan is er een hele kosmos mee geïntendeerd. Wat ik daarvan kan zeggen of in mijn “innerlijke dialoog” expliciet maak, schiet altijd tekort. Woorden schieten altijd tekort. Ik kan nooit alles zeggen wat met dat wat ik zeg te maken heeft. Ik kies altijd slechts één perspectief, waar er vele mogelijk zijn, ik vergeet vele mogelijke achtergronden en natuurlijk ook de denkhouding en de motieven die maken dat ik iets zie en denk zoals ik het denk. De kunst van het zeggen (en schrijven en denken) is om zo te formuleren dat de woorden die je vastlegt de juiste wereld oproepen bij het publiek (al ben je dat zelf).

Een merkwaardig fenomeen doet zich daarop aansluitend voor: iets zeggen voegt zelf weer iets unieks toe aan dat wat ik wil uitdrukken. Iets dat daarvoor niet in mijn denken zat. Door iets te zeggen, met al zijn tekortkomingen, verrijk ik mijn beleving met mijn eigen expressie. Deze gaat een eigen leven leiden. Wijlen Harry Mulisch heeft ooit over de interpretaties van zijn boeken gezegd dat menig criticus dingen in zijn boeken las die hij er niet in gestopt heeft, maar dat deze er wel degelijk in zaten.

  1. Interpretatie


“Communication is to misunderstand one another as little as possible”
    1. Verklaren versus begrijpen


Hoe moeten we andere mensen begrijpen? Op basis waarvan schatten we dat in? De natuurwetenschappen hebben het wat dit betreft gemakkelijk: hun objecten zijn levenloos of gedragen zich wat eenvoudiger. Hun methode bestaat er uit om zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven wat er te zien is en op basis hiervan patronen te ontwaren. Dit heet verklaren.

Wat natuurwetenschappers zien wordt tot klaarheid gebracht door beschrijving, herhaling, verfijning, hypothese en experiment. We krijgen zo vat op de veelheid van verschijnen door er patronen, liefst natuurwetten, in te ontdekken en deze binnen de gemeenschap van wetenschapper kritisch te toetsen.

Maar als ik nu probeer te begrijpen waarom en hoe voetbalsupporters zich gedragen zoals ze dat doen? Gedragswetenschappers kunnen onderzoek doen naar de patronen van gedrag, onder welke omstandigheden geweld kan uitbreken bijvoorbeeld, of uit welke bevolkingsgroepen de supporters zijn samengesteld. We kunnen zo allerlei patronen ontwaren in het gedrag van menselijke subjecten/ objecten (misschien is “sujetten” hier een beter woord). Dit is een vorm van kennis. We weten zo steeds meer over hoe dergelijke groepen zich gedragen en we kunnen zelfs tot voorspellingen komen. Gedragswetenschap kan zo voor een groot deel gebruik maken van de methoden van de natuurwetenschappen. Niets mis mee. Echter: vergeleken met het toepassen van deze methoden op levenloze voorwerpen zoals in de natuurkunde of op dieren zoals in de biologie, zijn er twee beperkingen die hier moeten worden genoemd:

het begrip wat een dergelijke, kwantificerende methodiek, oplevert, beperkt zich tot hoe mensen zich gedragen als uiterlijk waarneembaar voorwerp. Om de belevingswereld te begrijpen van waaruit mensen zich gedragen, is een begrip (je zou ook kunnen zeggen: taalspel, denkinstelling of vocabulaire) nodig die op basis van deze methode zelf, niet te onderbouwen is. M.a.w.: om het over mensen te kunnen hebben heb je een begrippenstelsel nodig die geënt is op de belevingswereld van mensen: het bewustzijn met zijn transcendentiegedachte, intentionaliteit, motivaties, denkinstelling, symbolische orde, cultuur, et cetera. Dit begrippenstelsel is zelf niet uit empirische observaties te halen maar vergt een teruggrijpen of introspectie bij de onderzoeker.

het object van dit soort onderzoek is, in geval het wordt ingezet bij studie van menselijk gedrag, deels ook het subject, de onderzoeker: we kijken naar mensen in hun uiterlijk gedrag maar willen weten wat de mechanismen zijn op basis waarvan zij zich gedragen. In dit mechanisme speelt ook het subject-zijn een rol: het feit dat bijvoorbeeld voetbalsupporters soms ook de QUEST lezen, waar wetenschappelijk onderzoek in genoemd wordt over voetbalsupporters, beïnvloedt weer de voetbalsupporters: zij kunnen een ander begrip krijgen van zichzelf of vinden dat ze te soft worden weer gegeven en zullen de onderzoeker wel even laten zien wat ze waard zijn.. Dit mechanisme zien we heel sterk terug in de economie, waar de uitlating van een autoriteit op het gebied van de economie zelf een economische factor van belang is. Als professor Heertje, onderzoeker van de economie, in NOVA zegt dat er een “double-dip” aankomt, nemen op basis daarvan meer mensen hun spaargeld op en krijgen we daardoor een double-dip. Subject (onderzoeker) en object (onderzochte) zijn dan niet geheel van elkaar te scheiden.

Verklaren behoeft dus een subtieler begrippeninstrumentarium om zijn object recht te doen, zeker in het geval het object meer menselijke kenmerken draagt.



    1. Dialectiek


Wat “ben” ik? Er zijn vele antwoorden te geven op deze vraag, bijvoorbeeld dat ik een doorgeëvolueerde aap ben, of dat ik een Nederlander ben, et cetera. Allemaal specifieke kenmerken, eigenschappen en achtergronden die niet onjuist zijn en die zeker hun invloed hebben op hoe ik mij nu gedraag, wat ik voel en denk. Maar ik wil hier één eigenaardige eigenschap uitlichten die hier extra relevant is. Als wezen met bewustzijn in een symbolische orde, is dat wat ik denk of zie, van invloed op hoe ik een volgend moment mij gedraag of wat en hoe ik iets zie. In intentionaliteits-termen: het bestand van waaruit ik intentionele objecten vervul door middel van retentie, wordt door elke bewustzijnsact verrijkt. De persoon die onderzoek doet naar zichzelf en tot inzichten komt over hoe patronen in zijn gedrag werken, kan daarmee, vaak slechts deels, deze patronen beïnvloeden. De persoon van voor het onderzoek is niet identiek aan de persoon van na dit onderzoek. Gesprekstherapie maakt gebruik van deze menselijke eigenschap.

Het mechanisme of de logica waarmee men dit soort processen vat wordt ook wel dialectiek genoemd. “Normale” logica gaat over verhouding op een bepaald moment (X = X en niet Y). In de dialectiek probeert men na te denken over identiteiten die niet gelijk zijn met zichzelf, die door de tijd heen wijzigen. De 19eeeuwse filosoof Hegel heeft een groot filosofisch systeem gebouwd op dialectische uitgangspunten. Volgens hem is wat wij geest noemen het resultaat van een dialectisch proces vanuit zintuiglijke waarneming:

als wij een ding waarnemen (“hé, een pen!”). We gaan op in de waarneming van het ding. Dit noemt Hegel de these.

Dan vindt er al snel een omkering van de waarneming plaats, waarbij de waarneming naar de waarneming zelf kijkt (“ik zie een pen”). Er ontstaat afstand tot het waargenomene en een ander besef. Hegel noemt dit antithese.

Daarop vindt er weer een teruggang plaats naar de waarneming: ik realiseer me dat ik deze pen zie en onder welke voorwaarden dit is gebeurd en of mijn waarneming juist of relevant is. (“Ik heb nu even niets aan de pen, maar straks kan ik hem gebruiken voor het schrijven van een brief”). De waarneming wordt opgenomen in een breder besef van de wereld. Hegel noemt dit de synthese. Er ontstaat zo een hoger bewustzijn.

Volgens Hegel is onze geest continue met meerdere zaken tegelijk in dialectische processen verwikkeld.

Naast deze ideeën ontwikkelde Hegel ook het idee dat de dialectiek niet stopt op het niveau van het individu: onze gedachten krijgen vaste vorm middels taal en cultuur (ze “objectiveren” zich) en daar zijn ze voor andere individuen toegankelijk, waardoor er een algemene, overkoepelende geest ontstaat (bijvoorbeeld de tijdgeest of de volksgeest). Deze overkoepelende geesten dragen de individuen waardoor een ieder kan beginnen waar anderen zijn geëindigd en er ontwikkeling mogelijk is (volgens Hegel: noodzakelijk is).

Deze laatste ideeën druipen van cultuuroptimisme en ik wil daar hier niet op ingaan. Wat voor ons belangrijk is, is het inzicht dat onze identiteit (als persoon, bewustzijn door de tijd heen) een open systeem is dat niet vast te stellen is aan de hand van statische kenmerken zoals geschiedenis, instinct, evolutie of lichamelijke kenmerken. Naast deze kenmerken zorgt namelijk de ervaring van het bewustzijn zelf voor beïnvloeding en inhoud van de identiteit.



    1. Begrijpen en verstaan


Hoe moeten we de ander of zijn uitingen (zoals kunst) begrijpen? Wat kunnen we hier over zeggen, wat is de waarheidswaarde daarvan en hoe doen we dat?

In de ontwikkeling van de wetenschappen vinden we deze discussie ook terug. Met name tegen het einde van de 19e eeuw, toen de geschiedenis en de psychologie als onderzoeksgebieden steeds meer methodische uitwerking kregen, was de vraag: kunnen we de onderzoeksmethoden van de natuurwetenschappen op de z.g. humaniora (menswetenschappen) toepassen?

Eén van de mensen die hier baanbrekend werk heeft verricht en die negatief antwoordde op de vorige vraag, was Wilhelm Dilthey. Dilthey wees er op dat als het gaat om het schrijven van geschiedenis, we op zoek gaan naar feiten. Hier kan de natuurwetenschap natuurlijk gewoon dienst doen bij het bepalen van leeftijd, waarheid e.d. van bronmateriaal dat wordt gevonden. Als we een geschiedenis willen schrijven, dan moeten we de feiten echter begrijpen als uitdrukking van menselijk leven: we moeten in onze verbeelding het leven reconstrueren van de mensen die de speerpunten en potten hebben gebruikt die we hebben gevonden. We moeten vanuit een perspectief dat we gemeenschappelijk hebben met de actoren in de geschiedenis, de feiten plaatsen en een concreet leven oproepen van waaruit niet alleen de vraag “wat is er gebeurd?”, maar ook de vragen “hoe is het gebeurd?” en “waarom is het gebeurd?” kunnen worden beantwoord.

We zijn dan op zoek naar redenen en niet alleen maar naar mechanismen. Volgens Dilthey zouden deze vragen kunnen worden beantwoord als we op zoek gaan naar motieven. Dilthey begreep deze motieven nog voornamelijk als “bedoelingen”. Ook in de literatuur en de psychologie zou onderzoek er op gericht moeten zijn om de bedoelingen van de actoren (de schrijver of de patiënt) te achterhalen en op basis daarvan een begrip te geven.

Hoe kennen we deze bedoelingen? Hier zit het “zwakke” of softe punt van de menswetenschappen: deze bedoelingen zijn zelf niet direct waarneembaar. We moeten ze aannemelijk maken door op basis van bedoelingen die we ons zelf kunnen voorstellen een verhaal te schrijven wat zo dicht mogelijk op de feiten zit maar wel zo veel mogelijk feiten omvat. De menswetenschappen doen daarmee een sterk beroep op introspectie: ik moet als een acteur op zoek gaan in mezelf waar de bedoelingen zouden kunnen zitten die mij er toe zouden kunnen brengen om, gegeven de feiten en omstandigheden, bijvoorbeeld een moord te plegen en daarmee moet ik proberen een aannemelijk, begrijpend, verhaal te schrijven waarin de redenen van de daad afdoende worden gevat. Volgens Dilthey was dit begrip goed mogelijk: “Leven verstaat leven”. In deze ogenschijnlijk simpele formule, zit een diepere gedachte. Als levend wezen weet ik wat het is om te leven. Ik versta de basale noden, behoeften en beperkingen die elk levend wezen heeft. Dit is een voorbegrip die ik meebreng als ik een ander wil begrijpen. Dit voorbegrip wordt “verstaan” genoemd. Vergelijk het met het kunnen spreken van een taal. Wie kent niet de ervaring van in het buitenland ergens te lopen en “ergens” in je omgeving een gesprek, van anderen, in het Nederlands op te vangen. Je weet niet exact wat ze zeggen, maar je verstaat ze wel: je deelt een ruimte met de nog niet waargenomen vreemdelingen met daarin basisbetekenissen en herkenbaarheid. Je verstaat zonder te begrijpen. Verstaan is een voorwaarde voor begrijpen. In het begrijpen worden concrete handelingen geplaatst in een geheel van motieven.

    1. Wereldende wereld


Harry Mulisch deed de observatie dat anderen zijn werk beter zouden kunnen begrijpen dan hijzelf. Hoe kan dit? Als we zijn bedoelingen bij een werk zouden kennen, en wie kent dit beter dan hij zelf, dan begrijpen we het toch?

Na Wilhelm Dilthey is de methodiek van de menswetenschappen verder ontwikkeld, met name op dit punt. Wat begrijpen we als we bijvoorbeeld een gedicht begrijpen? Begrijpen we dat wat de auteur wilde zeggen? Wist de auteur dit zelf wel dan? Moeten we een kunstwerk alleen maar begrijpen als dat wat de kunstenaar wilde, of kan er een andere, ook geldige betekenis, worden gevonden?

In de hermeneutiek, een filosofische stroming waarin met name de grondslagen van de menswetenschappen onderwerp zijn, wordt dat wat uiteindelijk uit het kunstwerk (of wat je maar wil begrijpen) moet worden gehaald als het begrip, de “wereld voor het kunstwerk” genoemd. Hiermee wordt bedoeld: het kunstwerk toont ons de wereld vanuit haar eigen perspectief. Als we kijken naar een schilderij dan worden we in de wereld zoals die vanuit het kunstwerk is, getrokken. We leren kijken vanuit het perspectief van waaruit het schilderij is geschilderd. Dit is natuurlijk het perspectief van de schilder, maar niet alleen maar zoals hij deze bewust bedoeld. In de schilderijen van Rembrandt gaat het dan ook om het perspectief en de wereld van de Gouden Eeuw. Iets waar Rembrandt zelf vanuit werkte en zich niet expliciet bewust van was. Het was niet Rembrandt’s bedoeling om het perspectief van de Gouden Eeuw te vereeuwigen. Maar we zien het wel en het maakt een belangrijk deel uit van wat het schilderij voor ons nu is. Hetzelfde geldt voor het dagboek van Anne Frank. Het was haar bedoeling, en niets dan haar bedoeling, om, als pubermeisje, een dagboek te schrijven. Ongewild is haar dagboek een monument van menselijkheid, 20eeeuwse tragiek en een getuigenis van de molenstenen der geschiedenis geworden. De wereld van waaruit het dagboek al zijn mogelijke betekenissen toont is daarmee veel groter dan wat de auteur, zeker in dit geval, zelf had kunnen bevroeden.
Wat we hier aan het werk zien, is het feit dat mensen altijd in een wereld zijn die hun eigen wereld is en die de wereld is van anderen omdat ze veel betekenissen, referenties en cultuur delen. Deze wereld is geen statische stand van zaken (zoals de natuurwetenschappelijke wereld van natuurwetten) maar de belevingswereld die gevormd wordt door intentionaliteiten, retenties, individuele en gemeenschappelijke motieven en referenties van allerlei aard, de fysieke wereld van het moment, culturele betekenissen, et cetera. Deze belevingswereld is continue dynamisch: is zich continue aan het herschikken op basis van nieuwe gebeurtenissen en ervaringen. We leven in belevingswerelden die open zijn voor anderen: waarin anderen worden uitgenodigd en nodig zijn, waarin continue andere belevingswerelden samensmelten, waarin onze wereld zich steeds weer herpakt. “De wereld wereldt”, zegt Heidegger. En het is dit aspect, de wereld die wereld schept, waar we met name in kunst mee worden geconfronteerd. De ervaring van een kunstwerk is aldus:

de ervaring van de complete wereld waar vanuit het kunstwerk is gemaakt

maar ook de wereld in mijn beleving die door het kunstwerk wordt opgeroepen en beïnvloedt.

Als we een Griekse tempel betreden, wordt de wereld van de Oude Grieken voor ons tastbaar (a), maar ook onze huidige wereld wordt door het kunstwerk geordend (b).



    1. Vervreemding en toe-eigening


Interpreteren is het onderzoeken van mogelijke betekenissen. Deze betekenissen bestaan uit het plaatsen van het kunstwerk en zijn onderdelen in de wereld die door het kunstwerk wordt opgeroepen en de wereld waar het kunstwerk uit vandaan komt. Deze moeten worden geharmoniseerd met mijn eigen wereld: ik moet ze relateren aan mij bekende referenties. De vadermoord door Oedipus is mijn eigen relatie met mijn vader.
De kwaliteit van een interpretatie wordt voor een deel bepaald door de mate waarin ik mijn eigen wereld op het spel zet en het kunstwerk de kans geef om mijn wereld te beïnvloeden. Uit deze beïnvloeding moet ik steeds weer terug naar mijn eigen wereld, mijn situatie in het hier en nu. Zo ontstaat er een dialectiek van vervreemding en toe-eigening.

In het interpretatieproces zijn de volgende logische stappen te onderscheiden:

het kunstwerk of de persoon observeren (als geheel). Ik lees het werk van Mulisch en ga mee in het verhaal. Het verhaal wordt even, tijdens het lezen, mijn wereld. Ik vervreemd van mijn eigen wereld.

Ik neem afstand van het gehele kunstwerk en probeer van de onderdelen in te zien wat hun betekenis is. Ik tracht mij bekende motieven, intentionaliteiten en “begrippenkaders” op de onderdelen te passen. Ik eigen mij de delen toe en plaats ze in mijn “oude wereld”.

Ik kom tot een begrip van het gehele werk of persoon: wat is de belevingswereld van de persoon of de auteur? Ik vervreemd weer ten dele, maar nu met het oog op het kunstwerk als creatie. Waarom schrijft de schrijver zoals hij doet? Wat is de functie van het schrijven in de ik-persoon?

Ik eigen me het vorige weer toe en voeg het in mijn vorige begrip van het kunstwerk. Het werk of het boek heb ik nu “begrepen”: ik zie nu in waarom het boek is geschreven zoals het is geschreven, ik heb er de wereld van doorzien die wordt geschilderd maar ook de wereld van waaruit het is geschreven. Mijn eigen wereld is verrijkt met het boek.



    1. Oorspronkelijkheid


Uit musicologisch onderzoek is gebleken dat composities van voor de 20e eeuw inmiddels structureel anders worden uitgevoerd dan de manier waarop dat ten tijde van het leven van de componist gebeurde. Orkesten zien er heel anders uit, instrumenten zijn doorontwikkeld, het gedrag van het publiek rond uitvoeringen was heel anders, er was in de 18e eeuw veel meer ruimte voor improvisatie door bijvoorbeeld solisten.

Wat wilde de componist? Had de componist ingestemd met een andere orchestrering of tempovoering? De inmiddels ontstane muziekpraktijk heeft in feite gezorgd voor een andere versie van de beleving van het zelfde stuk, is deze nog “geldig” nu we weten hoe het oorspronkelijk ging? Moeten we terug naar het origineel? En waarom dan: uit respect voor de componist, voor het stuk, de geschiedenis of als mogelijk nieuwe variant?




1

 Over achtereenvolgens de Zuivere rede, de Praktische Rede en het Oordeelsvermogen.

2

 Johannes von Uexküll, “Theoretische Biologie”, 1938; “Umwelt und Innenwelt der Tiere”, 1921.

/



Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina