Indicatorgids Baarmoederhalsafwijkingen verslagjaar 2016



Dovnload 136.41 Kb.
Datum13.12.2017
Grootte136.41 Kb.


Indicatorenset Baarmoederhalsafwijkingen
Uitvraag ziekenhuizen/ZBC’s over verslagjaar 2016
Versie april 2016

Colofon

 

 



Internet:

           OmniQ (portaal van DHD) voor aanlevering kwaliteitsgegevens (beschikbaar vanaf 1 februari voor leden van de NVZ en NFU): https://extranet.dhd.nl/producten/OmniQ

           Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen: www.nvz-ziekenhuizen.nl

           Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra: www.nfu.nl.

           Zelfstandige Klinieken Nederland: www.zkn.nl.

           Zorginstituut Nederland: http://www.zorginzicht.nl.

 

Gegevensaanlevering

Zorginstellingen leveren vrijwillig en verplichte indicatoren aan via één door de koepelorganisaties gekozen aanleverportaal. Doorlevering vindt plaats in een voor de gebruiker uniform format. Kwaliteitsregistraties uploaden concept indicatoren naar het aanleverportaal, zodat zorginstellingen via één portaal indicatoren kunnen invullen, controleren en accorderen.

Samengesteld door:

Federatie Medisch Specialisten

Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra

Nederlandse Vereniging voor Obstetrie & Gynaecologie

Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen

Patiëntenfederatie NPCF

Patiëntenorganisatie Gynaecologie Nederland

Zelfstandige Klinieken Nederland

Zorgverzekeraars Nederland

Deze indicatorenset is opgenomen in het register van Zorginstituut Nederland waarmee het aanleveren van deze kwaliteitsgegevens in 2017 over verslagjaar 2016 wettelijk verplicht is.

Inhoudsopgave





Overzicht indicatoren Baarmoederhalsafwijkingen

4










Deel 1

Zorginhoudelijke indicatoren Baarmoederhalsafwijkingen

5




1. Algemene informatie

5




2. Zorginhoudelijke indicatoren Baarmoederhalsafwijkingen

3. Lijst te verzamelen variabelen



7

11










Bijlage

Wijzigingstabel

17



Overzicht Indicatoren Baarmoederhalsafwijkingen over verslagjaar 2016



1

Cervix exconisaties

Percentage patiënten behandeld voor CIN door middel van een cervix exconisatie

Uitvraag over 2016

2

Normale cervixcytologie

Percentage patiënten dat behandeld is voor CIN II-III (op basis van biopt of de excisie zelf), met een normale cervixcytologie binnen 3 tot 9 maanden na behandeling.

Uitvraag over 2016



Deel 1: Zorginhoudelijke indicatoren Baarmoederhalsafwijkingen

1.Algemene informatie over Zorginhoudelijke indicatoren Baarmoederhalsafwijkingen

Indicatorenwerkgroep

De werkgroep voor het onderhoud van de indicatorenset Baarmoederhalsafwijkingen bestond voor verslagjaar 2016 uit de volgende personen:


NVOG: Dhr. Prof. dr. R.H.M. Verheijen, gynaecologische oncologie, UMC Utrecht

Dhr. dr. R.L.M. Bekkers, gynaecologisch oncoloog, Radboudumc

Dhr. Dr. J.H. Becker, gynaecoloog, Zuwe Hofpoort ziekenhuis/St. Antonius ziekenhuis (Utrecht/Nieuwegein/Woerden)

PGN: Mw. M. Bosch, voorzitter PGN

Federatie: Mw. Drs. D.A. Trip, adviseur

NFU: Dhr. A.P.A. Schuurmans, senior beleidsmedewerker

NPCF: Mw. M.H. ten Horn MSc, beleidsadviseur

Mw. J.C. Mooij MSc, beleidsadviseur



Populatiebepaling Baarmoederhalsafwijkingen

De eerste stap in het bepalen van de indicatoren is het vaststellen van de populatie. Voor de indicatorensets was als uitgangspunt gekozen om de populatie te bepalen aan de hand van de Diagnose Behandel Combinaties (DBC’s). Door de invoering van DOT (DBC’s op weg naar transparantie) per 1 januari 2012, is de populatiebepaling van indicatoren gewijzigd.


De populatie voor de indicatorenset baarmoederhalsafwijkingen bestaat uit het aantal patiënten bij wie op enig moment in het verslagjaar een zorgproduct wordt afgesloten dat voldoet aan:



Zorgproductcode

Omschrijving

G19;
181105

Cervixafwijkingen



181105012

bij 1 of 2 polikliniek bezoeken

181105010

>2 polikliniek bezoeken of dagverpleging of langdurige observatie

181105007

bij colposcopie (met zorgactiviteit 039170)

181105003

bij curettage (037191), hysteroscopie (039171), onderzoek in narcose (039381) of diagnostische laparoscopie (035582)

181105004

bij klinische opname 1-5 dagen

181105013

bij klinisch opname >5 dagen

181105002

bij AUE (037111), VUE (037131), TLH (037113), uterus extirpatie i.v.m. carcinoom in situ cervix (037122) of operatie cervixscheuren (037240)

181105006

bij lisexcisie of cryocoagulatie (037200) of conisatie (037210)

Noot:
Wanneer er gaandeweg het proces een maligniteit blijkt dan wordt de zorgproductcode G19 omgecodeerd naar zorgproductcode M13.De M13 heeft andere zorgproductcodes dan bovengenoemd, echter die vallen buiten de scoop van de richtlijn CIN, AIS, en VAIN.
De populatie wordt uiteindelijk bepaald door de in het verslagjaar afgesloten DBC-zorgproducten/DBC’s.
Om dubbelregistratie te voorkomen, dient – indien de indicator gebaseerd is op tellingen op patiëntniveau – geselecteerd te worden op het unieke patiëntnummer. In alle andere gevallen wordt geteld op verrichtingenniveau en telt iedere verrichting apart mee. Voor codes en instructies, zie de variabelenlijst en rekenregels (tabellen 1 en 2).

Peildatum

De structuurindicatoren worden, in verband met de actualiteit, eenmaal per jaar op peildatum 1 maart geregistreerd.


In- en exclusiecriteria

Om een eerlijke vergelijking tussen zorgaanbieders te kunnen maken, heeft de werkgroep in- en exclusiecriteria vastgesteld. Zo kunnen patiënten bijvoorbeeld op leeftijd of comorbiditeit worden uitgesloten. Ook kunnen extra eisen worden gesteld aan het DBC-zorgproduct. Bijvoorbeeld de aanwezigheid van een specifieke verrichting.


In- en exclusiecriteria hoeven niet per definitie voor alle indicatoren in de set gelijk te worden toegepast. Soms dienen er bijvoorbeeld extra gegevens te worden verzameld om later te kunnen corrigeren voor comorbiditeit, die de waarde van de indicator beïnvloedt. Op basis van de populatie en de in- en exclusiecriteria wordt de noemer van de indicator vastgesteld.

2. Zorginhoudelijke indicatoren Baarmoederhalsafwijkingen



1. Cervix exconisaties

Relatie tot kwaliteit

Lisexcisie van de transformatiezone is de voorkeursbehandeling van CIN.

Indien er geen duidelijke indicatie voor een exconisatie bestaat, wordt geadviseerd om een lisexcisie te verrichten, daar deze poliklinisch onder plaatselijke verdoving kan worden uitgevoerd en minder bijwerkingen op korte en lange termijn geeft.



Operationalisatie

Percentage patiënten behandeld voor CIN door middel van een cervix exconisatie*

Teller

Aantal patiënten behandeld voor CIN door middel van een cervix exconisatie

Noemer

Aantal patiënten behandeld voor CIN

Definitie(s)

n.v.t.

Exclusiecriteria

Exclusie: patiënten met verdenking op een invasief carcinoom of adenocarcinoom in situ.

Bron

DBC-registratie, verrichtingenregistratie, ziekenhuisregistratie

Meetfrequentie

1x per verslagjaar

Verslagjaar

01-01-2016 tot en met 31-12-2016

Rapportagefrequentie

1x per verslagjaar

Type indicator

Proces

Meetniveau

Patiëntniveau

Kwaliteitsdomein

Veiligheid, effectiviteit, patiëntgerichtheid, doelmatigheid

* Alleen instellingen die deze zorg bieden leveren data aan voor deze indicator.



Rekenregels


Indicator 1

Cervix exconisaties

Formule
Teller

Voor de teller wordt uitgegaan van de populatie patiënten verzameld onder de noemer. Selecteer vervolgens alle patiënten bij wie een cervix exconisatie is uitgevoerd.

# patiënten noemer waarvoor BA4 geldt

Noemer

Selecteer patiënten bij wie de diagnose cervixafwijking inclusief afwijkende cervixcytologie is gesteld en bij wie een behandeling van CIN is uitgevoerd.

# patiënten waarvoor BA1 en BA2 gelden en BA5=nee


Achtergrond en variatie in kwaliteit van zorg

Het is bekend dat behandeling van de cervix in het algemeen een risico van vroeggeboorte in de daarop volgende zwangerschappen geeft. Studies hebben aangetoond dat met name het volume en de diepte van het verwijderde weefsel invloed hebben op het risico op vroeggeboorte, en dat het volume dat met exconisatie wordt weggehaald groter is dan dat met lisexcisie. Naast deze complicatie, is ook beschreven dat er bij exconisatie vaker stenose van het cervicale kanaal ontstaat. Dit alles, in combinatie met het gegeven dat exconisatie en lisexcisie gelijke effectiviteit hebben voor behandeling van CIN, heeft geleid tot de aanbeveling in de landelijke (consensus based) richtlijn van de werkgroep oncologische gynaecologie (versie 1.1) om alleen een exconisatie te verrichten op indicatie (bijvoorbeeld bij verdenking op een diepe endocervicale laesie, verdenking op een micro invasief carcinoom of een adenocarcinoom-in-situ).


Mogelijkheden tot verbetering

Deze indicator moet leiden tot een beter inzicht in de behandeling van CIN via cervix exconisaties. Uitschieters kunnen met behulp van deze indicator in kaart gebracht worden. De werkgroep verwacht dat op dit moment nog veel variatie bestaat tussen de verschillende ziekenhuizen.



Beperkingen bij gebruik en interpretatie

Zoals hierboven beschreven hebben met name het volume en de diepte van het verwijderde cervicale weefsel invloed op de complicatie risico’s. Als er centra zijn waar vaker exconisaties worden gedaan, maar waarbij het volume van het verwijderde weefsel vergelijkbaar is met dat van een lisexcisie, dan is deze indicator niet goed interpretabel.

De meeste indicatoren zijn zodanig geformuleerd dat geldt hoe hoger de score des te beter de zorg. Dat geldt niet voor deze indicator. Er kan worden gesteld 100-x, waarbij x de score is op deze indicator. Dan geldt wel weer hoe hoger, hoe beter de zorg. Hoewel de indicator hierdoor wat lastig te interpreteren is, is voor verslagjaar 2016 opnieuw vastgesteld dat deze weergave toch wenselijk is. Met name omdat een nieuwe nog niet-geregistreerde behandeling op korte termijn beschikbaar gaat komen. Hierdoor zou alleen lisexcisies meten een vertekend beeld geven (de restgroep kan bestaan uit exconisaties én de nieuwe behandeling), terwijl inzage in het percentage patiënten met een exconisatie gewenst is.
Inhoudsvaliditeit

De mate van bewijskracht hiervoor is B, wat wil zeggen dat er enkele gerandomiseerde klinische onderzoeken van matige kwaliteit of onvoldoende omvang zijn, of ander vergelijkend onderzoek (niet- gerandomiseerd, vergelijkend cohort-onderzoek of patiënt-controleonderzoek).


Vergelijkbaarheid

Centra waar veel patiënten worden gezien met een sterker vermoeden op een carcinoom zullen hogere percentages exconisaties hebben. Deze bias zou kunnen worden ondervangen door in centra waar het percentage exconisaties relatief hoog is naar de ingangscytologie te kijken (hierbij is medewerking/informatie nodig vanuit andere registratiesystemen). Indien een centrum relatief veel vrouwen behandelt waarbij de laesie diep endocervicaal zit, zou dit een bias kunnen geven. Deze bias kan ondervangen worden door de leeftijd van de patiënten mee te wegen, omdat de cervicale transformatiezone vaker niet te overzien is bij postmenopauzale vrouwen (indien deze data geregistreerd worden).


Registratiebetrouwbaarheid

De verwachting is dat de gegevens die nodig zijn voor de indicator (met in 2016 aangepaste exclusiecriteria) in de ziekenhuizen betrouwbaar geregistreerd kunnen worden.

De informatie voor de noemer en de teller worden in de ziekenhuissystemen gestructureerd opgeslagen en kunnen geëxtraheerd worden.
Referenties


  • Baldauf JJ, Dreyfus M, Ritter J, Meyer P, Philippe E. Risk of cervical stenosis after large loop excision or laser conization. Obstet Gynecol 1996;88:933-8.

  • Girardi F, Heydarfadai M, Koroschetz F, Pickel H, Winter R. Cold-knife conization versus loop excision: histopathologic and clinical results of a randomized trial. Gynecol Oncol 1994;55:368-70.

  • Martin-Hirsch PP, Paraskevaidis E, Bryant A, Dickinson HO, Keep SL. Surgery for cervical intraepithelial neoplasia. Cochrane Database Syst Rev 2010;6:CD001318.

  • Noehr B, Jensen A, Frederiksen K, Tabor A, Kjaer SK. Depth of cervical cone removed by loop electrosurgical excision procedure and subsequent risk of spontaneous preterm delivery. Obstet Gynecol 2009;114:1232-8.

  • Phadnis SV, Atilade A, Young MP, Evans H, Walker PG. The volume perspective: a comparison of two excisional treatments for cervical intraepithelial neoplasia (laser versus LLETZ). BJOG 2010;117:615-9.

  • Sjoborg KD, Vistad I, Myhr SS, Svenningsen R, Herzog C, Kloster-Jensen A, et al. Pregnancy outcome after cervical cone excision: a case-control study. Acta Obstet Gynecol Scand 2007;86:423-8.

  • www.oncoline.nl, Richtlijn CIN, AIS en VAIN, 12-11-2015

Informatie voor patiënten

Als het uitstrijkje bij de huisarts of het bevolkingsonderzoek een afwijkende uitslag heeft, wordt de patiënt doorverwezen naar het ziekenhuis. In het ziekenhuis werken artsen die gespecialiseerd zijn in vrouwenziekten, gynaecologen. De gynaecoloog doet verder onderzoek door met kleurstoffen en vergroting (colposcopie) naar de baarmoedermond te kijken en neemt eventueel een stukje weefsel (biopt) weg in de baarmoederhals. Dit weefsel wordt onderzocht en ingedeeld in een CIN-klasse. CIN betekent cervicale intra-epitheliale neoplasie en is een voorstadium van baarmoederhalskanker. Deze varieert van I (minimale afwijking) tot III (ernstige afwijkingen). Bij CIN II volgt soms en bij CIN III volgt in principe altijd een behandeling. De behandeling bestaat uit het weghalen van het afwijkende weefsel. Het weghalen kan op verschillende manieren. De voorkeur heeft ‘lisexcisie’. Hierbij wordt het weefsel weggehaald met een verhit elektrisch lusje. Ook kan het weghalen met 'exconisatie' gebeuren. De arts snijdt dan een kegelvormig stuk weefsel uit de baarmoedermond. Deze behandeling heeft niet de voorkeur, omdat er meer bijwerkingen op korte en lange termijn zijn dan bij lisexcisie, maar is in enkele gevallen medisch noodzakelijk (bijvoorbeeld als de afwijking dieper gelegen is). De indicator vraagt naar het percentage vrouwen behandeld met exconisatie. Hoe lager dit getal hoe meer vrouwen behandeld worden middels de methode van voorkeur.




2. Normale cervixcytologie

Relatie tot kwaliteit

Deze indicator geeft een indicatie over de effectiviteit van de behandeling

Operationalisatie

Percentage patiënten dat behandeld is voor CIN II-III (op basis van biopt of de excisie zelf), met een normale cervixcytologie binnen 3 tot 9 maanden na behandeling.

Teller

Aantal patiënten dat behandeld is voor CIN II-III (op basis van biopt of de excisie zelf), met een normale cervixcytologie binnen 3 tot 9 maanden na behandeling.

Noemer

Aantal patiënten dat behandeld is voor CIN II-III (op basis van biopt of de excisie zelf).

Definities

Onder behandeling voor CIN worden de volgende behandelingen in het ziekenhuis verstaan: lisexcisie, cryocoagulatie, exconisatie, laserevaporisatie en laserexcisie.

Normale cervixcytologie: patiënten met uitslag Pap1 of Pap 2, of daarmee overeenkomstig KOPAC-B score.

Onder afwijkende cervixcytologie wordt verstaan: >Pap2.


Exclusiecriteria

Exclusie:

  • Alle patiënten die om andere redenen dan CIN een behandeling van de cervix hebben ondergaan.

  • Patiënten waarbij geen cervixcytologie is uitgevoerd.

Bron

DBC-registratie, verrichtingenregistratie, pathologie- en cytologieregistratie

Meetfrequentie

1x per verslagjaar

Verslagjaar

01-01-2016 tot en met 31-12-2016*

Rapportagefrequentie

1x per verslagjaar

Type indicator

Uitkomst

Meetniveau

Patiëntniveau

Kwaliteitsdomein

Veiligheid, effectiviteit, doelmatigheid

*Let op: Omdat voor indicator 2 drie tot negen maanden na de behandeling moet worden gekeken, heeft de behandeling plaatsgevonden en is het DBC-zorgproduct afgesloten in 2015 (van invloed op de noemer), en kan de eerste normale cervixcytologie in 2015 of 2016 (uiterlijk september) zijn (van invloed op de teller).



Rekenregels


Indicator 2

Normale cervixcytologie

Formule
Teller

Voor de teller wordt uitgegaan van de populatie patiënten verzameld onder de noemer. Selecteer vervolgens alle patiënten met een normale cervixcytologie binnen 3 tot 9 maanden.

# patiënten noemer waarvoor geldt 3 maanden

Noemer

Selecteer alle patiënten bij wie de diagnose cervixafwijking inclusief afwijkende cervixcytologie is gesteld en die, op basis van biopt of excisie, behandeld zijn voor CIN II-III

# patiënten waarvoor BA1 en BA2 gelden en waarvoor geldt BA6=ja



Achtergrond en variatie in kwaliteit van zorg

Afwijkende cervixcytologie twaalf maanden na behandeling voor CIN kan samenhangen met incomplete behandeling of recidief. De kans op recidief CIN na twaalf maanden wordt geschat op kleiner dan tien procent. De richtlijn Cervicale intra-epitheliale neoplasie (CIN), AIS en VAIN stelt dat follow-up dient te worden uitgevoerd na 6, (12) en 24 maanden na de behandeldatum (Oncoline 2015).


Mogelijkheden tot verbetering

Deze indicator moet leiden tot een beter inzicht in de effectiviteit van de behandeling van CIN Uitschieters kunnen met behulp van deze indicator in kaart gebracht worden. De werkgroep verwacht dat op dit moment nog veel variatie bestaat tussen de verschillende ziekenhuizen.


Beperkingen bij gebruik en interpretatie

Er worden geen beperkingen bij gebruik en interpretatie verwacht.



Inhoudsvaliditeit

De mate van bewijskracht hiervoor is C, dat wil zeggen dat er enkele niet-vergelijkende onderzoeken bekend zijn.


Statistisch betrouwbaar onderscheiden

Het is onbekend in hoeverre er in de praktijk verschillen bestaan tussen de ziekenhuizen. De werkgroep verwacht dat er met de indicator een goed onderscheid kan worden gemaakt tussen de ziekenhuizen in de effectiviteit van de behandeling.


Vergelijkbaarheid

Verschillen in patiëntengroepen spelen bij deze indicator geen rol.



Registratiebetrouwbaarheid

De werkgroep verwacht dat de betrouwbaarheid van de indicator beperkt is, omdat het vermoeden bestaat dat de data niet in alle ziekenhuizen op eenduidige wijze worden geregistreerd (zie registreerbaarheid).

De beperkte reproduceerbaarheid van de cytologie geldt voor alle ziekenhuizen in gelijke mate. Dit staat het gebruik van de indicator niet in de weg.

Binnen het ZIS kan niet (geautomatiseerd) worden geselecteerd op de gevraagde inclusiecriteria. Ook kan geen (geautomatiseerd) overzicht worden gegenereerd van de teller en noemer. De werkgroep is zich bewust van deze beperkingen aan de registratie maar is van mening dat de indicator dermate van belang is ,omdat het een uitkomst van de behandeling betreft, dat gekozen wordt de indicator te handhaven (hierbij is medewerking van/informatie nodig vanuit andere registratiesystemen).


Referenties

  • Bais AG, Eijkemans MJ, Rebolj M, Snijders PJ, Verheijen RH, van Ballegooijen M, Meijer CJ, Helmerhorst TJ. Post-treatment CIN: randomised clinical trial using hrHPV testing for prediction of residual/recurrent disease. Int J Cancer 2009;124:889-95.

  • Davey E, d’Assuncao J, Irwig L, Macaskill P, Chan SF, Richards A, Farnsworth A. Accuracy of reading liquid based cytology slides using the ThinPrep Imager compared with conventional cytology: prospective study. BMJ 2007;335:31.

  • NHS Cancer Screening Programme. Colposcopy and programme management. Sheffield, 2004: NHSCSP.

  • www.oncoline.nl. RichtlijnCIN, AIS en VAIN 12-11-2015 .



Informatie voor patiënten

Na een behandeling van CIN II en III komen patiënten nog regelmatig terug naar het ziekenhuis voor controle. Bij de controle wordt er een uitstrijkje gemaakt. De eerste keer gebeurt dit binnen 3 tot 9 maanden na de behandeling. Bij het uitstrijkje worden cellen met een borsteltje van de baarmoedermond geschraapt. Deze cellen worden onderzocht in het laboratorium. Hierbij wordt gekeken of het virus dat de afwijking kan veroorzaken aanwezig is (het HPV: Human papillomavirus). Ook wordt er gekeken of er nog afwijkende cellen aanwezig zijn. Als er geen afwijkende cellen in het weefsel zitten, is de behandeling geslaagd. Deze indicator meet bij hoeveel procent van de vrouwen die behandeld zijn voor CIN II of III geen afwijkende cellen meer gevonden zijn in het eerste uitstrijkje na behandeling.

Als er nog wel HPV aanwezig is, of een lichte afwijking in het baarmoederhalsweefsel, is dit reden voor een extra controle na 12 maanden. Was alles goed, dan is de volgende controle pas na 24 maanden.

3. Lijst te verzamelen variabelen
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de gegevens voor het bepalen van de indicatoren verzameld worden. Dit gebeurt aan de hand van een variabelenlijst. Een variabele is een te verzamelen data-element.
Variabelenlijst

Structuurindicatoren worden op ziekenhuisniveau verzameld. Het is voor deze indicatoren voldoende om één keer per jaar een vraag met ja of nee te beantwoorden. Om de proces- en uitkomstindicatoren te kunnen bepalen, worden gegevens op patiëntniveau verzameld en worden verschillende bronnen geraadpleegd.


Op de volgende pagina’s worden alle variabelen beschreven die nodig zijn om de indicatoren te kunnen bepalen van de set Baarmoederhalsafwijkingen. Van de variabelen worden de volgende gegevens vastgelegd:


  • Variabele nummer:

Het nummer van de variabele wordt later gebruikt om uit te kunnen leggen welke variabelen gebruikt moeten worden voor de berekening van een indicator.

  • Naam:

Naam/beschrijving van de variabele.

  • Vast te leggen waarde:

De vast te leggen waarde is een omschrijving om aan te geven wat een ziekenhuis moet vastleggen. Dit kan bijvoorbeeld een codering zijn, ja/nee of een datum.

  • Bron:

De bron is bedoeld om het zoeken naar de variabele (het data-element) te vereenvoudigen. Dit is gebaseerd op de bevindingen van de ziekenhuizen uit de praktijktest. Het kan zijn dat dit in andere ziekenhuizen onder een andere naam of op een andere plaats/systeem wordt vastgelegd.

  • Instructie:

Deze beschrijft met welke zoekwaarden gezocht moet worden. Ook worden praktijktips gegeven.

  • Nodig voor indicator:

Als laatste staat aangegeven voor welke indicatoren de variabele gebruikt wordt.

Voor sommige variabelen is het niet mogelijk om direct uit de data de waarde van de variabele te bepalen. Leeftijd is hierbij het meest duidelijke voorbeeld. Om de leeftijd te kunnen bepalen is een peildatum en een geboortedatum nodig. Deze eerste twee gegevens zijn opgenomen bij de variabelen. Bij de indicatoren zijn rekenregels gedefinieerd die de uiteindelijke variabele berekenen. Een voorbeeld is: peildatum – geboortedatum = leeftijd.



Tabel 1: Variabelen uit verschillende bronnen in het ziekenhuis



Varia-bele

Naam

Vast te leggen waarde

Bron

Instructie

Benodigd voor indicator

BA0

Patiëntnummer




ZIS

Het patiëntnummer is een uniek element dat de basis vormt om koppelingen te maken tussen registratiesystemen

1: Cervix exconisaties

2: Normale cervixcytologie



BA1

Patiënten met de diagnose cervixafwijking inclusief afwijkende cervixcytologie

DBC-code/zorgproductcodes voor:


G19; 181105; Cervixafwijkingen

Zorgproductcode:


181105012:bij 1 of 2 polikliniek bezoeken

181105010: >2 polikliniek bezoeken of dagverpleging of langdurige observatie

181105007: bij colposcopie (met zorgactiviteit 039170)

181105003: bij curettage (037191), hysteroscopie (039171), onderzoek in narcose (039381) of diagnostische laparoscopie (035582)

181105004: bij klinische opname 1-5 dagen

181105013: bij klinisch opname >5 dagen

181105002: bij AUE (037111), VUE (037131), TLH (037113), uterus extirpatie i.v.m. carcinoom in situ cervix (037122) of operatie cervixscheuren (037240)

181105006: bij lisexcisie of cryocoagulatie (037200) of conisatie (037210)




DBC- registratie

Alleen patiënten met een in het verslagjaar afgesloten zorgproduct/DBC worden geïncludeerd.


1: Cervix exconisaties

2: Normale cervixcytologie



BA2

Behandeling baarmoederhalsafwijking

Verrichtingen:

037200


037210

DBC- registratie,
verrichtingen- registratie

De patiënten van wie een verrichting met betreffende codering bestaat dienen geselecteerd te worden.

1: Cervix exconisaties

2: Normale cervixcytologie



BA3

Datum behandeling baarmoederhalsafwijking

dd-mm-jjjj

DBC- registratie,
verrichtingen- registratie

De datum waarop de behandeling van de baarmoederhalsafwijking heeft plaatsgevonden.

2: Normale cervixcytologie

BA4

Cervix exconisatie

CBV:

337200


Verrichtingen:

037210


DBC- registratie,
verrichtingen- registratie

De patiënten van wie een verrichting met betreffende codering bestaat, dienen geselecteerd te worden.

1: Cervix exconisaties


BA5

Verdenking invasief carcinoom of adenocarcinoom in situ

Ja / Nee

Ziekenhuis-registratie

Patiënten met een verdenking op een invasief carcinoom of adenocarcinoom in situ dienen geselecteerd te worden.

1: Cervix exconisaties

BA6

CIN codering II-III

Ja / Nee

PA-verslag

Patiënten met een definitieve histologie CIN II of CIN III dienen geselecteerd te worden.

2: Normale cervixcytologie

BA7

Datum cytologische uitslag

dd-mm-jjjj

DBC- registratie,
verrichtingen- registratie, pathologie- en cytologieregistratie

De datum waarop de patiënt een cytologische uitslag ontvangt.

2: Normale cervixcytologie

BA8

Normale cytologische uitslag

Ja / Nee

PA-verslag

De patiënten met een normale cytologische uitslag dienen te worden geselecteerd.

2: Normale cervixcytologie


Tabel 2: Rekenregels voor te berekenen variabelen


Variabele

Te berekenen gegevens

Berekening

Formule

Validatie-regels

Nodig voor indicator

BA9

Cytologische uitslag binnen 9 maanden

Datum cytologische uitslag – datum behandeling voor CIN

BA8 – BA3

3-9 maanden

2: Normale cervixcytologie

Bijlage: Wijzigingstabel



Zorginhoudelijke indicatoren

Indicator

Operationalisatie

Toelichting

1. Cervix exconisaties


Percentage patiënten behandeld voor CIN door middel van een cervix exconisatie

Aanscherping van exclusiecriteria, teksten met achtergrondinformatie (weer) opgenomen in gids inclusief informatie voor patiënten, update van coderingen doorgevoerd

2. Normale cervixcytologie

Percentage patiënten dat behandeld is voor CIN II-III (op basis van biopt of de excisie zelf), met een normale cervixcytologie binnen 3 tot 9 maanden na behandeling.

Aanscherping van definitie, teksten met achtergrondinformatie(weer) opgenomen in gids inclusief informatie voor patiënten, update van coderingen doorgevoerd





Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina