Inleiding op de studie van de Europese cultuur en literatuur: na 1800



Dovnload 0.75 Mb.
Pagina3/6
Datum28.04.2018
Grootte0.75 Mb.
1   2   3   4   5   6

Literatuur?

  1. Twee definities


De literatuur kent twee definities; een enge en een brede. De enge definitie zegt dat literatuur zich enkel bezig houdt met de roman, de poëzie en het theater. Daartegenover staat dan de brede definitie die elke uiting van cultuur in orale of geschreven vorm onder de literatuur schraagt. In deze laatste definitie worden dus ook religieuze en/of filosofische teksten, wijsgerige traktaten, geschiedschrijving, wetenschappelijke traktaten, politieke teksten, redevoeringen, … opgenomen.

De brede definitie zegt ook dat orale transmissie ook onder de literatuur valt. Deze is weliswaar minder te vatten dan een schriftelijke overdracht.


      1. ‘Verhalen’ – ‘helden’


Als iets een “verhaal” wilt heten, moet het een held bevatten. Zeker in oude literatuur is het klassieke prototype van de stoere, dappere held aanwezig. Al sijpelt deze held ook wel al eens in de moderne literatuur, denk dan aan J.K. Rowlings Harry Potter. Toch kunnen we over het algemeen zeggen dat het prototype van de held in de oude literatuur niet dezelfde is als de held in de moderne literatuur, die vaak minder speciaal, uitzonderlijk sterk, of hoogbegaafd is.
    1. Belang van het schrift


Jack Goody, anthropoloog en auteur van La Raison graphique, zegt: ‘Het schrift heeft het denken veranderd : van een primitief, letterlijk denken naar een abstract, wetenschappelijk denken.’

Het schrift stimuleert dus het abstract denken, aldus Goody, en bindt dus de strijd aan met de onmiddellijkheid van het woord. Dit wil zeggen dat het schrift ons in staat stelt om abstracte fenomenen op papier weer te geven.

Het schrift zet ook aan tot het zogenaamde meta-denken. Men gaat dus schrijven over het al geschrevene. Met andere woorden: taal over taal, wat dus een kritische reflectie mogelijk maakt.

En tot slot maakt het schrift ook een collectief geheugen mogelijk dat te alle tijden door iedereen raadpleegbaar is, zonder dat wat er nu staat zal veranderen. Immers schrift fixeert. Dit fenomeen is belangrijk tegenover de mondelinge overlevering die er daarvoor altijd heerste en wat ook ervoor zorgde dat er verschillende versies van één bepaald verhaal de ronde deden. De orale overlevering is dus beweeglijk.


    1. Ontstaan van het boek


Het ontstaan van het boek hangt samen met de uitvinding van de boekdrukkunst in 1455. Daarvoor werd informatie ook al reeds vergaard en genoteerd. Denk dan aan de papyrusrollen uit Egypte, de manuscripten op perkament van de Romeinen, enzovoort. Echter is de uitvinding van de boekdrukkunst enorm belangrijk geweest. De uitvinding heeft gezorgd dat er tussen 1455 en 1500 meer dan 12 miljoen boeken in Europa werden verspreid. Vanuit de West-Europese cultuur die toen sterk Christelijk was gedacht, is het niet meer dan logisch dat de Bijbel het eerste boek was. Verder kwam de boekdrukkunst eerst vooral ten goede aan het oude, meer bepaald de toenmalige canon.
    1. Digitale tijdperk


      Boek

      vs.

      Internet

      • Totaliteit, geslotenheid

      • Stabiliteit

      • Ordening, dus er is een hiërarchie.




      • Openheid, dus het internet is nooit “af”. Er kan te allen tijden dingen toegevoegd of aangepast worden aan een bepaalde tekst.

      • Volatiliteit

      • Juxtapositie = nevenschikking (Wat is belangrijk en wat niet?)

      • Gelijkenis met orale cultuur. Er leven verschillende versies naast elkaar.

      • Statuut van de literatuur? Moeten we de twitteratuur onder de literatuur scharen?

      • Statuur van de schrijver?

      Wat is zijn taak?
    2. Fundamentele begrippen

      1. Canon


De canon is een maatstaf, een regel(1) die is ontstaan in een religieuze context(2) en een literaire invulling(3) krijgt.


  1. Het is dus een lijst met namen, die de schoolvoorbeelden binnen een bepaald domein vormen.

  2. In de allereerste canon ging het om authentieke boeken. Men maakte ook een onderscheid tussen boeken die geïnspireerd waren door God of de zogenaamde apocriefe werken.

  3. Als de canon een literaire invulling krijgt, kunnen we van een canon van de literatuur spreken. Het gaat dus om een lijst van de belangrijkste auteurs.

We moeten wel beseffen dat de canon een constructie is. Ze is dus onderhevig aan veranderingen. De canon is dus tijds- en plaatsgebonden. In elk tijdskader kunnen andere auteurs tot het “centrum” behoren. De keuze van welke mensen nu tot dit “centrum” behoren is afhankelijk van variabele esthetische (maar ook politieke, religieuze, …) normen.


      1. Imitatio


Als men aan imitatio doet, doet men aan navolging van eerdere werken die men bewondert. Dit houdt in dat er retoricascholen in de Oudheid ontstaan.

Imitatio is ook nauw verbonden met aemulatio, waarbij men niet het doel heeft om iets te imiteren, maar om een bepaald voorbeeld te overtreffen. Voorbeelden zijn Petrarca die Ovidius wilt overtreffen en Dante op zijn beurt Cicero.

Petrarca wordt op zijn beurt het grote voorbeeld in de 18de eeuw waarbij men Petrarkische thema’s en vormen vaak zal gebruiken als thema. Cf. topos van koud en warm.

In de klassieke tijd zorgde imitatio voor continuïteit en had het een positieve lading. Dit staat recht tegenover het gedachtengoed van de moderne literatuur waar imitatie slecht is. Vanaf de romantiek is originaliteit belangrijk. De auteur wordt vanaf dan ook als een creatief genie aanzien.


      1. Mimesis


Mimesis vormt het fundamentele principe van de literatuur en de kunst in het algemeen: de kunst is als het ware de nabootsing van de werkelijkheid. Echter zijn er wel twee verschillende houdingen die het discussiepunt gedurende de hele literatuurgeschiedenis zijn.
        1. Platonische visie


Kunst is een dubbele nabootsing en daardoor dubbel vals. Hij heeft een kritische houding ten opzichte van de kunst, het voorwerp en het idee. Deze platonische houding vindt navolging in de 17e eeuw bij de neo-augustijnen of Jansenisten. Het is een veroordeling van het theater als schijn met valse waarden en valse ideeën. In de 18e eeuw komt er kritiek van literatuurtheoretici ten opzichte van de roman. De lezer van een roman is lui en laat zich door de passie meevoeren.
        1. Aristotelische visie


Aristoteles zal de fictieve waarde van de kunst erkennen en toestaan. Hij zegt dat het voor loutering zorgt en goed is voor de catharsis van de toeschouwer.

De aristotelische visie kent navolging in de 19de eeuw met Coleridge: ‘Willing suspension of disbelief’. Dus bewust je bewustzijn uitschakelen.



  1. Prelude


Prelude betekent letterlijk ‘inleiding’ of ‘voorspel’ en zo moet het in de literatuur gezien, want de periode (1750-1800) die de naam ‘prelude’ krijgt vormt een voorspel op de romantiek.
    1. Sturm und Drang (1766-1785)


De periode Sturm und Drang is een korte beweging die de naam geeft aan de tijd tussen 1766 en 1785. De naam is post factum gegeven, wat wil zeggen dat de figuren uit deze periode het zelf niet als Sturm und Drang benoemd hebben. Hoewel de periodisering arbitrair is, ziet men over het algemeen Fragmente über die neuere deutsche Literatur van Herder uit 1766-67 als het beginpunt en Shillers Kabale und Liebe uit 1784 als eindpunt van de Sturm und Drang.

De naam ‘Sturm und Drang’ komt van een toneelstuk van Klinger uit 1776. Oorspronkelijk heette dat toneelstuk Wirrwar, maar Klinger veranderde dit later in Sturm und Drang.

De modewoorden van deze periode zijn uiteraard Sturm en Drang, maar ook het woord Genie krijgt een belangrijke positie in deze tijd toegewezen. Deze woorden staan voor een nieuwe levenshouding die oppositie voert tegen de levenshouding van het classicisme.

De Sturm und Drang kan beschouwd worden als een geheel van contacten tussen auteurs. In tegenstelling tot andere bewegingen heeft het geen manifest dat hun nieuwe stijl propagandeert. Ook is Sturm und Drang een pre-romantische beweging, die een breuk met de verlichting inhoudt. Sentiment en hartstocht worden benadrukt. De vrijheidsgedachte staat centraal en zorgt dus nog voor enige continuïteit tussen de verlichting en de Sturm und Drang. De accenten van deze vrijheidsgedachte liggen wel ergens anders; waar het in de verlichting het vooral over de vrijheid van de maatschappij ging, gaat het in de Sturm und Drang over de vrijheid en het recht op individuele zelfontplooiing.


      1. Kenmerken

        1. Verzet tegen regels, wetten, systemen: het Genie is grenzeloos en schept uit zichzelf.


Het Genie is het nieuwe kunstenaarstype dat vanaf de Sturm und Drang geïntroduceerd wordt. Het is een buitengewoon, scheppend individu dat zich onttrekt aan de opgelegde normen om tot zelfexpressie te komen.

Het principe van originaliteit komt centraal te staan en weet het imitatie-ideaal te verdrijven. Tot vandaag de dag leeft dit kunstenaarstype verder, maar over heel de literatuurgeschiedenis gezien is het dus een jong idee.


Het verzet uit zich op verschillende vlakken. Als eerste voorbeeld kan men het verzet tegen rationele systemen aanhalen. In Über die Fülle des Herzens zegt Stolberg dat poëzie moet ontspruiten uit het gevoel. Deze gedachtegang zal leiden tot een meer vrije poëzie die losstaat van de classicistische vormschema’s.

Een tweede voorbeeld is het verzet tegen ethische systemen waarin de vrijheid en verheelijking van het individu als de elementen van oppositievoering worden genomen. Een belangrijk werk van dit verzeet is te zien in Götz van Goethe. In dit werk maat Goethe Godfried von Berlingen als aanzet van het drama. Godfried verzet zich tegen de staat en de kerk. Het drama is een pleidooi van godsdienstvrijheid. Het drama kan ook gezien worden als een verzet tegen esthetische systemen, want het heet niet de vorm van het classicistische drama dat bestaat uit eenheid van tijd, eenheid van plaats en eenheid van actie. Een opvallend kenmerk en typisch voor de Sturm und Drang is de volkse taal die Goethe in dit drama gebruikt.

Een ander werk dat past binnen dit verzet van ethische systemen is Die Räuber van Schiller waarbij de hoofdrol vertolkt wordt door een roverhoofdman, die in essentie altijd amoreel en slecht is. Toch wekt het verhaal enige sympathie bij de lezer op.

Zowel het werk van Goethe als dat van Shiller vormen het bewijs voor een belangrijke verschuiving binnen het drama: niet de rede, maar de pathos komt centraal te staan.

Een derde vorm van verzet is – zoals al even aangehaald bij Goethes Götz – het verzet tegen esthetische systemen. Hierin is vooral de verschuiving van imitatio naar creatie-ideaal, dus originaliteit belangrijk. De kunstenaar wordt een genie die kunst schept uit zijn eigen beleveniswereld.

Als laatste vorm van verzet kan men het verzet tegen politieke en sociale systemen aanhalen. In de Sturm und Drang zie je vaak een held die in de ban van de maatschappij leeft en zich afzet tegen het dan heersende wereldbeeld.


        1. Afkeer van het Durchscnittliche


Men wil niet meer iets “gewoons”. Een kunstwerk moet origineel zijn, opvallend. Het is daarom ook logisch dat men de uitzondering als het ideaal ziet door de fascinatie die men voor genieën heeft. Er is een groot verlangen naar wat Shiller uitdrukt in Die Räuber: ‘Die Freiheit brütet Kolosse und Extremitäten aus’. Met andere woorden is men ervan overtuigd dat vanuit de vrijheid het geniale mogelijk wordt. Het is ook met deze reden dat de Sturm und Drang ook wel de Geniezeit genoemd wordt.
        1. Natuur


De natuur heeft altijd al een onderwerp geweest in de literatuur, maar de uitwerking gebeurt vanaf de Sturm und Drang opvallend anders. De natuur is niet alleen liefelijk, maar vooral woest. Dit gegeven zal ook één van de belangrijkste kenmerken van de Romantiek, waarvan de Sturm und Drang de voorloper is, ontstaan.
        1. Nationale, volkse erfgoed


Dit gegeven zal zich vooral in de romantiek verder ontwikkelen, maar de eerste antecedenten zijn al te vinden in de Sturm und Drang. Vaak gaat het dan om werken die de natie als politieke structuur bevatten.
      1. Esthetica

        1. Vormgeving


De originaliteit van de vormgeving van een (literair) kunstwerk wordt heel belangrijk. In de Sturm und Drang zullen ze daarom ook Shakespeare als groot voorbeeld zien. Hierbij is het belangrijk dat we even een uitstapje maken naar de verandering in positie van Shakespeare door de 17de en 18de eeuw.

In de 17de eeuw zal Shakespeare vertaald worden conform de classicistische esthetica. Het resultaat zijn de zogenaamde Belles Infidèles, die niet getrouwe vertalingen zijn. Desondanks waren ze zeer populair in de 17de eeuw door hun “klassieke” jasje dat ze aangetrokken hebben gekregen.



In de 18de eeuw groeit er dan geleidelijk aan het respect voor de oorspronkelijke Shakespeare. Onder andere Goethe brengt de toenmalige maatschappij er opnieuw mee in aanraking. Shakespeares toneelstukken zijn in het Engels uitgegeven en zijn opnieuw vertaald. Deze nieuwe vertalingen volgen de nieuwe mode, namelijk zo dicht mogelijk bij het oorspronkelijke blijven en haakt in op de Shakespeare-cultus die hier zeer gefascineerd voor was.
        1. Thematische kenmerken


  • Subjectieve emoties
    Deze zijn altijd al aanwezig geweest, maar hun aanwezig zijn is nog prominenter vanaf de Sturm und Drang. Vaak voorkomende subjectieve thema’s zijn liefde, verdriet en hun combinatie: liefdesverdriet.



  • Persoonlijke expressie van individuele gevoelens
    Dit gegeven staat tegenover de verlichting waarbij vooral het rationeel, maatschappelijke de kern moet vormen. Als voorbeeld van deze persoonlijke expressie kan Schillers Ode an die Freunde aangehaald worden, dat getoonzet is door Beethoven in zijn 9de symfonie (koorsymfonie). Opvallend aan deze 9de symfonie is dat ze twee maal zo lang duurt als gewoonlijk voor een symfonie uit dat tijdskader. Ook de aanwezigheid van een koor überhaupt was nog nooit gezien.
    Echter zien we dat kunst een andere interpretatie kan krijgen in een andere context. Denk aan de opname gezien in de les uit 1942 ter eren van Hitlers verjaardag. De kunst stelt zich na deze kortstondige periode ook de vraag of we kunst nog wel kunnen gebruiken en stelt vast dat de boodschap van broederlijkheid (in dit specifieke voorbeeld) misbruikt wordt. Fürtwängler die de dirigent was voor deze zeer grimmige uitvoering van de koorsymfonie heeft zich er wel voor moeten verantwoorden.
    Steiner reflecteerde over het feit dat we moeten afstappen van de boodschap dat kunst een meer ethische wereld kan teweegbrengen.



  • Natuurmotief
    Cf. zie Natuur bij kenmerken.



  • Het bovennatuurlijke en het angstaanjagende
    Dan moeten we denken aan de Graveyard Poetry van Thomas Gray (1716-1771). Maar de allerbelangrijkste ontwikkeling in de Sturm und Drang is het ontstaan van een nieuw genre in het proza: The gothic novel. De naam verwijst naar het decor dat veelal uit gotische gebouwen of ruïnes uit de middeleeuwen bestaat. Hierdoor krijgt de gotiek een positieve lading in tegenstelling tot de negatieve lading die er vanaf de renaissance voor deze stijl was. Betreft deze gotische bouwstijl heeft Goethe een boek geschreven in 1770, namelijk: Von deutscher Baukunst dat de gtische architectuur als iets zeer positief bespreekt.

    Belangrijke kenmerken:
    - Decor: gotiek
    - Personages: vaak gevaarlijke, mysterieuze antagonist die het leven van de heldin ongemakkelijk maakt.
    - Plot: vaak doorweven met bovennatuurlijke gebeurtenissen.
    - motieven: seksueel, bezitsdrang, zucht naar kennis (-> pact met de duivel)

    De gothic novel is ontstaan rond 1765 en kent als belangrijkste vertegenwoordigers Horace Walpole met the Castle of Otranto (1764), Ann Radcliffe met The Mysteries of Udolpho (1794) en M.G. Lewis met The Monk (1796).





  • Cultus van het ongerepte
    Dit gaat om alles dat aan rationaliteit van de burgerlijke wereld weet te ontsnappen en gaat in oppositie tegen de verlichting. Er is een verhoogde aandacht voor Le Bon Sauvage van Rousseau. Ook is er interesse in de Keltische en Oudgermaanse cultuurpoëzie, net zoals interesse voor de volksziel in verhalen. Bij dit aatste moeten we dan denken aan Herder. Het is een neerkijk op de volkscultuur die inventariseert en neerschrijft. Het is een volwaardig esthetisch gegeven. ‘Volkspoëzie is oerpoëzie,’ aldus Herder.
    Tot slot is er ook interesse in alles wat kinderlijk en onschuldig is. Het gaat dan om de idee dat de mens onschuldig en goed geboren wordt. Ook dit is een verwijzing naar Le Bon Sauvage.



  • Nostalgie naar het verleden
    Het gaat wel om het Germaanse verleden! Vooral de herontdekking van de Oudscandinavische poëzie is hier belangrijk. Het gaat om de herontdekking van de Edda’s waarbij vooral de eerste Franse vertaling van Paul-Henri Mallet uit 1756 zeer belangrijk is. Ook het ossianisme (zie verder) is belangrijk.
      1. Ossianisme


Het ossianisme verwijst regelrecht naar de Fragments of Ancient Poetry, Collected in the Highlands and translated from the Gaelic or Erse Language uit 1760. Dit is een werk dat geschreven zou zijn door Ossian en vertaald zou zijn door Macpherson. Ossian is een Kelt en bard uit de 4e eeuw. Het werk groeit uit tot een succes en zal veel invloed hebben op de generaties die na het ontstaan volgden.

Uit onderzoek blijkt dat Macpherson echter niet de vertaler, maar wel de auteur was. En dat is juist wat men het ossianisme noemt zich voordoen als iemand anders om het indrukwekkender te maken. Ook in een vrij recent tijdperk gebeurt dit nog soms. Dan moeten we denken aan Le testamin Russe.



Het ossianisme kent grote invloed op Goethe, Herder en Cesarotti. Vooral de Poesie di Ossian van Cesarotti is van belang. Het is een vertaling van Macphersons tekst en heeft belangrijke invloed gekend op de Italiaanse lyriek en heeft dus een blijvende en vernieuwende invloed op de Italiaanse poëzie.


    1. Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina