Doelenboek vso – De Plantage



Dovnload 1.77 Mb.
Pagina2/14
Datum17.05.2018
Grootte1.77 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14

Inhoudsopgave blz.2

Zintuiglijke en motorische ontwikkeling blz 3


Spelontwikkeling blz 7
Sociale Competentie (sociaal gedrag STIP) blz 8
Leren leren (werkhouding en aanpakgedrag) blz 13
Omgaan met Media blz 16
Communicatie (Nederlandse taal) blz 18
Leesvoorbereiding (Nederlandse taal) blz 20
Ondersteunende methodes om tot lezen te komen (Nederlandse taal) blz 22
De Leeslijn (Nederlandse taal) blz 24
Rekenen en Wiskunde blz 27
Oriëntatie op ruimte (mens en wereld) blz 34
Oriëntatie op tijd blz 39
Oriëntatie op Natuur en Techniek blz 42
Wonen en vrije tijd blz 49
AVAT - Stagetraining blz 52
AVAT - Praktijkverkenning blz 54
AVAT - Begeleide Stage blz 55
Modulair – Dieren blz 57
Modulair – E.H.B.O. blz 61
Modulair – Fietstechniek blz 62
Modulair – Houtbewerking blz 65
Modulair – ICT blz 68
Modulair – Kaarsen maken blz 70
Modulair – Kas/Tuin blz 72
Modulair – Klussen blz 76
Modulair – Koken en Catering blz 79
Modulair – Metaal blz 82
Modulair – Repro/Administratie blz 85
Modulair – Textiel blz 89
Bewegingsonderwijs blz 91
Zwemmen blz 94
Beeldende vorming blz 97
Muziek en bewegen blz 100
Dramatische vorming blz 104

Overzicht van Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap blz 105











Zintuiglijke en motorische ontwikkeling

1. Grove motoriek
2. Fijne motoriek
3. Voelen
4 Proeven
5. Ruiken
6. Luisteren
7. Kijken



1 Grove motoriek

Loopt stabiel 01

Loopt met rotatie in de romp 01

Maakt strek- en buigbewegingen met armen, benen en romp 01

Beweegt soepel armen en benen (trapt soepel tegen een bal) 01

Gaat de trap op door zijn been bij te trekken en houdt zich aan de leuning vast 01

Pakt een voorwerp van ene hand over in de andere hand 01

Loopt stabiel met iets in zijn handen 02

Heeft een correcte zithouding 02

Staat vanuit vaart plotseling stil 02

Gaat de trap af door zijn been bij te trekken 02

Springt op de platte voet 02

Springt van de ene voet op de andere 02

Rent zonder struikelen 02

Loopt op de tenen 03

Springt van een stoel af 03

Loopt op de tenen 03

Loopt op de hakken 03

Maakt asymmetrische bewegingen (huppelen met één been voor, ongelijk draaien van de armen) 03

Anticipeert met armbeweging om bewegende objecten af te weren 03

Vermindert vaart of versnelt bij rennen 03

Loopt met gekruiste armbeweging 04

Staat 3 sec op het voorkeursbeen 04

Springt met twee voeten tegelijk 04

Maakt symmetrische bewegingen vanuit schouder en elleboog (rondjes draaien met twee armen tegelijk) 04

Komt vlot vanuit buig tot stand en andersom 04

Loopt een trap afwisselend met rechter- en linkervoet op zonder leuning 04

Staat 3 sec op het niet-voorkeursbeen 05

Komt vloeiend tot zithouding vanuit rugligging 05

Rent rechtop 05

Staat 10 seconden op gecoördineerd en stevig op één voet 06

Loopt een trap afwisselend met rechter- en linkervoet af zonder leuning 06

Vertraagt en versnelt een bekende beweging (zwaaien, zwembeweging) 06

Hinkelt kort op het voorkeursbeen (3 sec) 06

Loopt en klapt tegelijkertijd in de handen 07

Springt symmetrisch op de tenen 07

Anticipeert met armbeweging om bewegende objecten op te vangen 07

Maakt rennend een sprong 07

Hinkelt kort op zowel het voorkeursbeen als het niet-voorkeursbeen (3 sec) 07

Voert complexe bewegingen uit die veel coördinatie vragen (fietsen, rolschaatsen) 08

Raakt met de handen de hielen aan bij springen 08

Maakt met armen en benen tegelijk verschillende (ritmische) bewegingen (rondjes draaien met armen,


tikken met benen) 08
2 Fijne motoriek

Maakt strek- en buig bewegingen met de vingers 01

Klapt in de handen 01

Maakt wapperende bewegingen vanuit de pols 02

Stopt blokken in een figurenstoof 02

Zet afwisselend vuisten op elkaar 02

Beweegt de vingers los van elkaar 02

Maakt grote draaibewegingen vanuit de pols (roeren) 03

Drukt grote knop aan de muur in met de hand (elektronische deur openen, bel) 03

Stapelt grote voorwerpen op elkaar (speelblokken) 03

Maakt draaibewegingen met vingers 04

Drukt een kleine knop in met de hand 04

Gebruikt een enkele vinger om een grote knop in te drukken (spatiebalk, muis, stopknop bus) 04

Stapelt kleine voorwerpen op elkaar (blokjes) 04

Kruist de middellijn van zijn lichaam (twee handen aan honkbalknuppel, hand op andere schouder leggen) 05

Tikt duim en wijsvinger tegen elkaar (bladzijde omslaan) 05

Maakt fijne draaibewegingen vanuit de pols (windt garen op een klos) 05

Gebruikt een enkele vinger om kleine knoppen in te drukken (telefoon, toetsenbord, deurbel) 05

Pakt kleine voorwerpen op (lucifers, rozijnen) 05

“Speelt piano” op de tafel door afwisselend met de vingers te tikken 06

Geeft met duim en wijsvinger aan hoe groot iets ongeveer is (hoeft niet juist te zijn) 06

Tikt met de tenen op de grond en houdt de hak op de grond 06

Stopt kleine voorwerpen in een doosje (lucifers, rozijnen) 06

Voert nauwkeurige handeling uit met zwaar voorwerp (inschenken, pan op pit, plant water geven) 06

Heeft een duidelijke voorkeurshand 07

Tikt afwisselend alle vingers van een hand tegen de duim 07

Raakt met gesloten ogen de neus aan 07

Geeft met duim en wijsvinger precies variërende groottes van voorwerpen aan 07

Heeft een voor hem passende pengreep 07

Maakt verschillende knopen, haakjes en ritsen los/ vast, open/ dicht 07

Strikt veters 07

Maakt verschillende bewegingen met linkerhand en rechterhand (één hand knijpt, de ander zwaait) 08

Pakt een voorwerp met zijn tenen op (doekje, potlood) 08

Slaat vanuit de pols gericht op een voorwerp (spijker inslaan, vliegenmepper) 09

Voert een precieze handeling met beide handen uit (ei breken, ketting vastmaken) 09

3 Voelen

Wijst het juiste materiaal aan als hij het gevoeld heeft (zand, water, scheerschuim) 01

Wijst het juiste bekende voorwerp aan als hij het gevoeld heeft (knuffel, auto, bal) 02

Geeft na voelen aan of iets koud of warm is 03

Geeft na voelen aan welk voorwerp groot is en welk voorwerp klein 03

Geeft na voelen aan of iets nat of droog is 03

Benoemt of hij geduwd, geaaid, gekieteld wordt of een tikje krijgt 03

Geeft na voelen aan welk voorwerp hard en welk voorwerp zacht 04

Geeft de plek aan waar hij wordt aangeraakt als zijn ogen dicht zijn 04

Geeft na voelen aan of iets ruw of glad is 05

Geeft na voelen aan welke strook lang is en welke kort 05

Wijst na geblinddoekt voelen van voorwerpen aan welk voorwerp hij gevoeld heeft 06

Beschrijft geblinddoekt hoe een voorwerp voelt (glad, koud, harig, zacht) 07

Beschrijft een voorwerp dat hij geblinddoekt voelt (kopje, potlood, sleutel) 07

Wijst bij geblinddoekt voelen aan welke bakjes met materialen hetzelfde voelen (2 bakjes zand, snippers,
slijpsel, woldraadjes, watjes) 07

Beschrijft overeenkomsten tussen twee gevoelde voorwerpen (wol en watjes, allebei zacht) 08



4 Proeven

Laat met mimiek, geluiden of gebaren zien of hij iets lekker of vies vindt smaken 01

Wijst na geblinddoekt proeven van twee etenswaren de juiste aan als hij ze vooraf heeft gezien
(hagelslag, chips) 02

Zegt of hij iets lekker of vies vindt smaken 02

Wijst na geblinddoekt proeven van vier etenswaren de juiste aan als hij ze vooraf heeft gezien
(jam, chips, hagelslag, appel) 03

Wijst na geblinddoekt proeven van meerdere etenswaren de juiste aan zonder ze vooraf te zien


(jam, kaas, banaan) 04

Benoemt na proeven of iets zoet of zout smaakt 05

Benoemt na proeven of iets zuur is of niet 06

Benoemt bij geblinddoekt proeven meerdere verschillende bekende etenswaren 06

Benoemt na proeven of iets bitter smaakt of niet 07

Onderscheidt één smaak in een gerecht (preisoep, aardbeienvla) 07

Benoemt verschillende smaken in een gerecht (wortel en vlees in de soep) 08

5 Ruiken

Ruikt ergens aan door te snuiven 01

Laat met mimiek, geluiden of gebaren zien of hij iets lekker of vies vindt ruiken (parfum, eten) 01

Geeft aan of geuren die hij na elkaar ruikt hetzelfde zijn of niet (koffie-koffie, koffie-zeep) 02

Zegt dat hij iets lekker of vies vindt ruiken 02

Wijst na geblinddoekt ruiken van twee bekende geuren de juiste aan (zeep, soep) 03

Benoemt na ruiken bij bekende gerechten wat er gemaakt wordt zonder dit te zien (ei, taart, nasi) 04

Wijst na geblinddoekt ruiken van vier bekende geuren de juiste aan (soep, zeep, koffie, snoep) 05

Benoemt na ruiken of er iets hartigs wordt gekookt of iets zoets wordt gebakken (bouillon, koekjes) 06

Benoemt bij geblinddoekt ruiken van vijf verschillende geuren welke hij heeft geroken (jam, zeep, soep,


koffie, boter) 07
6 Luisteren

Wijst de juiste persoon aan als papa of mama wordt genoemd (luistert naar het onderscheid in klanken) 01

Luistert naar klanken als fff, sss, mmm en imiteert deze 01

Zoekt in een ruimte waar het geluid vandaan komt 01

Luistert naar eenvoudige woordjes als die, bah, boek, pop en imiteert deze 02

Reageert adequaat op dingen die hij hoort (bij schoolbel naar huis, bij gekletter van borden aan tafel komen) 02

Gaat op zoek in een aangrenzende ruimte waar een geluid vandaan komt 02

Benoemt wie er aan komt als hij het stemgeluid van een bekende hoort (broer, juf, klasgenoot) 03

Wijst het juiste dier aan bij het geluid dat hij hoort 03

Benoemt geluiden uit de directe omgeving als de telefoon, piano, water dat uit de kraan stroomt, fluitketel 04

Geeft aan of een geluid dat hij hoort uit de klas komt of daarbuiten (dichtbij of veraf) 05

Kiest bij het luisteren naar geluiden uit zes plaatjes, drie plaatjes die horen bij de geluiden 06

Zet tijdens het luisteren naar een serie geluiden bijbehorende plaatjes in de juiste volgorde
(bijv. dierengeluiden, geluiden van vervoersmiddelen) 07

7 Kijken

Kijkt een paar seconden gericht naar een voorwerp 01

Zoekt een voorwerp tussen andere voorwerpen 01

Wijst op een plaatje herkenbare figuren aan (hond, poes, paard) 02

Zoekt twee dezelfde plaatjes bij elkaar 02

Wijst de pictogrammen die op school gebruikt worden aan die de leerkracht benoemt 02

Sorteert de primaire kleuren 02

Herkent eenvoudige lijnfiguren op kleurplaten 03

Zoekt een voorwerp en een plaatje van het voorwerp bij elkaar 03

Wijst de primaire kleur aan die de leerkracht benoemt 03

Sorteert basisvormen (rond, vierkant, driehoek) 03

Legt een boekje of plaatje goed dat op zijn kop ligt 04

Wijst de basisvorm aan die de leerkracht benoemt 04

Sorteert gelijke vormen van groot naar klein (vierkanten) 04

Combineert een zwart-wit voorstelling van een voorwerp met een gekleurde afbeelding hiervan 05

Geeft in een reeks van vier plaatjes aan welk plaatje hetzelfde is als het voorbeeld 05

Sorteert de secundaire kleuren (legt groen, oranje, paars, roze en grijze papiertjes bij elkaar) 05

Sorteert vijf concrete voorwerpen van groot naar klein 05

Geeft in een reeks van vier symbolen aan welk symbool hetzelfde is als het voorbeeld 06

Wijst de secundaire kleuren aan, die de leerkracht benoemt 06

Wijst de juiste vorm aan als de leerkracht een rechthoek of ovaal benoemt 06

Wijst de juiste figuur aan als een vorm en kleur worden genoemd (blauwe driehoek) 06

Legt gekleurde papieren op volgorde van licht naar donker in drie toonwaarden 07

Geeft in een reeks van vier gedraaide plaatjes aan welk plaatje hetzelfde is al het voorbeeld 07

Geeft bij vier blokjes in een rij aan welk blok het verst weg is en welke het dichtst bij 08

Legt gekleurde papieren op volgorde van licht naar donker bij meer dan drie toonwaarden 08

Geeft in een reeks van vier plaatjes aan welk plaatje anders is 08

Geeft verschil aan tussen twee gelijke afbeeldingen, waarvan bij één afbeelding iets is weggelaten 08

Wijst drie verschillen aan tussen twee plaatjes waar kleine verschillen in zitten 09

Wijst het juiste plaatje in een serie plaatjes aan als hij een stukje ervan te zien krijgt 09

Wijst een voorwerp aan tegen een onrustige achtergrond (verscholen voorwerpen in drukke plaatjes) 09

Spelontwikkeling


1 Leren (samen)spelen



1 Leren (samen)spelen

Imiteert spontane spelhandelingen van een ander 01

Kijkt naar spel van anderen 01

Houdt zich gericht bezig met het manipuleren van (speelgoed)voorwerpen 01

Combineert verschillende materialen zonder dat er sprake is van functioneel gebruik (knijpers in en uit een
doos) 01

Speelt kiekeboespelletjes 01

Imiteert eenvoudig aangeboden spel (liedje met beweging) 02

Speelt eigen spel naast een andere leerling 02

Laat zich leiden door uitnodigend spelmateriaal (klossen, voorwerp aan trektouw) 02
Houdt zich bij eenvoudig spel aan de regels (wel/ niet overlopen) 02

Richt zijn aandacht op dezelfde activiteit als een andere leerling 03

Speelt functioneel vanuit ervaringen met speelgoed (dieren in de wei zetten, blokken wegbrengen met een
auto) 03

Speelt doe-alsof spelletjes (pop voeren, in telefoon brabbelen, rond rennen als politieauto) 03

Speelt zoekspelletjes met een volwassene (verstoppertje) 03

Speelt even zelfstandig (in de poppenhoek) 03

Wacht op zijn beurt tot de leerkracht die aangeeft 03

Speelt naast andere leerlingen zijn eigen rol (samen in de keuken als moeder) 04

Doet uit zichzelf mee met het spel van anderen (hoeft nog niet te vragen of hij mee mag doen) 04

Gebruikt bekende voorwerpen om een situatie na te bootsen (stoelen als trein, knuffel uitlaten als hond) 04

Deelt materiaal met een ander 04

Vervult een beperkte rol in een gezelschapsspelletje met volwassene (dobbelsteen gooien) 04

Wacht op zijn beurt bij een spelletje met één medespeler 04

Vraagt bij spel of hij mee mag doen (of geeft dit non-verbaal aan) 05

Speelt met een ander kind doe-alsof spelletjes uit de directe beleving (vadertje en moedertje, winkeltje) 05

Neemt bewust een rol aan in spel (ik ben de chauffeur, meester) 05

Speelt eenvoudige spellen met medeleerlingen onder begeleiding (tikkertje, samen toren bouwen) 05

Speelt met een volwassene een gezelschapsspel (domino, lotto) 05

Verzint eigen regels bij spelletjes 05

Wacht op zijn beurt bij een spelletje met meerdere medespelers 05

Kiest een leerling met wie hij prettig samenspeelt 06

Vraagt om echte materialen (geen speelgoed) bij fantasiespel (echte bon, geld, boekje) 06

Speelt samen met materiaal dat samen gebruikt moet worden (bal, wip) 06

Benoemt het wanneer een ander zich niet aan de regels houdt (voor de beurt gaan) 06

Speelt fantasiefiguren na (sprookjes, tekenfilm) 06

Deelt materiaal waarmee hij eigenlijk zelf wil spelen (nu mag jij even) 07

Speelt gezelschapspelletjes uit met andere leerlingen (memory) 07

Speelt een verzonnen situatie uit (brandweer komt, blust, vertrekt) 07

Speelt zonder materiaal, maar met gebaren en verbalisaties (denkbeeldig bloemen plukken, visite binnen laten) 07

Spreekt met ander kind af wat ze in een (doe-alsof) spel gaan spelen (we gaan spelen dat we in een boot zitten


en dat het waait) 07

Kiest een ander op basis van gemeenschappelijke interesses (om iets leuks mee te doen) 08

Speelt op een ander moment zijn spel verder 08

Accepteert winst en verlies in spelletjes met een geluksfactor (mens-erger-je-niet) 08

Kent een aantal spelletjes om te spelen 08

Wijst een ander op de regels als die zich er niet aan houdt 08

Kent de basisspelregels van veel gespeelde spellen 08

Houdt zich aan de afspraak om eerst iets te doen wat de een leuk vindt, daarna iets wat de ander leuk vindt 09

‘Onderhandelt’ met een medeleerling om een activiteit te vinden die beiden willen uitvoeren 10

Bedenkt een eenvoudige spelstrategie en past deze toe (2 zetten vooruit bij dammen, andere route kiezen) 11




Sociale Competentie - Sociaal Gedrag STIP

1. Jezelf kennen en waarderen
2. Goed voor jezelf zorgen
3. Omgaan met gevoelens
4. Aardig zijn voor en rekening houden met de ander
5. Positieve relaties
6. Omgaan met de taak
7. Gesprek- en luistervaardigheden



1 Jezelf kennen en waarderen

Reageert op zijn naam 01

Wijst zijn ouders en medeleerlingen aan (in het echt en op een foto) 01

Kijkt blij en trots na een succeservaring 01

Kiest na hints (over grootte, zwaarte) uit twee voorwerpen het voorwerp dat te tillen is 01

Richt zijn aandacht op dezelfde activiteit als een andere leerling 01

Kijkt, luistert, voelt, proeft en ruikt gericht naar en aan een voorwerp 01

Reageert op een prettige of onprettige ervaring 01

Geniet bij het zien en beleven van blijdschap door lachen, zingen of huppelen 01

Wijst een lichaamsdeel aan en laat zien wat hij er mee kan 01

Geeft aan of iets nat of droog is 02

Geeft aan dat hij handen en armen heeft en toont op verzoek hiermee één of meer (sociale) functies 02

Geeft van zichzelf aan of hij een jongen of meisje is 02

Benoemt de namen van zijn eventuele broers en zussen 02

Geeft op verzoek zijn mening over zijn eigen voorkeur 02

Kiest uit twee of meer dagelijkse activiteiten wat hij leuk vindt om te doen 02

Doet zelf wat hij zelfstandig kan en vraagt meestal hulp wanneer dat nodig is 02

Toont zijn prestatie aan anderen en laat, nadat hij complimenten krijgt, zien dat hij trots is 02


Uit actief en/of passief zijn gevoelens en wijst naar de aanleiding 02

Maakt verbaal of non-verbaal duidelijk hoe oud hij is 03

Kiest een activiteit en nodigt hier een leerling voor uit in opdracht van een volwassene 03

Kiest gepaste kleding voor een dagelijkse situatie 03

Vertelt dat hij lief is of iets goed kan 03

Zet door zodra hij een fout maakt na aansporing van een volwassene 03

Laat met trots zien wat hij kan 03

Geeft aan wanneer hij gevoelens van angst ervaart 03

Geeft aan welke situaties gevoelens bij hem op kunnen wekken (bang, blij) 03

Geeft aan hoe hij zich voelt en dat een ander niet perse hetzelfde voelt 03

Herkent op de tast wat iets is en controleert of zijn waarneming juist is (door kritisch te kijken) 03

Geeft aan dat hij benen en voeten heeft en toont op verzoek één of meerdere functies ervan 03

Vertelt hoe oud hij is 05

Vertelt over gebeurtenis die hij heeft meegemaakt 05

Geeft aan wat hij mooi, leuk of lekker vindt wanneer hiernaar gevraagd wordt 05

Kiest geschikte kleding voor een situatie 05

Kiest een haalbare taak uit de keuze tussen een niet-haalbare en een haalbare taak 05

Is blij wanneer hij slaagt en neemt complimenten in ontvangst 05

Geeft aan wat hij kan en moeilijk vindt bij een dagelijkse redzaamheidstaak 06

Toont een ander met trots wat hij geleerd heeft 06

Benoemt lichamelijke verschillen tussen jongens en meisjes 07

Vertelt dat hij/zij in de puberteit lichamelijke veranderingen zal doormaken 07

Herkent zijn specifieke en meer complexe gevoelens 07

Vertelt wat voor geloof hij heeft 08

Vertelt wat voor nationaliteit en afkomst zijn ouders en hijzelf hebben 08

Beleeft zijn lichamelijkheid en die van anderen als vanzelfsprekend 09

Reageert adequaat op kritiek of correctie en doet er iets mee 09

Heeft zelfvertrouwen doordat hij trots is op wat hij kan 09

Vertelt wat seks is 09

Geeft aan welk aandeel hij heeft gehad bij een probleem/gebeurtenis 10

Accepteert dat de ander een andere overtuiging kan hebben 10

Handelt naar zijn geloof/overtuiging 10



2 Goed voor jezelf zorgen

Wast zijn handen 01

Geeft aan wat hij wil hebben of wil doen (keuze uit twee of drie dingen) 01

Geeft aan of iets eetbaar is en of hij het lekker vindt door te kijken, ruiken of te proeven 01

Poetst zijn tanden in opdracht van een volwassene 02

Herkent een onprettige situatie en trekt zich eruit terug 02

Weigert uit zichzelf een onredelijk verzoek 02

Kiest uit twee voorwerpen het voorwerp waar hij bij kan 03

Geeft tijdens het eten aan wat hij wel en niet aan kan 03

Vraagt uit zichzelf om een pleister of een andere medische handeling 03

Zegt het de ander als deze onaardig tegen hem is 05

Geeft aan wanneer een taak voor hem te moeilijk is 05

Verzorgt zijn eigen haren na aansporing van een volwassene 05

Zegt ‘nee’ tegen een onredelijk verzoek, ook na aandringen 06

Komt voor zichzelf op bij ongewenste intimiteiten (nee zeggen, weglopen) 06

Geeft aan of hij een activiteit alleen of samen wil doen en met wie 06

Geeft aan wat hij wil hebben of doen 06

Geeft op een gepaste wijze kritiek 06

Besteedt tijd aan leuke dingen, zoals een hobby 07

Eet en drinkt goed (voldoende, gezond, volgens dieet, regelmatig) 07

Wast zichzelf en trekt na aansporing van volwassene schone kleding aan 07

Poetst zijn tanden, verzorgt haren na aansporing van een volwassene 07

Toont verschil in omgang met familie, vrienden, kennissen, collega’s en vreemden 08

Komt voor zijn eigen mening uit 09

Heeft een juiste lichaamshouding (zitten, lopen en tillen) 09

Vermijdt zaken, die slecht zijn voor de gezondheid: alcohol, drugs, roken, gokken 09

Zorgt voor voldoende lichaamsbeweging 09
Gebruikt deodorant 10

Neemt voldoende frisse lucht 10

Gebruikt medicijnen volgens voorschrift 11

Slaapt voldoende en neemt genoeg rust en ontspanning 12



3 Omgaan met gevoelens

Toont blijdschap door springen, juichen of klappen zonder anderen daarmee vervelend te storen 02

Vertelt dat anderen dezelfde gevoelens kunnen hebben als hijzelf 03

Verwoordt en uit zijn gevoelens van verdriet en vraagt om te troosten 03

Uit zijn gevoelens van boosheid op een gewenste manier en zet zich erover heen 03

Doet een ander geen pijn en maakt geen dingen kapot 04

Geeft aan of een andere leerling zich boos, blij, bang of verdrietig voelt 04

Reageert na voordoen op een blij, verdrietig, boos of angstig gevoel van een ander 04

Deelt zijn trotse gevoel met anderen (blijdschap tonen) 05

Doet iets voor of geeft iets aan iemand van wie hij houdt 05

Zorgt ervoor dat hij alleen is wanneer hij daar behoefte aan heeft 06

Geeft op een gewenste manier aan dat hij behoefte heeft aan aandacht of gezelschap 06

Toont medeleven, bijvoorbeeld door troosten (kan zich in de gevoelens van anderen verplaatsen) 06

Geeft adequaat aan dat hij zich wel of niet prettig voelt 07

Brengt zijn gevoelens onder woorden 07

Vertelt dat anderen dezelfde gevoelens kunnen hebben en kan deze waarnemen 07

Geeft een ander gelegenheid zijn gevoelens te uiten 07

Kan tegen zijn verlies 07

Uit gevoelens van verlegenheid en onzekerheid op adequate wijze 07

Uit gevoelens van jaloezie op adequate wijze 07

Gaat adequaat om met gevoelens van verliefdheid 09

Gaat adequaat om met gevoelens van verlegenheid 09

Valt een ander niet lastig met zijn verliefdheid / seksuele gevoelens 09

Gaat adequaat om met gevoelens van verlies en rouw 09

Geeft aan wanneer hij behoefte heeft aan privacy 09

Kan aangeven wanneer hij behoefte heeft aan privacy 09

Houdt zich voldoende in bij de neiging tot schelden en vloeken 09

Gaat adequaat om met gevoelens van nervositeit, onrust: heeft geduld 09

Vertrouwt de juiste mensen: luistert naar diegene die anderen als betrouwbaar aanwijzen 09

Kent en gebruikt een oplossing om negatieve spanning kwijt te raken 10

Geeft niet te snel op: gaat om met gevoelens van frustratie en onmacht 10

Vertelt waarom hij eerlijk moet zijn 10

Is eerlijk in situaties waarin dit moet 10

Deelt ervaringen/gevoelens met een vertrouwd persoon 10

Signaleert zelf dat er ruzie dreigt 10

Gaat adequaat om met gevoelens van schaamte 11

Komt voor zichzelf op bij ongewenste intimiteiten door dit te melden 12

Gaat adequaat om met gevoelens van schuld en spijt 12

Gaat adequaat om met gevoelens van eenzaamheid 12

Gaat adequaat om met gevoelens van haat 12




Deel met je vrienden:
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   14


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©tand.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina