Doelenboek vso – De Plantage



Dovnload 1.77 Mb.
Pagina6/14
Datum17.05.2018
Grootte1.77 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

7 Toegankelijkheid

Weet wanneer de klas verlaten mag worden en wanneer niet 02

Weet wanneer je bij een andere klas naar binnen mag 02

Weet wanneer hij in andere kamers (adjunct-directeur, IB-kamer, Logopediekamer, personeelskamer,


Snoezelruimte) mag komen 03

Kent de toegankelijkheid van huizen en tuinen en de school (niet zomaar ergens naar binnen lopen) 04

Kent de toegankelijkheid van de supermarkt als openbare gelegenheid 05

Kent de toegankelijkheid van de winkel als openbare gelegenheid 06

Weet in welke winkels voor hem geschikt zijn en welke niet 06

Kent de toegankelijkheid van het openbaar vervoer (met een vervoersbewijs) 07

Kent de toegankelijkheid van de bibliotheek, postkantoor, bank. 08

8 Routes herkennen en benoemen

Onderscheidt functies van bekende ruimtes waar hij zich in bevindt (keuken, toilet, lokaal) 01

Kent korte routes in en nabij het klaslokaal (naar de wc) 02

Benoemt oriëntatiepunten in en nabij het klaslokaal (bord, kast) 03

Benoemt oriëntatiepunten in de school (groep 8 bij de groene deur) 04

Kent de routes in de school (weet hoe hij op verschillende plaatsen 04

Benoemt oriëntatiepunten rondom de school (ingang kleuters is bij het grijze hek) 05

Kent routes rondom de school 05

Benoemt oriëntatiepunten in de nabije omgeving van de school of van huis (speeltuin, kerk) 06

Kent korte routes in de nabije omgeving van de school of van huis (naar de brievenbus, naar een speelplein) 06

Benoemt ruimtes met een bepaalde functie in andere huizen/ gebouwen (keuken, slaapkamer, woonkamer) 07

Loopt een korte route in een bekende omgeving aan de hand van genoemde oriëntatiepunten (verder de wijk


in: langs de kerk, tegenover de bushalte) 08
Loopt een lange route in een bekende omgeving aan de hand van genoemde oriëntatiepunten (naar een
andere wijk toe, naar een verder gelegen winkel) 09
Vindt de juiste plek met één aanwijzing van links en rechts (bij stoplicht naar links) 09

Benoemt oriëntatiepunten in de omgeving van een ander huis/ gebouw (tegenover een park, je komt langs een politiebureau) 10

Herkent in een onbekende omgeving genoemde oriëntatiepunten (standbeeld, spoorlijn over, langs het water) 10

Vertelt een ander of diegene links of rechts af moet slaan 10

Wijst op de plattegrond aan hoe je moet lopen 10

Geeft verschillende routes aan om op een bepaalde plek te komen 11

Geeft aan welke route hij het fijnst vindt om te nemen naar een bepaalde plek 11

Vindt de juiste plek met aanwijzingen van links en rechts (eerste straat rechts, na postkantoor links) 11

Vindt op een kaart de plek waar hij op dat moment is 11

Vertelt de weg op een plattegrond m.b.v. herkenningspunten (binnen na de wc links, buiten na de kerk rechts) 11

Benoemt oriëntatiepunten in bekende omgevingen waar hij niet vaak komt (vakantieomgeving, plekken in
een pretpark) 12

Vindt m.b.v. een plattegrond de weg in een gebouw 12

Vindt de weg in de eigen stad met behulp van een kaart 12

Vindt de weg in een onbekende stad met behulp van een kaart 12



9 Topografie

Benoemt de stad of dorp waarin hij woont 05

Benoemt de straat waarin hij woont 06

Benoemt twee in de buurt liggende dorpen of steden uit de omgeving 07

Ziet dat een woonwijk een geheel is (door de ligging of de straatnaamgeving) 08

Benoemt meerdere straten uit zijn omgeving 09

Wijst aan de hand van een legenda wegen, steden en bossen aan 09

Wijst op een liggende kaart bekende plaatsten in de buurt aan 09

Leert de overeenkomsten tussen de wereldkaart en een wereldbol 09

Wijst op de kaart van Europa landen aan (landen als geheel onderscheiden) 10

Wijst op de kaart van Europa Nederland aan en de plek waar hij woont 10

Onderscheidt zeeën en rivieren op een kaart 10


Benoemt Amsterdam als de hoofdstad van Nederland en wijst de ligging aan op een kaart 11

Benoemt Den Haag als de stad waar de regering werkt en wijst de ligging aan op een kaart 11

Wijst 5 landen aan op de kaart van Europa (op relevantie door vakantie of actueel nieuws) 11

Benoemt alle provincies en de bijhorende hoofdsteden 12

Kent vier voor de leerling relevante grote steden in Nederland en wijst ze aan op een kaart 12

Onderscheidt de continenten op de wereldkaart en wijst Europa aan 12

Zoekt op waar landen (landen uit het actuele nieuws) liggen op de wereldkaart 12
10 Functie van de leefomgeving

Benoemt de functie van een huis (wonen en slapen) 04

Benoemt de functie van een politiebureau in ieder dorp of iedere stad 05

Benoemt de functie van een brandweerkazerne in ieder dorp of iedere stad 05

Benoemt de functie van een kerk 06

Benoemt de functie van parken en speelplaatsen in een dorp of stad 06

Benoemt de functie van winkels 06

Benoemt verschillende soorten winkels 06

Benoemt de verkeersborden voor voetgangers zoals: voet en zebrapad, bus en tramhalte, woonerf 06

Benoemt de functie van een tandarts en een dokter in ieder dorp 07

Benoemt waar het eten en drinken vandaan komt 07

Benoemt de functie van sportvelden en sportcomplexen bij een stad of dorp 07

Benoemt de verkeersborden voor fietsers zoals: fietspad, voorrangsborden, stopborden 07

Benoemt de functie van verschillende beroepen en bedrijven in een dorp of stad 08

Benoemt de functie van gemeentehuis 08

Benoemt de functie van een ziekenhuis 08

Benoemt de verkeersborden voor auto’s zoals: autoweg, autosnelweg, doodlopende weg 08

Benoemt de voordelen van het openbaar vervoer (voor iedereen, minder druk op de weg.) 09

Benoemt de functie van flats en andere hoogbouw 09

Benoemt de voordelen van de functie van stadselementen t.o.v. dorpselementen (bioscoop, veel winkels


t.o.v. veel ruimte) 10

Benoemt de functie van de school voor het latere werk 10

Vertelt dat mensen de natuur nodig hebben om te leven (ademen , eten en drinken) 11

Benoemt de functie van het riool 11

Benoemt de functie van gas, water en licht 11

Benoemt functie van dijken en duinen in Nederland 12



11 Kennis over de omgeving

Weet dat er mensen zijn die stelen en bergt waardevolle spullen veilig op 06

Geeft drie recreatiemogelijkheden bij water (zwemmen, surfen, varen, duiken) 07

Geeft drie recreatiemogelijkheden in de bossen (wandelen, fietsen, dieren kijken, verzamelen) 07

Geeft drie recreatiemogelijkheden in een stad/ dorp (film, winkelen, uit eten, terras) 08

Geeft drie recreatiemogelijkheden in de bergen (klimmen, wandelen, skiën) 08

Benoemt 3 verschillen tussen het platteland en de stad (wandelen t.o.v. van winkelen, druk t.o.v. rustig) 09

Benoemt drie typische ‘gebouwen’ van het platteland en van de stad (molen, boerderij, hooischuur t.o.v.


flat, kantoren, stations) 09

Geeft een beroep dat bij het water hoort (visser, strandwacht, toerisme) 10

Geeft een beroep dat bij het platteland hoort (veeboer, tuinder) 10

Geeft een beroep dat in de stad hoort (kantoormedewerker) 10

Geeft een beroep dat in de industrie hoort (staalarbeider) 10

Geeft verschillen aan tussen klimaten en de invloed op activiteiten (warm land- zonnen, koud land- skiën) 11

Geeft een aanpassing die mensen moeten maken in de bergen (vallende rotsen, huis op palen) 12

Geeft een aanpassing die mensen moeten maken voor het water (dijken, duinen) 12




Oriëntatie op tijd



1. Tijdsindeling
2. Tijdsbegrippen
3. Dagplan
4. Kalender en agenda
5. Gebeurtenissen in de tijd
6. Geschiedenis en bronnen



1 Tijdsindeling

Herkent een patroon in de twee opeenvolgende activiteiten (na eten tandenpoetsen etc.) 01

Begrijpt het verschil tussen dag en nacht aan de hand van het verschil tussen wakker en slapen 02

Begrijpt dat er een vaste dagelijkse volgorde is 02

Begrijpt het verschil tussen dag en nacht aan de hand van het verschil tussen licht en donker 03

Begrijpt het verschil tussen dag en nacht aan de hand van het verschil tussen zon en maan 04

Geef aan dat een week langer duurt dan een dag 05

Geeft aan dat een week zeven dagen duurt 05

Zet dag, week, maand en jaar op de juiste volgorde van tijdsduur 06

2 Tijdsbegrippen

Begrijpt de woorden stoppen (klaar) en beginnen 02

Gebruikt het woord stopt 03

Begrijpt de woorden ochtend, middag, avond, dag, nacht 03

Gebruikt de woorden ochtend, middag, avond, dag, nacht 04

Benoemt de dagen van de week 04

Begrijpt de woorden eerst…dan, straks, daarna, eerste, laatste, volgende, wachten 04

Begrijpt de woorden jong, oud, nu, uur, vanochtend, vanmiddag, vanavond 04

Gebruikt de woorden uur, nu, straks, vanochtend, vanmiddag, vanavond, jong, oud 05

Begrijpt de woorden later, eerder, vorige, vandaag, gister, morgen, week 05

Noemt het huidige seizoen 06

Benoemt de vier seizoenen op volgorde 06

Benoemt de maanden van het jaar 06

Gebruikt de woorden morgen, gister, vandaag, week 06

Begrijpt de woorden wanneer, erna, hoe laat, (het is) voorbij 06

Gebruikt het woord half uur 06

Gebruikt de woorden eerst, dan, straks, daarna, eerste, laatste, volgende, wachten 07

Gebruikt de woorden minuten en kwartieren 07

Begrijpt de woorden voordat, nadat, toen 07

Begrijpt de woorden eergisteren en overmorgen 07

Begrijpt de woorden tot wanneer, zo meteen, hoe lang nog, na, nog twee keer slapen 07

Begrijpt de woorden tweede, derde, ervoor, te laat 07

Gebruikt de woorden voordat, nadat, toen 08

Gebruikt de woorden eergisteren en overmorgen 08

Gebruikt de woorden tot wanneer, zo meteen, hoe lang nog, na, nog twee keer slapen 08

Gebruikt de woorden tweede, derde, ervoor, te laat 08

Gebruikt de woorden minuten en kwartieren 08

Begrijpt de woorden vroeger, lang geleden, binnenkort, nooit 08

Begrijpt de woorden later, (toekomst), hoe lang (tijd) 08

Gebruikt de woorden vroeger, lang geleden, binnenkort, nooit 09

Gebruikt de woorden later, (toekomst), hoe lang (tijd) 09

Koppelt een handeling aan de woorden het is (bijna) tijd, (nog) even (door sneller te werken, op te schieten) 10

Kan inschatten hoe redelijkerwijs "een paar minuutjes" duren 11

Is bekend met de begrippen zomertijd en wintertijd 11

Weet wat zomertijd en wintertijd in de praktijk inhouden 11

Weet dat er tijdsverschillen bestaan met andere landen 12



3 Dagplan

Benoemt de activiteiten van het dagritmepakket. (zie begrijpend lezen) 01

Benoemt met behulp van het dagritme pakket welke activiteit nu aan de gang is 01

Bekijkt de dagindeling op het dagritmeschema en heeft tijdens de dag houvast aan het schema 01

Stopt en begint met een activiteit als dat gevraagd wordt 02

Benoemt m.b.v. het dagritmepakket de volgende activiteit 02

Benoemt de juiste volgorde van de activiteiten inde klas m.b.v. het dagritmepakket 03

Benoemt de juiste volgorde van de activiteiten opstaan, naar school, naar huis, naar bed 03

Gebruikt de dagdelen ochtend, middag, avond correct 04

Gebruikt de tijdsbegrippen nu, straks vanochtend, vanmiddag, vanavond 05



4 Kalender en agenda

Benoemt de dagdelen en de dagen van de week 04

Benoemt welke dag het is 04

Bepaalt m.b.v. de weekkalender welke activiteiten gedaan zijn en welke nog komen 05

Weet welke maand het is 05

Geeft aan dat een week zeven dagen duurt 05

Past de dagen van de week toe. 06

Benoemt de maanden van jaar 06


Leest de datum van vandaag af (deze wordt aangewezen of is gemarkeerd) 06

Wijst de datum van gisteren en morgen aan 06

Wijst de datum van eergisteren en overmorgen aan 07

Benoemt de duidelijke kenmerken van de vier seizoenen 07

Zet dag, week, maand op de juiste volgorde van tijdsduur 07

Gebruikt het begrip volgende 07

Noemt de datum van zijn verjaardag 07

Benoemt de huidige maand 07

Geeft het doel van een eigen agenda aan (dagritme staat in eigen agenda) 08

Ordent eigen activiteiten op dagen en dagdelen (vanochtend gespeeld, maandag gezwommen) 08

Wijst feestdagen, vakantie, een uitje op een kalender aan. (leraar noemt de datum) 09

Noteert activiteiten in een eigen kalender (feestdagen, verjaardag, uitje) 09

Zoekt de juiste datum en noteert afspraken in een eigen agenda 10

Zoekt de juiste datum in zijn agenda op en leest de activiteiten af 10

Koppelt seizoenen aan de maanden van het jaar 10

Leest de datum op twee manieren af (26 januari 2004/ 26-01-04) 11

Rekent hoeveel dagen/weken het nog duurt tot een volgende activiteit binnen één maand 11

Bepaald iemands leeftijd uit een geboortedatum 12

Rekent hoeveel dagen/weken het nog duurt tot een volgende activiteit over de maand heen 12

5 Gebeurtenissen in de tijd

Herinnert zich na herinnering van een concreet voorwerp een activiteit (bv. door het aanwijzen van een


voorwerp) uit de vorige les 02

Benoemt de juiste volgorde van de activiteiten m.b.v. het dagritmepakket 03

Benoemt de juiste volgorde van de activiteiten in de klas m.b.v. het dagritmepakket 03

Vertelt bij een foto over een speciale activiteit wat hij gedaan heeft (een feestdag, verjaardag of kamp) 03

Geeft globaal het dagritme van de dag aan zonder het dagritmepakket 04

Weet dat volwassenen ouder zijn 04

Vertelt zonder foto over een speciale activiteit wat hij gedaan heeft (een feestdag, verjaardag of kamp) 04

Benoemt de juiste volgorde van opstaan, naar school, huis, buiten spelen/ tv, eten, naar bed 05

Schat de leeftijd van groepsgenoten 05

Geeft aan welke evt. broer(s) en zus(sen) jonger of ouder zijn 05

Vertelt zonder foto over het weekend 05

Vertelt met een foto over een vorige lesactiviteit 06

Vertelt zonder foto over een vorige lesactiviteit 06

Geeft aan wat het vorige project of belangrijke activiteit was 07

Zet zijn familie in volgorde van leeftijd van jong naar oud 07

Ordent belangrijke gebeurtenissen in de juiste volgorde in het jaar (feestdagen, kamp, verjaardag) 08

Ziet in tijd vooruit door visueel ondersteund twee activiteiten in een week te plannen 09

Geeft aan hoeveel dagen (binnen een week) een belangrijke gebeurtenis nog weg is ( een feestdag,


verjaardag of kamp) 09

Ziet in tijd vooruit door visueel ondersteund twee activiteiten op een ochtend te plannen 10

Zet grote gebeurtenissen in zijn leven in de juiste volgorde (geboren, naar school, verhuizen, naar VSO) 10

Weet dat sommige activiteiten 1 keer per maand zijn (alarm, grofvuil) 10

Ziet in tijd vooruit door visueel ondersteund drie activiteiten op een ochtend te plannen 11

Zet de feestdagen (kerst, suikerfeest, verjaardag) op de juiste maand op een kalender 11

Zet de vakanties (herfst, kerst, voorjaars) in de juiste volgorde 11

Noemt in volgorde de grote vakanties waar hij naar toe is geweest (laatste drie) 11

Ziet in tijd vooruit door drie activiteiten op een ochtend te plannen (zonder visuele ondersteuning) 12

Weet wanneer er een nieuwe maand begint 12

Gebruikt een kalender om speciale gebeurtenissen uit het eigen leven in de tijd te situeren 12

Gebruikt een kalender om de tijd tussen deze gebeurtenissen correct te bepalen 12



6 Geschiedenis en bronnen

Weet dat de wereld er heel vroeger anders uit zag (hutten, speren, kleden, dierenvellen, ridders, zwaarden) 06

Plaats begrippen uit een specifieke periode bij elkaar (zwaard, ridder, jonkvrouw, paard) ( een ander voorbeeld
is speer, jager, berenvacht, verzamelaar) 07
Plaats twee duidelijk verschillende geschiedenisperiodes in de juiste volgorde in tijd 07

Kent het begrip uitvinding en kan dingen uit zijn omgeving noemen die er vroeger niet waren (vliegtuig,


snelle trein, computer) 08

Geeft bij een plaatje aan of het een plaatje van nu is of van vroeger 08

Noemt oude gebruiksvoorwerpen zoals een typmachine, zwart-wit tv, stoomtrein, koets 09

Geeft bij een verhaal aan of het verhaal zich in het nu afspeelt of vroeger 09


Geeft met een voorbeeld aan dat een gebruiksvoorwerp is veranderd door de invloed van de tijd (telefoon

kleiner en mobiel, auto sneller, computer kleiner en sneller) 10


Weet dat er een oorlog is geweest in Nederland en dat het voor veel mensen verschrikkelijk was 11

Zoekt feiten en gebeurtenissen op uit zijn eigen leven (door fotoboeken te bekijken en te vragen aan familie) 11

Weet dat er vroeger een andere munt was om mee te betalen, de gulden 12

Zoekt feiten en gebeurtenissen op in geschiedenisboeken 12



Oriëntatie op natuur en techniek



3. Inrichtingselementen van de natuur
4. Met zorg omgaan met de natuur
7. Soorten weer
8. Meten van het weer
9. Rekening houden met het weer
10. De gevolgen van het weer
11. Invloed van een seizoen
12. Natuurkundige verschijnselen
13. Knutselen en bouwen
14. Veiligheid



3 Inrichtingselementen van de natuur

Weet wat een park is en benoemt elementen uit het park (schommel, bomen, een vijver, paadje) 04

Benoemt een bos op een afbeelding 05

Benoemt een sloot 05

Benoemt de inrichtingselementen uit de natuur water, land en lucht 06

Benoemt bergen op een afbeelding 06

Benoemt het strand op een afbeelding 06

Benoemt een weide op een afbeelding 07

Benoemt een meer en een zee op een afbeelding 07

Legt afbeeldingen van dieren in de juiste leefomgeving (koeien bij weiland, aap in het bos.) 07

Benoemt enkele willekeurige elementen in de natuur (bossen, bomen, planten, bloemen, besjes, vogels,
insecten,etc.) 08

Benoemt verschillende vormen van water; zee, meer, rivier, beek 08

Benoemt twee kenmerken van water, land en lucht (dieren die er leven, begroeiing) 09

Benoemt verschillende soorten biotopen; weide, bos, strand 09

Herkent het verschil tussen loofbossen en naaldbossen (2 verschillende bomen) 09

Vergelijkt afbeeldingen van diverse landschappen 10

Geeft verschillende inrichtingselementen aan 10

Benoemt klei (aarde) en zand als verschillende grondsoorten 10

Benoemt twee verschillen tussen grasland en bos (dieren die er leven, planten die er leven) 11

Benoemt verschillende vormen van reliëf (bergen, duinen, heuvels) 11

Geeft verschillen aan tussen klimaten en de invloed op activiteiten (zonnen in warm land, skiën in koud land) 12

4 Met zorg omgaan met de natuur

Maakt kennis met het verzorgen van planten door samen water te geven in de klas 01

Gooit afval in de vuilnisbak in de klas 01

Verwoest geen planten 01

Gaat voorzichtig om met planten uit de klas 02

Gooit afval op het speelplein in de vuilnisbak of bewaart het afval 02

Weet waarom er prullenbakken in een park of op straat staan 03

Gooit afval buiten op straat in de vuilnisbak of bewaart het afval 03

Plukt geen bloemen uit de natuur 04

Loopt op de paden in een park en niet door het groen 04

Scheidt papier afval van ander afval 05

Scheidt glasafval van ander afval 05


Scheidt groenafval van ander afval 06

Scheidt batterijen van ander afval 06

Doet de lichten uit als hij een kamer verlaat (is zuinig met energie) 06

Laat water niet onnodig lang stromen (is zuinig zijn met water) 06

Zet elektrische apparaten uit als ze niet gebruikt worden (is zuinig met energie) 07

Weet dat in de herfst/ winter de verwarming aan moet (en de deuren dicht) 07

Gooit bloemen/planten weg die dood zijn 08

Weet waarom je geen afval op straat mag gooien 08

Gaat zuinig met papier om, zodat er niet te veel bomen worden gekapt (papier komt van bomen) 08

Geeft vier voorbeelden van goed omgaan met het milieu (scheiden van afval, afval netjes weggooien,


zuinig zijn met elektrische apparaten en zuinig zijn met water) 09
Beseft dat machines het milieu vervuilen en gebruikt ze met mate 10

Begrijpt het principe van winter en zomertijd voor het milieu 11

Geeft het belang aan van een houding van zorg en respect voor de omgeving (je hebt de natuur nodig om
te blijven leven) 12

7 Soorten weer

Maakt kennis met eenvoudige weersverschijnselen (staat in de zon en in de regen) 02

Begrijpt het woord weer 03

Gebruikt de 'weer' pictogrammen zon en regen juist 03

Gebruikt de 'weer' pictogrammen halfbewolkt en zon, sneeuw juist 04

Benoemt de regen en de zon 05

Benoemt sneeuw, wind en onweer 05

Benoemt het gemiddelde weertype bij het seizoen (lente/ zomer- warm en zon, herfst- wind en regen,


winter- koud, sneeuw) 05

Benoemt hagel en mist 06

Benoemt wat wel en niet te doen bij onweer (nooit onder een boom, maar een gebouw of een auto
binnengaan) 06

Kent de begrippen ijskoud en bloedheet 07

Brengt nuance in het soort regen (motregen of stortregen) 07

Beschrijft welk weer het vandaag is op basis van (globale) kenmerken (warm, bewolkt, zonnig, regen) 08

Benoemt dat verschillende weer-kenmerken kunnen voorkomen die tegenstrijdig lijken te zijn (zon, maar
koud en regen, maar warm) 09

Benoemt de verschillende weerpictogrammen bij het bekijken van een weerbericht 09

Weet wat een overstroming is 10

Weet wat orkaan is 10

Weet wat een hittegolf is 10

Herkent en vergelijkt het weer van enkele dagen (warmer, meer regenachtig, meer wind) 11


8 Meten van het weer

Herkent een (buiten) thermometer en geeft aan welke functie het heeft 08

Gebruikt een regenmeter om de hoeveelheid regen te kunnen meten 08

Leest een standaard thermometer af en vertelt hoeveel graden het is (boven nul) 09

Leest een standaard thermometer af en vertelt hoeveel graden het is (beneden nul) 10

Leest de temperatuur af van diverse thermometers 11

Leest de hoeveelheid regen af in millimeters 11

Meet de regen en de temperatuur gedurende een week en vult de resultaten in op een overzicht 12


9 Rekening houden met het weer

Trekt buiten met koud weer of als het regent een jas aan 05

Trekt handschoenen, een sjaal en een muts aan bij koud weer 05

Trekt een korte broek en een T-shirt aan bij warm weer (luchtige kleding) 05

Benoemt het verschil tussen een winter- en een zomerjas 06

Gaat zonder jas naar buiten met warm weer 06

Gebruikt een paraplu als het regent 06

Trekt een regenjas aan als het regent 07

Koppelt kleren en spullen aan een bepaald weertype (paraplu aan regen, badpak of zonnebrand aan warm,
dikke trui aan koud) 07

Past zijn kleding aan bij extreme weertype; erg warm, erg koud en regen 08

Kiest de juiste kleding uit bij gegeven weerpictogrammen zon, bewolkt, regen en sneeuw 08

Koppelt activiteiten aan bepaalde weertypes (spelletje binnen bij regen, strand bij zon, park bij zon en half


bewolkt, schaatsen bij ijs) 09

Past zijn kleding aan op het weerbericht van de dag (de weerkalender) 10

Houdt bij activiteitenkeuze rekening met het weerbericht van de dag (de weerkalender) 10

Past zijn kleding aan op het weerbericht (radio, tv, krant) van de vorige dag 11

Houdt bij het voorbereiden op vakantie rekening met een ander klimaat in het vakantieland (bij het inpakken
van kleding) 11

Houdt rekening met het weerbericht voor langere tijd bij het kiezen van activiteiten (radio, tv, krant) 12

Houdt rekening met het weerbericht voor langere tijd bij het kiezen van kleding (radio, tv, krant) 12



Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina