Doelenboek vso – De Plantage



Dovnload 1.77 Mb.
Pagina5/14
Datum17.05.2018
Grootte1.77 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

5 Getallen en cijfers

Beseft het tellen in relatie met cijfersymbolen (1-5) 03

Wijst de cijfersymbolen t/m 5 aan 03

Leest de cijfersymbolen t/m 5 04

Wijst de cijfersymbolen t/m 10 05

Leest de cijfersymbolen t/m 10 06

Schrijft de cijfersymbolen t/m 5 06

Herkent het symbool voor plus, min en is gelijk aan (+, - en =) 06

Geeft het verschil aan tussen tientallen een eenheden (1 tiental en 2 losse eenheden) 07

Leest de cijfersymbolen t/m 20 07

Schrijft de cijfersymbolen t/m 10 07

Geeft het verschil aan tussen het honderdtal, tientallen en een eenheden (10 en 2 lossen) 08

Wijst de cijfersymbolen t/m 100 08

Schrijft de cijfersymbolen t/m 20 08

Leest de cijfersymbolen t/m 100 09

Schrijft de cijfersymbolen t/m 100 10

Geeft het verschil aan tussen het honderdtal, tientallen een eenheden (1 honderdtal, 1 tiental en 2 lossen) 10

Leest de cijfersymbolen boven de 100 10

Herkent het keer symbool (x) 10

Herkent het symbool voor delen (:) 11



6 Handig rekenen

Splitst concrete voorwerpen met het besef d.m.v. tellen dat het totaal hetzelfde blijft (3 splitsen in 1 en 2) 03

Splitst hoeveelheden op plaatsjes met het besef d.m.v. tellen dat het totaal hetzelfde blijft (3 splitsen in 1 en 2) 04

Splitst een aantal turfstreepjes met het besef d.m.v. tellen dat het totaal hetzelfde blijft (4 splitsen in 3 en 1) 05

Splitst en voegt cijfersymbolen samen t/m 5 06

Splits en voegt getallen samen in tientallen en eenheden (12; 1 tiental en 2 losse eenheden) 07

Splits en voegt getallen samen door het tiental heen (12 splitsen in 8 en 4) 08

Splits en voegt getallen samen in tientallen door t/m 100 (50 splitsen in 40 en 10) 09

Typt op- en aftelsommen in op de rekenmachine en ervaart zodoende de werkwijze 09

Splits en voegt getallen samen door het honderdtal heen (115 splitsen in 100 en 15) 10

Typt op- en aftelsommen in op de rekenmachine en controleert eigen gemaakte sommen 10

Typt keersommen in op de rekenmachine en controleert eigen gemaakte sommen 11

Typt deelsommen in op de rekenmachine en controleert eigen gemaakte sommen 12

7 Rekensommen

Maakt optelsommen met getallen t/m 5 06

Maakt aftreksommen met getallen t/m 5 06

Maakt optelsommen met getallen t/m 10 07

Maakt aftreksommen met getallen t/m 10 07

Maakt optel- en aftreksommen met getallen t/m 20 (niet door het tiental heen, 12 + 3 = …) 08

Maakt optelsommen door het tiental heen (8 + 4 = …) 08

Maakt optelsommen met getallen t/m 50 09

Maakt aftreksommen met getallen t/m 50 09
Deelt handelend concrete voorwerpen door 2 09

Telt onder elkaar op en af t/m 50 10

Maakt optelsommen met getallen t/m 100 10

Vermenigvuldigt een getal met 2 10

Deelt handelend concrete voorwerpen door 3 10

Deelt handelend afbeeldingen door 2 10

Maakt aftreksommen met getallen t/m 100 11

Vermenigvuldigt met 5 en 10 (tafels) 11

Deelt een getal door 2 11

Deelt handelend concrete voorwerpen door 3 en 4 (taart in drie of vier stukken) 11

Deelt handelend afbeeldingen door 3 en 4 (taart in drie of vier stukken) 11

Telt onder elkaar op af t/m 1000 12

Vermenigvuldigen met getal t/m 10 12

Deelt door een getal t/m 5 12

Deelt handelend concrete voorwerpen door 5 t/m 10 12

Deelt handelend afbeeldingen door 5 t/m 10 12

Noemt de tafels 1 t/m 10 op 12

8 Klokkijken

Weet dat activiteiten aan tijd gekoppeld worden (begin, eind; start, stop) 02

Weet dat de tijd van een activiteit op een klok af te lezen is 03

Koppelt de dagelijkse activiteiten aan de hele uren (b.v. 12.00 uur eten) 04

Leest hele uren af 05

Leest hele en halve uren af 06

Koppelt dagelijkse activiteiten aan hele en halve uren 06

Leest kwart voor en over af 07

Koppelt activiteiten aan de kwartieren (pauze begint om kwart over drie) 07

Leest op vijf minuten nauwkeurig de tijd af 08

Leest op een digitale klok de hele uren tot 12 uur 08

Koppelt activiteiten aan minuten (duurt tot vijf over half) 08

Leest de klok op de minuut nauwkeurig af 09

Leest op een digitale klok de hele en halve uren tot 12.00 09

Leest op een digitale klok hele en halve uren tot 24.00 10

Zet digitale tijden om in analoge tijden met betrekking tot de hele uren (13.00 = 1 uur) 10

Leest op een digitale klok 5, 10 en 15 minuten (kwartieren) tot 24.00 11

Zet digitale tijden om in analoge tijden met betrekking tot halve uren en kwartieren. (13.30 = half twee) 11

Zet digitale tijden om in analoge tijden (13.32 = twee over half twee) 12

Beheerst tijdsberekeningen gekoppeld aan activiteiten (reisplanner, tv-gids) 12



9 Meten en wegen

Langs een liniaal tellen tot 10 (zonder cm begrip) 05

Wijst de lengte aan op een liniaal tot 10 cm 06

Meet en geeft de lengte aan van voorwerpen tot 12 cm (hele cm) 07

Meet en geeft de lengte aan van voorwerpen tot 20 cm (hele cm) 08

Meet en geeft de lengte aan van voorwerpen tot 30 cm (hele centimeters) 09

Weegt pakken van exact 1 kilo af met een keukenweegschaal 09

Leest het eigen lichaamsgewicht af op een weegschaal 09

Meet een halve en een liter vloeistof af 09

Meet en geeft de lengte aan van voorwerpen tot 1 meter (met een duimstok of rolmaat) 10

Meet en geeft de lengte aan van voorwerpen in halve centimeters 10

Weegt 50 en 100 gram nauwkeurig af 10

Meet vloeistof af in deciliters (1-10 dl) 10

Meet en geeft de lengte aan van voorwerpen tot 2 meter (met een rolmaat) 11

Meet en geeft de lengte aan van voorwerpen in halve centimeters 11

Weegt 100, 200, 300, 400, 500 gram nauwkeurig af (digitaal en analoog) 11

Meet vloeistof af in mililiters (tot 100 ml) 11

Meet en noteert de lengte van een afstand die langer is dan de rolmaat of duimstok 12

Meet en noteert de lengte aan van voorwerpen in milimeters 12

Weegt een willekeurig gewicht af en noteert het op de 10 gram nauwkeurig (digitaal en analoog) 12

Meet een vloeistof af en noteert het in 50 mililiter nauwkeurig 12


10 Standaardmaten

Gebruikt voor lengte het begrip centimeter 06

Gebruikt voor lengte het begrip centimeter en meter 07

Geeft aan dat 100 centimeter een meter is 08

Gebruikt met gewicht het begrip kilo 09

Gebruikt bij vloeistof het begrip liter 09

Schrijft de afkorting voor liter als (l.) 09

Schrijft de afkorting voor gram als (gr.) 09

Schrijft de afkorting voor centimeter/meter/kilometer als (cm. m. km.) 09

Gebruikt met gewicht de begrippen ons en gram 09

Geeft aan dat 100 gram een ons is 09

Gebruikt bij vloeistof het begrip deciliter 10

Schrijft de afkorting voor deciliter als (dl.) 10

Geeft aan dat 10 deciliter een liter is 10

Geeft aan dat 1000 gram een kilo is 10

Gebruikt het begrip km/uur 10

Gebruikt bij vloeistof het begrip mililiter 11

Geeft aan dat 100 mililiter een deciliter is 11

Geeft aan dat 1000 mililiter een liter is 11

Schrijft de afkorting als mililiter (ml.) 11

Geeft aan dat 500 gram een pond is 11

Gebruikt het begrip m/s 12



11 Eigen referentiemaat

Geeft aan of iemand langer of kleiner dan hij is 03

Doet ervaring op bij het ''meten'' van een voorwerp met een zelfgekozen maateenheid. (meten met
voetstappen,vijf bekers in 1 fles) 04

Vergelijkt de snelheid van voorwerpen (auto is snel, lopen gaat langzaam) 04

''Meet'' met een zelfgekozen maateenheid (iets is 5 voetstappen lang) 05

Schat in voorwerpen in hoe zwaar ze zijn (tafel is zwaar, stoel is lichter) 06

Schat van voorwerpen in hoe hoog een object is (op de kast is hoog, op de stoel is lager) 06

Vergelijkt schattend de snelheden van voertuigen, wat is sneller (lopen, boot, auto, vliegtuig) 07

Vergelijkt schattend zijn eigen lichaamsgewicht met het gewicht van andere voorwerpen (zwaarder of lichter) 08

Schat van voorwerpen in hoe zwaar ze zijn (1 pak suiker is 1 kilo en geen 10) 09

Schat van voorwerpen in hoe hoog een object is (deur is 2 m hoog en geen 10) 09

Schat de hoeveelheid van een beker water in en controleert het (minder of meer dan een liter) 10

Schat afstanden tot 10 meter (in meters) 11

Schat afstanden tot 100 meter (ongeveer 50 meters) 12

Schat de hoeveelheid vloeistof in (deci)liters 12

12 Procedure van betalen

Weet dat je zuinig moet zijn op geld (geld niet verliezen) 01

Speelt met (nep)geld 01

Herkent munten als geld 02

Herkent papiergeld als geld 02

Weet dat je dat je op biljetten extra zuinig moet zijn (geld niet verliezen) 02

Weet dat je (nep)geld uit je portemonnee aan een ander geeft 02

Leert objectgebonden de begrippen meer/minder (product 1 meer munten dan product 2) 03

Kent de functie van geld (ruilt geld voor producten in schoolwinkel) 03

Herkent 1 en de 2 euromunten 04

Ordent 1 en 2 euromunten op vorm 04

Weet zonder waarde besef dat je geld aan een ander geeft en daar een product voor terug krijgt 04

Benoemt munten van 1 en 2 euro 05

Vergelijkt munten en biljetten 05

Weet dat hij voor een twee euro stuk meer krijgt dan voor 1 eurostuk (objectgebonden) 05

Kiept de portemonnee om bij betalen, met het besef dat je ook geld terug krijgt (gaat niet om de juiste


hoeveelheid geld terug) 05

Ordent biljetten op uiterlijke kenmerken 06

Weet dat je voor 1 euro / 2 euro meer krijgt dan voro het kleingeld 06

Betaalt gepast met het juiste bedrag mee (telt mee met 1 en 2 euromunten) 06


Ordent het kleingeld op vorm 07

Wijst bij biljetten het juiste biljet aan 07

Betaalt gepast met 1 en 2 euromunten 07

Wijst met kleingeld het juiste muntje aan 08

Benoemt de biljetten tot 100 euro 08

Beseft dat je voor een 10 eurobiljet meer koopt dan met een 5 eurobiljet 08

Betaalt gepast met 5, 10 eurobiljetten en 1 en 2 euromunten 08

Benoemt het kleingeld 09

Legt biljetten opklimmend in waarde op volgorde (5,10,20,50,100) 09

Betaalt bepast met 5, 10 eurobiljetten, 1 en 2 euromunten en 20 cent en 50 cent 09

Weet dat een 2 euromunt evenveel is als twee losse euromunten 09

Telt terugbekregen geld op 10

Weet dat 5 losse euromunten evenveel waard zijn als een 5 eurobiljet 10

Legt kleingeld opklimmend in waarde op volgorde (5,10,20,50) 11

Betaalt gepast complexe bedragen zoals 4,56 met strategieën zoals een euro meer betalen 11

Controleert het bedrag met de bon 11

Weet dat één euro evenveel is als twee munten van 50 cent 11

Betaalt gepast complexe bedragen gepast (ook met kleingeld) 12

Maakt met kleingeld een groter bedrag (2 x 20 cent + 10 cent = 50 cent) 12

13 Prijzen van artikelen aflezen

Leest prijzen geschreven in hele euro's onder de tien (gaat ook om met .00 en ,-) 07

Leest prijzen afgerond op 50 cent onder de 20 euro 08

Leest prijzen afgerond op 50 cent boven de twintig euro 09

Leest prijzen afgerond op 10 en 20 cent 09

Leest prijzen van producten met onafgeronde getallen tot 20 euro 10

Leest prijzen producten met onafgeronde getallen tot 100 euro 11

Leest prijzen van producten met onafgeronde getallen boven de 100 euro 12



14 Prijzen vergelijken

Vergelijkt producten met afgeronde prijzen op de hele euro t/m 5 euro 08

Vergelijkt producten met afgeronde prijzen op de hele euro t/m 10 euro 09

Vergelijkt producten met prijzen afgerond op 50 cent onder de 10 euro 09

Vergelijkt producten met prijzen afgerond op 50 cent boven de 10 euro 10

Vergelijkt producten met prijzen afgerond op 10 en 20 cent (12,10 met 7,20/7,30 met 7,60) 10

Vergelijkt onafgeronde prijzen, waarvan het verschil nog zit in de hele euro's (2,45 met 7,30) 11

Vergelijkt artikelen van verschillende winkels in reclamefolders 12

Kent de verschillen tussen de euro en buitenlandse valuta 12

Kent het verschil tussen sparen en lenen en het voordeel van sparen 12



15 Elektronisch betalen

Kent het begrip pinpas en de functie en doet er ervaringen mee op 09

Pint met een pinpas of gebruikt zijn chippas in een winkel (pincode mag nog worden verteld) 10

Pint bij een betaalautomaat en weet hoeveel geld hij wil pinnen (pincode wordt nog verteld) 11

Pint of chipt bij een winkel of automaat en kent de pincode 11

Pint of chipt bij een winkel of automaat met het besef van de gepinde waarde 12

een zakrekenmachine eenvoudige rentepercentages 12

Maakt zich een voorstelling van de omvang van rentepercentages (50% is de helft, 25% is kwart) 12

Weet of iets meer of minder dan 50% is 12

Kent de begrippen half, kwart en driekwart 12

Kent de breuken ½, ¼ en ¾ 12

Weet dat 2/4 hetzelfde is als ½ 12

Kan breuken vereenvoudigen 12

Kan rekenen met breuken 12



Oriëntatie op ruimte (Mens en Wereld)




1. Lichaamsschema
2. Inrichtingselementen
3. Ruimtelijke begrippen
4. Plattegrond

5. Oriënteren met de plattegrond


6. In het verkeer (hoort bij gezond en redzaam gedrag)
7. Toegankelijkheid
8. Routes herkennen en benoemen
9. Topografie
10. Functie van de leefomgeving
11. Kennis van de omgeving


1 Lichaamsschema

Maakt kennis met de ruimte om zich heen (lengte, hoogte en diepte ervaring, grote kleine werkhoeken) 01

Wijst de verschillende lichaamsdelen aan (hoofd, benen, armen, oren, ogen, neus en mond) 01

Neemt een verandering van houdingen en bewegingen waar 01

Bootst verschillende houdingen en bewegingen van anderen na. 01

Wijst kijkend in een spiegel de belangrijkste delen van het gezicht aan (oog, oor, mond, neus) 02

Wijst bij anderen de belangrijkste lichaamsdelen aan 02

Wijst op een foto de belangrijkste lichaamsdelen aan (van voren gezien) 02

Benoemt de lichaamsdelen oog, oor, mond en neus 02

Voert de juiste bewegingen uit bij de begrippen omhoog en omlaag gekoppeld aan lichaamsschema


(arm omhoog) 02

Benoemt bij anderen de belangrijkste lichaamsdelen 03

Wijst en op een abstracte afbeelding de belangrijkste lichaamsdelen aan 03

Benoemt de lichaamsdelen hoofd, arm en been 03

Maakt de juiste bewegingen bij de begrippen boven en onder gekoppeld aan het lichaamsschema (doe je
handen boven je
hoofd) 03

Wijst op een foto van achteren genomen de lichaamsdelen aan 03

Imiteert houdingen van een afbeelding (van voren gezien) 03

Schat in hoeveel ruimte zijn eigen lichaam inneemt (kan er nog bij, op de bank, verstoppen achter een boom,


in een schoen past) 03

Wijst de voor- en achterkant van het lichaam aan 04

Maakt de juiste bewegingen bij de begrippen voor en achter gekoppeld aan het lichaamsschema (de handen
zijn achter haar rug) 04

Benoemt op een foto de belangrijkste lichaamsdelen (van opzij gezien) 04


Benoemt op een abstracte afbeelding van achteren de lichaamsdelen 04

Maakt de juiste bewegingen bij de begrippen vooruit en achteruit samen met het lichaamsschema (springt


vooruit achteruit) 05

Benoemt op een afbeelding de belangrijkste lichaamsdelen (van opzij gezien) 05

wijst de linker- en rechterkant van het lichaam aan met behulp van voorwerpen (een horloge of een ring) 06

wijst de linker- en rechterkant van het lichaam aan 07

Maakt de juiste bewegingen bij de begrippen links en rechts gekoppeld aan het lichaamsschema (de armen
naar links of naar rechts) 08

2 Inrichtingselementen

Herkent een vertrouwde plaats en vertrouwde voorwerpen 01

Weet dat er een wc aanwezig is 01

Vindt de speelplaats vanuit de klas 01

Vindt zijn eigen stoel in het lokaal 01

Weet waar veel gebruikte spullen in de klas liggen 01

Legt gebruikt materiaal bij elkaar 01

Ruimt de eigen tafel op 01

Wijst de verschillende plekken in de klas aan (blokkenhoek.) 02

Wijst de stoelen en de tafels aan als inrichtingselementen van de klas 02

Legt veel gebruikte (knutsel)spullen terug op hun plek (kwasten, kleurpotloden, placemat) 02

Wijst van concrete objecten aan welke dezelfde positie innemen (alle omgevallen kegels) 02

Wijst de klok aan in de klas 03

Benoemt de verschillende hoeken in de klas (poppenhoek, etc.) en drie onderdelen uit de hoek 03

Wijst verschillende onderdelen uit de speciale hoeken in de klas aan 03

Wijst verschillende voorwerpen aan op de speelplaats 03

Benoemt de stoelen en de tafels als inrichtingselementen van de klas 03

Legt speel- en knutselspullen op de juiste plek terug 03

Benoemt verschillende voorwerpen op de speelplaats 04

Wijst op een foto de zichtbare elementen van de eigen huiskamer aan 04

Wijst op een foto de zichtbare elementen van een slaapkamer 04

Wijst de van buiten zichtbare onderdelen van een huis aan (deur, raam, gordijnen, schoorsteen.) 04

Brengt orde in een beperkte ruimte (een speelhoek opruimen door spullen bij elkaar te leggen) 04

Benoemt op een foto de zichtbare elementen van een huiskamer 05

Benoemt de functie van de onderdelen uit de huiskamer 05

Wijst op een foto de zichtbare elementen van een slaapkamer aan 05

Benoemt enkele niet zichtbare elementen van een foto (spullen in een kast) 06

Benoemt inrichtingselementen uit een woonkamer zonder foto 06

Benoemt op een foto de zichtbare elementen van een slaapkamer 06

Wijst op een foto de inrichtingselementen van verschillende kamers in een huis aan (bad- slaapkamer.) 06

Benoemt inrichtingselementen van verschillende kamers in het huis zonder foto 07

Wijst elementen die buiten voorkomen (straat, boom) 07

Benoemt het type huis waarin hij woont (eengezinswoning, flat, boerderij, villa, rijtjeshuis) 07

Benoemt elementen die in de straat voorkomen (auto, lantarenpaal.) 08

Wijst op een afbeelding de inrichtings-elementen aan van een stad of een dorp (huis, school, markt, kerk,
winkel) 08

Benoemt de bordjes in een winkel (picto’s en tekst bordjes) 08

Benoemt de inrichtingselementen van een stad en/of een dorp (bibliotheek, bank, bedrijven, gemeentehuis,
kapper, tandarts, dokter) 09

Benoemt verschillende bebouwing in huizen (eengezinswoning, flat, boerderij, bejaardenhuis, villa, rijtjeshuis) 09

Benoemt de inrichtingselementen die in een openbaar gebouw kunnen voorkomen (receptie, toilet, lift,

wachtruimte) 10

Benoemt de inrichtingselementen in de natuur (bossen, bomen, planten, bloemen, besjes, vogels, insecten,
etc.) 11

Benoemt verschillende winkels (supermarkten, drogist, warenhuizen, brillenwinkels.) 11

Benoemt het riool als inrichtingselement 11

Weet dat kabels en riolen onder de grond liggen 11

Benoemt de inrichtingselementen van Nederland (zee, steden, rivieren, dijken, wegen, bossen) 12

3 Ruimtelijke begrippen

Reageert in de ruimte op de begrippen op en af 02

Reageert in de ruimte op de begrippen in, voor en achter 03

Gebruikt in de ruimte de begrippen op en af 03

Reageert in de ruimte op de begrippen naartoe, hierheen, naast onder 04

Gebruikt in de ruimte de begrippen in, voor en achter 04

Reageert in de ruimte op de begrippen voorbij, verder, middenin 05

Reageert in de ruimte op de begrippen, (hier)vandaan 06


Reageert in de ruimte op de begrippen dichtbij, veraf, dichterbij, verder af 07

Reageert in de ruimte op de begrippen even ver, dichtst bij, verst af 08



4 Plattegrond

Herkent de klas op een foto 01

Herkent een bekend persoon op een foto van bovenaf 02

Herkent bekende inrichtingselementen van bovenaf (foto van het bureau) 03

Wijst de concrete hoeken uit de klas aan op een getekende plattegrond 04

Wijst de inrichtingselementen (kast, bureau v/d juf) op een getekende plattegrond 05

Weet dat de inrichtingselementen een logische plek hebben 06

Benoemt op een plattegrond de inrichtingselementen uit de huiskamer 06

Benoemt op een plattegrond de inrichtingselementen uit de overige kamers (slaapkamer, keuken) 07

Benoemt op een plattegrond de kamers uit een huis op basis van de inrichtingselementen 08

Benoemt op een plattegrond de verschillende plaatsen van de school aan (wc, plein, klas) 08

Maakt (in de klas) een plattegrond met de belangrijkste inrichtingselementen van de klas (zonder


verhoudingen) 09

Legt een verband tussen de kleuren op de legenda en de plattegrond 09

Gebruikt de legenda om een plek op de plattegrond te vinden 10

Wijst veelkomende picto’s op een plattegrond van een openbaar gebouw aan (uitgang, wc, receptie.) 10

Vindt het treinstation op een kaart 11

Vindt op een plattegrond (alle) ruimtes in een gebouw 11

Geeft aan op een kaart in welk vak een bepaalde voorziening is te vinden (B-3) 12

6 In het verkeer (hoort bij Gezond en Redzaam Gedrag)

Ziet het gevaar van fietsen, lopen en spelen bij een (drukke) weg/ straat 01

Gaat niet van uit zichzelf van de stoep af 01

Loopt, afgezet op school, direct het schoolplein op 01

Blijft na schooltijd op de juiste plek op de taxi wachten 01

Doet uit eigen initiatief de gordel om in een auto of taxi 02

Stapt pas uit als de chauffeur het zegt 02

Kent waarschuwingsgeluiden (bel, sirene, toeter) 02

Reageert op de kleur rood door te stoppen en op de kleur groen te gaan lopen 03

Kijkt om zich heen bij het oversteken en steekt recht over 03

Blijft uit zichzelf in een openbare ruimte en in het verkeer bij de groep 04

Gebruikt het zebrapad of het voetgangerslicht (drukt op de knop) als dat aanwezig is 05

Steekt zelfstandig over bij een voetgangerslicht 06

Benoemt verschillende verkeersdeelnemers (fietser, auto, tram) 06

Kijkt naar links en rechts (2x) om te zien of er verkeer aan komt 07

Steekt zelfstandig over bij een rustige overzichtelijke straat 07

Kent verschillende vormen van openbaar vervoer (tram, bus, metro, trein) 07

Zoekt een veilige plek om over te steken (bij een rustig overzichtelijk stuk van de straat) 07

Steekt zelfstandig over bij een rustige straat met geparkeerde auto’s 08

Blijft rechts fietsen 08

Steekt zijn hand uit bij het fietsen 08

Weet welk vervoerskaartje er gekocht moet worden en waar dat te koop is 08

Steekt zelfstandig over bij een drukke straat 09

Reist zelfstandig met de trein (zonder overstappen opgehaald en afgehaald van het station) 09

Past de betekenis van enkele belangrijke verkeersborden toe 10

Reist zelfstandig met de trein en stapt over op een andere trein 10

Stempelt de eigen strippenkaart af 10

Benoemt de invloed van het weer op het verkeer 10

Zorgt voor verlichting in het donker en bij regen of mist 10
Kent de reistijd van een bekende route 11

Reist zelfstandig met de trein en stapt over op een ander openbaarvervoermiddel en andersom 11

Past alle voorrangsregels correct toe in het verkeer 12

Schat de reistijd van een onbekende route in 12

Kent de theorie van het verkeer voldoende om zijn brommercertificaat te halen 12



Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina