Doelenboek vso – De Plantage



Dovnload 1.77 Mb.
Pagina9/14
Datum17.05.2018
Grootte1.77 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14

3 Dieren: onderhoud dierenverblijven, materiaal en omgeving

vertelt van drie huisdieren hoe ze wonen(kat, hond, konijn) 07

vertelt van drie boerderijdieren hou ze wonen (koe, varken, kip) 07

vertelt hoe vissen gehuisvest zijn 07

vertelt hoe vogels gehuisvest zijn 07

benoemt dat je van een dier hun verblijf (periodiek) moet schoonmaken 07

vertelt van vijf huisdieren hoe ze gehuisvest zijn (kat, hond, konijn, cavia, hamster) 08

vertelt van vijf boerderijdieren hoe ze gehuisvest zijn (koe, varken, kip, schaap, geit, paard) 08

vertelt van drie dieren uit de dierentuin hoe ze gehuisvest zijn (aap, leeuw, giraf) 08

is bekend met hygiëneregels (handen wassen, korte nagels, gepaste kleding/werkschoenen, handschoenen,


mondkapje) 09

kan inschatten wat een geschikte grootte van de huisvesting is 09

weet welke gereedschappen en hulpmiddelen er gebruikt moeten worden voor het schoonmaken van dierenverblijven(emmer, schoonmaakborstels, stoffer en blijk, 09

ontsmettingsmiddel en water, kruiwagen, bezem, mestvork, ballastschop)

geeft aan welke omgeving bepaalde dieren nodig hebben (water, gras, bomen, ook licht/donker) 10

weet waar de gereedschappen en hulpmiddelen te vinden zijn en na gebruik weer opgeruimd moeten worden 10

zet de gereedschappen en hulpmiddelen die gebruikt moeten worden voor het schoonmaken van
dierenverblijven klaar in logische volgorde 10

hanteert het gereedschap en de hulpmiddelen voor het schoonmaken op de juiste wijze (het lichaam wordt


hierbij op de juiste wijze ingezet, zonder kans op blessures) 10

weet welke afrastering je het beste kunt gebruiken bij verschillende dieren 10

benoemt 5 verschillende bodembedekkers (stro, zaagsel, houtsnippers, hemparade, schelpenzand, kranten,
geperste houtkorrels) 10

richt het verblijf na reiniging volgens afgesproken wijze in en plaatst het dier terug 10

controleert regelmatig of de huisvesting van de dieren nog aan de eisen voldoet en meldt dit aan begeleider 10

ziet wanneer een dierenverblijf schoongemaakt moet worden 10

geeft de gevaren en de voordelen voor dieren aan van omgevingen (op het land ben je zichtbaar, achter bomen
kan je verstoppen of er in klimmen) 11

weet welke beschutting dieren die in de wei lopen nodig hebben 11

laat de werkomgeving, na het schoonmaken van dierenverblijven, ordelijk en netjes achter (het afval
gescheiden, het gereedschap schoon en op de juiste plek opgeruimd) 11

kan inschatten aan welke verlichting een dier behoefte heeft 12

maakt dierenverblijven op de juiste wijze schoon werkt daarbij hygienisch en in logische volgorde (verwijdert
eerst het dier, vervolgens het losse vuil, verwijdert het vaste en aangekoekte vuil en ontsmet) 12

gebruikt de voorgeschreven ontsmettingsmiddelen volgens de richtlijnen, hierbij vraagt de leerling aan de


begeleider naar de juiste hoeveelheden en beschermende kleding of schoeisel 12

weet welke omgevingstemperatuur verschillende dieren nodig hebben 12

weet dat er verschillende dieren zijn die een andere luchtvochtigheid nodig hebben 12

weet welke verf en beits geschikt is voor de huisvesting 12

kan klein onderhoud aan huisvesting uitvoeren (afrastering, hekwerk, sluitwerk van deur of raam) 12

4 Dieren:voorzien van voeding en water

vertelt van drie huisdieren wat ze eten en drinken (kat, hond, konijn) 07

vertelt van drie boerderijdieren wat ze eten en drinken (koe, varken, kip) 07

vertelt wat vogels eten 07

weet wat vissen eten 07

vertelt van vijf huisdieren wat ze eten en drinken (kat, hond, konijn, cavia, hamster) 08

vertelt van vijf boerderijdieren wat ze eten en drinken (koe, varken, kip, schaap, geit) 08

vertelt van drie dieren uit de dierentuin wat ze eten en drinken (aap, leeuw, giraf) 08

weet welk voer en welke waterbakken er voor de dieren gebruikt kunnen worden 08

weet hoe je een voederbakje moet schoonmaken 08

weet hoe je waterflesjes moet schoonmaken 09

weet wat een herkauwer is 09

weet hoeveel magen een herkauwer heeft 09

weet wat kuilvoer is 09

weet wat mengvoer is 09

herkent vijf soorten voer (granen, brok, mengvoer, hooi, kuilvoer) 09

weet hoe je dierenvoeding moet bewaren 10

benoemt de vier magen van een herkauwer (pens, lebmaag, boekmaag, netmaag) 10

kent twee manieren hoe een grazer eet 10

weet wat een herbivoor is (geeft twee voorbeelden) 10

weet wat een carnivoor is (geeft twee voorbeelden) 10

weet wat een omnivoor is (geeft twee voorbeelden) 10

weet hoeveel voer een dier mag hebben ( leest de verpakking) 10

kan hoeveelheden voer afwegen met een weegschaal 10

kan hoeveelheden water afmeten met een maatbeker 10

weet wat voor gebit er bij een herbivoor hoort 11

weet wat voor gebit er bij een carnivoor hoort 11

weet wat voor gebit er bij een omnivoor hoort 11

kent de symptomen van ondervoeding 12

kent de symptomen van overvoeding 12

kan een voerschema lezen 12

kan op tijd inschatten wanneer voorraden moeten worden aangevuld en noteert dit 12



5 Dieren: Verzorgen uiterlijk (haar, huid, hoeven, nagels, tanden etc)

benoemt de uiterlijke kenmerken van een landdier (bijv. vier poten, staart, vacht) en is bekend met de functie 04

benoemt de veren, vleugels en de snavel van een vogel en is bekend met de functie 05

benoemt de schubben, vinnen en kieuwen van een vis en is bekend met de functie 06

telt hoeveel tenen een dier heeft 06

weet wat zwemvliezen zijn en waarvoor ze dienen 06

meet de hoogte/lengte van een dier 07

weet wat een schofthoogte is 07

weet welke borstel/kam je bij een specifiek dier gebruikt 08

kan een knaagdier kammen 08

kan een boerderijdier borstelen 08

weet wat een vlooienkam is en is bekend met de functie 09

weet wat een tekentang is en is bekend met de functie 09

benoemt de functie van een kleur bij dieren (schud -of afschrikkleur) 10

weet wat een nagelknipper is en is bekend met de functie 10

weet wat een hoevenkrabber is en is bekend met de functie 10

weet wat een roskam is en is bekend met de functie 11

weet wat een zweetmes is (voor een paard) en is bekend met de functie 11

weet hoe je de nagels knipt van een dier 11

kan de nagels zelfstandig knippen van een dier 11

weet hoe je de hoeven krabt van een paard 11

kan zelfstandig hoeven krabben van een paard 11

weet hoe je een dier kan wegen 12

6 Dieren: Het stallen van dieren

weet hoe je een klein knaagdier rustig vast kan houden 07

weet wat een halster is en hoe je deze om moet doen 09

weet hoe je een koe vastzet in een voerhek 10

kan op een gepaste wijze een dier vastzetten, zodat dit dier niet meer kan weglopen, wegzwemmen
of wegvliegen 10

weet hoe je een boerderijdier vastzet met touw aan een paal (mastworp) 11

herkent de verschijnselen van stress die dieren opdoen bij vervoeren 11

bij een te grote onrust of te groot gevaar breekt de leerling de handeling op gepaste en veilige wijze af 12

weet hoe je een boerderijdier rustig en veilig kan vervoeren (koe, varken, kip, schaap, geit, paard) 12

7 Dieren: gezondheid

herkent de signalen van een ongezond dier 08

brengt een dier naar de dierenarts als het nodig is 08

benoemt kenmerken van dierenmishandeling 09

weet wat een parasiet is 09

herkent de signalen van de aanwezigheid van een parasiet 09

kan een dier mbv een pipetje druppeltjes met een bestrijdingsmiddel tegen parasieten toedienen 10

kan het oog van een dier schoonmaken 11



8 Dieren: voortplanting

kent het verschil tussen het mannetjes -en het vrouwtjesdier 04

weet dat je een mannetje en een vrouwtje nodig hebt voor het voortplantingsproces 04

noemt de naam van jonge beesten (puppy, lam, veulen) bij het zien van het onvolwassen dier 05

noemt de naam van jonge beesten (puppy, lam, veulen) bij het zien van het volwassen dier 05

kan het geslacht van een dier herkennen 06

weet wat er met "draagtijd" bedoeld wordt 06

kan op redelijke wijze inschatten wat de draagtijd is van verschillende dieren (hamster: kort, olifant: lang) 07

kan op redelijke wijze inschatten uit hoeveel jongen een nest bestaat en waarom (muizen krijgen veel jongen:
kort leven, laag in de voedselketen) 07
geeft van verschillende dieren aan hoe ze geboren worden (levendbarend of uit een ei) 07

legt afbeeldingen van de levenscyclus van vlinders in de juiste volgorde (ei, rups, pop, vlinder) 08

weet wat een nestblijver is 09

weet wat een nestvlieder is 09

geeft van verschillende dieren aan of ze nestblijversof nestvlieders zijn 09

weet wat een hermafrodiet is 11



Modulair - E.H.B.O.

1. Kleine verwondingen



1 E.H.B.O. Kleine verwondingen

benoemt vier dingen uit een EHBO-doos (pleister, zwachtel, jodium, pincet, handschoenen, steriele gaasjes) 05

plakt een pleister op een kleine wond 05

koelt bij brandwonden minimaal 10 minuten met koel/lauw water 06

weet wanneer je met een brandwond naar een arts moet(groter dan een 2 euro munt) 07

weet wat te doen met een vuiltje in het oog 08

weet wat te doen met uitgeslagen tand 08

kan drukverband aanleggen 08

kan een verband aanleggen (snelverband) 08

maakt schaafwond schoon met water of steriele gaasje 09

weet wat te doen bij verslikkingen (Heimlich) 09

gaat voorzichtig met bloed en wondjes om van anderen (besmetting) 10

drukt bij bloedneus de neus hoog dicht en houdt dit met het hoofd in de schrijfhouding minstens 10 minuten
vol 10

kent de vijf belangrijke punten van de EHBO en weet ook hier naar te handelen 10

kan handverband, vingerverband aanleggen 10

kan driekante doek aanleggen, mitella en/of brede das 10

weet, wanneer er iets op is in de verbanddoos, waar je dat moet halen 11

weet dat je iemand met een hoofdwond op de grond moet laten zitten of eventueel laten liggen 11

schat in wanneer je met een wond naar de dokter moet(verschil schaafwond of gat in het hoofd) 11

waarschuwt bij kleine ongelukken direct de juiste persoon en vertelt wat er aan de hand is 12

weet wat hij moet doen bij een slachtoffer op een druk kruispunt (Rautekgreep) en wanneer laten liggen 12

weet dat je bij verstuikingen moet koelen ( 10 minuten) 12

weet het alarmnummer 112 te bellen en doet melding wie hij is, waar hij is, hoeveel slachtoffers en welke
hulpdienst hij moet hebben 12

weet wat te doen bij duizeligheid en flauwvallen (minstens 10 minuten op grond laten liggen) 12

weet hoe te handelen bij iemand met epilepsie (zorg dat iemand zich niet stoot, pak het slachtoffer niet met
geweld vast) 12

weet met gebroken ledematen, hoe hij moet handelen en wat hij niet moet doen 12



Modulair - Fietstechniek


1. Fietskennis


2. Banden
3. Comfort
4. Veiligheidseisen
5. Gebruik, onderhoud en reparaties



1 Fietskennis

Ik kan het voorwiel aanwijzen 01

Ik kan het achterwiel aanwijzen 01

Ik kan het stuur aanwijzen 01

Ik kan het zadel aanwijzen 01

Ik kan de trappers aanwijzen 01

Ik kan de bel aanwijzen 01

Ik kan het slot aanwijzen 01

Ik kan de standaard aanwijzen 01

Ik kan het voorwiel benoemen 02

Ik kan het achterwiel benoemen 02

Ik kan het stuur benoemen 02

Ik kan het zadel benoemen 02

Ik kan de trappers benoemen 02

Ik kan de bel benoemen 02

Ik kan het slot benoemen 02

Ik kan de standaard benoemen 02

Ik kan de bagagedrager aanwijzen 02

Ik kan het frame aanwijzen 02

Ik kan het voorlicht aanwijzen 02

Ik kan het achterlicht aanwijzen 02

Ik kan de dynamo aanwijzen 02

Ik kan de jasbeschermer aanwijzen 02

Ik kan de reflectors aanwijzen 02

Ik kan het spatbord aanwijzen 02

Ik kan de versnelling aanwijzen 02

Ik kan de kettingkast aanwijzen 02

Ik kan de spaken aanwijzen 02

Ik kan het ventiel aanwijzen 02

Ik kan de remmen aanwijzen (niet bij terugtrapfiets) 02

Ik kan 3 onderdelen van de fiets opnoemen 02

Ik kan 5 onderdelen van de fiets opnoemen 02

Ik ken verschillende soorten fietsen, driewieler, kinderfiets, damesfiets, tandem 02

Ik kan aangeven welke leeftijd bij welke fiets hoort 02

Ik kan de bagagedrager benoemen 03

Ik kan het frame benoemen 03

Ik kan het voorlicht benoemen 03

Ik kan het achterlicht benoemen 03

Ik kan de dynamo benoemen 03

Ik kan de jasbeschermer benoemen 03

Ik kan de reflectors benoemen 03

Ik kan het spatbord benoemen 03

Ik kan de versnelling benoemen 03

Ik kan de kettingkast benoemen 03

Ik kan de spaken benoemen 03

Ik kan het ventiel benoemen 03

Ik kan de remmen benoemen 03

Ik kan 10 onderdelen van de fiets opnoemen 03



2 Banden

Ik zie en merk aan een zachte band dat ik deze moet oppompen 03

Ik weet hoe je een band op moet pompen 03

Ik weet wat ik allemaal nodig heb om een band op te pompen 03

Ik kan een band oppompen 04

Ik kan zien of merken dat een band lek is omdat deze steeds weer leegloopt 04

Ik kan controleren of het ventiel nog goed is 05

Ik kan een ventiel vervangen 05

Ik weet hoe je een lekke band moet lappen 05

Ik weet welk gereedschap ik nodig heb om een band te lappen 05

Ik kan een lekke band lappen 06

Ik weet wanneer je een lekke band moet vervangen 06

Ik weet welk gereedschap ik nodig heb om een band te vervangen 06

Ik kan een lekke voorbinnenband vervangen 07

Ik kan een lekke voorbuitenband vervangen 07

Ik kan een lekke achterbinnenband vervangen 08

Ik kan een lekke achterbuitenband vervangen 08

Ik weet en kan de maat van de band aflezen op een buitenband 08

kan met een pneumatische bandenpomp een band oppompen tot de gewenste spanning en dit ook aflezen 08

3 Comfort

Ik weet wanneer een zadel / stuur op goede hoogte staat 04

Ik weet welk gereedschap er nodig is om een stuur / zadel hoger of lager te zetten 04

Ik kan een stuur/zadel in hoogte verstellen 04



4 Veiligheidseisen

Ik kan een nieuwe bel monteren 03

Ik kan een jasbeschermer vervangen 04

Ik kan een reflector monteren 04

Ik kan opsporen waarom de verlichting het niet doet 07

Ik kan de bedrading aansluiten op de dynamo, koplamp, achterlamp 07

Ik kan een kapot voorlampje / achterlampje vervangen 07

Ik kan een koplamp / achterlamp repareren / vervangen 08

Ik kan een dynamo goed afstellen 08

Ik kan de bedrading vervangen 10



5 Gebruik, onderhoud en reparaties

Ik zet mijn fiets stevig neer op de standaard 03

Ik weet dat ik mijn fiets op een droge plaats op moet bergen 03

Ik weet, dat stoepranden op en af fietsen niet goed is voor banden, velgen, spaken 03

Ik weet dat ik mijn fiets op slot moet zetten 03

Ik weet waarom ik werkende verlichting moet hebben 03

Ik weet dat ik mijn verlichting uit moet zetten, of meenemen 03

Ik weet dat ik mijn fiets met enige regelmaat moet poetsen ivm roest 04

Ik kan een fiets schoonmaken 04

Ik kan een fiets poetsen 04

Ik kan remblokjes goed afstellen 08

Ik kan remblokjes vervangen 08

Ik kan een remkabel smeren 08

Ik kan een stroeflopend slot weer gangbaar maken 08

Ik kan een fietsstandaard (de)monteren 08

Ik kan een snelbinder aanbrengen 08

kan moeilijk bereikbare plekken schoonblazen met een luchtpistool 08

Ik kan een remkabel vervangen 09

Ik kan een slot vervangen 09

Ik kan een kettingkast open en dicht maken 10

Ik kan een afgelopen ketting er weer opleggen 10

Ik kan een eenvoudige versnelling afstellen 10

Ik kan een loszittende trapper vastzetten 10

Ik kan versleten pedalen vervangen 10

Ik kan spatborden aanbrengen 10

Ik kan een bagagedrager aanbrengen 10

Ik kan stuurspeling ongedaan maken 11

Ik kan speling in de wiellagers ongedaan maken 11

Ik kan de ketting op spanning brengen met de kettingspanner 11

Ik kan een ketting schoonmaken en smeren 11

Ik kan een ketting vervangen 12

Ik kan een kettingkast vervangen 12

Ik kan een kromme voorvork vervangen 12

Ik kan loszittende spaken op spanning brengen 12

Ik kan een spaak vervangen 12


Modulair – Houtbewerking



1. Hout- en gereedschapskennis
2. Verbindingen
3. Zagen
4. Boren
5. Beitelen
6. Raspen
7. Vijlen
8. Schuren
9. Schaven
10. Frezen
11. Spijkeren
12. Schroeven
13. Lijmen
14. Nieten
15. Klemmen
16. Meten en aftekenen
17. Veiligheid


1 Hout- en gereedschapskennis

Ik kan veelvoorkomende houtgereedschappen benoemen 01

Ik kan veelvoorkomende houtsoorten benoemen 05

2 Verbindingen

Ik kan verschillende houtverbindingen benoemen, zoals halfhouts, messing en groef, keep, pen en gat,


deuvel, tand, zwaluwstaart, verstek, hoekankersverbinding 05
Ik kan een hoekankersverbinding maken 07

Ik kan een verstekverbinding maken 08

Ik kan een keepverbinding maken 10

Ik kan een halfhoutsverbinding maken 10

Ik kan een deuvelverbinding maken 10

Ik kan een pen en gatverbinding maken 12

Ik kan een tandverbinding maken 12

3 Zagen

Ik kan met een toffelzaag fijn materiaal (latjes) afzagen 03

Ik kan met een figuurzaag vormen uit triplex zagen 04

Ik kan met een handzaag, planken, balken en plaatmateriaal recht afzagen 05

Ik kan met een verstekzaagmachine hout haaks en in verstek afzagen 05

Ik kan met een elektrische figuurzaag vormen uit triplex zagen 08

Ik kan met een reciprozaag hout doorzagen 10

Ik kan met een afkortzaag latten, balken en plaatmateriaal haaks en onder een hoek afkorten 10

Ik kan met een decoupeerzaag vormen uit plaatmateriaal zagen 11

Ik kan met een stationaire cirkelzaag planken, balken en plaatmateriaal in de lengte op breedte zagen 12


Ik kan de stationaire cirkelzaag instellen 12

4 Boren

Ik kan mbv de kolomboormachine een gat in hout boren 03

Ik kan met een schroefboormachine een gat in hout boren 05

Ik kan met een verzinkboor een gat verzinken 06

In kan een boor in de boormachine inspannen 07

Ik kan de boortafel op hoogte instellen 08

Ik kan met de kolomboormachine mbv een gatenzaag grotere ronde gaten in hout zagen 10

Ik kan de boormachine op diepte instellen 12

Ik kan met een langgatboor tbv een pen in gatverbinding, een sleuf uitboren 12

5 Beitelen

Ik kan mbv steekbeits ingezaagde stukken hout wegbeitelen 06

Ik kan met een guts holle vormen (schaalvorm) uitgutsen 09

6 Raspen

Ik kan met een rechthoekige rasp hout recht afraspen 03

Ik kan met een halfronde rasp ronde vormen uitraspen 04

Ik kan met een ronde rasp kleine ronde vormen uitraspen 04



7 Vijlen

Ik kan met een rechthoekige vijl hout recht afvijlen 03

Ik kan met een halfronde vijl ronde vormen uitvijlen 04

Ik kan met een ronde vijl kleine ronde vormen uitvijlen 04



8 Schuren

Ik kan met grof schuurpapier een vlak ruw opschuren 02

Ik kan met fijn schuurpapier een vlak fijn afwerken 02

Ik kan voor grote oppervlakken met een vlakschuurmachine schuren 05

Ik kan voor veel-snel werk met de schuurbandmachine schuren 08

Ik kan voor veel - snel werk met een mobiele bandschuurmachine schuren 09



9 Schaven

Ik kan met een blokschaaf een plank smaller schaven 08

Ik kan met de vandiktebank planken / balken dunner schaven 10

Ik kan de vandiktebank instellen 12

Ik kan met een afvlakbank een balk afvlakken 12

10 Frezen

Ik kan met een bovenfrees figuren / sleuven / profielranden uitfrezen 12



11 Spijkeren

Ik kan met een bankhamer / klauwhamer een spijker recht in het hout slaan 03

Ik kan met een klauwhamer een spijker uit het hout trekken 04

Ik kan met een nijptang een spijker uit het hout trekken 04

Ik kan de goede maat spijker voor mijn werkstuk kiezen 05

Ik kan met een drevel een spijker onder de oppervlakte drevelen 06

Ik kan met een schiethamer houten onderdelen aan elkaar schieten 12

12 Schroeven

Ik kan met een priem een gat in het hout prikken voordat ik ga schroeven 02

Ik kan een platbekschroef met een platbekschroevendraaier in en uit het hout draaien 03

Ik kan een kruiskopschroef met een kruiskopschroevendraaier in en uit het hout draaien 03


Ik kan met een schroefboormachine + bijbehorend bitje een schroef in en uit het hout draaien 06

13 Lijmen

Ik kan houten onderdelen met houtlijm / bruislijm aan elkaar lijmen 02



14 Nieten

Ik kan met een nietmachine dun houten plaatmateriaal vast hechten 06



15 Klemmen

Ik kan een werkstuk in een houten bankschroef spannen 03

Ik kan voor een booractiviteit mijn werkstuk in een boormachineklem spannen 05

Ik kan de ingesmeerde lijmverbinding met lijmklemmen vastklemmen 07



16 Meten en aftekenen

Ik kan met een blokhaak haakse en verstekhoeken aftekenen 07

Ik kan met een lineaal kleinere afmetingen opmeten en aftekenen 08

Ik kan met een duimstok / rolmaat grotere maten opmeten en aftekenen 09

Ik kan met een kruisbout een maat aftekenen over een langere lengte 10

Ik kan een eenvoudige bouwtekening lezen 12



17 Veiligheid

Ik benoem de volgende veiligheidsmiddelen: gehoorbeschermer, stofjas, stofkapje, veiligheidsbril, haarnetje 01

Ik gebruik uit mezelf de veiligheidsmiddelen 02

Modulair – ICT



1. Laptop
2. PC
3. Word
4. Paint
5. Internet
6. Mail
7. Chat
8. Afdrukken



1 Laptop

kan met hulp een laptop voorzien van stroomkabel en muis 08

kan zonder hulp een laptop voorzien van stroomkabel en muis 09

kan de laptop aanzetten 10

kan de laptop uitzetten via start, afsluiten 10

2 PC

weet dat het bureaublad het overzicht is van de computer 08

weet dat je via het bureaublad in programma's kan komen 08

kan zelf via in het bureaublad in een programma komen 08

weet dat je door middel van dubbelklikken op het icoon een programma opent 09

weet dat je door middel van het kruis in de rechterbovenhoek het programma sluit 09

weet dat de harde schijf een soort van dossierkast is 10

weet dat je mappen en bestanden op de harde schijf kan zetten 10

kan zelf een nieuwe map maken 11

kan zelf een map verwijderen 11

kan de map een eigen naam geven 11

kan een bestand opslaan in een map 12




Deel met je vrienden:
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina