Instituut voor familiale en seksuologische wetenschappen alcohol en grensoverschrijdend seksueel gedrag in het studentenleven



Dovnload 486.42 Kb.
Pagina9/11
Datum20.05.2018
Grootte486.42 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

Hoofdstuk 5: Studenten en grensoverschrijdend seksueel gedrag




5.1. Prevalentieonderzoek in de VS

Amerikaanse onderzoeken en mediaberichten over het voorkomen van seksueel geweld aan de universiteiten, maken melding van bijzonder hoge cijfers. Tot 20 tot 25% van de vrouwelijke studenten zouden slachtoffer zijn geweest van seksuele grensoverschrijding tijdens hun hogere academische vorming (hoofdstuk 1). Zijn dit correcte cijfers of zijn ze – omwille van de media-aandacht en onderzoekswaanzin – uit hun context getrokken? Om deels een antwoord te kunnen vormen op deze vraag, werd er gekeken naar één van de meest recente onderzoeken binnen dit domein. Het onderzoek in kwestie werd uitgevoerd in het academiejaar 2014-2015 onder leiding van de AAU (= the Association of American Universities) en met behulp van het onderzoeksbureau Westat. Dit is een van de meest recente en grootste onderzoeken1. Een ander prevalentieonderzoek in 2015 werd uitgevoerd onder leiding van de Washington Post (Washington Post-Kaiser Family Foundation Survey, 2015).


Wat zijn de redenen waarom geopteerd werd voor het huidig onderzoek?

Allereerst werd er in het onderzoek van de AAU niet enkel aandacht geschonken aan seksueel geweld in termen van verkrachting en aanranding. Ook seksuele intimidatie en stalking waren onderdeel van de vragenlijst. Dit maakt vergelijking met het Europese prevalentieonderzoek meer plausibel.


De tweede reden voor de huidige keuze is dat het onderzoek van de Washington Post te commercieel en politiek geëngageerd is. Het werd opgesteld met het doel om het politieke debat, rond seksueel geweld aan de universitaire campussen, opnieuw te openen. Het doel van het onderzoek van de AAU is om de deelnemende instituten van hoger onderwijs te voorzien van informatie zodanig dat ze op een onderbouwde manier aan preventie kunnen doen en hulp kunnen voorzien.
Ten slotte is dit het onderzoek uit de New York Times (Pérez-Peña, 2015), waar naar wordt verwezen in het openingsstatement van deze masterproef. Het is belangrijk om te gaan kijken naar de oorsprong en context van het 20 tot 25% cijfer.

De onderzoeksvragen die aan de basis liggen van het rapport van Cantor en Fisher (2015) zijn:




  • Hoe uitgebreid is het voorkomen van onvrijwillig seksueel contact?

  • Hoe uitgebreid in het voorkomen van seksuele intimidatie, stalking en partnergeweld?

  • Wie zijn de slachtoffers?

  • Aan wie rapporteren studenten of met wie praten ze over het incident?

  • Hoe fungeert de campus als context voor seksueel grensoverschrijdend gedrag?

In wat volgt zal er een antwoord worden gegeven op deze onderzoeksvragen. Om vergelijking met Europees prevalentieonderzoek te faciliteren, zullen deze vragen samengenomen worden en onderverdeeld in drie subtitels; seksuele intimidatie, stalking en seksueel geweld, zijnde onvrijwillig seksueel contact en partnergeweld.


De vragenlijst over seksuele grensoverschrijding werd online aangeboden in 27 instituten van hoger onderwijs. De enige vereiste was dat respondenten 18 jaar of ouder waren en student aan de desbetreffende school. Van de 779.170 studenten vervolledigden slechts 150.072 studenten de vragenlijst (respons ratio = 19,3%). Dergelijk lage respons kan een vertekend beeld geven van de resultaten. De resultaten kunnen een over- of onderschatting zijn van de werkelijke prevalentie.
Cantor en Fisher (2015) formuleerden twee hypothesen betreffende de mogelijke bias van de resultaten. Allereerst stelt men de hypothese dat studenten die nooit slachtoffer zijn geweest van seksuele grensoverschrijding minder geneigd zijn tot het invullen van de vragenlijst. Dit zou bijgevolg betekenen dat de resultaten te hoog zijn.
De andere hypothese was dat personen die wel slachtoffer zijn geweest net minder geneigd zijn om dit aan te geven via een online vragenlijst. Dit zou op zijn beurt betekenen dat de resultaten te laag zijn. Beide hypothesen werden getoetst en evidentie werd gevonden voor de eerste hypothese (Cantor & Fisher, 2015). De prevalentiecijfers die volgen kunnen hoger liggen dan in de werkelijkheid het geval is. Vervolgens maakt dit rapport een onderscheid tussen bachelor (undergraduate) en master (graduate/professional) studenten als ook in geslacht: vrouw, man, TGQN (= transgender, homoseksueel of niet conformerend met de gangbare indeling van geslacht) of individuen die hun geslacht niet willen vermelden. In de figuren en tabellen die volgen zullen enkel vrouwelijke studenten worden weergegeven. De reden hiervoor is om vergelijking met Europees onderzoek mogelijk te maken. Nochtans hebben studenten die zich identificeren als TGQN een verhoogd risico om slachtoffer te worden van seksuele grensoverschrijding (Cantor & Fisher, 2015).

5.1.1. Seksuele intimidatie.


Binnen dit onderzoek werd seksuele intimidatie gedefinieerd als een reeks gedragingen die interfereren met de academische of professionele prestaties van het slachtoffer, het vermogen van het slachtoffer beperkt om te participeren aan een academische opleiding, of een intimiderende, vijandige of aanstootgevende sociale, academische of werkomgeving creeërt (Cantor & Fisher, 2015).

Figuur 1. Prevalentie seksuele intimidatie bij vrouwelijke studenten aan 27 Amerikaanse instituten voor hoger onderwijs, gebaseerd op Cantor & Fisher (2015).


Ongeveer de helft van de vrouwelijke studenten geeft aan slachtoffer te zijn geweest van seksuele intimidatie sinds de start van hun hogere opleiding (M = 53%). Opmerkelijk is dat bachelor studenten veel meer risico lopen om slachtoffer te worden. Niet enkel om slachtoffer te worden van seksuele intimidatie maar – zoals ook uit ander onderzoek blijkt – voor bijna elke vorm van seksuele grensoverschrijding aan de universiteit (Fisher, Sloan, Cullen, & Lu, 1998; University Wire, 2015). Wanneer er dieper wordt gekeken naar de data, valt op te merken dat voornamelijk eerstejaarsstudenten (Freshman) een risicogroep vormen. Een mogelijke hypothese die Cantor & Fisher (2015) postuleren is dat eerste jaars studenten nog niet bekend zijn met mogelijke risicosituaties, die kunnen leiden tot seksuele grensoverschrijding. Een voorbeeld van een risicosituatie is het welkomsfeestje aan de universiteit waar – voornamelijk Amerikaanse jongeren – voor het eerst in aanraking komen met alcohol, zonder controle van opvoeders/ouders. Zie in dit verband ook hoofdstuk 6.
Zowel vrouwelijke slachoffers als slachtoffers van seksuele intimidatie aan de universiteit in het algemeen, krijgen voornamelijk te maken met ongepaste opmerkingen die de dader maakt over hun lichaam, voorkomen of seksueel gedrag dat ze stellen (37,7%). Daarnaast maken daders vaak seksuele opmerkingen, of beledigende of kwetsende grappen of verhalen (29,5%).
Boven genoemde gedragingen worden bijna altijd gesteld door medestudenten (91,6%). Echter, vrouwelijke masterstudenten die slachtoffer waren van seksuele intimidatie gaven aan dat in 22,4% van de gevallen de dader een lid was van de faculteit (lees: professor, adviseur). Tevens werd seksueel grensoverschrijdend gedrag in 43,1% van de gevallen gesteld door een vreemde ten aanzien van het slachtoffer.
Terug grijpend naar het doel van het rapport, met name het bieden van informatie voor preventie en ondersteuning van slachtoffers, is het belangrijk om na te gaan of studenten hun ervaring überhaupt delen met iemand. In tegenstelling tot de meeste Europese universiteiten, hebben Amerikaanse universiteiten hun eigen onderzoeksinstantie. Slachtoffers van een misdrijf dat zich heeft voorgedaan op de campus, worden intern behandeld. In tegenstelling tot het Europees prevalentieonderzoek wordt hier gekeken naar het rapporteren aan universiteitsinstanties in plaats van aan de politie.
Vrouwelijke studenten die slachtoffer werden van seksuele intimidatie gingen zelden een klacht indienen bij universitaire instanties (9,1%). Meer dan de helft vertelde hun ervaringen wel tegen een vriend(in) (57,6%). Maar ook een groot deel van de studentes hielden de gebeurtenis voor zichzelf (38,2%). De reden om niets te vertellen en/of te melden aan een instantie was het idee dat de gebeurtenis niet ernstig genoeg was (78,6%).
Recapitulerend maakt een groot deel van de Amerikaanse studentes seksuele intimidatie mee op de campus. Daders worden vaak aangeduid als zijnde medestudenten van wie een groot deel vrienden of kennissen zijn. Nochtans wordt het maken van vulgaire opmerkingen niet beschouwd als ernstig of levensaantastend, aangezien het weinig verteld en/of wordt gerapporteerd.


5.1.2. Stalking.


Stalking werd binnen dit Amerikaans prevalentieonderzoek geformuleerd wanneer volgende gedrag(ingen) zich meer dan één keer hadden voorgedaan en gesteld werden door dezelfde persoon:


  • Ongewenste telefoontjes, emails, smsen of teksberichten, foto’s of video’s die gepost werden op sociale netwerksites.

  • Ongewenst ergens opduiken of het slachtoffer opwachten op een plaats waar deze het niet verwacht.

  • Het slachtoffer bespieden, bekijken of volgen. Zowel persoonlijk of gebruikmakend van software of apperatuur die dit mogelijk maakt.

Dergelijke gedrag(ingen) moeten het slachtoffer angstig maken voor zijn/haar persoonlijke veiligheid.


Figuur 2. Prevalentie stalking bij vrouwelijke studenten aan 27 Amerikaanse instituten voor hoger onderwijs, gebaseerd op Cantor & Fisher (2015).


Figuur 2 toont de prevalentiecijfers van stalking op de campus bij vrouwelijke studenten. In tegenstelling tot seksuele intimidatie is er bij stalking weinig verschil tussen bachelor en master studenten. Redenen hiervoor werden niet geformuleerd in het onderzoek. Opmerkelijk is wel het contrast met prevalentiecijfers aan Europese universiteiten. Daar heeft de helft van de vrouwelijke studenten een ervaring met stalking aan de universiteit, terwijl in Amerika stalking eerder een uitzondering is, respectievelijke cijfers zijn 50,5% versus 5,95%. Één van de mogelijke redenen hiervoor is dat uit het Amerikaans onderzoek een negatieve correlatie werd gevonden tussen respons rate en prevalentie, voor de 27 universiteiten. Dit betekent dat de scholen met de laagste respons, een hogere prevalentie voor stalking vertoonden.
Een gelijkenis met Europees onderzoek is stalking door middel van multimedia. Cantor & Fisher (2015) vonden namelijk dat in het merendeel van de stalkingervaringen, studentes te maken hadden met ongewenste telefoontjes en berichten (3,5%). Ook het onverwacht opduiken van iemand die men eigenlijk niet wil zien, werd frequent aangehaald (2,7%).
Door wie werden deze studentes gestalkt? In 63,9% van de gevallen werd de dader aangeduid als een medestudent. Dit kon een vriend(in) of kennis zijn (40,4%) of iemand waar men ooit mee op date of intiem was geweest (24,3%). Nochtans was er ook een aanzienlijk deel van de daders onbekend voor het slachtoffer (28,7%). Dit percentage is vergelijkbaar met het percentage “stranger stalking” uit Duitsland (27%). Een fenomeen dat verder onderzoek verdient omwille van het extreem angstaanjagende karakter.
Stalking tout court is een beangstigende ervaring, zo blijkt ook uit het aandeel slachtoffers dat melding maakt bij de autoriteiten (27,4%). Stalking als vorm van seksuele grensoverschrijiding werd het meeste gerapporteerd aan universitaire instanties, in vergelijking met seksuele intimidatie en seksueel geweld (inclusief verkrachting). Ook vrienden en familieleden werden meestal geïnformeerd door het slachtoffer (83,5% en 43%). Wanneer men echter geen melding maakte, was dit omwille van het gebrek aan ernst, zoals gepercipieerd door het slachtoffer (56,7%) of omdat men dacht dat er aan de klacht geen vervolg zou worden gegeven (33,4%).
Samenvattend, hebben Amerikaanse studentes veel minder ervaring met stalking dan hun Europese collega’s. Desalnietemin schept de opkomst van nieuwe multimedia (sociale netwerksites) opportuniteiten inzake stalking. De ongewenste nabijheid en schending van grenzen die dit met zich meebrengt, wordt als zeer beangstigend ervaren, zoals blijkt uit het aantal meldingen aan universitaire instanties.

5.1.3. Seksueel geweld (inclusief verkrachting & partnergeweld).


Binnen het prevalentieonderzoek onder leiding van de AAU werd onvrijwillig seksueel contact onderverdeeld in seksuele penetratie en seksueel aanraken. Er is sprake van seksuele penetratie wanneer iemand penis, vinger of ander object in iemands’ vagina of anus steekt. Ook wanneer iemand zijn/haar mond of tong in contact komt met iemand anders zijn/haar genitaliën (Cantor & Fisher, 2015). Seksueel aanraken werd gezien als kussen, aanraken van iemand’s borsten, borstkas, kruis, lies of billen. Ook het grijpen, betasten of wrijven tegen iemand anders op een seksuele manier werd beschouwd als seksueel aanraken, ook al droeg de andere partij kleding.

Daarnaast werd er een onderverdeling gemaakt in vier tactieken die gebruikt werden door de dader om dergelijk gedrag te stellen, zijnde fysiek geweld gebruiken, gebruik maken van de handelingsonbekwaamheid van het slachtoffer, dreigen met niet-fysieke nadelen of het beloven van beloningen (= manipulatie) en ten slotte het niet kunnen verkrijgen van een geldige toestemming.


Centraal voor deze masterproef is de tweede tactiek; handelingsonbe-kwaamheid. Cantor & Fisher (2015) definieert dit wanneer het slachtoffer niet in staat is om toestemming te geven of zich kan verzetten tegen hetgeen er aan het gebeuren is, omdat ze buiten bewustzijn is, in slaap gevallen is of onbekwaam ten gevolge van druggebruik of alcoholconsumptie.
In wat volgt zal seksueel geweld, verkrachting en partnergeweld worden besproken. Seksueel geweld is de overkoepelende term voor seksueel aanraken, gebruikmakend van de vier tactieken, alsook seksuele penetratie gebruikmakend van manipulatie of geen geldige toestemming kunnen verkrijgen. Verkrachting is, volgens de juridische definitie, seksuele penetratie gebruikmakend van fysiek geweld of van de handelingsonbekwaamheid van het slachtoffer (= twee tactieken). Let op: de huidige, Amerikaanse definitie van verkrachting verschilt met de juridische definitie van België (zie supra). Zowel voor seksueel aanraken als verkrachting zal er in figuur 4 apart aandacht worden gegeven aan de tweede tackiek, zijnde handelingsonbe-kwaamheid. Ten slotte zal er ook aandacht worden gegeven aan seksueel partnergeweld. Het Amerikaans prevalentieonderzoek ging na of de respondenten in een relatie waren sinds/tijdens hun collegejaren. Indien dit het geval was, werd er specifiek gevraagd naar seksuele grensoverschrijding door de partner.

Figuur 3. Prevalentie seksueel geweld, verkrachting en partnergeweld (vier tactieken samen) bij vrouwelijke studenten aan 27 Amerikaanse instituten voor hoger onderwijs, gebaseerd op Cantor & Fisher (2015).



Figuur 3 laat zien dat vrouwelijke studenten een reële kans hebben op het ervaren van seksueel grensoverschrijdend gedrag gedurende hun studentenleven. Tevens is er een significant verschil in het ervaren van seksueel geweld (inclusief verkrachting) tussen bachelor- en masterstudenten. Masterstudenten hebben een beduidend lager risico om nog slachtoffer te worden van ongewenst seksueel contact, zijnde aanrakingen of penetratie. Voor seksueel geweld variëren de prevalentiecijfers voor bachelorstudenten van 12,8% (= seksueel aanraken gebruikmakend van fysiek geweld) tot 0,2% (= seksueel aanraken gebruikmakend van manipulatieve dwang). Dit in tegenstelling tot de prevalentie bij masterstudenten, zijnde 4,7% die slachtoffer werden van seksueel aanraken door middel van fysiek geweld. Tot 0,1% die slachtoffer werden van seksuele penetratie onder manipulatieve dwang. Maar net zoals bij seksuele intimidatie is er een significant verschil tussen de bachelorjaren onderling. Bijvoorbeeld slachtoffers van seksuele aanraking gebruikmakend van fysiek geweld of handelingsonbekaamheid van het slachtoffer, waren in 16,9% van de gevallen eerstejaars versus 11,1% laatstejaars binnen de bacheloropleiding. Zoals eerder aangegeven, vermoeden de auteurs van dit rapport dat eerstejaarsstudenten een verhoogd risico hebben op seksueel geweld omwille van hun gebrek aan bekendheid met situaties waarin seksueel geweld zich vaak voordoet, bijvoorbeeld tijdens studentenfeestjes met een hoog alcoholverbruik (Cantor & Fisher, 2015).
Figuur 4 geeft de specifieke situatie aan waarin de dader gebruik heeft gemaakt van de handelingsonbekwaamheid van het slachtoffer door haar druggebruik of alcoholconsumptie. Let wel, in deze Amerikaanse studie heeft het slachtoffer bewust en moedwillig drugs of alcohol geconsumeerd. Het slachtoffer werd niet onbewust gedrogeerd of dronken gevoerd. Binnen dit rapport is het de dader die misbruik maakt van de situatie of het onvermogen van het slachtoffer om zich te verzetten. Zoals geweten uit de juridische definitie van verkrachting in België, geldt dat er geen geldige toestemming meer kan gegeven worden na alcohol en/of drugconsumptie. Het rapport van de AAU ziet het gebrek aan een geldige toestemming als een aparte tactiek om seksueel de grenzen van het slachtoffer te overschrijden. Bijgevolg werden deze niet meegerekend in figuur 4.

Figuur 4. Prevalentie seksuele aanraking en penetratie gebruikmakend van de handelingsonbekwaamheid van het slachtoffer bij vrouwelijke studenten aan 27 Amerikaanse instituten voor hoger onderwijs, gebaseerd op Cantor & Fisher (2015).



Wanneer figuur 3 en 4 naast elkaar worden gelegd, valt op dat er weinig verschil is tussen seksueel geweld en verkrachting in het algemeen (= vier tactieken samen genomen) versus seksueel geweld en verkrachting gebruikmakend van het onder invloed zijn van het slachtoffer van drugs of alcohol. Dit kan betekenen dat er nood is aan programma’s die potentieële slachtoffers informeert over de gevolgen van alcohol en drugs. Die eerstejaarsstudenten informeren over de gevaren van alcoholconsumptie op studentenfeestjes.
In tegenstelling tot ander – internationaal – prevalentieonderzoek werd binnen dit onderzoek expliciet aandacht besteed aan partnergeweld in de context van het studentenleven. De onderzoekers vonden dat geweld geassocieerd met relaties, onvoldoende in beeld kwam door middel van de andere vragen in de survey. Enkel studenten die aangaven dat ze een partner hadden sinds de aanvang van hun hogere studies, werden vragen gesteld over partnergeweld. Zoals te zien is in figuur 3 heeft 12,8% van de vrouwelijke bachelorstudenten en 7% van de masterstudentes een ervaring gehad met partnergeweld sinds hun verblijf op de campus. Meer dan de helft van de slachtoffers werden gecontroleerd door hun partner of deze probeerde controle uit te oefenen over het slachtoffer. Dit zijn, in vergelijking met seksueel geweld en verkrachting, beduidend hogere cijfers. Een mogelijke reden voor het hogere percentage kan te maken hebben met de respons rate bij de vragen over partnergeweld. Na analyse vonden Cantor & Fisher (2015) dat er een negatieve correlatie is tussen respons rate en prevalentie. Dit betekent dat binnen een instituut voor hoger onderwijs een lage respons samenhangt met een hogere prevalentie in vergelijking met andere instituten. Een overschatting van het prevalentiecijfer is dus een mogelijke verklaring voor het cijfer.
Opmerkelijk is dat – in tegenstelling tot seksuele intimidatie en stalking – er bij seksueel geweld en verkrachting geen vraag werd gesteld naar de relatie en associatie met de dader. Het is dus onduidelijk door wie Amerikaanse studenten op een negatieve manier seksueel benaderd werden. Vanuit het voorgaande kan er enkel worden vermoed dat seksueel geweld binnen de universiteit meestal gepleegd wordt door andere studenten. Mede vanuit ander onderzoek kan er worden gesteld dat seksueel geweld eerder wordt gepleegd door iemand uit de kennissen-/vriendenkring van het slachtoffer, dan wel door een vreemde (Fisher et al., 1998; Jameson, 2012; Wilcox, Jordan, & Pritchard, 2006).
Net als stalking, geven de cijfers aan dat verkrachting, gebruikmakend van de handelingsonbekwaamheid van het slachtoffer, voldoende ernstig is om aangifte te doen bij een instantie van de universiteit (14,4%). Seksueel aangeraakt worden wanneer men niet bekwaam is om te reageren door drugs- of alcoholconsumptie lijkt dan weer niet ernstig genoeg (4,8%). Nochtans is de grens tussen aanraking en penetratie heel dun en kan het één leiden tot het ander. Ook opvallend is dat de voornaamste reden om - geen - melding te maken bij een universitaire instantie, is dat men dacht dat de verkrachting of seksuele geweldpleging niet ernstig genoeg was om deze te rapporteren (62,1% en 75,6%). Vanuit andere literatuur blijkt dat slachtoffers eerder beschaamd zijn over het gebeuren of zichzelf verantwoordelijk achten (Santovec, 2011; Brubaker, 2009; Sable, Danis, Mauzy, & Gallegher, 2006). Beschaamd zijn over het meemaken van een verkrachting was voor 31,1% van de slachtoffers voldoende reden tot zwijgen en slechts 13,3% van de slachtoffers van seksuele aanrakingen gaf dit op als reden.

Incidenten van partnergeweld werden daarentegen vaker gemeld aan de bevoegde instanties. 17,7% van de slachtoffers maakte een melding. Merk op dat dit percentage hoger is dan deze van slachtoffers van een verkrachting. Nochtans geven evenveel mensen aan dat ze geen melding maken omwille van een gebrek aan ernst, tenminste dat is hun perceptie (61,1%). Het is geweten uit de literatuur dat slachtoffers vaak ‘oogkleppen’ op hebben voor wat betreft het geweld dat hun wordt aangedaan (Edwards, Dardis, & Gidycz, 2012). Een groot deel van de slachtoffers maakt dan ook geen melding omdat ze de dader, zijnde hun partner, niet in problemen willen brengen (21,7%).

Ondanks eerder lage cijfers betreffende het indienen van een klacht bij de bevoegde autoriteiten, vertellen slachtoffers hun ervaring wel tegen een vriend(in). Zo gaf 76,1% van de slachtoffers van een verkrachting en 74,1% van de slachtoffers van seksuele geweldpleging aan dat ze hun ervaring deelde met een vriend(in). Ook slachtoffers van partnergeweld vertelde hun verhaal eerder tegen een vriend(in), doch in mindere mate (63,3%). Zo is het ook opvallend dat één derde van de slachtoffers van partnergeweld dit tegen niemand anders vertellen (30,3%).
Ter afsluiting nog een antwoord op de vraag betreffende het ‘één op vier’- cijfer. Het percentage vrouwelijke bachelorstudenten die rapporteren onvrijwillig seksueel contact te hebben meegemaakt gedurende hun tijd op de campus, waarbij fysiek geweld werd gebruikt of waarbij de dader misbruik maakte van het onder invloed zijn van het slachtoffer door alcohol of drugs, bedraagt 26,1%. Dit is dus wel degelijk één op vier! Zelfs wanneer er wordt gekeken naar scholen waar de respons lager lag, was de prevalentie 19,5%. Dit is dus één op vijf en nog altijd hoog. De onderzoekers geven zelf aan dat deze prevalentiecijfers sterk variëren naargelang de school. De grote van de school, het aantal (vrouwelijke) studenten, privaat versus publieke school, hebben een invloed op de prevalentie. Daarentegen verschilt het percentage weinig met eerder prevalentieonderzoek. Krebs et al. (2007) vonden dat 19,8% van de vrouwelijke studenten slachtoffer was geworden van seksuele geweldpleging of verkraching op de campus. De prevalentiecijfers zijn mogelijks geen extreme overschatting van de werkelijkheid. Verder onderzoek naar de beïnvloedende en faciliterende factoren van seksuele grensoverschrijding zijn aan te raden. Één van deze factoren, zijnde de alcoholconsumptie die samenhangt met het studentenleven, heeft al de aandacht opgeeïst in het Amerikaanse onderzoek. Misschien is het opportuun om breder te gaan kijken naar dit fenomeen.



Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina