Hoofdstuk : De twee wereldoorlogen Maatschappelijke en politieke context



Dovnload 25.27 Kb.
Datum20.05.2018
Grootte25.27 Kb.

Hoofdstuk 2: De twee wereldoorlogen

2.1 Maatschappelijke en politieke context(p.46)

2.1.1 Sociale wetgeving en armoede(p.46)

Armoede en werkloosheid = groeiend probleem in West-Europa


 dalende koopkracht

Belgische industrie door Duitser bezet  dalend aantal tewerkgestelde vrouwen

Wetten die vrouwenarbeid beperken  argumentatie: bescherming van moeder en kind
 vrouwen vormen een aanvullend arbeidspotentieel ( kan ingezet of teruggetrokken worden)
 buiten de oorlogsperioden : actieve ontmoediging politiek van vrouwelijke tewerkstelling; deze periode is de overgang van een extensief naar een intensief productiemodel = belangrijke stap naar patriarchale kostwinnersmodel

Arbeiders  politiek geïnterneerd, meer rechten en sociale zekerheid krijgt meer vorm ( liberté subsidée)



  • Jaren ’20: maatregelen gestemd over de sociale zekerheid

  • Kinderbijslag ( tot 1914) occasionele bijdragen van de werkgever 1930: verplicht ( argumentatie: bescherming van kroostrijke arbeidersgezinnen en middel tegen strijd denataliteit)

Vrouwen krijgen geleidelijk aan meer rechten ( pas 1948 vrouwelijk algemeen stemrecht)

Kindersterfte  afname na WO I en lichte stijging tijdens WOII

2.1.2 Denataliteit en de Bond(p.49)

Kindersterfte en denataliteit (door invloed neo-malthusianen)  groeiende bron ongerustheid

° Bond tegen de ontvolking of de Nationale Bond tegen de voorbedachte onvruchtbaarheid

° Bond der Talrijke Gezinnen of Bond der Kroostrijke Gezinnen  strijd tegen denataliteit en gezinsmodel waarbij vrouw thuisblijft en voor kinderen zorgt ( met extra vergoedingen).



2.2 De wetenschap (p.49)

  • Statistiek, geneeskunde, kinderverzorging ( aangevuld met geesteshygiëne pedagogische aspect) ontwikkelen verder.

  • Eugenetica blijft populair en toenemende invloed

  • Opvoedkunde  Reformpedagogiek ( pedagogische denkrichting enkel invloed op onderwijs! Niet op kinderopvang)

  • Psychologie en pedagogiek  eerste sporen  moeder moet de ontwikkeling van kind stimuleren vanaf de jongste leeftijd ( verband tussen vroeg kinderlijke opvoeding en latere geesteshygiëne)

GEVOLG:

  • Opvoedingsadviezen

  • Opvoeding der ouders

  • In kinderopvang enkel plaats voor ontwikkelingspsychologie

Constructie van frêle, breekbare kind wordt aangevuld met die van het Maagdelijke kind, het kind als Tabula Rasa ( J.Locke)
 nadruk op de eerste levensjaren die bepalend zijn voor verdere ontwikkeling
 tendens van normalisering, naturaliseren en decontextualiseren wordt hier versterkt ( afwijkend gedrag wordt gepathologiseerd)
 moeder is verantwoordelijk voor eventuele latere pathologie van het kind en ook voor de sociale orde

  • Opkomst ontwikkelingspsychologie versterkt medisch – hygiënische discours

2.3 Het Terrein (p.52)

2.3.1. De Werken (p.52)

Lingue Nationale Belge pour la protection de l’enfance du premier age  stopt tijdens oorlog werken.

1914: Nationaal Hulp- en voedselcomiteit


 werkt op gedecentraliseerde manier via Provinciale comités ( verbinding tussen locale activiteit en centrale inspectie)
 piramidale structuur = kern van disciplinerende macht van latere NWK ( = perfect panoptisme)

1915: Sectie hulp en bescherming aan de werken voor kinderwelzijn


 DOEL
- verhinderen dat raadplegingen en andere diensten deuren sluiten tijdens oorlog
- financieel steunen
- steunen finaciële en materiële steun van andere landen ( acties redding Belgische kind)

Gevolg uitgebreide werken  participatie van vrouwen aan het publieke leven (vb: helpen van gewonden aan het front)

2.3.2. Zuigelingenraadplegingen, geen crèches (p.54)

Nationaal Comiteit wil in elke gemeente raadpleging voorzien.

Principe gelijkheid van alle burgers  crèches krijgen ook subsidie zodat opgevangen kinderen zelfde maaltijd krijgen als raadplegingen.

Voor Sectie en Velge  kinderopvang heeft functie als opvang voor arbeiders verloren.

2.3.3. Besluit: in WOI wordt Plasky begraven(p.55)

Project van crèches wordt vereng; alle aandacht naar hygiëne en voedsel

Nadruk  uitbouw raadplegingen een beleidsvoorstellen van Velge

2.3.4 Het Nationaal Werk voor Kinderwelzijn(p.55)

Oprichting NWK past in de tendens van die tijd om sociale organisaties op te richten in de geest van de gesubsidieerde vrijheid

1980: na staatshervorming: NWK Kind en Gezin in Vlaanderen, l’office de la naissance et de l’enfance in Wallonië, Kinderhilfsfonds in Duitstalige gemeenschap.

Werk met Hoge raad (afgevaardigden uit provinciale comité), provinciale comités en op gemeentelijk niveau met lokale comités.

Staat financiert de kinderzorg, maar controle gebeurt door autonoom orgaan = gesubsidieerde vrijheid  buffer centrale overheid en terrein

Aandacht volledig naar raadplegingen ( niet naar crèches) ; crèches enkel nuttig in strijd tegen plaatsing bij bewaarsters van bedenkelijke allooi  raadplegingen voor iedereen voorzien

Wet rond bewaarsters (nourriciers mercenaires)

Velge wordt secretaris – generaal van NWK.
 volgens hem: raadplegingen moeten controle uitoefenen over opvanggezinnen (la surveillance); niet voor particuliere instellingen

CONCLUSIE: Liberté subsidiée  staat is ondersteuner in opvoeding van kinderen  diep verankerd sinds 19e eeuw

2.4.5 Gesubsidieerde vrijheid: pluralisme op zijn Belgisch (p.59)

Steeds meer raadplegingen  concurrentie op terrein (pleidooi vanuit politiek voor meer rationele behandeling voor subsidie aanvragen)  voorstel wordt ingetrokken

Spanning over gesubsidieerde vrijheid heeft betrekking op relatie NWK en terrein + autonomie van NWK t.o.v. de Staat.

2.4.6 De raadplegingen na 1919 (p.61)

Enorme uitbereiding van raadplegingen

Wet 1919 krijgt dwingend karakter: ‘ opsporen der kinderen, in te schrijven op de raadpleging’ verpleegster-bezoeksters ( actieradius uitgebreid tot huiskamer)

Wetenschap ( statistiek en geneeskunde) vermengd met de morele oordelen van civilisatieparadigma construeert en ook het benadrukken van individuele factoren ten nadele van structurele ( vermenging ook te merken in verslagen verpleegsters)

Accent raadplegingen meer op opvoeding van de ouders.

2.4.7 De opvanggezinnen na 1919 (p.63)

Na wet 1919: bewaarsters verplicht tot dubbele registratie ( toestemming gemeentebestuur en opvolging door raadpleging)  anders illegaal  pleegouders nemen groot aantal onwettige kinderen op en grootste kindersterfte in deze groep

1933 -1936: wet aangevuld  grote aandacht uitbestede kinderen ( dit in contrast met relatief beperkt aantal kinderen dat wordt bereikt)

2.4.8 De kribben en kleintjesoorden na 1919 (p.64)

Kribben: nemen kinderen op van wie de ouders werken


Kleintjesoorden (dag- en nachtverblijven): herbergen kinderen wier ouders zich niet met hen kunnen bemoeien
 kleintjesoorden = noodzakelijk; kribbe = actuele noodzakelijkheid

Toch wordt er geregeld gepleit voor meer middelen voor kribben ( investeren in huisvestiging en hygiënische zorgen)  zie boek enkele artikels reglement

Wederkerigheid kribben en ouders = onmogelijk  elke verbinding binnen en buitenwereld wordt uitgesloten.

Kwaliteit in kribben = laat veel te wensen over

2.4.9 Inspectie (p.66)

Geïnspecteerde instellingen houden zich vaak niet aan voorschriften  NWK grijpt in ( intrekken subsidies)

Velge:


  • Kribbes  enkel kinderen werkende moeder opnemen en GEEN aanmoediging mogen zijn voor moeders om te gaan werken.

  • Pleit voor verhoging van subsidiëring  investeren in kwaliteit

NWK: inspecties doet in naam van de Staat ( gesubsidieerde vrijheid); geen inspectie van kribben die door burgerij worden onderhouden ( milieu –specifieke selectie)

2.4.10 De cijfers (p.67) - GRAFIEKEN ZIE BOEK

Totale capaciteit van kribben neemt amper toe.

Bedrag kribben  subsidies van NWK aan K.O. worden bepaald o.b.v. bedrag dat door de ouders wordt betaald



2.4. Beschouwingen (p.69)

Meerdere lezingen van deze periode:



  • De K.O is in de eerste plaats een overheidsdienst die de arbeidspositie van de vrouwen bepaalt. ( nadruk ligt op stagnatie van het aantal plaatsen in K.O. en het discours als K.O. als noodzakelijk kwaad)

  • Periode is een breuk, een scharnierfase in de ontwikkeling van K.O (legalisering dus verstaatsing van K.O  wordt gesubsidieerd, gereglementeerd en geïnspecteerd)

  • Relatie tussen K.O en ouders, de maatschappelijke functie van K.O. en het discours dat K.O. construeert  kind als tabula rasa; moeder als slachtoffer en als dader ( wantrouwen tegenover moeder en andere opvoeders uit arbeidersklasse)  raadplegingen beste manier in strijd tegen de kindersterfte.
    Conclusie: gezin = ideale opvoedingsmilieu, gezinsmodel = ideaal, buitenstaanders bepalen wat opvoedingsbehoeften zijn.

Eigen aan deze periode is de omvang van de overheidsinterventie.

CONCLUSIE:



  • Maatschappelijke functie K.O. wordt beperkt door een noodzakelijk kwaad voor werkende vrouwen en de embryonale band tussen K.O en kleuteronderwijs wordt doorknipt. ( K.O. is geen aanvullende opvoedingsmilieu voor alle kinderen, maar een compensatoir opvoedingsmilieu voor uitzonderlijke gevallen)

  • Wet van 1919 verankert het particuliere initiatief met de gesubsidieerde vrijheid, ze neemt de neerbuigende houding over van de burgerij tegenover de arbeidersklasse en geeft de burgerij nu de wettelijke mogelijkheden om in te grijpen in het leven van de gezinnen.




Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina