Instituut voor familiale en seksuologische wetenschappen alcohol en grensoverschrijdend seksueel gedrag in het studentenleven



Dovnload 486.42 Kb.
Pagina8/11
Datum20.05.2018
Grootte486.42 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11




Hoofdstuk 4: Jongeren en grensoverschrijdend seksueel gedrag

Jongvolwassen studenten bevinden zich op het vlak van hun persoonlijke ontwikkeling in een tussenfase. Aan de ene kant kunnen ze niet meer aanzien worden als pubers of adolescenten. Aan de andere kant zijn ze voor hun onderwijs/onderhoud/opvoeding nog altijd deels afhankelijk van hun ouders. De meeste studenten in het hoger onderwijs zijn meerderjarig, + 18 jaar, en iemand die meerderjarig is, wordt de facto beschouwd als een volwassen persoon, die volledig verantwoordelijk is voor zichzelf. Nochtans kan er – gevoelsmatig – aangegeven worden dat studenten behoorlijk verschillen van leeftijdsgenoten die niet meer naar school gaan. Studenten zijn voor hun financieel onderhoud meestal sterk afhankelijk van hun ouders, deze betalen de studies en staan in voor de huur van het kot/kamer/woning van de student. Leeftijdsgenoten, die wel uit werken gaan na het secundaire onderwijs, zijn meestal veel minder afhankelijk. Zij staan al meer met hun beide voeten in het “volwassen leven” waarin ze hun eigen weg gaan en eventueel een gezin gaan stichten…


Lopen studenten meer kans om slachtoffer te worden van seksueel grensover-schrijdend gedrag in vergelijking met hun werkende leeftijdsgenoten? Het kan bijvoorbeeld zijn dat studenten, door hun sterkere afhankelijkheid van hun opvoeders, meer geneigd zijn risico’s te nemen vanuit de mindset dat ze nog “onder iemand anders’ verantwoordelijkheid” vallen. Tevens kan het ook zijn dat het studentenleven, met een hoger dan gemiddelde alcoholconsumptie, een meer risicovolle context biedt, waardoor studenten gemakkelijk slachtoffer kunnen worden.
Om te kunnen achterhalen of de context van het studentenleven - alsook het verschil in mindset wat dit met zich kan meebrengen - een invloed heeft op seksuele grensoverschrijding, gaat er worden gekeken naar het risico bij jongeren tussen 11 à 12 jaar en 25 jaar in het algemeen. In een volgend hoofdstuk wordt er vervolgens gekeken naar de prevalentie, specifiek bij studenten. In het zesde en laatste hoofdstuk zal een vergelijkend besluit worden gevormd in verband met het eventueel verhoogd risico op seksuele grensoverschrijding bij studenten.

4.1 Prevalentieonderzoek in de VS

Een belangrijk prevalentieonderzoek dat hier eerst wordt besproken betreft een nationale studie die een aantal jaren geleden is uitgevoerd in de Verenigde Staten (Black et al., 2011). De onderzoekers zijn gaan kijken naar het voorkomen van seksueel geweld alsook partnergeweld bij vrouwen en mannen. Volwassen personen (+ 18 jaar) werden geïnterviewd over seksuele victimisatie, stalking en partnergeweld. Deze drie worden achtereenvolgens besproken. Hierbij wordt er specifiek gekeken naar seksueel slachtofferschap tussen de leeftijd van 11 en 25 jaar. Tevens worden enkel prevalentiecijfers van vrouwen beschreven om vergelijking met studenten te vergemakkelijken en omdat vrouwen in vergelijking met mannen meestal slachtoffer zijn van seksueel geweld.



4.1.1. Seksuele victimisatie.


Betreffende seksuele victimisatie werd het volgende bevraagd: slachtoffer te zijn geweest van verkrachting (= ongewenste penetratie, daarbij gebruikmakend van fysiek geweld of alcohol- of drugsgefaciliteerd), seksueel niet-fysieke dwang, ongewenst seksueel contact (= andere seksuele activiteiten buiten penetratie) en/of een ongewenste seksuele ervaring zonder lichamelijk contact (Black et al., 2011).
Volgens dit nationale onderzoek werd bijna één op de vijf vrouwen ooit slachtoffer van een verkrachting (18,3%). Daarvan werd bijna 80 procent slachtoffer voor haar 25ste levensjaar (79,6%). Meer specifiek vond in 37,4% van de gevallen de verkrachting plaats toen het slachtoffer tussen de 18 en 24 jaar oud was. Dit is dezelfde leeftijd als de doorsnee student.
Enkel voor verkrachting werd een specificatie gemaakt op leeftijd, niet zo voor de andere bevraagde vormen van seksuele victimisatie. Prevalentiecijfers voor de andere vormen van seksuele victimisatie worden hier dan ook niet weergegeven, zie daarvoor Black et al. (2011).
Daders van een verkrachting zijn voor de slachtoffers meestal een bekende binnen hun sociaal-familiale netwerk. Wanneer er specifiek gekeken wordt naar de dader van een alcohol en/of drugs gefaciliteerde verkrachting dan is dit in de helft van de gevallen een kennis van het slachtoffer (50,4%). In 43 procent van de gevallen gaat het om de vorige of huidige partner van het slachtoffer. Volgens dit onderzoek gaven Amerikaanse vrouwen, die slachtoffer werden van een verkrachting die alcohol- en/of drugsgefaciliteerd was, aan dat de dader in 9,6% van de incidenten een vreemde was voor hun. Belangrijk om te vermelden is dat deze cijfers betrekking hebben op vrouwelijke slachtoffers van alle leeftijden en niet specifiek jongvolwassenen.

4.1.2. Stalking.


Stalking is een fenomeen dat binnen dit nationale prevalentieonderzoek ook wordt aanzien als een vorm van grensoverschrijding. Daarnaast wordt het hier vermeld om vergelijking met het onderzoek bij studenten mogelijk te maken.
Stalking wordt door Black et al. (2011) gezien als het ontvangen van ongewenste berichten, telefoontjes, e-mails en sms’en. Alsook het worden bespied en/of gevolgd en het ongewenst ergens opduiken/aanwezig zijn van de dader met het doel om contact te leggen met het slachtoffer. Ten slotte het inbreken van de dader in de woning of wagen van het slachtoffer om deze bang te maken of te laten merken dat de dader binnen is gedrongen in de privésfeer van het slachtoffer.
Volgens dit onderzoek werd één op de zes van de Amerikaanse vrouwen ooit gestalkt in hun leven (16,2%). Daarvan werd de helft gestalkt toen ze jonger waren dan 25 jaar (53,7%). Van deze groep slachtoffers gaf 34,3 procent aan dat ze tussen de leeftijd van 18 en 24 jaar waren. Net zoals bij verkrachting, werden de meeste slachtoffers gemaakt tijdens deze leeftijdsfase.
Algemeen bekeken kwam stalking door middel van ongewenste telefoon-oproepen het meeste voor (78,8%). Gevolgd door het benaderd worden door de dader thuis of op het werk (57,6%) en het bekeken of gevolgd worden door de dader met behulp van apperatuur (38,6%).
Daders van stalking zijn hoofdzakelijk ex- of huidige partners van het slachtoffer (66,2%). Één op de vier was dan weer een kennis van het slachtoffer (24%). Maar in 13,2% van de stalkingincidenten was de dader een vreemde. Opnieuw gelden deze cijfers voor Amerikaanse, vrouwelijke slachtoffers van alle leeftijden.

4.1.3. Partnergeweld.


Partnergeweld kan gaan om verschillende vormen van geweld, waaronder seksueel geweld, fysiek geweld maar ook stalking en psychologische agressie. Daarnaast beschouwen Black et al. (2011) ook het weigeren van het gebruik van een condoom of het – tegen haar wil - proberen zwanger te maken van de vrouw, als partnergeweld.
Partnergeweld omvat verschillende vormen van seksuele grensoverschrijding. Met de enige specificatie dat de dader in dit geval iemand is waar men vertrouwen in behoort te hebben of iemand die, naast de eigen familieleden, een intieme band heeft met het slachtoffer. Dat maakt dat – net zoals bij kindermisbruik – partnergeweld exponentieel traumatisch kan zijn voor het slachtoffer (Cascardi, vermeld in Culbertson, Vik, & Kooiman, 2001; Brown & Walklate, 2012).
Volgens dit nationale onderzoek maakte één op de drie Amerikaanse vrouwen ooit een verkrachting en/of fysiek geweld mee en/of stalking door hun intieme partner (35,6%). Meer dan twee op de drie waren jonger dan 25 jaar toen ze dit partnergeweld meemaakten (69,5%). Van deze slachtoffers was bijna de helft een jong volwassene (tussen18-24 jaar) ten tijde van het geweld (47,1%).
Concluderend uit dit nationale prevalentieonderzoek van Black et al. (2011) betreffende seksueel- en partnergeweld in Amerika, wordt dergelijke geweld veelvuldig gepleegd op vrouwen. Zowel seksuele victimisatie als stalking alsook intiem partnergeweld, komen hoofdzakelijk voor in de leeftijdscategorie 18 tot en met 24 jaar. Daaruit volgt dat – betreffende Amerikaans jongvolwassenen – studenten enkel en alleen al omwille van hun leeftijd een risicogroep vormen voor seksueel geweld.

4.2 Prevalentieonderzoek in Europa

Een belangrijk prevalentieonderzoek uitgevoerd in Europa betreft het onderzoek van Krahé et al. (2014), dat deel uitmaakt van het Youth Sexual Aggression and Victimization (Y-SAV) project. Dit project werd opgesteld om seksuele agressie en victimisatie bij jongeren in kaart te brengen in de Europese Unie. Krahé et al. (2014) zijn gaan kijken naar prevalentieonderzoeken in 27 EU-landen, dit zijn alle lidstaten van Europa met uitzondering van Kroatië. De exclusie van Kroatië is mogelijks te wijten aan het recente lidmaatschap van Kroatië bij de Europese Unie (sederd 2013). Vervolgens wordt er binnen deze meta-analyse enkel onderzoeken geïncludeerd waarin er specifiek aandacht is voor de leeftijden tussen 12 en 25 jaar. De leeftijd van 12 jaar als ondergrens werd gekozen omdat dit de laagste leeftijd is waarop iemand toestemming voor seksuele activiteit mag geven (Hongarije). In België is deze leeftijd bijvoorbeeld gelegen op 14 jaar (zie supra).

De bovengrens van 25 jaar werd gekozen omdat het project gaat over jongeren, 25 jaar wordt in de Westerse wereld gezien als het einde van de jongvolwassenheid.
De meta-analyse van Krahé et al. (2014) heeft naast het leeftijdscriterium ook een criterium betreffende seksuele agressie. In hun zoektocht naar relevante artikels, gepubliceerd sederd 2000, werd gekeken naar de volgende concepten en synoniemen: seksuele agressie, verkrachting, seksueel geweld, aanranding, victimisatie, daderschap, ongewenste seks, gedwongen seks, seksueel misbruik (met uitsluiting van kindermisbruik op basis van leeftijdscriterium) en seksuele dwang.

Zoals uit deze reeks gerelateerde concepten naar voren komt, werd er ook gekeken naar plegers van seksuele agressie. Deze worden hier niet verder besproken.



Betreffende het thema van deze masterproef wordt het volgende wel besproken: het voorkomen van seksuele victimisatie bij Europese, vrouwelijke jongeren tussen de leeftijd van 12 tot 25 jaar.
Het onderzoek ging onder andere kijken naar de “life time prevalentie”. Dit betekent het voorkomen van seksuele victimisatie vanaf de leeftijd waarop er toestemming mag worden gegeven. Europese meisjes en vrouwen die slachtoffer werden van seksuele agressie schommelen van 9% (Bulgarije) tot 83,9% (Nederland) van de populatie. De Belgische prevalentie is gelegen op 9,9%. Hoe komt het dat deze cijfers zo sterk variëren? Heerst er in Nederland een probleem betreffende seksueel geweld? Op wat zijn deze cijfers gebaseerd?
Nederland heeft – net zoals Duitsland – veel onderzoek gedaan naar seksueel geweld. Zo werden er bijvoorbeeld in deze meta-analyse 11 onderzoeken weerhouden uit Nederland, waarin het thema seksueel geweld werd onderzocht. Dit in tegenstelling tot slechts één onderzoek in Bulgarije. Dit verschil in onderzoekstraditie betreffende het huidige thema kan al één mogelijke verklaring bieden voor het immense verschil in prevalentie. Vervolgens werd door Krahé et al. (2014) erop gewezen dat het hoge prevalentiecijfer van Nederland mede te wijten is aan de inclusie van niet-fysieke vormen van seksuele victimisatie. Dit wil zeggen dat slachtoffers van seksuele intimidatie, zoals bijvoorbeeld nagefloten worden op straat, mede vervat zitten in de 83,9%. Dit is niet geval in het percentage van Bulgarije. Tevens valt op te merken dat wanneer er enkel wordt gekeken naar fysiek gedwongen seksuele victimisatie, het percentage terugvalt tot 15,8 procent sinds de leeftijd van 14 jaar (= ondergrens voor Nederland). Dergelijk percentage is meer vergelijkbaar met deze uit Bulgarije, alsook uit België.
Vanuit het algemene Y-SAV project werd er voor elk Europees land een rapport opgesteld betreffende wetgeving, prevalentie, organisatie en risicofactoren van seksuele agressie en victimisatie bij jongeren. Het bovenvermelde artikel van Krahé et al. (2014) geeft een samenvatting van deze prevalentiecijfers. Enkel wat relevant is voor deze masterproef werd er uitgehaald. Indien interesse in het specifiek rapport van een EU-lidstaat betreffende de huidige staat van onderzoek en wetgeving, verwijs ik u graag door naar de website http://www.rutgers.international/our-products/resources/y-sav-publications.
Samenvattend komt seksuele victimisatie veel voor bij jongvolwassenen in Europa. Zelfs het laagste prevalentiecijfer – negen procent – kan worden beschouwd als hoog. Uit deze meta-analyse volgt duidelijk dat er een hoge nood is aan een algemeen Europees onderzoek betreffende seksueel grensoverschrijdend gedrag bij jongeren. Komt daar nog eens bij, dat de boutade “het hoort er erbij” vanuit moreel ethische invalshoek verwerpelijk is.




Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina