Herkansing pta toets 2 Havo 25-6-2008 Veel succes!



Dovnload 104.38 Kb.
Datum26.10.2018
Grootte104.38 Kb.

Herkansing PTA toets 2 Havo 25-6-2008

Veel succes!




1 Zout

Lenie krijgt van haar docent de opdracht om voor een practicumproef een zoutoplossing te maken. Om de zoutoplossing te maken heeft Lenie de beschikking over een potje tafelzout, waar geen etiket meer op zit. Wel weet ze dat het potje óf het tafelzout “Jozo” óf het tafelzout Jozo-vitaal” bevat. In onderstaande tabel staan de ingrediënten van zowel “Jozo” als “Jozo-vitaal” vermeld.




Tabel 1

JOZO

JOZO-vitaal




Ingrediënten:
Natriumchloride (min 99,7 massaprocent)

Jodium (KI) 50 mg / kg



Ingrediënten:
Natriumchloride (41 massaprocent

Kaliumchloride (41 massaprocent)

Magnesiumzouten (17 massaprocent)

Jodium (KI) 50 mg / kg



Lenie wil erachter komen of het potje “Jozo” of “Jozo-vitaal” bevat. Om dit te onderzoeken kan zij gebruikmaken van gedestilleerd water en van één van de volgende huishoudchemicaliën:

. waterstofperoxide-oplossing;

. soda (vast natriumcarbonaat);

. spiritus (een vloeistof voornamelijk bestaande uit ethanol);

. gootsteenontstopper (vast natriumhydroxide).


2 a Beschrijf een proef waarmee Lenie, gebruikmakend van één van de genoemde huishoudchemicaliën, kan vaststellen welk van de twee soorten tafelzout het potje bevat.

Noem in je beschrijving de handelingen, de gebruikte stof(fen), de mogelijke waarnemingen en de conclusie die ze uit de waarnemingen kan trekken.


Uit haar onderzoek blijkt dat het potje “Jozo-vitaal” bevat.

Lenie gebruikt het “Jozo-vitaal” om 100 mL te maken van een oplossing die 0,50 mol natriumchloride per liter bevat.



2 b Bereken hoeveel gram “Jozo-vitaal” Lenie moet afwegen om 100 mL oplossing te

maken die 0,50 mol natriumchloride per liter bevat. Gebruik hierbij onder andere gegevens uit bovenstaande tabel.

2 Waterstof als brandstof

Men onderzoekt de mogelijkheden van waterstof (H2) als brandstof voor auto’s. Eén van de voordelen ten opzichte van benzine is dat men van waterstof minder kg hoeft te verbranden dan van benzine om dezelfde hoeveelheid energie te verkrijgen. Bij de verbranding van 1,00 mol waterstof komt 2,42 · 105 J vrij. De volledige verbranding van 1,00 kg benzine levert 4,25 · 107 J.

a Bereken hoeveel kg waterstof bij verbranding dezelfde hoeveelheid energie levert als vrijkomt bij de volledige verbranding van 1,00 kg benzine

Eén van de problemen bij het gebruik van waterstof als brandstof is de opslag.

Om hoge drukken bij de opslag te vermijden, kan in auto’s gebruik worden gemaakt van tanks die gevuld zijn met een metaal in de vorm van een grote spons. Als de tank wordt gevuld met waterstof, treedt een exotherme reactie op tussen het metaal en waterstof.

De metaal-waterstofverbinding die ontstaat, geeft men wel weer met de formule MHx. In die formule is M het symbool van het metaal, en stelt x een getal voor. De vorming van de metaal-waterstofverbinding is een omkeerbare reactie. Bij verwarming van de tank komt de waterstof weer vrij.

b Leg met behulp van bovenstaande gegevens uit waarom de tank verwarmd moet worden om de waterstof vrij te laten komen.

3 In zoute vochtige zeelucht roest ijzer sneller dan in vochtige lucht van dezelfde temperatuur die niet zout is.

a Wat is de functie van het zout bij het roestproces?
Men doet twee proefjes met twee even grote dunne plaatjes ijzer:

I Men legt één van de twee stukjes ijzer in leidingwater van 18 °C dat opge­lost zuurstof bevat.

II Men legt het andere stukje ijzer in gedestilleerd water van 18 °C dat opge­lost zuurstof bevat.

b In welke proef zal het ijzer sneller gaan roesten? Licht je antwoord toe.


In het diagram in de bijlage is het verloop van de snelheid van het roestproces in proef I uitgezet tegen de tijd.

c Schets in dit diagram ook het verloop van het roestproces in proef II. Geef een duidelijke toelichting.


In een derde proef wordt eenzelfde stukje ijzer als in de twee vorige proeven werd gebruikt in leidingwater gelegd dat opgeloste zuurstof bevat. De temperatuur wordt nu voortdurend op 38 °C gehouden.

d Schets in hetzelfde diagram als dat van vraag c het verloop van de snelheid van het roestproces in proef III tegen de tijd. Geef ook hierbij een duidelij­ke toelichting.


4 In 100 mL water lost bij 25 ºC maximaal 0,069 gram lood(II)jodide op. De volu­meverandering tijdens het oplossen mag verwaarloosd worden. Voegt men nog meer lood(II)jodide toe aan de verzadigde oplossing dan stelt zich een evenwicht in.

a Heeft zich een homogeen of een heterogeen evenwicht ingesteld?

b Geef de vergelijking van dit evenwicht.

c Geef de evenwichtsvoorwaarde.

d Bereken de waarde van de evenwichtsconstante voor dit evenwicht.
Vervolgens wordt er wat natriumjodide opgelost in de verzadigde lood(II)jodide-oplossing.

e Beredeneer aan de hand van de evenwichtsvoorwaarde, dat de concentratie van de lood-ionen hierdoor zal afnemen.


Bijlage Naam


Diagram Opgave 3

Uitwerkingen


1 a Lenie lost een hoeveelheid zout op (in water). Zij voegt aan de zoutoplossing

(een oplossing van) gootsteenontstopper / soda toe en kijkt of er een neerslag ontstaat. Als er een neerslag ontstaat, (zijn er magnesiumionen aanwezig en) kan ze de conclusie trekken dat het potje Jozo-vitaal bevat.

b 0,50 M dus 0,05 mol in 100 ml

M(NaCl) = 58,44

0,05 mol ≙ 0,05 . 58,44 = 2,92 g

41 massaprocent

dus . 100 = 7,1 g

2 a 1mol H2 geeft 2,42 • 105 J

1 kg benzine levert 4,25 • 107 J

4,25 • 107 J ≙ mol H2 = 175,6 mol

1 mol H2 weegt 2 • 1,008 = 2.016 g

175,6 mol H2 = 1,75,6 • 2,016 = 354 g = 0,354 kg

b De reactie van H2 met het metaal is een exotherme reactie dus de omgekeerde reactie is endotherm. Dus moet je warmte toevoegen om het waterstof weer brij te krijgen.
3 a Katalysator

b In leidingwater zitten zouten opgelost dus zal bij proefje I het roesten sneller gaan.

c rode lijn De reactie wordt bij proef 2 niet gekatalyseerd dus zal langzamer verlopen.

De snelheid van de reactie begint dus lager en het zal langer duren voor dat het afgelopen is.



d blauwe lijn Bij een hogere temperatuur gaat de reactie sneller. De beginsnelheid is dus hoger en het roesten zal eerder afgelopen zijn.


4 a heterogeen evenwicht want een van de stoffen is in vaste toestand terwijl de ander

stoffen opgelost zijn

b PbI2  Pb2+ + 2 I

c K = [Pb2+] · [I]2 (vaste stoffen worden niet opgenomen in de

evenwichtsvoorwaarde)

d 0,069 g ≙ = 1,5 · 10─4 mol in 100 ml (0,1L)

PbI2 : Pb2+ : I = 1 : 1 : 2

Dus [Pb2+ ] = = 1,5 · 10─3 mol/L

[I] = = 3,0 · 10─3 mol/L



K = 1,5 · 10─3 · (3,0 · 10─3)2 = 1,4 10─8

Deel met je vrienden:


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina