Instituut voor familiale en seksuologische wetenschappen alcohol en grensoverschrijdend seksueel gedrag in het studentenleven



Dovnload 486.42 Kb.
Pagina10/11
Datum20.05.2018
Grootte486.42 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11

5.2. Prevalentieonderzoek in Europa

Wat is er geweten over het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag bij Europese studenten? Het meest recente prevalentieonderzoek in Europa dateert van 2012. In opdracht van de Europese Commissie werd er een onderzoek opgestart naar gendergebaseerd geweld (Felts et al., 2012). In deze masterproef wordt gendergebaseerd geweld vertaald naar seksueel grensoverschrijdend gedrag.


Vijf landen namen deel aan het onderzoek onder leiding van de Ruhr-universiteit Bochum in Duitsland; naast Duitsland zelf deden Italië, het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Polen mee. De steekproef werd gehouden onder 29.627 vrouwelijke studenten, met een gemiddelde leeftijd tussen 18 en 27 jaar. Het onderzoek naar gendergebaseerd geweld werd opgesplitst in drie delen. Allereerst werd er gekeken naar seksuele intimidatie. Vervolgens naar het relatief nieuwe fenomeen ‘stalking’. Ten slotte wordt er dieper ingegaan op seksueel geweld, inclusief verkrachting.
Voor elk van deze vormen werd aan kwantitatief onderzoek gedaan door middel van een vragenlijst. Waarbij onder meer de prevalentie, locatie, dader, rapportage aan autoriteiten, rol van alcohol en/of drugs en de invloed van structurele aspecten bij vrouwelijke studenten werd nagegaan. Voor alle duidelijkheid: dit onderzoek spitst zich uitsluitend toe op grensoverschrijding die aan de universiteit zelf heeft plaats gehad. De studie vond plaats aan de hand van de volgende onderzoeksvraag:
Hebben vrouwelijke studenten - door hun leeftijd en levensstijl – een verhoogd risico om met seksueel grensoverschrijdend gedrag te worden geconfronteerd?” (Felts et al., 2012).
Naast het kwantitatief onderzoek werd er in elk land een random focusgroep met een aantal vrouwelijke studenten samengesteld. Het doel hiervan was om mogelijke beïnvloedende factoren verder uit te diepen en ideeën te formuleren betreffende preventiemaatregelen. Tevens werden er ook interviews afgenomen met belanghebbende personen binnen de universiteit (stakeholders). Hun visie is immers mede belangrijk om seksueel geweld aan de universiteit te bestrijden.
In wat volgt zal er voor elke vorm van seksueel grensoverschrijdend gedrag allereerst dieper worden ingegaan op de prevalentie. Vervolgens wordt er gekeken naar een aantal factoren die betrekking hebben op seksueel geweld, zoals dader, invloed op de studies, rapportage, ... In hoofdstuk 6 wordt er tenslotte dieper ingegaan op de rol van alcohol en andere factoren, zoals bijvoorbeeld de invloed van de structurele inrichting van de universiteit, op het voorkomen van seksueel geweld.

5.2.1. Seksuele intimidatie.


De Raad van de Europese Unie heeft in 2004 volgende definitie geformuleerd rond seksuele intimidatie:
Seksuele intimidatie is elke vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of fysiek seksueel gedrag, dat zich voordoet met als doel of gevolg het schenden van de waardigheid van het slachtoffer.”
In Figuur 1 wordt de prevalentie van seksuele intimidatie aan de universiteit bij vrouwelijke studenten weergegeven. Deze data zijn afkomstig van het vragenlijstonderzoek dat werd uitgevoerd in Duitsland, Italië, Verenigd Koninkrijk, Spanje en Polen. In totaal vulde 21.516 vrouwelijke studenten de vragenlijst in. Maar, zoals Tabel 1 aangeeft, liet een deel van de respondenten de vragen betreffende seksuele intimidatie onaangeroerd. Prevalentiecijfers moeten dus voorzichtig geïnterpreteerd worden.

Tabel 1


Respons op de vraag over seksuele intimidatie


Figuur 5. Prevalentie seksuele intimidatie in vijf EU landen gebaseerd op Felts et al. (2012).

Land




Respons

Duitsland




80,5%


Italië




67,7%

Polen




82,8%

VK




83,9%

Spanje




69,6%

Meer dan de helft van de vrouwelijke Europese studenten heeft minimum één ervaring met seksuele intimidatie aan de universiteit (M = 60,7%). Dit is een hoog percentage maar in vergelijking met het meemaken van seksuele intimidatie gedurende het leven (inclusief kindertijd ligt dit op 77,6 %), scoort het percentage aan de universiteit lager. Wat betekent dit ten aanzien van de onderzoeksvraag? Vrouwelijke studenten hebben iets minder risico om slachtoffer te worden van seksuele intimidatie aan de universiteit.


Binnen deze vorm van grensoverschrijdend gedrag aan de universiteit, gaven respondenten hoofdzakelijk aan dat ze nagefloten werden en/of de dader vuile opmerkingen maakte. Studenten uit het Verenigd Koninkrijk gaven verder nog aan dat iemand hun had betast en/of vastgehouden tegen hun wil. De situatie, waarin de dader het slachtoffer manipuleerde2 tot het hebben van seksuele betrekkingen, werd als meest bedreigend ervaren in alle landen.
Vervolgens werd er in het onderzoek gekeken naar de plaats waar de studenten de seksuele intimidatie hadden meegemaakt. Het merendeel van de gebeurtenissen speelde zich af buiten het universiteitscomplex, met name op straat en op de parking (27,1%) alsook in discotheken, cafés en bars (11,5%). Britse studenten, die seksuele intimidatie voornamelijk meemaakten binnen de universiteit, namelijk in studentenresidenties (31,4%) en in de gemeenschappelijke ruimte van studentenverenigingen (16,2%), vormen hierop een uitzondering. De mogelijke reden die de auteurs geven voor dit verschil is dat de Britse universiteiten campusgebaseerd zijn, net zoals in de VS. Studenten vertoeven, meer dan andere EU studenten, voornamelijk op het grondgebied van de universitaire campus (zie infra).
Daarnaast werd nagegaan wie dergelijk grensoverschrijdend gedrag pleegt. Uit het onderzoek komt naar voor dat - met 96,1% - bijna alle daders van seksuele grensoverschrijding mannen zijn.

In 60,8% van de gevallen was de dader iemand van buiten het universitaire milieu, terwijl in 31,7% van de gevallen het ging om een medestudent. Van de daders buiten het universitaire milieu, geven de resultaten weer dat het in 70% van de gevallen om vreemden gaat. Het percentage medestudenten ligt in het Verenigd Koninkrijk – met 66,7% - ruim dubbel zo hoog. Vrouwelijke studenten ondergaan er immers meer seksuele intimidatie binnen de specifieke universitaire context van de campus.


Daarnaast is het interessant om te vermelden dat daders behorend tot het academisch personeel binnen de universiteit het meest voorkwamen in Polen. Respectievelijk 6,9% in vergelijking met het Europese gemiddelde van 4,2%.
De gevolgen van seksueel grensoverschrijdend gedrag kunnen enorm zijn (Jina & Thomas, 2013). De grote meerderheid van de slachtoffers van seksuele intimidatie rapporteerde evenwel geen effect te ervaren op hun studies (84,7%). Indien er wel een effect was dan gaven Britse en Spaanse studenten aan dat ze slechter presteerden op school. Duitse en Poolse studenten waren eerder geneigd om bepaalde lessen en plaatsen te vermijden. Ten slotte gaven Italiaanse studenten aan dat hun studie vertraging had opgelopen door hun ervaring met seksuele intimidatie.
Prevalentiecijfers worden uiteraard mede bepaald door de mate van openheid van het slachtoffer. Pas wanneer de gebeurtenis aan de autoriteiten, zijnde iemand van de politie, het universitair personeel of vertrouwenspersoon, wordt meegedeeld, kan er een beeld worden gevormd van de problematiek. Uit het onderzoek vloeit evenwel voort dat Europese studenten zelden geneigd zijn om hun ervaring met seksuele intimidatie (en later ook andere vormen van seksuele grensoverschrijding) aan de autoriteiten te rapporteren.
Van de vijf participerende landen zijn Italiaanse studenten het meeste geneigd hun ervaring te delen en Poolse studenten het minst, respectievelijk 77,4% en 57,1%. Hun verhaal wordt echter enkel gedeeld met een medestudent of vriend(in) en zelden met iemand met autoriteit. Slechts 3,9% van de slachtoffers zal naar de politie stappen omdat ze hun ervaring als triviaal beschouwen of omdat het een eenmalig voorval was.
Samengevat maken voornamelijk vrouwelijke studenten uit het Verenigd Koninkrijk seksuele intimidatie mee binnen de universiteit. De daders zijn in dit geval medestudenten. Bijgevolg gaan Britse studenten hun ervaring eerder delen met iemand binnen het universitaire milieu, zijnde een medestudent.

5.2.2. Stalking.


Stalking is een vorm van grensoverschrijding die nog maar heel recent de nodige aandacht krijgt. Hoewel stalking niet persé seksueel geïnspireerd hoeft te zijn, wordt deze vaak gepleegd door een intieme (ex-) partner (zie infra). Seksualiteit en intimiteit zijn twee concepten die nauw met elkaar verbonden zijn en dus relevant in deze masterproef.
Omwille van de recente aandacht voor stalking zijn ook de wetten in de Europese lidstaten nog in ontwikkeling. Gemeenschappelijke elementen aan de juridische definities van stalking zijn:



  • Intentioneel gedrag van de dader;

  • Patroon van herhaald gedrag ten aanzien van een persoon of personen;

  • Ongewenst gedrag voor het slachtoffer;

  • Resulteert in gevoelens van angst of bedreiging bij het slachtoffer.

Dit onderzoek onthult dat stalking, als een vorm van seksuele grensoverschrijding, niet te onderschatten is aan de universiteit. Figuur 2 laat zien dat gemiddeld de helft van de studenten van de vijf EU-landen een ernstige ervaring heeft met stalking aan de universiteit (M = 50,5%). Dit in vergelijking met een lifetime prevalentie van 38,5%. Deze cijfers bevestigen dat vrouwelijke universiteitsstudenten dan weer wel een risicogroep zijn voor seksuele grensoverschrijding wanneer het om stalking gaat. Een mogelijke verklaring voor de hoge prevalentie van, alsook de recente aandacht voor stalking, is de opkomst van multimedia. Uit het onderzoek blijkt dat de meest voorkomende stalkingervaringen slaan op het ontvangen van ongewenste telefoontjes, brieven, SMSen en emails gedurende een lange tijdsperiode. En dit in alle vijf de landen. Vooraleer echter de alarmbel afgaat, is het zaak om te kijken naar de mate van respons. Zoals Tabel 2 aangeeft, heeft slechts één op drie van de respondenten de vraag naar stalking ingevuld. In Duitsland is het responsaantal zelfs bijna verwaarloosbaar. De reden van non-respons werd echter niet bevraagd. Dit impliceert enige voorzichtigheid in de interpretatie van het prevalentiecijfer.



Tabel 2


Figuur 6. Prevalentie stalking in vijf EU landen gebaseerd op Felts et al. (2012).
Respons op de vraag over stalking

Land

Respons

Duitsland


2,3%

Italië

26,5%

Polen

36,3%

VK

42%

Spanje

31,6%


Stalking doet zich voornamelijk voor rond en in de woning van het slachtoffer. Voor Britse studenten betekent dit binnen de universiteit aangezien zij hoofdzakelijk woonzaam zijn in studentenresidenties. Dergelijke residenties worden uitgebaat door de universiteit en zijn hiermee dus onlosmakelijk verbonden. De woning van de student in andere landen impliceert niet automatisch het ouderlijke huis. Binnen het studentenleven (zoals in België en Nederland) wonen studenten immers samen op een kot of huren zij een kamer in een huis met andere studenten. Dit onderzoek maakt deze specificatie niet, waardoor beiden mogelijk zijn.


Net zoals bij seksuele intimidatie maken hoofdzakelijk mannen zich schuldig aan stalking. Nochtans zien we in Spanje dat ook een groot deel van de daders vrouwen kunnen zijn (22,9%). In 71% van de gevallen wordt iemand buiten de universiteit aangeduid als dader. Het gaat hier voornamelijk om een ex-partner die de relatiebreuk niet kan verwerken en opnieuw affectie probeert te zoeken bij de studente (VK en Spanje). Vervolgens geeft bijna de helft van de Britse studenten aan gestalkt te worden door een medestudent (48,8%). In andere landen ligt dit percentage rond de 15%. Daarnaast kennen studenten in Duitsland het hoogste percentage “stranger stalking”, e.i. gestalkt worden door een vreemd persoon (27%).
Stalking kan gezien worden als een meer ernstige vorm van grensoverschrijdend gedrag dan seksuele intimidatie. De gevolgen van stalking zijn bijgevolg groter en veelvuldiger. Ongeveer de helft van de vrouwelijke slachtoffers ervaart een impact op haar studies ten gevolge van het incident (53,3%). Studenten in alle landen zien hun resultaten achteruit gaan en Italiaanse slachtoffers lopen – net zoals bij seksuele intimidatie - vertraging op in hun studies. Reden te meer om stalking op te nemen in het preventieplan binnen de universitaire gemeenschap.
Zoals eerder vermeld delen slachtoffers van seksuele grensoverschrijding zelden hun ervaringen met de autoriteiten. Dit is ook het geval voor stalking. Net zoals bij seksuele intimidatie zijn Italiaanse studenten het meest geneigd om hun verhaal te doen tegen een medestudent of vriend(in) (91,4%). Studenten uit het VK waren daarentegen het minst geneigd om hun ervaring te delen met iemand (74,1%). Een mogelijke reden kan zijn dat in het Verenigd Koninkrijk medestudenten het meest worden aangeduid als dader van stalking. Wanneer men dit zou vertellen tegen een andere medestudent binnen de residentie, zou dit wel eens negatieve gevolgen met zich kunnen meebrengen op sociaal vlak (bijvoorbeeld: sociale uitsluiting). Opgelet, dit zijn enkele bedenkingen die niet kunnen nagegaan worden aan de hand van dit onderzoek.
Slachtoffers van stalking beschouwen deze vorm van grensoverschrijding als ernstiger dan seksuele intimidatie aangezien een groter percentage naar de politie stapt, zijnde 7,2% van de slachotffers. Een reden om geen officiële klacht in te dienen is dat ze denken onvoldoende bewijs te hebben.
Samengevat komt stalking meer voor aan de universiteit dan in een andere levensfase. Een ex-partner of medestudent worden het meest aangeduid als dader. Omwille van het intieme karakter onderliggend aan stalking kan dit gedrag als zeer bedreigend worden ervaren. De impact op de studies en de neiging om hulp te zoeken worden dan ook groter. Universitaire autoriteiten hebben dan ook de opdracht hun studenten in te lichten over het bestaan van stalking en hen te wijzen op de mogelijkheden inzake het managen van hun multimedia-instellingen.

5.2.3. Seksueel geweld (inclusief verkrachting).


In tegenstelling tot stalking heeft elke Europese lidstaat een juridische definitie voor seksueel geweld en meer specifiek voor verkrachting. Desondanks zijn er kleine verschillen en nuances in de definities. Betreffende de vijf participerende lidstaten leggen Duitsland, Italië en Polen meer nadruk op “het misbruik maken van de situatie waarbij het slachtoffer onbeschermd is en afhankelijk van de dader”. Terwijl enkel het Verenigd Koninkrijk - meer specifiek Engeland en Wales - het gebrek aan toestemming van het slachtoffer formuleren in hun definitie.
De definitie van verkrachting die wordt gehanteerd in dit onderzoek is de volgende:
Verkrachting: iemand dwong me tot seksuele gemeenschap en gebruikte zijn penis of iets anders om mijn lichaam te penetreren tegen mijn wil” (Felts et al., 2012).
Tabel 3 laat het responspercentage zien. Hieruit blijkt dat studenten, en slachtoffers in het algemeen, niet geneigd zijn om hun ervaringen te rapporteren. Van het totaal aantal participerende studenten vulden 91,3% de prevalentievraag over seksueel geweld niet in. Ervaringen met seksueel geweld en meer specifiek verkrachting worden zelden gerapporteerd (zie infra). Ondanks de anonimiteit van het onderzoek, gehanteerd in deze studie, hebben slachtoffers het moeilijk met onthulling en zijn ze argwanend naar de werkelijke anonimiteit van het internet. Prevalentiecijfers die worden weergegeven in onderstaande grafiek zijn bijgevolg moeilijk interpreteerbaar (Figuur 3). Zowel een over- als onderschatting van de werkelijke incidentie aan de universiteit zijn mogelijk. Hoewel een onderschatting meer plausibel lijkt vanuit het feit dat slachtoffers zelden hun ervaring rapporteren.
Van de 1.878 studenten die geantwoord hebben op de vraag, heeft één derde een ervaring met seksueel geweld aan de universiteit (M = 35,5%). Dit percentage is relatief hoog, zeker aangezien een groot deel ervan verkracht werd, zoals bevraagd volgens bovenstaande definitie (M = 31%). Toch ligt deze prevalentie lager dan de gemiddelde lifetime prevalentie van 65,4%.
Voor wat de onderzoeksvraag betreft, is het zo dat vrouwelijke studenten omwille van hun leeftijd en levensstijl geen grotere risicogroep vormen voor het meemaken van seksueel geweld. De onderzoekers geven aan dat het risico op seksueel geweld en meer specifiek verkrachting groter is in de kindertijd en puberteit. Maar ondanks de lage respons en het lagere risico op aanranding, blijft het een zorgwekkend hoog percentage studenten die seksueel geweld meemaakten.

Italiaanse en Britse studenten die seksueel geweld hadden meegemaakt aan de universiteit, hadden voornamelijk ervaring met het gedwongen worden tot intiem aanraken, aaien, strelen en gelijkaardige handelingen (33,3%). En zoals eerder aangegeven hadden evenveel studenten ervaring met ongewenste penetratie (= verkrachting).


Tabel 3

Respons op de vraag over seksueel geweld


Figuur 7. Prevalentie verkrachting en seksueel geweld in vijf EU landen gebaseerd op Felts et al. (2012).

Landen

Respons

Duitsland


9,6%

Italië

5,6%

Polen

7%

VK

18,1%



Spanje


9,3%

Waar speelt seksueel geweld zich af? In vergelijking met seksuele intimidatie en stalking is verkrachting en seksueel geweld de meest uitgesproken vorm van seksuele grensoverschrijding. Mede door zijn specifieke aard komt verkrachting eerder voor in de private sfeer. Zowel binnen als buiten de universitaire context komt seksueel geweld vooral voor binnen vier muren, zijnde de woning van het slachtoffer of die van iemand anders.



De meerderheid van de misdrijven komen voor buiten de universiteit (57,9%). Maar net zoals bij stalking kan dit ook het kot of de kamer van de studente betekenen.
Vervolgens maken Britse studenten – net zoals bij intimidatie en stalking – seksueel geweld mee binnen een studentenresidentie. Dus op universitair grondgebied. Seksueel geweld specifiek binnen de universiteit vindt ook in de andere EU landen plaats binnen residenties (78,4%). Ondanks dat dergelijk grensoverschrijdend gedrag veelvuldig voorkomt om en rond de universiteit, voelen de meeste Europese studenten zich veilig in deze omgeving. Uitzondering op dit veiligheidsgevoel zijn Italië en Spanje. Mogelijke hypothese is dat de meeste universiteiten in deze landen niet campus-gebaseerd zijn. Universiteitsgebouwen liggen verspreid over verschillende locaties binnen een stad/dorp. Het gevoel van veiligheid kan omwille van deze structurele en organisatorische elementen worden beïnvloed.
Het stereotype van de vreemde man die een jonge vrouw de bosjes in sleurt en deze verkracht werd al deels ontkracht door het voorgaande (i.e. de meest voorkomende plaats is iemands woning). Hoe zit het met de vreemde man als dader? Mannen zijn hoe dan ook meer geneigd tot seksuele grensoverschrijding, in dit geval seksueel geweld (96,6%). Het idee van de vreemde man werd in dit onderzoek evenwel ook ontkracht. Net zoals bij stalking zijn het voornamelijk (ex-) partners die seksueel geweld plegen (45,7%). Het belang van onderzoek naar partnergeweld blijkt binnen de universitaire context ook aangetoond. Seksueel geweld wordt vervolgens ook gepleegd door leden van de universitaire gemeenschap. Opnieuw hebben Britse studenten het hoogste percentage medestudenten als dader, respectievelijk 65,1% in vergelijking met het Europees gemiddelde 26,3%. Professoren of andere personeelsleden van de universiteit zijn – volgens deze cijfers – zelden betrokken bij seksueel geweld (1,8% van de daders). Machtsmisbruik door professoren of chantage voor betere resultaten zijn binnen de Europese universiteiten minder gekende fenomenen, zo blijkt. Opgelet, want het aantal respondenten op de vraag naar academische personeelsleden als daders van seksueel geweld werd slechts beantwoord door 28 studenten van de 29.627 respondenten.
Slachtoffers van seksueel geweld worden geconfronteerd met een reeks van psychologische en zelfs fysieke klachten ten gevolge van hun ervaring. Symptomen van PTSS (= Post Traumatische Stress Stoornis) zijn wel bekend bij deze slachtoffergroep (Machado, de Azevedo, Facuri, Vieira, & Fernandes, 2011). Ook verkrachting is een traumatische ervaring voor het slachtoffer. Dit onderzoek sluit zich aan bij het “Rape Trauma Syndrome”. Syndroom dat wordt gekenmerkt door de volgende 2 fasen:


  • Fase 1: onmiddelijk na de verkrachting/trauma ervaart het slachtoffer voornamelijk fysieke symptomen, samen met extreme gevoelens van angst, paniek en schok. Kenmerkend voor seksueel geweld zijn ook de gevoelens van schuld. Slachtoffers voelen zichzelf verantwoordelijk voor hetgeen hen is overkomen (39,7%). Een kenmerk dat de mate van openheid – of het gebrek daaraan – sterk beïnvloed (zie infra).




  • Fase 2: na enige tijd proberen slachtoffers hun leven opnieuw te organiseren. Deze fase wordt voornamelijk gekenmerkt door psychologische symptomen, waarvan het zichzelf verantwoordelijk voelen voor de verkrachting sterk aanwezig kan zijn.

Bijgevolg heeft seksueel geweld een enorme weerslag op de studies van de slachtoffers. In tegenstelling tot intimidatie en stalking, rapporteert meer dan de helft van de slachtoffers wel degelijk effect te ervaren op de studies (58,12%). Seksueel geweld leidt ertoe dat slachtoffers minder presteerden aan de universiteit. Italiaanse studenten liepen vervolgens een vertraging op van hun studies. Het meemaken van een verkrachting leidt ook bij Duitse studenten tot een vertraging in hun studievooruitgang.



Ten slotte is er al geweten dat het meemaken van seksueel grensoverschrijdend gedrag geen ervaring is waar men mee te koop loopt. Er zijn evenwel gradaties; zo werd er al aangegeven dat studenten hun ervaring met seksuele intimidatie en stalking wel vertellen aan een vriend(in) of aan een medestudent. Dit ligt anders bij seksueel geweld. De mate van mededeelzaamheid is zeer beperkt vanuit het eerder vermelde schuldgevoel en de mate van eigen verantwoordelijkheid toegeschreven aan de ervaring. Slechts de helft van de slachtoffers deelde hun ervaring (49,4%). Van de vijf EU-landen waren Spaanse studenten het minst geneigd hun ervaring te delen (40%). Melding maken aan een instantie of persoon met autoriteit was al helemaal ondenkbaar. Klacht neerleggen bij de politie werd zelden gedaan (8,5%), van de Spaanse slachtoffers ging niemand naar de politie. De reden die hoofdzakelijk wordt genoemd is dat men denkt te weinig bewijs te hebben. Een mogelijke reden hiervoor is dat slachtoffers onmiddelijk na het gebeuren zichzelf vuil voelen en intens gaan wassen. Ze schamen zich voor hetgeen er is gebeurd en sluiten zich bijgevolg op. Pas wanneer men de moed heeft gevonden om de ervaring te delen met iemand, zijnde een vriend(in) of familielid, zijn er al enkele maanden voorbij. Wanneer de vetrouwenspersoon bijgevolg aanstuurt op het indienen van een klacht bij de politie, zijn de voornaamste bewijslast, zijnde sporen op het lichaam van het geweld, al genezen of verdwenen (Nesvold, Friis, & Ormstad, 2008).
Het meemaken van seksueel geweld is voor vele slachtoffers een gruwelijke ervaring die zijn weerslag kan hebben op alle vlakken van het leven. De schending van de intieme grenzen, alsook het feit dat daders uit de kennissenkring van het slachtoffer komen, maken dat seksueel geweld in een enorme taboesfeer zit. Hetgeen binnen dit onderzoek opnieuw wordt bevestigd door het lage responscijfer.



Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   11


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina