Hoofdstuk 9: Denken



Dovnload 358.31 Kb.
Pagina2/2
Datum28.04.2018
Grootte358.31 Kb.
1   2

Redeneren
Redeneren = evalueren vd waarheid/ waarschijnlijkheid v verklaringen (deductief of inductief redeneren)

Deductief redeneren = vanuit reeks algemene permissen een conclusie over een specifieke gebeurtenis

Om ons op een gebeurtenis voor te bereiden

Logicisme: logica basis v rationeel menselijk denken, mensen enkel rationeel als volgens logische regels denken

 onderzoek om na te gaan hoe logisch mensen denken (Evans)

Syllogisme = uitspraak v 3 regels waarvan eerste 2 permissen zijn en de 3e een besluit  3 soorten:



  • Voorwaardelijk syllogisme  als het geregend heeft is de straat nat, de straat is nat. Dus het heeft geregend

  • Categorisch syllogisme  alle fransen zijn A, alle A’s zijn B. Dus alle fransen zijn B

  • Lineair syllogisme  Jan is groter dan Dirk, Dirk is kleiner dan Wim. Dus Jan is groter dan Wim

3 factoren beïnvloeden of d geldigheid ve syllogisme juist beoordeeld wordt:

  • Het type syllogisme (sommige syllogismen leiden tot meer juiste antwoorden)

  • Of de geldigheid vh syllogisme overeenkomt met d geloofwaardigheid vh besluit

Besluit is geloofwaardig  meeste mensen hebben de neiging om het syllogisme geldig te vinden

  • Beïnvloeding door inhoud gaat regelrecht in tegen d regels vd logica (logisch redeneren is los v inhoud)

  • Personen die hoog scoren op intelligentietests en naar school geweest zijn scoren hoger

  • Alle 3 factoren leveren problemen voor het logicisme

Er zou geen groot verschil mogen zijn tussen logicismen en de inhoud zou geen invloed mogen hebben


  • Verklaringen voor deductief redeneren




  • De theorie van de mentale modellen

Johnson-Laird: mentale modellentheorie (verklaren welke syllogismen correct beoordeeld worden)

 mensen redeneren niet obv regels maar door zich mentaal beelden te vormen vd beschreven toestanden

Juist redeneren: mentale beelden vormen v alle mogelijke toestanden  anders redeneerfouten!!

Probleem: opsommen alle mentale modellen is belastend  genoegen met 1e beeld als model OK lijkt

Moeilijkere info  meer belasting werkgeheugen  minder geneigd alle toegelaten modellen uit te werken

= verklaring waarom mensen minder goed redeneren bij confrontatie met inhoudsloze informatie




Inhoud syllogisme grote invloed op antwoorden persoon  mens heeft 2 systemen om te redeneren (Evans)

1e systeem = evolutionair oud, leert verbanden leggen tussen stimuli obv associatief leren

Genereert snel een antwoord obv inhoud syllogisme. Lijkt geldig obv vroeger geleerde associaties

2e systeem = gecontroleerd proces doet een beroep op h werkgeheugen. Na denken over meer dan ervaringen

Onderdrukking antwoord 1e systeem en vervangen door antwoord volgens logische regels of

gebaseerd op mentale modellen.

Invloed wordt bepaald door de intelligente en scholing van de persoon


  • 1e systeem genereert altijd een snel antwoord  moeilijker juist antwoord te geven bij syllogisme waar geloofwaardigheid besluit en logische geldigheid elkaar tegenspreken




  • Proefpersonen interpreteren syllogismen anders dan de proefleiders van hen verwachten

Onderzoekers gebruikten woordbetekenissen uit de logica die verschilden vd betekenissen die de proefpersonen spontaan aan de woorden geven (bv. Als)

Onduidelijkheden in taalgebruik is een bijkomende reden waarom pp zwak presteerden op redeneertaken




  • Besluit

Mensen redeneren niet spontaan volgens de regels van de logica omdat:

  • D regels vd logica stemmen niet altijd overeen met spontaan gegeven betekenis van gebruikte woorden

  • Mensen baseren zich in grote mate op d inhoud vh syllogisme en op d geloofwaardigheid vh besluit

  • Bij eigenlijke redeneren gebruiken mensen mentale representaties over verschillende mogelijke toestanden. Baseren zich niet op logische regels die losstaan vd inhoud.




  • Inductief redeneren

Inductief redeneren = redeneerproces waarbij men vanuit specifieke gevallen tot algemene conclusies komt



Wanneer d permissen waar zijn is de conclusie niet perse waar maar heeft deze veel kans om waar te zijn

= basis v wetenschappelijke ontdekkingen

Inductie = ontdekking/ constructie v regels die elementen met elkaar in relatie brengen

3 probleemtypes bij onderzoek inductief redeneren: classificatie, aanvullen v reeksen en vinden v analogieën

Prestaties bij testen inductief redeneren correleren met schoolse prestaties  vaak onderdeel v IQ-tests
Dagelijks leven: orde scheppen in veelheid stimuli en ervaringen door gelijkenissen tussen individuele gebeurtenissen om te zetten in algemene principes en mechanismen postuleren over welke principes invloed hebben op andere  3 belangrijke aspecten:


  • Generalisatie: individuele ervaringen en gebeurtenissen omzetten in algemeen geldende principes

Daarna zoeken naar verbanden tussen vastgestelde regelmatigheden en verklaringen voor verbanden

 vinden correlaties en oorzaak-gevolgverklaringen doen een beroep op inductief redeneren



Stuart Mill: onderzoek naar manier waarop mensen oorzaak-gevolgverbanden leggen:

  • Zoektocht naar oorzaak die over hele reeks verschillende situaties samen voorkomt met het gevolg

Obv specifieke ervaringen algemene conclusie trekken veel kans maakt waar te zijn maar dit niet altijd is




  • Obv vastgestelde regelmatigheden in gebeurtenissen en obv al bestaande mentale modellen formuleren mensen algemene principes die ze proberen te verklaren. Genereren hypothesen over mogelijke oorzaken die ze vervolgens wel of niet toetsen aan de realiteit.

Verschil met onderzoekers: bij toetsing zijn mensen geneigd meer aandacht te besteden aan evidentie die hun ideeën ondersteunt dan evidentie die hun ideeën tegenspreekt = confirmatieneiging




  • De confirmatieneiging

De confirmatieneiging = Meer gewicht aan evidentie die overtuigingen bevestigt

Sterkere beïnvloeding door confirmerende info+ beter onthouden

Peter Wason: confirmatiebias aantonen in een taak over inductief redeneren

2-4-6  regel achterhalen  enkel vragen die vermoeden bevestigen

Confirmatieneiging aantonen bij een proef over deductief redeneren



Probleem vd 4 kaarten: enkel kaarten omdraaien die regel bevestigen
De confirmatieneiging heeft ook een grote invloed in ons dagelijks leven!!

= verklaring vooroordelen & stereotypen tegenover sociale groepen ondanks

tegenevidentie: alle evidentie in overeenstemming met vooroordeel wordt gezien als bevestiging
Gibson: confirmatieneiging speelt een rol bij het in stand houden van een gokverslaving

 onderschatting verliezen uit verleden + te veel vertrouwen op winst bij de volgende weddenschap

Smeeth: confirmatieneiging bij berichtgeving in de media: vaccin tegen mazelen zou autisme veroorzaken

 de media focust enkel op gevallen die de hypothese lijken te bevestigen



  • Niet alle verbanden die op basis v inductief redeneren gevonden worden bestaan ook werkelijk

= illusoire correlatie  onvermijdelijk bij inductief redeneren (geen garantie op ware conclusies)

  • Confirmatieneiging bij media kan illusoire correlatie voeden door enkel ondersteunende evidentie voor d correlatie te rapporteren


Beslissingen nemen
Uiteindelijke doel denken = conclusies trekken & beslissingen nemen obv beschikbare evidentie

Die conclusies & beslissingen zullen onze acties bepalen




  • Het signaaldetectiemodel

Psychofysisch onderzoek: interesse in welke signalen proefpersonen kunnen waarnemen en welke niet

Tussen zones met duidelijke signalen ligt een overgangsgebied (pp twijfelt aan signaal)

Antwoord pp is afhankelijk vd gevoeligheid vd proefpersoon en vh antwoordcriterium

Gevoeligheid: mogelijkheid bij een proefpersoon om een stimulus te onderscheiden

Antwoordcriterium: bereidheid om ja te zeggen wanneer de proefpersoon twijfelt



  • Toepassing op beslissingen in dagelijks leven  uiteindelijke besluit is afhankelijk van de sterkte vd

evidentie en d afweging vd gevolgen v elke beslissing
Laming: veel politieke ingrepen hebben een groter effect op het antwoordcriterium dat bij een beslissing gehanteerd wordt dan op de gevoeligheid vd diagnose Bv. Meer kinderen weggehaald uit ongevaarlijke situaties wanneer regering probeert gevoeligheid voor risicogezinnen bij sociale diensten te verhogen


  • Factoren die de perceptie van het signaal beïnvloeden

Beslissingssituaties verschillen van psychofysische experimenten:



  • De meeste keuzes in dagelijkse situaties bestaan uit alternatieven met meerdere dimensies

  • In dagelijkse situaties worden de stimuli niet aangeboden maar moet je zelf de voor en nadelen bedenken




  • Het subjectief verwachte nut

Vroeger dacht men dat mensen bij keuzesituaties voor elk alternatief het subjectief verwachtte nut berekenden:

  • Alle voor en nadelen van een keuze afwegen

  • De waarde van de gevolgen bepalen

  • De verwachtte kans dat elk gevolg zich voordoet berekenen

Nu: Amos Tversky & Daniel Kahneman: mensen wegen zelden alle voor en nadelen van hun keuzes op een rationale manier af. Meestal gebruiken ze hier heuristieken voor die aanleiding kunnen geven tot vertekeningen in de perceptie van de keuzes en kunnen leiden tot suboptimale beslissingen.


  • De beschikbaarheidsheuristiek

Mensen wegen niet alle voor en nadelen van de alternatieven af en geven deze niet de juiste gewichten maar beperken zich tot de herinneringen die het vlugst voor de geest komen. Het gemak waarmee men info uit h geheugen kan halen terwijl men over een probleem nadenkt beïnvloedt welke kenmerken wel en welke niet betrokken zullen worden bij de beslissing. = de Beschikbaarheidsheuristiek

 hoe toegankelijker een geheugenspoor is hoe meer invloed het zal hebben op de uiteindelijke beslissing

Greenings: ervaring negatieve levensgebeurtenis (blikseminslag) heeft diepgaande effecten op risico-inschatting

= levendige autobiografische herinnering

Beschikbaarheid info ook afhankelijk v aandacht die nieuwsmedia aan gebeurtenissen besteed.

Egelkamp & Elchardus: = reden waarom mensen gevoel v onveiligheid ervaren ook al hebben ze daar geen

reden toe vanuit hun eigen directe ervaringen
Manipuleren vd beschikbaarheidsheuristiek: vraag op bepaalde manier formuleren+ in bepaalde context plaatsen


  • De representativiteitsheuristiek

Bij het denken baseren we ons op algemene principes die we ontdoen van hun details

= mogelijkheid tot generalisatie en voorspellingen maken  MAAR: foutieve interpretatie informatie

Bv. Representativiteitsheuristiek: neiging om homogeniteit binnen een categorie (concept) te overschatten

 geloof dat kenmerken categorie toepasbaar zijn op alle instanties van die categorie

Kahneman & Tversky: 72 gezinnen met MJMJJM  hoeveel gezinnen met JJJJJJ? ( evenveel!!!!)


  • Door de representativiteitsheuristiek zullen mensen kansen v verschillende alternatieven verkeerd inschatten en te veel waarde hechten aan ‘afwijkingen’ die eigenlijk binnen het normale vallen en te verwachten zijn.

Dwaling van de gokker: misvatting dat toevalsproces moet leiden tot voortdurende afwisseling vd alternatieven

Meer verliesbeurten na elkaar, hoe groter de gokker de kans schat dat er bij de volgende beurt winst zal zijn

De representativiteitsheuristiek speelt ook een rol bij het beoordelen van mensen en situaties

 doordat men enkel let op wat representatief is voor een bepaalde groep personen of voor een bepaalde

situatie zal men andere informatie over het hoofd zien




  • Technologische ondersteuning

Meer en meer computersystemen ontwikkeld die mensen helpen bij het nemen v bepaalde beslissingen

Gebruikers v beslissingsondersteunende programma’s  neiging ze na een tijdje niet meer te volgen maar te ‘optimaliseren’ en hierbij heuristieken toe te passen.




  • Factoren die een rol spelen bij het antwoordcriterium

Signaaldetectiemodel: beslissing niet alleen afhankelijk v gevoeligheid voor verschillende keuzealternatieven

maar ook van h antwoordcriterium dat d persoon op h moment vd beslissing hanteert

Antwoordcriterium vooral bepaald door gevolgen beslissingen (+gevolg  beslissing met minder evidentie)

Tetlock: mensen houden rekening met d reacties die hun keuze zal uitlokken bij d groep waartoe ze behoren

Poging reacties te voorzien en vermijden keuzes die ze moeilijk kunnen verantwoorden

Ook beschikbaarheid v informatie heeft invloed op het responscriterium

Verandering responscriterium = geen betere beslissing  wint aan ene kant verliest men aan andere kant


Tversky & Kahneman: het formuleringseffect = beslissingen worden beïnvloedt door het feit of de gevolgen

verwoord worden in termen van winst of verlies

Mogelijke winsten  risico’s proberen te vermijden. Mogelijke verliezen  bereid risico’s te nemen

Experiment: probleem Aziatische ziekte  bij andere formulering percipiëren mensen een andere basistoestand

Moxey: effect v formulering op d kans dat patiënten zullen instemmen met een behandeling of niet


  • Emotionele vertekeningen

Signaaldetectie model= niet toereikend voor elke beslissing (niet alle beslissingen zijn rationeel)

Mensen gaan niet altijd consequent de sterk/te vd evidentie na en d gevolgen van hun keuzes.

Beslissingen worden genomen obv emoties.  verkeerde strategieën (Janis & Mann) :



  • Huidige G voortzetten, negeren/ verwerpen info over potentiële winsten of verliezen

  • Actieplan aanvaarden zonder nadenken (verantwoordelijkheid afschuiven/ goedkeuring verkrijgen)

  • Vermijden beslissingen te nemen, daarna keuze rationaliseren als minst verwerpelijk alternatief = defensief

  • Impulsieve oplossing die onmiddellijke verlichting vd druk lijkt te beloven

Tuinstra: vragenlijst om na te gaan in welke mate adolescenten deze verkeerde strategieën gebruiken

Effect van de gemaakte kosten: mensen hebben de neiging een onderneming voort te zetten waar ze tijd, geld en energie in geïnvesteerd hebben. Handeling in strijd met economische logica (Arkes & Blumer)

Experiment: skitrip van 100 euro of van 50 euro  meestal keuze voor 100 euro ook al is die minder leuk


  • Kiezen alternatief met grootste investering om gepercipieerde verliezen zo klein mogelijk houden

= verklaring waarom menen geld blijven investeren die op verlies afstevenen


  • Beslissingen evalueren ‘ik heb het altijd geweten’

Hindsight bias = neiging om d voorspelbaarheid ve gevolg ve beslissing te overschatten als gevolg al bekend is

Neiging verkeerde beslissingen toe te schrijven aan d onkunde vd betrokken persoon

= methodologisch probleem dat historici moeten overwinnen als ze gebeurtenissen uit verleden willen begrijpen

Baruch Fischhoff: hindsight bias maakt het minder waarschijnlijk dat we lessen zullen trekken uit het verleden

omdat we de voorspelbaarheid van de gevolgen van een beslissing overschatten

De hindsight bias heeft ook heel wat praktische implicaties

Harley: retrospectieve voortekenen op oude foto’s na ontdekking tumor (verschil door verandering zoekproces)


Niet voldoende om van de hindsight bias op de hoogte te zijn om die te vermijden

MAAR: experts vertonen wel een minder grote vertekening


Gevolgen die d gebeurtenis heeft voor d persoon heeft ook invloed op de hindsight bias

Mensen zullen gebeurtenissen vertekenen in een richting die hun zelfbeeld ten goede komt



Mark & Mellor: vakbondsleden die hun job verloren zagen de herstructureringen niet aankomen


Valkuilen bij het denken

Valkuil

Wat is het probleem?

Oplossingen

Het verkeerd toepassen van een algoritme

Men past een algoritme toe dat op zich wel goed is maar niet geldt voor het probleem dat men wil oplossen

Denk eerst goed na over het probleem, diep uit door gebruik te maken van de kennis die je hebt. Na een oplossing gegenereerd te hebben evalueer je kritisch de juistheid ervan. Zoek naar een analogie

Een verkeerde instelling

Men is geneigd om vast te houden aan een oplossing die in het verleden gewerkt heeft; men blijft steken in oude opvattingen in plaats van uit te kijken naar een andere oplossing

Genereer een veelheid aan mogelijke onconventionele oplossingen en probeer die uit. Brainstorm samen met iemand die je goed kent. Als dat niet lukt laat je het probleem even rusten (= incubatie)

Functionele gefixeerdheid

Men ziet enkel het conventionele gebruik van een voorwerp

Zie vorige

Een verkeerd mentaal model

Men heeft een verkeerd begrip van hoe de dingen werken

Vraag inlichtingen aan en expert of zoek informatie op over het onderwerp

Men laat zich beïnvloeden door de inhoud bij het redeneren

Men denkt dat een bepaalde conclusie noodzakelijk uit de voorafgaande condities volgt omdat het besluit aanvaardbaar lijkt

Verander de inhoud van de conclusie en de condities door contra-intuïtieve uitspraken. Ben je nu nog overtuigd van de noodzakelijkheid van het besluit?

De confirmatieneiging

Zodra men een verklaring gevonden heeft zoekt men niet langer naar tegenevidentie

Ga na of de evidentie ook op een andere manier verklaard kan worden. Wees kritisch over je verklaring (kan ze echt alles verklaren?)

De beschikbaarheids-heuristiek

Men is geneigd om sterk beïnvloed te worden door hypothesen en oplossingen die als eerste opkomen

Zie vorige

De representativiteits-heuristiek

Men denkt dat een proces of een eigenschap altijd op dezelfde manier tot uiting zal komen, daardoor schenkt men onnodige aandacht aan ‘afwijkingen’ die in feite normaal zijn

We worden ons vooral bewust van deze heuristiek als onze verwachtingen tegensgesproken worden. Ga op zo’n moment na op basis waarvan je die verwachtingen had. Is het mogelijk dat er meer variatie zit in een fenomeen dan je oorspronkelijk dacht? Is het mogelijk dat je een verkeerd mentaal model hebt?

Het formuleringseffect

Men wordt beïnvloedt door de manier waarop een vraag geformuleerd is

Ga bij jezelf na of je beslissing dezelfde zou zijn als de vraag anders gesteld werd

Emotionele vertekeningen

Beslissingen worden genomen op basis van emoties in plaats van een rationele analyse

Onderken deze tendens bij je en neem maatregelen om ze te ondervangen. Zorg dat je genoeg bedenktijd hebt bij belangrijke beslissingen, neem ze niet onder stress

Hindsight bias

Achteraf blijkt duidelijk welke beslissing genomen had moeten worden

Ga na welke informatie de persoon in kwestie ter beschikking had. Probeer een nieuwe soortgelijke situatie te bedenken en ga na hoe mensen zouden reageren in deze situatie waarvan de uitkomst nog niet bekend is


In hoeverre wordt het denken beïnvloedt door de taal?
Betekenis woorden enigszins los vd input (betekenis moet geactiveerd kunnen w door taal, schrift & beeld)

Enerzijds: Denken is gebaseerd op abstracte input-onafhankelijke betekenissen (concepten) en staat dus volledig los van de taal die de persoon spreekt.

Anderzijds: Denken is niet mogelijk zonder taal en mensen kunnen dus niet nadenken over iets als ze er geen woorden voor hebben.
Boas: kijk op andere culturen vaak beïnvloedt door eigen cultuur (etnocentrisme)  denken oiv taal

Benjamen Whorf: taal speelt een cruciale rol bij het denken (= linguïstisch determinisme of relativiteit?)

Linguïstisch determinisme = wet mensen denken en de manier waarom ze denken volledig door taal bepaald

Linguïstische relativiteit = taal heeft invloed op het denken maar is niet de enige bepalende factor



  • Geen geloof meer in linguïstisch determinisme, wel groeiende evidentie voor linguïstische relativiteit




  • Taal en kleurperceptie

Onderzoek over invloed v taal op denken obv categoriseren v kleuren

Groeperen en onthouden mensen kleuren obv woorden of obv perceptuele eigenschappen van de kleuren

Berlin & Kay: er zit een duidelijke sequentie in d kleurnamen die culturen hebben



Zwart Geel Paars

Rood Groen Bruin Roze

Wit Blauw Oranje

Grijs

Helderheid Primaire kleuren

Volgorde vd kleurwoorden stemt overeen met onze verwachtingen met wat we weten over kleurperceptie

Heider: verdere evidentie dat kleurperceptie gebaseerd is op d fysiologie vh perceptuele systeem, niet op de

woorden die mensen gebruiken (De Dani zijn gevoelig voor primaire kleuren zonder woorden)
Gaandeweg meer evidentie voor linguïstische relativiteit:


  • Bij kleuren is een langdurig leerproces vereist (stemt niet overeen met idee dat kleurnamen aansluiten bij

een aangeboren perceptueel systeem)

  • Het bleek niet mogelijk de resultaten van Heider te herhalen

  • Roberson: de Berinmo uit Papoea Nieuw-Guinea (5 kleurnamen)

2 meest bij elkaar passende kleuren groeperen  pp deden dit consistenter wanneer de kleuren

rond naamgrens lagen die bestond in hun taal



  • Invloed v taal op hoe kleuren gepercipieerd& onthouden worden, maar is niet enige invloed. Want zoals Berlin en Kay vaststelden zijn d kleurnamen steeds in overeenstemming met d principes vd kleurperceptie




  • Taal, tijd en ruimte

Onderzoek naar het effect van taal op de perceptie van tijd en ruimte

Boroditsky: frequent gebruik v metaforen om tijd uit te drukken (Mandarijs Chinees  verticale metaforen)

Engelstaligen associëren voor/achter met vroeger/later, dus vanuit een priming effect op ‘witte worm voor zwarte worm’ reageren ze sneller op een tijdsvraag na een voor/achtervraag

Levinson: effect van taal op ruimtelijke perceptie

Nederlands: plaats voorwerpen definiëren relatief tov andere voorwerpen (links, rechts van ons

Andere talen: plaats voorwerpen definiëren op een absolute manier ten opzichte van elkaar (ten noorden van)

Experiment: zelfde plaatje aanduiden  de Tzeltal kozen voor het plaatje waarin de stippen op een absolute

manier op de zelfde plaats tov elkaar stonden


  • Taal en sociale cognitie

Hoffman: de taal die men spreekt beïnvloedt d manier waarop men andere mensen percipieert

(gebruik 2-taligen  invloed vd taal binnen dezelfde persoon nagaan)

Proefpersonen die lazen over artistiek type in Engels& Shi Gu type in chinees hadden meer valse

herinneringen over trekken die v toepassing zijn op stereotype maar niet voorkwamen in tekst


  • Afhankelijk van d taal waarin ze lazen werd een stereotype wel of niet geactiveerd

Taal ook vaak gebruikt om attitudes te beïnvloeden (iets negatiefs meedelen  gunstig formuleren)

= poging sociale perceptie te beïnvloeden door de woorden die men gebruikt


Hoe groot is invloed taal binnnen verscheidene denkgebieden?

Cohen & Dehaene: tafels v vermenigvuldiging opgeslagen in verbale codes

Personen met taalmoeilijkheden door hersenletsel  problemen bij vermenigvuldigen


Terugblik vanuit de 3 invalshoeken

Biologische

Cognitieve

Sociaal-culturele

Deductief redeneren: mensen kunnen niet goed redeneren los van de inhoud, louter op basis van logische regels.  we hebben een evolutionair oud systeem dat op basis v ervaringen en associatief leren snel een inhoudgebaseerde evaluatie genereert die in competentie treedt met het logische redeneren.  mensen hebben minder last met logisch redeneren wanneer de logische conclusie overeenstemt met de inhoudelijke conclusie

Mentale modellen over hoe allerlei dingen functioneren. Door meer over een gebied te leren kunnen we juistere mentale modellen opstellen.

Experts hebben meer oplossingen in hun geheugen opgeslagen, meer taakspecifieke heuristieken en vertonen een minder grote hindsight bias. Maar ze zijn geneigd beproefde heuristieken te blijven gebruiken en bedenken minder makkelijke nieuwe, creatieve oplossingen.

Inzichtproblemen oplossen  losmaken van functionele gefixeerdheid en van onze instelling om de meest voor de hand liggende heuristieken toe te passen.


Denken ontwikkelt zich in de context van een cultuur en wordt erdoor beïnvloedt.

De taal van een cultuur bemoeilijkt sommige denkprocessen.


Sociale krachten maken bepaalde informatie beter beschikbaar als andere. Informatie die we makkelijk kunnen oproepen heeft een impact op het risico dat we aan een activiteit toeschrijven, ook al heeft de beschikbaarheid soms meer te maken met de frequentie waarmee iets in de media verschijnt als met het werkelijke risico.


Deel met je vrienden:
1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina