Doelenboek vso – De Plantage



Dovnload 1.77 Mb.
Pagina8/14
Datum17.05.2018
Grootte1.77 Mb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   14

10 Burgerschap Wonen

Weet welke verschillende woonsituaties er zijn (bij je biologische ouders, adoptie, internaat) 08

Kent gevolgen van een lichamelijke handicap of ziekte op de woonomgeving (dagroosters, begeleiding,
woongroep) 08

Benoemt verschillen tussen ontwikkelingslanden en Nederland (arm/rijk, huisvesting, gezondheids, etc) 09

Benoemt de kenmerken van verschillende culturen en de invloed op de omgeving (feesten, kleding,
inrichting, etc.) 09

Weet in welke woonsituatie hij na school terecht komt 10

Weet wat zwervers zijn en dat deze mensen op straat wonen 10

Weet dat vluchtelingen in een opvangcentrum wonen 10

Verschil tussen rijk en arm en de gevolgen voor de directe omgeving van mensen (grootte van de auto en
het huis, (merk) kleren, vakanties) 11
Weet bij welke stichting financiële ondersteuning aangevraagd kan worden (om een woonomgeving aan
te passen) 12
11 Burgerschap Bestuur en Besluit

Geeft zijn mening of kiest voor een optie bij beslissingen in de klas (waar gaan we heen, waar iets komt


te staan) 09

Zit in een leerlingenraad, groepsraad of een commissie 09

Vertelt dat mensen boven de 18 jaar mogen stemmen 09

Vertelt dat de burgemeester de baas van de staf of het dorp is 09

Vertelt dat de koning(in) de baas van Nederland is 09

Vertelt dat Nederland een regering heeft 10

Benoemt regels (wetten) en afspraken die de regering maakt voor heel Nederland (snelheid, niet stelen,
school, uitkering) 10

Vertelt dat in een democratie dat iedereen mag zeggen wat hij wil 10

Vertelt dat in een democratie er gekozen wordt wat het beste voor de meeste mensen is 10

Vertelt dat er landen zonder democratie zijn, waar soms één iemand alles beslist (dictator) 10

Vertelt dat belasting geld is dat de regering mag uitgeven 11

Benoemt 4 dingen die door de belasting worden betaald (politie, wegen, scholen, lantarenpalen) 11

Benoemt regels en afspraken die de gemeente maakt (parkeerplekken, winkels, parken, vuilnis) 11

Vertelt wat een mening is (een opvatting van iemand die kan verschillen tussen mensen) 11

Vertelt dat de regering bestaat uit ministers 12

Vertelt dat de Europese Unie regels en afspraken maakt voor Europa 12

Vertelt dat een politieke partij een groep mensen is met dezelfde ideeën/mening 12

Vertelt dat partijen met veel stemmen in de regering komen 12

Vertelt dat de regels en afspraken worden nagekeken door de eerste en tweede kamer 12

Stemt op een politieke partij 12



12 Omgaan met vrije tijd

Speelt zonder problemen naast een andere leerling (bij de watertafel) 01

Laat zien of hij een activiteit leuk vindt (m.b.v. lichaamstaal) 01

Laat zien dat hij feest (vieren) leuk vindt (m.b.v. lichaamstaal) 01

Geeft aan welke activiteiten in de klas hij leuk vindt door ernaar te wijzen (poppenhoek) 02

Geeft passsief een voorkeur voor bepaald speelgoed door ernaar te wijzen 02

Houdt variatie in spelen en speelgoed 03

Benoemt bij een zichtbare keuze zijn voorkeur voor bepaald speelgoed of activiteit 03

Pakt een boek om plaatjes in te kijken 03

Benoemt drie activiteiten die in de vrije tijd worden uitgevoerd 04

Probeert aangeboden onbekende activiteiten uit 04

Geeft bij een activiteit of sport niet gelijk op bij tegenslag 05

Oefent met verschillende sporten 05

Oefent met drama, dans en toneel 05

Weet wat een hobby is en vertelt over de eigen hobby 06

Weet dat er verschillende hobby’s zijn en geeft enkele voorbeelden 06

Zoekt of kiest een gezamenlijke hobby met een vriend(in) 07

Sluit zich aan bij een club 07

Stopt met een activiteit als het fysiek wenselijk is 07

Ontwikkelt een voorkeur voor muziek 07

Stopt met een activiteit als dat sociaal wenselijk is (tv-kijken bij bezoek) 08

Zoekt verschillende mogelijkheden om zijn vrije tijd aangenaam in te vullen 08

Vertelt dat een club of vereniging inzet, volharding en tijd kost 08
Weet dat hobby’s geld kosten 09

Beseft dat bij een club gaan verplichtingen tegenover andere leerlingen met zich mee neemt 09

Komt door vrije tijdsbesteding tot rust en ontspanning 09

Bestelt eten en of drinken in een drink of eetgelegenheid (terras, bar, restaurant) 09

Kiest een boek (of tijdschrift) uit in de bibliotheek 09

Breidt zijn sociale contacten uit langs het verenigingsleven 10

Ziet bezoek en het bezoeken van familie, vrienden en kennissen ook als vrijetijdsbesteding 10

Gaat af en toe naar culturele activiteiten (schouwburg, concert) 10

Huurt een dvd naar eigen keuze 10

Zoekt een evenwicht in zijn daginvulling tussen vrijetijds- en andere activiteiten 10

Weet dat interesse en hobby of sport elkaar beïnvloeden 11

Surft gericht over het Internet naar een onderwerp van zijn of haar interesse 11

Neemt initiatief om een dagje leuke activiteiten te ondernemen (koffie drinken in de stad) 11

Verkent regelmatig nieuwe ontspanningsmogelijkheden 11

Gebruikt het Internet om contacten te leggen 11

Koopt de benodigde spullen om zijn hobby of sport uit te oefenen 12

Maakt een bewuste en gevarieerde keuze binnen bekende ontspanningsmogelijk heden 12

Brengt een oordeel uit over de vrijetijdsbesteding (voorbereiding, inzet, kosten t.o.v. plezier gezelligheid,


prestige) 12

Realiseert zijn activiteiten en behoeften grotendeels zelfstandig 12



13 Omgaan met TV- kijken

Weet dat hij in plaats van te zappen ook bewust een programma kan kiezen om te kijken 06

Weet dat er verschillende soorten programma's zijn 06

Weet voor welk soort programma hij een voorkeur heeft 07

Weet waar je informatie kunt vinden over tv-programma's (televisiegids, krant, teletekst) 08

Weet dat als hij in een tekst een feit wil opzoeken, hij niet altijd alles precies hoeft te lezen 08

Leest in cijfers genoteerde tijden 09

Weet hoe je in de tv-gids de dag kunt vinden waar je iets over wilt weten 10

Weet hoe je in de krant kunt vinden welke programma’s er op een bepaald tijdstip zijn 11

Weet hoe je een leuk programma in de gids kan vinden door gebruik te maken van genre-indelingen en


symbolen 11
Vindt in de krant welke programma’s er op een bepaald tijdstip zijn 12

Vindt in de tv-gids de dag waar hij iets over wil weten 12

Vindt een leuk programma in de gids door gebruik te maken van genre-indelingen en de symbolen 12


AVAT - Stagetraining



1. Mogelijkheden voor toekomstig werk
2. Beeld van eigen mogelijkheden
3. Stageplan
4. Rechten en plichten
5. Belangenorganisatie en officiële stukken



1 Mogelijkheden voor toekomstig werk

Noemt dat de school na het vso overgaat in een werkomgeving 09

Noemt de taken die een stagiair op school mag uitvoeren (kopiëren, koffie verzorgen) 09

Noemt verschillende beroepen waarmee hij in het dagelijks leven wordt geconfronteerd (bakker, kapper,


vuilnisman) 09

Noemt verschillende vormen van werk (in een activiteitencentrum, in een sociale werkplaats, in het vrije bedrijf) 09

Noemt verschillende werkplekken in regio die voor hem haalbaar zijn 09

Noemt de activiteiten die in een activiteiten dagelijks worden uitgevoerd 09

Noemt twee voor hem haalbare werkplekken 10

Noemt verschillen tussen school en werk (werktijden, collega’s, baas, loon, contract) 10

Noemt de belangrijkste producten of diensten die het stage bedrijf levert (bij mijn stagebedrijf maken ze
pizza’s) 10

Noemt taken die de werknemers in het stagebedrijf uitvoeren 11

Noemt voorbeelden van stagetaken waarbij netheid belangrijk is (juiste aantal schroeven in doosje) 11

Noemt voorbeelden van stagetaken waarbij samenwerken met collega’s belangrijk is (samen sjouwen) 11

Noemt voorbeelden van stagetaken waarbij tempo belangrijk is (pizza’s beleggen binnen een tijdslimiet) 11

Noemt naast de huidige stagetaken 12

Noemt de taken die hij als werknemer in het stagebedrijf uit kan gaan voeren 12

Noemt voorbeelden van stagetaken waarbij praktische vaardigheden van belang zijn (bij het onkruid wieden


moet ik kunnen 12

Noemt voorbeelden van stagetaken die hij zelfstandig uit moet kunnen voeren 12



2 Beeld van eigen mogelijkheden

Geeft aan op welke wijze hij op tijd op zijn werk komt of kan komen 09

Geeft, indien relevant, aan dat het activiteitencentrum een fijne werkplek is voor hem 09

Geeft aan naar welk specifiek activiteiten centrum in de regio hij zou willen 09

Vertelt van een taak of hij die lichamelijk aan kan 10

Zit op één lijn met de begeleiders of hij een recent uitgevoerde taak goed begrepen heeft 10

Vertelt wat hij een leuke werkplek vindt 10

Zit op één lijn met de begeleiders over taken netjes en of snel uitvoeren 11

Zit op één lijn met de begeleiders of hij er verzorgt uit ziet 11

Zit op één lijn met de begeleiders of hij de juiste kleding draagt 11

Zit op één lijn met de begeleiders of hij zich aan werktijden houdt 11

Zit op één lijn met de begeleiders of hij tegen aanmerkingen op zijn werk kan (bv dat mensen hem uitleggen


of tonen hoe iets anders moet) 11

Zit op één lijn met de begeleiders welke praktische vaardigheden nodig zijn in het bedrijf 12

Zit op één lijn met zijn begeleiders of hij de benodigde praktische vaardigheden bezit 12

Zit op één lijn met zijn begeleiders over welke praktische vaardigheden hij nog aan moet leren 12

Zit op één lijn met de begeleiders over zelfstandig uitvoeren van zijn stagetaken 12

Zit op één lijn met de begeleiders over goede omgang met zijn collega’s 12

Zit op één lijn met de begeleiders over uit zich zelf beginnen aan een nieuwe taak 12

3 Stageplan

Vertelt tijdens een introductiegesprek op een stageadres zijn naam en zijn school 09

Vertelt tijdens een introductiegesprek op een stageadres dat hij graag stage wil lopen 09

Noemt het belang van stagelopen of proefdraaien op een werkplek 09

Noemt het belang van begeleiding bij het stage lopen of proefdraaien 09

Geeft aan welke activiteiten hij leuk vindt bij het stagelopen of in het activiteiten centrum (bij het proefdraaien) 09

Vertelt aan een bekende over positieve en negatieve gebeurtenissen tijdens een stagedag 09

Noemt het belang van leerafspraken met de begeleider 10

Weet welke leerafspraken hij gemaakt heeft en houdt zich aan de leerafspraken 10

Vertelt welke taken hij wel en niet leuk vindt om te doen 10

Vertelt in een begeleidingsgesprek wat hij makkelijke en moeilijke taken vindt van de stage 11

Vertelt of hij in het stagebedrijf zou willen werken 11

Geeft in een begeleidingsgesprek aan wat hij al kan en wat hij nog wil leren in de stage 12

Vertelt in een introductiegesprek welke taken hij op school of andere stage goed kon 12

Vertelt in een introductiegesprek welke taken hij op school of stage leuk vond om te doen 12

4 Rechten en plichten

Weet dat je altijd moet komen op je werk, je werk af moet maken en je netjes moet gedragen 09

Weet hoe laat er begonnen wordt en wanneer de pauzes zijn 09

Weet dat er een beperkt aantal vakantiedagen is 09


weet dat vakantiedagen van te voren moeten worden aangevraagd 09

Weet dat anderen niet aan hem mogen zitten als hij dat zelf niet wil 09

Weet dat je voor werk betaalt krijgt 10

Weet bij welke persoon hij terecht kan om seksuele intimidatie te melden (de begeleider, de docent of de vertrouwenspersoon) 10

Meldt zich bij ziekte bij de juiste persoon ziek 10

Weet dat niet iedereen evenveel betaald krijgt 11

Weet hoeveel salaris hij ongeveer kan verwachten 11

Weet dat als je goed je werk doet, je soms kunt leren voor een andere taak binnen het bedrijf 12



5 Belangen organisaties en officiële stukken

Herkent de stageovereenkomst van de school 09

Noemt de functie van een stageovereenkomst (dat er afspraken in staan over tijden, taken en geld waaraan
iedereen zich aan houdt) 10

Controleert de eigen naam en adresgegevens op de stageovereenkomst (na hardop voorlezen) 10

Bergt het stagecontract en andere belangrijke papieren netjes op 11

Is zorgvuldig met belangrijke papieren wanneer hij ze ergens mee naar toe neemt (het stage contract) 11

Vraagt ondersteuning bij formele stukken en papieren 11

Vertelt wie formele zaken voor hem regelt 11

Vult zelf zijn naam en adresgegevens op officiële stukken in (de stageovereenkomst) 12

Herkent aanvraagformulieren rond stage en werk 12

Weet in hoofdlijnen de functies van aanvraagformulieren rond stage en werk (dat er geld mee aangevraagd
wordt om te zorgen dat hij op dit bedrijf kan werken) 12

Kent een voor hem belangrijke organisatie (bijvoorbeeld MEE) 12



AVAT - Praktijkverkenning

  • Taartenbakpunt

  • Kookcafé

  • Corvee Bloementuin

  • Corvee Plantage

  • Svens kinderboerderij

  • Klussen

Voor bovengenoemde praktijkverkenningsplekken geldt allemaal:

1. Persoonlijke vaardigheden
2. Sociale vaardigheden
3. Arbeidsvaardigheden



1. Persoonlijke vaardigheden

toont inzet en motivatie 07

ziet er verzorgd uit (goede lichaamsverzorging) 09

draagt gepaste kleding 10

is ontvankelijk voor kritiek 10

stelt "collega's" informatieve vragen over het werk 12



2. Sociale vaardigheden

heeft goed contact met de leiding 09

vindt het werk leuk (kan dit verbaal of nonverbaal laten merken) 10

weet dat fouten gemaakt kunnen worden en verontschuldigt zich hiervoor 10

kan met collega's contact maken en onderhouden 12

3. Arbeidsvaardigheden

begrijpt de opdracht 06

kan enkelvoudige opdrachten uitvoeren 06

durft een bekende om hulp te vragen 09

laat uit zichzelf het werk controleren zodra hij/zij denkt klaar te zijn 09

verbetert de eigen manier van werken na een getoond voorbeeld 09

houdt zich aan de opdracht 10

blijft af van apparaten waar hij/zij niet aan mag komen 10

weet dat er zuinig omgegaan moet worden met verbruiksmaterialen 10

past de benodigde praktische vaardigheden toe 10

weet aan welke praktische vaardigheden nog gewerkt moet worden 10

kan de stagetaken min of meer zelfstandig uitvoeren 10

kiest passend gereedschap bij een uit te voeren opdracht 11

houdt zich aan de hygiënische voorschriften op het werk 12

houdt zich aan de veiligheidsvoorschriften op het werk 12

levert werk af dat aan de gevraagde kwaliteit voldoet 12

weet zonder dat het gezegd wordt wat voor werk er gedaan moet worden 12


AVAT - Begeleide Stage


  • Alves Melkveehouderij

  • C-1000 Greidanus

  • C-1000 Odink

  • Eigen Wijze (huishoudelijk)

  • Eigen Wijze (groen)

  • Ruttens Hoekje (camping)

  • Horse Team (manege)

  • Halewijn (techniek)

Voor bovengenoemde Begeleide Stage plekken geldt allemaal:

1. Persoonlijke vaardigheden


2. Sociale vaardigheden
3. Arbeidsvaardigheden



1. Persoonlijke vaardigheden

toont inzet en motivatie 07

ziet er verzorgd uit (goede lichaamsverzorging) 09

draagt gepaste kleding 10

is ontvankelijk voor kritiek 10

stelt "collega's" informatieve vragen over het werk 12



2. Sociale vaardigheden

heeft goed contact met de leiding 09

kan contact leggen met derden 09

helpt anderen bij het uitvoeren van een taak wanneer dit gevraagd wordt 10

vindt het werk leuk (kan dit verbaal of nonverbaal laten merken) 10

helpt uit zichzelf een ander die hulp nodig heeft bij het uitvoeren van een taak 10

kan met collega's contact maken en onderhouden 12

maakt afspraken over wie wat doet en houdt zich hier aan 12



3. Arbeidsvaardigheden

begrijpt de opdracht 06

kan enkelvoudige opdrachten uitvoeren 06

kan samengestelde opdrachten uitvoeren 07

durft een bekende om hulp te vragen 09

houdt zich aan kledingvoorschriften op het werk (mutsen, overall) 09

maakt een langdurige opdracht af als daar steeds duidelijke aanwijzingen voor worden gegeven 09

werkt mee aan een opgeruimde werkplek bij het uitvoeren van de taak 09

laat uit zichzelf het werk controleren zodra hij/zij denkt klaar te zijn 09

heeft een acceptabel werktempo 09

verbetert de eigen manier van werken na een getoond voorbeeld 09

geeft aan wanneer hij/zij vindt dat een taak te moeilijk voor hem/haar is 09

heeft voldoende conditie om het werk vol te houden 10

houdt zich aan de opdracht 10

werkt door zonder zich af te laten leiden 10

weet dat er zuinig omgegaan moet worden met verbruiksmaterialen 10

past de benodigde praktische vaardigheden toe 10

staat open voor het uitvoeren van nieuwe werkzaamheden 10

zet door wanneer een taak niet onmiddellijk lukt 10

weet aan welke praktische vaardigheden nog gewerkt moet worden 10

loopt naar de begeleider voor een nieuwe taak wanneer de taak is afgerond 11

kiest passend gereedschap bij een uit te voeren opdracht 11

houdt zich aan de hygiënische voorschriften op het werk 12

houdt zich aan de veiligheidsvoorschriften op het werk 12

kan de stagetaken zelfstandig uitvoeren 12

levert werk af dat aan de gevraagde kwaliteit voldoet 12

weet zonder dat het gezegd wordt wat voor werk er gedaan moet worden 12

Modulair – Dieren



1. Algemeen
2. Transport
3, Onderhoud dierenverblijven, materiaal en omgeving
4. Voorzien van voeding en water
5. Verzorgen uiterlijk
6. Het stallen van dieren
7. Gezondheid
8. Voortplanting



1 Dieren: algemeen

kleedt zich om voor het werken met dieren 01

wast handen voor het werken met dieren 01

maakt kennis met dieren uit de omgeving d.m.v. zintuiglijke waarneming (ruiken, zien, tasten, horen, voelen) 01

is voorzichtig met dieren omdat deze kunnen bijten of krabben 01

blijft rustig in het bijzijn van dieren 01

benadert het dier op een rustige en veilige wijze, voor mens en dier 01

benoemt drie huisdieren bij het zien van de dieren (kat, konijn, hond) 02

aait en knuffelt het dier zachtjes en voorzichtig 02

is vriendelijk voor dieren 02

herkent en benoemt dieren van dezelfde soort (verschillende honden als hond, verschillende vogels als vogel) 02

onderscheidt huisdieren, boerderijdieren en dierentuindieren van elkaar op een afbeelding 03

wijst de kop en de staart aan van drie dieren op een afbeelding (hond, vogel, vis) 03

benoemt vijf huisdieren (kat, hond, konijn, cavia, hamster) 03

benoemt drie boerderijdieren op een afbeelding (koe, varken, kip) 03

benoemt drie dierentuindieren op een afbeelding (aap, leeuw, giraffe) 03

benoemt zeven huisdieren (kat, hond, konijn, cavia, hamster, vogel, vissen) 04

benoemt vijf boerderijdieren op een afbeelding (koe, varken, kip, schaap, geit, paard) 04

weet wat "vee" betekent 04

benoemt vijf dierentuindieren op een afbeelding (aap,, leeuw, giraf, beer, olifant) 04

benoemt drie omgevingen waar een dier kan leven; land, water, lucht 05

geeft bij een dier aan of het op land, in de lucht of in het water leeft 05

geeft bjj een dier aan of het een dag -of een nachtdier is 06

herkent "vreemde"onbekende dieren als dier (slang, vleermuis, zeepaardje, wandelende takken, eekhoorn) 06

is bekend met de 1e algemene basisbehoefte van 3 huisdieren (kat, hond, konijn) 06

is bekend met de 1e algemene basisbehoefte van 3 boerderijdieren (koe, varken, kip) 06

is bekend met de 1e algemene basisbehoefte van vissen 06

is bekend met de 1e algemene basisbehoefte van vogels 06

is bekend met de 1e algemene basisbehoefte van 5 huisdieren (kat, hond, konijn, cavia, hamster) 07

is bekend met de 1e algemene basisbehoefte van 5 boerderijdieren (koe, varken, kip, schaap, geit) 07

is bekend met de 1e algemene basisbehoefte van 3 dierentuindieren (aap, leeuw, giraf) 07

legt afbeeldingen van de levenscyclus van een dier in de juiste volgorde (kip, kikker, koe) 07

duidt van diverse dieren de mate van geschiktheid als huisdieren aan 07

weet dat dieren alleen (solitair), met zijn tweeën of in groepen leven (bijv. kudde, zwerm, school) 08

herkent een dierenspoor op de grond als dierenspoor 08

benoemt hoe beesten zich aanpassen aan de winter (winterslaap, in de modder, vogeltrek, eten verstoppen) 09

noemt de 4 verschillende soorten bedrijven waarbij je met dieren kan werken (recreatief, commerciële
dienstverlening, handelgericht en productiegericht) 09

benoemt specifieke eigenschappen van zoogdier 11

benoemt specifieke eigenschappen van insecten 11

benoemt vier verschillende diersoorten (zoogdieren, vissen, vogels, insecten) 11

verzorgt geheel zelfstandig een huisdier 11

benoemt bij de diersoorten een eigenschap en twee voorbeelden (zoogdier, vis, vogel, insect) 12

noemt 2 recreatiegerichte bedrijven (manege, kinderboerderij, dierentuin) 12

noemt 2 bedrijven gericht op commerciële dienstverlening (pensions/kennels, trimsalons, uitlaatservice) 12

noemt 2 bedrijven gericht op handel (dierenspeciaalzaken, afdeling dieren bij tuincentra) 12

noemt 2 productiegerichte bedrijven (melkveehouderij, pluimveehouderij, varkenshouderij) 12

benoemt het doel van het houden van vee op een productiegericht bedrijf 12

scheidt het afval (voedselresten, bodembedekking, glas, plastic, karton/papier, hout) 12

kan werken met registratiesysteem 12

toont zich bewust van de risico's en de gevaren die het werken met dieren met zich meebrengt 12



2 Dieren: transport

benoemt 3 transportmaterialen (kruiwagen, steekwagen, pompwagen, heftruck, rolcontainers) 10

weet dat een colli een ontvangsteenheid is waarin je producten binnenkrijgt 10

weet waar diverse materialen opgeruimd moeten worden (voer, bodembedekking, schoonmaakmaterialen, onderhoudsmateriaal) 10

voert materialen aan met de daarvoor bestemde transportmiddelen 11

voert materialen af met de daarvoor bestemde transportmaterialen 11

weet hoe verpakkingsmaterialen open gemaakt kunnen worden ( stanleymes, enz.) 11

slaat materialen op daarbij rekeninghoudend met kwetsbaarheid en eventuele bederfelijkheid van de producten 12

controleert aan de hand van bestel/pakbonnen de bestelling (tellen met kleurencodes op picto's) 12

controleert de ontvangen materialen op hoeveelheid, houdbaarheid en eventuele beschadigingen 12




Deel met je vrienden:
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina